Geworden, moeder (schoon een kind niet zóo wijs
Kan zijn als gij) vandaag, en ook gelukger.
Gelukkiger en wijzer allebei.
Gij weet, dat padden, slangen, vieze wormen,
Vergiftige en kwaadaardige gedierten,
En takken, schadelijke bessen dragend,
In 't woud, mij altijd stoorden bij mijn tochten
Over de groene wereld, en dat ook,
Waar 't menschdom woont, mannen met hard gelaat,
Of trotsche en booze blikken, of met kouden
En starren gang, of valschen, hollen glimlach,
Of dommen grijns van ijdle onwetendheid,
Of andre leelke maskers waarmee slechte
Gedachten 't schoone wezen dat wij geesten
Mensch noemen, gansch verbergen,--en ook vrouwen,
Afzichtelijkst van al wat leelijk is
(Schoon lieflijk, in een wereld zelfs waar gij
Liefelijk zijt, wen zij oprecht en vrij,
Vriendlijk en goed zijn, dus op u gelijken),
Wanneer zij valsch of stuursch zijn,--als 'k voorbijging
Ofschoon zij sliepen en 'k onzichtbaar bleef--
Mijn hart ziek maakten.--Nu, mijn pad leidde onlangs
Dwars door een groote stad naar bosschige heuvels
Die haar omringden, en een schildwacht vond ik
Sluimerend aan de poort; toen er opeens
Een klank gehoord werd, zoo geweldig luid,
Dat in het manelicht de torens trilden,
Doch zoeter dan ooit stem, behalve de uwe,
Die 't allerzoetst is, klonk; een lang geluid,
Zoo lang, alsof het nimmer eindgen zou;
En al de inwoners sprongen plotseling
Op uit hun rust, bijeengaande in de straten,
Verwonderd opziend naar den hemel, wijl
Nog altijd de muziek voortgalmde. Ik borg mij
In een fontein op 't openbare plein,
Waar 'k lag als de weerspiegling van de maan
Gezien in 't water onder groene blaadren.
En weldra vloeiden die onschoone vormen
En aangezichten van de menschen heen,--
Waarvan ik zei dat zij mij leed aandeden--,
De lucht door, en verwelkend in de winden
Die ze verstrooiden, zij van wie zij weken
Schenen zachtmoedge, lieflijke gedaanten
Nadat een leelijke vermomming viel.
En allen waren eenigzsins veranderd,
En na kortstondige verwondering
En groeten blij-verbaasd, gingen zij allen
Weer slapen.--En, toen 't daagde,--kondt gij denken
Dat padden, slangen, salamanders, ooit
Schoon konden zijn? En toch waren zij schoon,--
Met weinig wijzging van hun vorm of kleur.
En alles had zijn slechten aard verloren.
Ik kan mijn vreugd niet zeggen, toen ik zag
Boven een meer, op een gebogen twijg
Omrankt van nachtschaduw, twee blauwe ijsvogels,
Hangende naar omlaag en etend van
Een heldre tros van amberkleurge bessen
Met snelle lange snavels, en in 't diep
Zag ik die lieflijke gestalten spieglen,
Als in een hemel. Zoo, met mijn gedachten
Vol van die heerlijke veranderingen,
Vinden we elkaar--zoetste verandring!--wêer.
*ASIA.*
En scheiden nimmer, tot uw kuische zuster,
Die de bevrozen, wisselende maan leidt,
Op uw gelijker, warmer licht zal zien
Totdat haar hart ontdooit, als vlokken van
Aprilsneeuw, en ze u liefheeft.
*DE GEEST V. D. AARDE.*
Wat, als Asia
Prometheus liefheeft?
ASIA.
Stil, lichtzinnige jongen,
Je bent nu nog niet oud genoeg. Wat denk je,
Door 't staren in elkanders oogenlicht,
Je lieve wezens te vermenigvuldgen
En den maanloozen hemel te doen weemlen
Van vuurge bollen?
*DE GEEST V.D. AARDE.*
Moeder, als mijn zuster
Haar uitgebrande lamp verzorgt, is 't dan
Niet hard dat 'k duister zijn moet?
