Verlaten wordt, en een ziek dier nagaat tot naar de plaats
Waar de geneeskracht van een bron door warm een rotskloof dringt,--
Dan gaat het onbewust naar huis.... zijn moeder vreest
Een oogwenk, om zijn rozigen glimlach: 't is een geest....
Maar dan herkent zij 't en zij schreit op haar herstelde kind.
Den Mensch--o! niet de menschen! maar één keten van gedacht'
Aaneengeschakeld, en onscheidbre liefde en macht,
Drijvend met diamanten sterkt' natuur haar krachten:
Als met tyrannenblik de zon beheerscht
De onrustge staat van de planeten, die om 't zeerst
Naar 's hemels vrije wildernis te worstlen trachten.
Den Mensch, één harmonieuze ziel van vele zielen saam,
Wier godlijke aard het is, zichzelve na te gaan,
Waar alles vliedt tot alles, als naar zee de stroomen;--
Liefde vermooit het dagelijksche doen,
Arbeid en pijn en leed, in 's levens groen plantsoen,
Spelen als tam gediert--wie kon zoo zacht hen droomen?
Zijn wil,--met lagen hartstocht, slecht genot,
En zelfsche zorgen, die hem dienen als een god,--
Een geest, slecht als hij heerscht, als hij gehoorzaamt machtig,
Is als een stormgevleugeld schip, en Liefde stuurt het voort
Door golven die niet durven breken overboord,--
De wildste levensstranden dwingt ze in haar regeering krachtig.
Alles bekent zijn sterkte. Door het koude marmer gaan,
En door de doffe kleur, zijn droomen: heldre draên,
Waarvan de moeders kleedren voor haar kindren weven;
De taal is een oneindig Orfeus-lied:
Beheerscht haar harmonie, de kunstge, niet
Ontelbre vormen en gedachten, anders zonder leven?
De bliksem is zijn slaaf; 't diepst van den hemel
Toont hem zijn sterren, langs zijn oog gaat hun gewemel
Gelijk een kudde schapen, en hij telt hen een voor een,
De storm is als zijn paard; de luchten hij beschrijdt;
En de afgrond roept ten hemel, uit zijn diepten, blootgeleid,
"Hebt gij nog éen geheim? De mensch ontfloerst me: ik heb er geen."--
*DE MAAN.*
De schaduw van den witten dood,
Die als een lijkkleed mij omsloot
Van vaste vorst en slaap, week van mijn weg in 't eind;
Door nieuw-geweven looverpaên
Volzalige beminden gaan,--
Zoo machtge niet, maar even zachte zijn 't,
Als zij wier schoonheid in uw diepre dalen schijnt.
*DE AARDE.*
Gelijk de warmte van den ochtendgloed
Een half bevrozen dauw-bol smelten doet,
Kristal en groen en goud, tot, een gewiekte mist,
Hij opzweeft in den blauwen dagezaal,
Den noen doorleeft, en op den laatsten zonnestraal
Hangt boven zee, een vlies van vuur en amethyst.
*DE MAAN.*
Gij ligt neer, omhuld in schijnen
Van het licht dat niet zal kwijnen
Van uw vreugd en van den hemel die zoo godlijk lacht;
Alle zonnen, alle sterren,
Regenen op u van verre--
Uwen bol bekleedend,--leven, licht en macht.
Maar úw schijnen regent gij
Op mij, op mij!
*DE AARDE.*
Ik wentel voort onder mijn piramide
Van duister, spitsend in de heemlen,--droomen bieden
Mij wellust, in mijn tooverslaap murmel ik zegepralend;
Eevnals een jongling, in een liefdedroom gesust,
Zacht zuchtend in den afglans van zijn schoonheid rust,
Gelijk een wacht van warmte en licht zijn sluimering omstralend.
*DE MAAN.*
Als in de eclips, teeder en zoet
Wanneer de ziel een ziel ontmoet
Op lieve lippen, hooge harten stil
En helderste oogen wazig zijn,--
Zoo, valt uw schaduw op mijn schijn,
Ook ik, gestild, niet spreken wil,
Door u bedekt, en van uw liefde, o schoonste Bol,
Vol, ál te vol!