*ASIA.*
Luister; zie!
_(De Geest van het Uur verschijnt.)_
*PROMETHEUS.*
Wij voelen wat gij hoorde en zaagt; maar spreek!
*DE GEEST VAN HET UUR.*
Na 't eindgen van den klank, wiens donder vulde
De afgronden van de lucht en de wijde aarde,
Was er weldra verandering: de ontastbre,
Dunne atmosfeer en 't al-omrondend zonlicht
Werden vervormd, alsof 't gevoel van liefde
Daar opgelost, zich om de ronde wereld
Gewikkeld had. Mijn oog werd helder toen,
En de heelal-geheimen kon 'k doorzien.
Duizelig als van wellust zweefde ik neer,
Waairend de heldre lucht met loome vlerken.
Mijn paarden zochten in de zon het oord
Van hun geboorte, waar zij voortaan vrij
Van arbeid zullen leven, bloemen grazend
Van een plantaardig vuur; en waar mijn wagen,
Gelijk de maan, zal staan binnen een tempel,
Bestaard door beelden, als van Phidias,--
Van u, en Asia, en van de Aarde, en mij,
En u, lieflijke nymfen, die de liefde
Die wij gevoelen in uw blikken draagt,--
Als een gedachtnis van de tijdingen
Die hij gedragen heeft,--onder een koepel,
Versierd met beitelwerk dat bloemen nabootst,
In evenwicht op twalef zuilen van
Schittrend gesteent, en open naar den hemel,
Die hel en lieflijk is. Daaraan geboeid
Door een aan beide zijden in een kop
Eindgenden slang, zal 't beeld dier vleugelpaarden
Den spoed waarvan zij rusten als bespotten.
Helaas! waarheen zwierf mijn eenzijdig praten,
Wijl al wat gij woudt hooren ongezegd blijft?
Zooals ik zeide, vloog ik neer naar de aard:
Het was, als 't nù nog is, de bijna pijn
Lijkende zaligheid van te bewegen,
Te aadmen, te zijn. En zwervend ging ik naar
De huizen en verblijven van het menschdom,
En was in 't eerst teleurgesteld, daar 'k nergens
Zoo machtgen omkeer zag als ik gevoeld had
Vanbinnen, uitgedrukt in het uitwendge.
Maar weldra zag 'k nauwlettender, en zie!
De tronen waren koningloos, en menschen
Zag 'k schrijden met elkaar als geesten doen.
Minachting, vrees, zelf-liefde of zelf-versmading
Stonden op 't menschenhoofd niet meer geschreven,
Als op de hellepoort: "Laat alle hoop
Varen, gij die hier intreedt."--Geen was toornig,
Geen beefde, niemand staarde naar eens andren
Koud en bevelend oog met felle vrees,
Tot het slachtoffer van tyrannenwil
Veracht werd (erger noodlot!) door zijn eignen,
Die hem ter dood spoorde als een krachtloos paard.
Geen boog zijn mond in lijnen die de waarheid
Verstrikten en den leugen die zijn tong
Niet wilde spreken door een glimlach uitten.
Geen die met harden grijns in 't eigen hart
De sprankelen vertrad van liefde en hoop,
Tot daar die bittere asch bleef van een ziel
Die door zichzelf verteerd is, en de ellendge
Gelijk een vampier onder 't menschdom kroop,
Alles besmettend met zijn leelke kwaal.
Geen sprak die algemeene, valsche, koude,
Ledige praat die het hart ontkennen doet
Het _ja_ dat 't ademt, en die nochtans maakt
Dat het die ongemeende huichlarij
Nog ondervraagt met naamloos zelfmistrouwen.
En vrouwen ook, oprecht, vriendlijk en schoon,
Gelijk de vrije hemel die frisch licht
En dauw op de wijde aarde regent, zag 'k
Voorbijgaan,--stralende, lieftalge wezens,
Gezuiverd, vrij, van der gewoonte smet,
De wijsheid die zij eens niet konden denken
Uitsprekend, en gevoelens die zij eens
Vreesden te voelen in haar blikken dragend,
Tot alles wat zij eens niet dorsten zijn
Veranderd,--nu zij 't waren, maakten zij
Van de aarde een hemel. Trots, naijver, nijd,
Noch valsche schaamte, bitterste dier droppen
Van opgespaarde gal, bedierven meer
Den zoeten smaak van de nepenthe, liefde.
Tronen, altaren, kerkers, rechterzetels,
Waarop, waarnaast, ellendelingen droegen
Schepters, tiara's, zwaarden, ketens, boeken
Beredeneerd onrecht, gevleid door domheid,--
Waren gelijk die monsterlijk-barbaarsche
Gestalten, geesten van vergeten roem,
Die van hun onversleten obelisken
Staren in zegepraal over paleizen
En tomben van wie hun verwinnaars waren,
Rondom vergaande. Die verbeeldden ook--
Hoogmoed van koningen en priesters wekkend--
Een donker, sterk geloof, een macht zoo wijd
Als het door haar verwoeste deel der wereld,
En wekken thans niets dan verbazing meer.
Zoo staan ook de symbolen en werktuigen
Der laatste slavernij van 't menschgeslacht
Tusschen de woningen der volkrijke aard,
Niet omgeworpen, maar door geen beschouwd.
En al die slechte wezens, god en mensch
Tot walging; onder meengen naam en vorm,
Vreemd, woest, spookachtig, duister en afschuwlijk,
Jupiter zijnde, de tyran der wereld,--
En die de volken, angst-geslagen, dienden
Met bloed en harten door langduurge hoop
Gebroken, en met liefde die zij sleurden
Voor hun bezoedelde, onversierde altaren
En moordden, waar de menschen tranen weenden
Niet weer-opeischend, vleiend wat zij vreesden--
Een vrees die haat was--, toornen, snel vergaand,
Over hun leedge heiligdommen thans.
't Gekleurde floers--leven genoemd door hen
Die wáren--dat al 't geen de mensch geloofde
Of hoopte, nabootste, als met ijdle kleuren,
Is weggescheurd. Het walglijk masker viel.
De mensch blijft over,--schepterloos en vrij,
Zonder beperking mensch: allen gelijk,
En niet verdeeld in klassen, stammen, volken,
Vrij van ontzag, vereering, stand, en koning
Over zichzelf, rechtvaardig, zacht en wijs,
Maar mensch. Hartstochteloos? dat niet,--maar vrij
Van schuld of leed--die wáren, want zijn wil
Schiep of verduurde ze; en nog niet bevrijd
Van kans, verandring, dood, ofschoon als slaven
Die trits beheerschend,--zware aanhangsels nog
Van dat wat anders hooger stijgen zou
Dan verste ster van de' onbeklommen hemel,
Torenend scheemrig in 't geweldig Leêg.
*VIERDE BEDRIJF.*
_(Tooneel: een deel van het woud bij de grot van Prometheus.
Panthea en Ione slapen, zij ontwaken langzamerhand gedurende
den eersten zang.)_
*STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.*
De bleeke sterren (ontvluchtend
Hun herder vol ijver:
De zon die ze sture
Ten stal diep in de uchtend,
En aansnelt in praal meteoren-verduisterend) vlieden voorbij
Zijn woning, de azuren,
Als herten den tijger,--
Maar waar zijt gij?
_(Een stoet van donkere vormen en schimmen gaat verward voorbij,
zingende)._
Zwaar, o zwaar
Is de baar voorwaar
Van den Vader van menig verdwenen jaar,
Zie hier leit
Het lijk van den Tijd,
In de tombe der eeuwigheid zij het gevlijd
Door ons die gaan
Met die last belaên:
Ons, de schimmen der Uren vergaan.
Strooi, o strooi
Nu lokkentooi,
Geen taxisloof; en tranendooi
Bevloei', geen dauw,
Het doodskleed grauw;
En spreidt verwelkte bloemen tot rouw
Uit het ontbloot
Prieel van den Dood
Op het lijk van den Urenkoning groot!
Gauw, o gauw!