Om de zonne spoedt ge u snel,
Helderste wereld van 't heelal,
Groen-en-blauwe bol die straalt
Met een licht waar geen bij haalt:
Geen der lampen die de heemlen
Licht en levensvol doorweemlen
Komt uw godlijkheid nabij.
Ik, gedreven aan uw zij--
Uw kristallen lief--door kracht
Als der minnaarsoogen macht:
Lokkende magneet-gewijs
Naar dien pool, dat paradijs;
Ik, een maagd verliefd zoozeer
Dat de liefdevreugd haar teer
Denken overlaadt, omstrijk u
Als van zinnen, en bekijk u--
Als een bruid die niet kan scheiden
Van 't genot, aan alle zijden
Haren bruigom te beschouwen;
Als verdwaasde Bacchus-vrouwen
Rond den beker, opgetild
Door Agave in Cadmus' wild
En betooverd woud. O broeder,
Waar ge ook henenzweeft, ik moet er
Volgen, haastig, wervelend,
Door de heemlen zonder end,
Voor het hongrig Leêg beschermd
Daar uw ziel mij warm omarmt.
'k Drink, wijl ik u voel en zie,
Majesteit, macht, harmonie,--
Als op dat waar zij naar kijken
Minnaar en kameleon lijken;
Als de teedere oogjes schouwen
Van viooltjes naar den blauwen
Hemel, tot hun kleuren zijn
Als 't azuur zoo puur en fijn;
Als een grijze vochtge mist
Gloeit gelijk vast amethyst
Tegen den berg in 't West dien hij omhult,
Wen de zonsondergang bleek-guld
Slaapt op zijn sneeuw, en 't teedre daglicht schreit
Om eigen eindigheid.
*DE AARDE.*
O teedre Maan, uw stem vol zaligheid
Valt op mij als uw licht dat klaar omspreidt,
Streelend en teer, den zeeman die doorglijdt,
In zomernacht, eilanden eeuwig-vredig;
O teedre Maan, die uw kristallen zingen
In diepe holen van mijn trots doet dringen,
Temmend den tijger vreugd, wiens wilde trappelingen
Mij wonden sloegen, die uw balsem lenig'.
*PANTHEA.*
Ik rijs--als uit een bad van schittrend water,
Een bad van blauwen schijn in donkre rotsen,--
Uit die rivier van klank.
*IONE.*
O! zoete Zuster,
De stroom van klank is van ons weggevloeid;
En uit zijn golven zegt gij op te rijzen,
Omdat uw woorden vallen als de dauw,
De heldre, zachte, die een woudnymf schudt,
Nadat zij baadde, van haar lijf en haar.
*PANTHEA.*
Stil! stil! Een machtge Geest, gelijk het duister,
Stijgt op uit de aarde, en regent van den hemel,
Als nacht en barst van binnen uit de lucht,
Als een eclips, verzameld in de poriën
Van 't zonlicht. En de heldere vizioenen
Waarin de Geesten die er zongen, dreven
En schenen, glimmen, bleeke meteoren
Door vochtgen nacht.
*IONE.*
Mijn oor voelt iets als woorden.
*PANTHEA.*
Een algemeen geluid als woorden. Luister!
*DEMOGORGON.*
Aard, van een zaalge ziel de kalme staat,
Van godlijkste gedaante' en zangen vol,
Verzamelend in 't wentlen, schoone bol,
De liefde die plaveit uw hemelstraat!
*DE AARDE.*
Ik hoor: ik ben een dauwdrup die vergaat.
*DEMOGORGON.*
Maan, die verbaasd de nachtlijke Aard bestaart,
Gelijk hij u, terwijl gij beiden zijt
Voor menschen, dieren, vooglen die gij baart,
Rust, kalmte, harmonie en lieflijkheid!
*DE MAAN.*
Ik hoor: ik ben een blad: doorsidder gij 't.