Als schaûwen grauw,
Verjaagd door den dag van het hemelblauw,
Smelten wij heen
Als schuim der zeên
Van de kindren van tijden zonder geween,
Wijl de wiegezang luidt
Van wind die ruischt uit,
Stervend op 't hart van zijn eigen geluid.
*IONE.*
Wat donkre vormen zongen die wijs?
*PANTHEA.*
De Uren die stierven, zwak en grijs,
En zij droegen den buit
Nog verzameld bijeen
Uit de zege gestuit
Door Een alleen.
*IONE.*
Zijn zij heen?
*PANTHEA.*
Zij zijn heen.
Zij ontsnelden den wind
Als een woord zoo gezwind.
*IONE.*
Doch waarheen, o waarheen?
*PANTHEA.*
Naar het donkere, doode verleên.
*STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.*
Lichtwolke' in den hemel,
Dauwsterren op de aarde,
De zeeën vol baren;
En al dat gewemel
Drijft stormwind van wellust, verbijstering blij!
Vreugd trilt door hun scharen,
Ten reidans vergaarde,--
Maar waar zijt gij?
De pijnboomen suizen
't Oud lied met nieuw blij-zijn,
Fonteinen en waatren
Frisch-zangerig ruischen:
Als muziek van een geest rijst van 't land en de zee melodij;
De bergen beschaatren
Stormdonders die blij zijn,
Maar waar zijt gij?
*IONE.*
Wat wagenmenners zijn 't?
*PANTHEA.*
Waar zijn hun wagens?
*HALFKOOR I VAN UREN.*
Toen van Lucht- en Aardgeesten de stem ons riep
Is 't versierde gordijn van den slaap gescheurd
Dat ons wezen bedekte en ons worden ontkleurd'
In het diep.
*EEN STEM.*
In het diep?
*HALFKOOR II.*
O! onder het diep.
*HALFKOOR I.*
Wij waren gewiegd ontelbare jaren
In vizioenen van haat en naarheid,
En ieder die wakker werd vond de waarheid--
*HALFKOOR II.*
Wreeder dan zijn vizioenen waren!
*HALFKOOR I.*
Wij hoorden de luit van de Hoop, zoo zoet
En de stem van de Liefde in ons droomen zingen,
Wij voelden den staf van de Macht, en springen--
*HALFKOOR II.*
Als de golven springen in morgengloed.
*KOOR.*
Weeft den dans op den vloer van den wind,
Klieve ons gezang 't zwijgend licht van de lucht,
Betoovert den dag, die ontvliedt te gezwind,
Om vóor 't hol van den nacht te beteuglen zijn vlucht.
Eens waren de hongerige Uren honden,
Die jaagden den dag als een bloedend dier,
En hij hinkte en struikelde, vol van wonden,
Door van 't eenzame jaar het nachtlijk revier.
Maar thans--o! weeft de mystische maten
Van dans en muziek en gestalten van schijn!
Laat de Uren met geesten van macht en behagen
Als de wolken en 't zonlicht, vereenigd zijn.
*EEN STEM.*
Vereenigd zijn.
*PANTHEA.*
Zie waar de Geesten van de menscheziel
Naadren in zoet geluid als heldre sluiers.
*KOOR VAN GEESTEN.*
De zingende rei
Bereiken wij,
De wervling van blijdschap draagt ons nabij;
Als de vleugel-gevinden,
Die 't diep niet kan binden,
Zeevogels half-sluimrend in 't luchtruim vinden.
*KOOR DER UREN.*
Waarvandaan komt gij, zoo wild en met spoed?
Sandalen van weerlicht zijn aan uw voet,
Als gedachte uw gevedert is, zacht en snel,
En uw oogschijn als liefde, naakt en hel.
*KOOR VAN GEESTEN.*
Wij komen van 't hart
Van den mensch, eens zwart,
Onrein en blind, en gebukt onder smart;
Nu is 't een zee
Van bewogen vree,
Een heldere hemel,
Maar vol ontroering en machtig gewemel;--
Uit die wondere mijn
Van vreugden rein,
Wier holen kristallen paleizen zijn;
Van die torentransen,
Waar uwe dansen--
O zalige Uren!--
Gedachte's gekroonde machten beturen;
Uit verborgenheden
Vol teederheden,
Waar lievende paren
U poozen doen, grijpend uw losse haren;
't Blauw eilandrijk,
Waar Sirenen-gelijk
Zoete Wijsheid uw zeilen
Door een glimlach doet wijlen;
Van de tempels gesticht
Voor 't gehoor en 't gezicht
Van den Mensch, hoog bewelvend zoo Beeld als Gedicht;
Van de murmelingen
Van bronnen die springen,
Zonder dat zegel ze tegenhoudt:
Waar Kennis haar kunstige wieken bedauwt.
Jaren na jaren
Waadden we in scharen
Door bloed en tranen,
En een hel vol van haat en hoop en wanen;
O zeldzaam de streken,
Waar bloemen, bleeke,
In knop verschroeide,
Van het geluk, kortstondig bloeiden.
Thans schoeit onzen voet
De vrede zoet,
En de dauw onzer wieken is balsemvloed;
In ons oog is de schijn
Der mensch-liefde rein,
Die alles wat ze aanstaart een Eden doet zijn.
*KOOR VAN GEESTEN EN UREN.*
Weeft nu het web van de mystische maten,
Van de diepten des hemels en de einden der aard,
Komt, snelle geesten van macht en behagen,
Tot reidans en jubelzangen vergaard,--
Als de golven van duizend rivieren vliên
In een zee van geflonker en melodiên!
*KOOR VAN GEESTEN.*
Wij wonnen den buit,
Ons zwoegen is uit,
Nu mogen wij duiken of stijgen of zweven,
Waar wij ook wenschen
Tot in de grenzen
Die het heelal met duister omgeven.
Verder dan de oogen
Der sterren-bogen
Maken we in de' oerouden afgrond ons huis;
Chaos, Dood, Nacht,--
Als mist voor de macht
Van den storm,--zullen vliên voor ons wiekgeruisch.
En Aard, Licht en Lucht,
En de Geest, die de vlucht,
De vuurge, in het rond drijft der sterren tezamen,
Liefde, Adem, Gedachte--
Dood-temmende machten--
Zullen beneden ons oovral verzaêmen.
En ons zingen zal bouwen
In de ijle landouwen
Van 't Leêg, voor de Wijsheid een heilig domein,
Naar 't menschenrijk richten
We ons, 't nieuw-gestichte,
En ons werk zal genaamd naar Prometheus zijn.
*KOOR DER UREN.*
Breekt den dans en verstrooit nu het koor,
Laat enklen blijven, en andren gaan.
*HALFKOOR I.*
Wij drijven diep de hemelen door,--
*HALFKOOR II.*
Ons trekt de toover van 't aardrijk aan,--
*HALFKOOR I.*
Vurig en vrij, en rusteloos-ras,
Met de Geesten die bouwen een nieuwe aarde en zee,
En een hemel waar nooit nog een hemel was.
*HALFKOOR II.*
Plechtig en langzaam, vol helderen vreê,
Leidend den dag en ontsnellend den nacht,
Met de machten van stralende wereld meê.
*HALFKOOR I.*
Wij wervlen luid zingende rond den bol,
En zijn chaos verhelderd door liefde's macht,
En niet door vrees, vertoont zich in pracht,
Van boomen en dieren en wolken vol.
*HALFKOOR II.*
Wij omcirklen de zee en de bergen der aard,
En de blijde gedaanten van wat zij baart
En gestorven weer tot zich neemt, wisselen bij de
Zoete muziek van ons innig verblijden.
*KOOR VAN UREN EN GEESTEN.*
Breekt den dans en verstrooit nu het koor,
Laat enklen blijven en andren gaan.
Waar wij ook vlieden, wij leiden aldoor,
Aan banden als stralen van sterrenschijn
Die teeder maar onverbrekelijk zijn,
De wolken met liefderegen belaên.
*PANTHEA.*
Ach! zij zijn heen!
*IONE.*
Maar voelt gij toch geen vreugd
Door de voorbije zoetheid?