*DEMOGORGON.*
Vorsten van zonne' en sterren! Goôn, Demonen,
Hemelsche Machten, die bezitters zijt
Van zaalge windlooze Elyseesche wonen,
Voorbij des Hemels sterrige eenzaamheid!
*EEN STEM VAN OMHOOG.*
Ons Rijk hoort toe; zeegnend in zaligheid.
*DEMOGORGON.*
Gelukge Doôn, die 't stralendste gedicht
Enkel bewolkt, nooit beeldt in schilderij,
Hetzij uw wezen in die wereld ligt
Die gij eens zaagt en leedt--
*EEN STEM VAN BENEDEN.*
Hetzij we, als zij
Die levend zijn, verandrend gaan voorbij--
*DEMOGORGON.*
Geesten der elementen, die bewoont
Van 's menschen hooge ziel tot zelfs van 't grijs,
Droef lood de kern; van 's hemels ster-gekroond
Gewelf, tot het traag wier, een worm ten spijs!
*EEN VERMENGDE STEM.*
Wij hooren: het vergeetne wekt uw wijs.
*DEMOGORGON.*
Geesten die huist in vleesch! vogels en dieren,
Visschen en wormen; knoppen ook, en blaêren;
Bliksem en wind! en gij, ontembre scharen,
Meteoren, misten, die de lucht doorzwieren!
*EEN STEM.*
Uw stem is ons als wind in woudrevieren.
*DEMOGORGON.*
Mensch, eens een wreed tyran of dienaar laf,
Bedrieger of bedrogene, een vergaan,
Een reiziger, van de wieg tot aan het graf,
In 't duister, door dees dag voorgoed verdaan!
*ALLEN.*
Spreek! uw sterk woord mag nimmer ondergaan.
*DEMOGORGON.*
Dit is de dag dat de leege afgrond wacht,
Op 's Aard-geboornen ban, 's Hemels tyrannenmacht,
En de Overweldger wordt gesleurd aan band
Door 't opgesperde diep. Van haar geweldgen troon:
Geduldge macht in 't wijze hart; van het laatste uur van hoon,
Duizling en lijdzaamheid; van smallen glibberkant,
Steil, van de rots-gelijke smart; springt nu de Liefde en sluit
De wereld in haar wiekenpaar: daar drupt genezing uit.
Zachtheid en Deugd, Wijsheid en Lijdzaamheid--
Dat zijn de zegels die met machtge zekerheid
Boven Verwoestings kracht den afgrond sluiten;
En als met zwakke hand soms de Eeuwigheid,
Moeder van vele dade' en uren, weer bevrijdt
De slang die met zijn heele lengt' haar wilde omsluiten--
Herovert gij de volle heerschappij
Over de' ontbonden doem door deze tooverij.
Smarten te lijden, wen de Hoop geen uitkomst wacht;
En onrecht te vergeven, donkerder dan nacht
Of dood; Macht te trotseeren die almachtig schijnt;
Te lijden, dulden, hopen, tot de Hoop in 't eind
Uit eigen bouwval schept wat ze in haar droom zich dacht;
Noch te verandren, noch door spijt en vreeze
Te wanklen; dit gelijk des Titans glorie,
Is schoon en groot en blij en vrij en deugdzaam wezen,
Slechts dit is Heerschappij, Vreugd, Leven en Victorie!
*VERBETERINGEN.*
Bladz. 1 r. 3 v. o. _staat_ smart _lees_ smaad
" 7 na regel 11 v. b. is _weggevallen_:
Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,--
" 22 r. 6 v. o. _staat_ foltering _lees_ foltring
" 40 r. 3 v. o. " wakker " wakker.
" 60 r. 2 v. b. " gruwbre " gruwbrer
" 67 r. 13 v. o. " bescheidenheid " verscheidenheid
" 71 r. 4 v. o. " klonk " klonk;
Nota: Bovenstaande verbeteringen zijn reeds aangebracht in de tekst.
End of Project Gutenberg's Prometheus ontboeid, by Percy Bysshe Shelley