*PANTHEA.*
Als de naakte
En groene heuvel lacht met duizend droppen
Van zonnig water naar den open hemel,
Wanneer een zachte wolk verdwijnt in regen!
*IONE.*
Juist wijl wij spreken rijzen nieuwe noten.
Wat is dat machtige geluid?
*PANTHEA.*
De diepe
Muziek der wentelende wereld is 't,
Die in de snaren der gegolfde lucht
Aeolische geluidsschakeering wekt.
*IONE.*
Luister, hoe iedre rust ook is gevuld
Met onder-noten, klare, zilvren tonen,
IJzig en hel en die ontwaken doen,
Die door de zinnen boren naar de ziel,
En daarin leven; als de scherpe sterren
Boren door de kristallen winterlucht
En staren naar zichzelf in zee weerspiegeld.
*PANTHEA.*
Maar zie, waar door twee poorten van het woud,--
Hangende twijgen overwelven die,--
En waar twee aadren van een stroompje maakten
Tusschen het dichte mos, vol van viooltjes,
Hun zangrig pad (gelijk een zusterpaar,
Scheidend met zuchten, dat ze in lachjes weer
Vereenen mogen, makend tot een eiland
Van lieflijk leed, een woud van zoete, droeve
Gedachten, hun beminnelijke scheiding),--
Twee vizioenen, wonderbaar van straling,
Aandrijven op den zee-gelijken toover
Van machtgen klank, die nog geweldger, heller,
En dieper schijnt te stroomen onder de aard
En door de lucht waarin geen wind beweegt.
*IONE.*
Ik zie een wagen als die smalste boot,
Waarin der Maanden Moeder wordt gedragen
Bij ebbend schijnsel naar haar grot in 't Westen,
Als ze opspringt uit haar tusschen-maansche droomen;
Waarover buigt een cirkelend gewelf
Van teeder duister, en geboomte en heuvels,
Goed zichtbaar door dien donkren luchten sluier,
Lijken gedaanten uit een tooverspiegel.
Zijn raderen zijn vaste wolken, blauw
En goud,--de geesten van den donderstorm
Stapelen zulke op den verlichten zeevloer,
Wanneer de zon daaronder snelt; zij wentlen,
Bewegen, groeien aan, als door een wind
Die hen inwendig drijft. Er binnen in
Zit een gevleugeld kind, met wit gelaat
Gelijk de witheid van de heldre sneeuw.
Zijn wieken zijn als zonnig ijs-gevedert,
Zijn leden lichten blank door de op den wind
Golvende vouwen van zijn blank gewaad,
Weefsel van hemel-paarlen. Ook zijn haar
Is wit, de glinstring van wit licht verdeeld
In draden; maar zijn oogen zijn twee heemlen
Van vloeiend duister, dat zijn godlijkheid
Schijnt te doen stroomen, evenals een storm
Uit kartelige wolken wordt gestort,
Uit hun pijlvormige wimpers, temperend
De koude en stralende atmosfeer in 't rond
Met vuur, dat toch niet helder is. Zijn hand
Zwaait een trillenden manestraal, wiens punt
De macht heeft om den steven van den wagen
Te sturen op zijn wielgelijke wolken;
Die, wen zij wentlen over gras en bloemen
En waatren, klanken wekken, even zoet
Als zilvren dauw zijn zangerige regen.
*PANTHEA.*
En zie, uit de andere oopning in het woud
Snelt aan, met luide en wervlende muziek,
Een bol: duizenden bollen zijn 't in éen,
Vast als kristal, maar 'lijk een leedge ruimte
Geheel doorvloeid van melodie en licht:
Tienduizend cirkels vlechtend en vervlochten,
Purper, azuur en blank, gulden en groen,
Kring binnen kring; en ieder vakje ertusschen
Bevolkt met onverbeeldbare gestalten
Als geesten droomen in het lamploos diep,
Doch alle zijn doorzichtig. En zij wervlen
Over elkaar in duizendvoud bewegen,
Op duizenden onzichtbare assen wentlend;
En met de kracht van snelheid die zichzelf
Tegenstreeft, rollen zij, geweldig, langzaam,
En statig; zij ontsteken met een mengling
Van klank en meengen toon verstaanbre woorden
En wilde melodie. Met machtge wervling
Doorsnijdt, verstuift de wemelende bol
't Heldre riviertje in een azuren mist
Van opgeloste fijnheid, licht-gelijk;
En van het boschgebloemt de wilde geur,
Muziek van 't levend gras en van de lucht,
't Smaragden licht van stralen in 't gebladert
Vervlochten, schijnen om zijn machtgen spoed,
Die toch zichzelf bestrijdt, samengekneed
Tot éen etherische zelfstandigheid,
Waarin de zinnen zwijmen. In den bol,
Op zijn albasten armen, als een peluw,
Gelijk een kind door lieflijk werk vermoeid,
Ligt op zijn eigen toegevouwen vlerken
En golvig haar de Geest der Aard te slapen,
En gij kunt zien zijn lipjes die bewegen
In van hun eigen glimlach 't wisslend licht
Als een die droomend spreekt van wat hij liefheeft.
*IONE.*
Hij doet alleen uit scherts de melodie
Van zijn bol voertuig na.
*PANTHEA.*
En van een ster
Die op zijn voorhoofd schijnt schieten er stralen,
Als zwaarden van azuren vuur, goudsperen
Met loof van myrten, dat tyrannen temt,
Bevlochten als symbool dat aarde en hemel
Nu éen zijn; machtge stralen, die als spaken
Van een onzichtbaar wiel in 't ronde draaien,
Gelijk de bol draait, sneller dan gedachte,
Den afgrond vullend met hun zonnebliksems,--
En nu loodrecht, dan dwars, den donkren grond
Doorboren, en terwijl zij 't doen, ontblooten
Van 't diepe hart der aarde al de geheimen;--
Eindlooze mijn van diamant en goud,
Waardloos gesteent en onverbeeld juweel,
Holen gestut op kristallijnen zuilen,
Van een plantaardig zilver overspreid,
Bronnen van peilloos vuur, en waterwellen
De groote zee voedend gelijk een kind,
Wier dampen 't vorstelijk gebergt van de aard
Met prinslijk hermelijnen sneeuw omkleeden.
De stralen schieten voort, en doen verschijnen
Droeve ruïnen van verdwenen tijden;
Ankers, snebben van schepen, en in marmer
Verkeerde planken, pijlkokers en helmen,
Speren, en schilden met medusa-hoofden,
Wielen van zeisenwagens, en blazoenen
Van standaarden, trofeeën en heraldisch
Gedierte, waaromheen de lach des Doods klonk,
Begraven teekens van verwoesting, dood nu,
Verwoesting in verwoesting;--en ernaast
Bouwvallen van veel uitgestrekte steden,
Waar de bevolking, overgroeid door de aarde,
Sterfelijk, maar niet menschlijk was. O zie!
Daar liggen hun barbaarsche werken en
Lompe geraamten; beelden, huizen, tempels;
Monster-gedaanten door elkaar gesmeten
In kleurlooze vernietiging, gespleten,
Beklemd in 't harde zwarte diep; daarboven
Riffen van onbekende vleugelwezens,
Visschen: eens levende eilanden van schubben
En slangen, beenge ketens rond-omkrinklend
De ijzeren rotsen, of in hoopen stof:
De kronkelige kracht van hun laatst lijden
Vermorzelde tot stof de ijzeren rotsen;
Daarboven, de getande krokodil,
En 't machtig nijlpaard, dat eens de aarde schokte,
Voorheen monarchen van 't gediert, voortteelend
Op slijmige stranden, wildernis-begroeide
Vastlanden van deze aard, als zomerwormen
Op een verlaten lijk,--tot, als een mantel
De blauwe bol rond zich een zondvloed sloot,
En zij luid huilden, hijgden, en vergingen;
Of wel, een God, wiens troon in een komeet was,
Kwam de aard voorbij en riep tot hen: "Vergaat!"
En als mijn woorden, waren zij niet meer.
*DE AARDE.*
O vreugd, o zegepraal, o wellust, o verdwazen,
O blijdschap grenzenloos, uitbarstend, overstroomend,
Niet te beperken juiching gelijk ijle wazen;
Heil! heil! 't verheugen dat mijn ziel heeft ingenomen, 't
Omhult me: een atmosfeer van licht, en 't draagt gezwind
Mij voort, gelijk een wolk drijvend op eigen wind!
*DE MAAN.*
Broeder, die reist in kalm genucht,
Zalige bol van land en lucht,
Gelijk een straal schoot gij een Geest tot mij,
Die mijn bevrozen lijf doorklieft
Met warmte als van een vlam, en liefd'
En geuren stuwt en diepe melodij,
Door mij, door mij!
*DE AARDE.*
Heil! heil! hoe mijn gespleten vlammenkraatren,
De holen van mijn hol gebergt, en jublende fonteinen,
Lachen met onbegrensd en onuitbluschbaar schaatren!
De zeeën en de afgronden en woestijnen
En van de diepe lucht de onmeetlijke domeinen,
Echoën 't na van al hun wolken, al hun waatren!
Zij roepen luid als ik. Vloek, die den schepter tildet,
Die heel ons groen en blauw heelal wel wildet
Met donkren ondergang omwikkelen rondom,
Zendend een vaste wolk, om heete donderklooten
Te reegnen, en 't gebeente van mijn kindren stuk te stooten,
Al wat ik baar kneedend en kneuzend tot éen massa, leeg en stom,--
Tot iedere vermaarde zuil en toren rotsgelijk,
Paleis en obelisk en tempel plechtig-rijk,
Mijn keizerlijk gebergt bekroond met wolken, vuur en gloeden,
Mijn zee-gelijke wouden, ieder sprietje, en iedre bloesem,
Die de eerste koestring en zijn graf vindt in mijn boezem,
Waren vertreên tot zielloos slijk door uw geweldge woede,--
Hoe zijt gij nu gezonken, weg, bedekt, en opgezogen
Door 't dorstig niets, gelijk de brakke togen
Gedronken door een karavaan--maar weinig voor elkeen!--
En 't vullend van omlaag, omhoog, rondom, en binnenin
Barst nu de liefde in 't Leêg van uw vernietiging,
Gelijk het licht in holen, die de bliksem spleet vaneen!
*DE MAAN.*
De sneeuw smelt op mijn doode kruinen
In stralend-levende fonteinen,
Mijn vaste zeeën vloeien in zang en schijn:
Een geest springt uit mij op met kracht,
Hij kleedt met schepping onverwacht
Mijn koude naakte borst; o het moet de uwe zijn
Op mijn', op mijn'!
Starend naar u
voel en besef ik nu
Dat groene stengels rijzen, helle bloemen bloeien;--
Levende wezens op mijn borst bewegen,
Zangen de zee, de lucht doorvloeien,
Gewiekte wolken, donker van den regen
Waarvan de knoppen droomen, drijven wijd uiteen--
't Is liefde, liefde alleen!
*DE AARDE.*
Hoe dringt door mijn granieten lichaam zij;
Door wortels dicht-vervlochten en vertreden klei
Tot in het fijnst gebloemt en 't uiterste gebladert;
Winden en wolken maakt zij tot haar woon,
Een leven wekt ze in de vergeten doôn:
Een ziel wordt uit hun zwartste holen opgeädemd;
En als een storm met wervelwind en donder
Splijtend zijn wolkenkerker, rees ze--o wonder!--
Uit grotten onverlicht van ongedroomd bestaan;--
Met schok of de aarde beeft en snelheid die den stillen
Gedachte-chaos, steeds bewegingloos, doet trillen;
Tot haat en vrees en pijn als schaûw voor 't licht vergaan,
Den Mensch verlatend, die een grilge spiegel was,
't Waarachtig schoon heelal verminkend in zijn glas
Tot menig drogbeeld, nu een zee weerkaatsend liefde,
Die over heel zijn ras--gelijk de hemel glijdt
Op zuivren oceaan, rimpelloos uitgespreid--
Beweegt, en licht en leven schiet uit sterge diepten;