Verwondring houdt Apollo in den hemel,
En 't licht dat dezen damp doorvloeit, niet anders
Dan van de rozen die een bron aanstaren
Doorzichtge tint het water vult, ontstroomt
Uw machtge Zuster.
*PANTHEA.*
Ja, ik voel 't--
*ASIA.*
Wat is er,
Zuster? Gij zijt zoo bleek.
*PANTHEA.*
O hoe veranderd
Zijt gij! 'k durf u niet aanzien, ik gevoel
Maar zie u niet. Ternauwernood doorsta ik
De straling van uw schoonheid. Zeekre goede
Verandring werkt in de elementen, die
Uw tegenwoordigheid ontsluierd dulden.
De Nereïden zeggen, op den dag
Toen 't heldre zeekristal bij uw verrijzen
Spleet, en gij stondt in een dooraarde schelp,
Die aandreef op den kalmen zeeëspiegel
Tusschen de Egeïsche eilanden en langs
Den oever die uw naam draagt,--barstte er liefde,
Als de atmosfeer van zonvuur 't levende Al
Vullend, uit u, dat aarde en hemel straalden,
De diepe zee en de zonlooze holen,
En al wat daarin woont; tot leed verduistring
Wierp op de ziel waaruit dat schijnsel kwam.
Zoo zijt gij thans; en ik ben 't niet alleen--
Uw zuster, gezellin, uwe uitverkoorne--
't Is heel de wereld, die uw liefde zoekt.
Hoort gij geen klanken in de lucht die uiten
Liefde van al wat stem heeft? Voelt gij niet
Hoe de onbezielde winde' op u verliefd zijn?
Luister!
(_Muziek_)
*ASIA.*
Uw woorden klinken zoeter mij
Dan wat ter wereld ook, behalve zijne,
Wier wederklank zij zijn: doch alle liefde
Is zoet, of men haar schenke of zelf ontvang'.
Liefde is als 't licht voor iedereen en al,
En haar vertrouwde stem verveelt niet, immer.
Gelijk de wijde hemel en de lucht
Die alles leven doet, maakt zij 't reptiel
Den God gelijk. Zij die haar 't meest doen voelen
Zijn zalig, gelijk ik thans, maar wie 't meest
Haar voelen, zijn nog zaalger, na lang lijden,--
Als ik gauw zijn zal.
*PANTHEA.*
Luister! Geesten spreken.
*STEM IN DE LUCHT, DIE ZINGT.*
Levens Leven! doen uw lippen
Niet van liefde uw adem gloeien?
Van uw lachjes, voor zij glippen,
Brandt de koude lucht,--dan vloeien
Ze in die blikken waar wie lazen
Zwijmen warrende in hun mazen.
Kind van Licht! Uw leden schijnen
Door de plooien die ze omspreiden,
Als de helle morgenlijnen
Door de wolken ongescheiden,
Deze hemelsch-teedre glans,
Waar ge ook blinkt, omhult u gansch.
Schoon zijn andren; geen aanschouwt u.
Maar uw stem zacht-lieflijk ruischt er
Als de schoonste,--hij onthoudt u
Aan 't gezicht, die vloeibre luister,--
Ieder voelt, maar ziet u nimmer,
Als thans ik, vergaan voor immer!
Lamp der Aarde! Uw stralen doopen
Oovral donkre vorme' in klaarte,
Zielen die gij liefhebt loopen
Op de winden zonder zwaarte.
Tot zij zwijme' als ik, verslagen,
Duizlig, zwijm, doch zonder klagen!
*ASIA.*
Mijn ziel is een bekoorde kaan,
Die als een sluimerende zwaan
Drijft op de zilverzee van uw zoet kweelen;
Engelgelijk zit de uwe daar
Neven het roer geleidend haar,
Wijl melodiên door alle winden spelen.
Zij drijft, naar 't schijnt, immer, voor immer:
De waatren staken 't kronklen nimmer
Tusschen ravijnen, bergen, wouden--
't Wildst paradijs dat 'k ooit aanschouwde!
Tot, als een die sluimring bond,
Naar de' oceaan gedragen 'k neerdrijf in het rond,
In diepe zee van klank die eindloos opwaarts bront.
Nu heft uw geest in reinste rijken
Van zang zijn vleuglen, en zij grijpen
Winden, die in dien zaalgen hemel beven;
Wij zeilen voort, ver weg, zoo ver,
Zonder een koers, zonder een ster,
Slechts door den drang van zoeten klank gedreven;
Tot ge eindelijk door eilandgaarden,
--O schoonste loods!--te schoon voor de aarde,
Waar nooit een sterflijk scheepje glijdt,
De boot van mijn begeerte leidt;
Liefde is wat we aadmen hier, liefde volkomen,
Bewegende in den wind en op de stroomen,
Makend deze aard gelijk aan 't geen we omhoog ons droomen.
Ouderdoms ijzge holen varen
Voorbij we, en ruwe donkre baren:
Volwassenheid; en de effen zee der Jeugd,
Glimlachend maar bedrieglijk; langs den spiegel
Der Kindsheid vlieden wij, vol schaûw-gewiegel,
Door Dood, Geboorte, naar volmaakter vreugd:--
Daar welven zich prieelen tot een Eden,
Verlicht door bloemen starend naar beneden,
En waterpaden die zich windend spoên
Door wildernissen kalm en groen,
Bevolkt door wezens, al te stralend klaar
Om aan te zien, onverontrust,--bijna als gij voorwaar--
Die schrijden op de zee, en zingen wonderbaar!
*DERDE BEDRIJF.*
*EERSTE TOONEEL.*
_De Hemel. Jupiter op zijn troon, Thetis en de andere Godheden
verzameld._
*JUPITER.*
Gij hemelmachten hier verzaêmd, die deelt
De glorie en de kracht van wien gij dient,
Verblijdt u! want voortaan ben ik almachtig.
Ik onderwierp al 't andre, alleen de ziel
Des menschen, dat onuitgebluschte vuur,
Brandt nog den hemel tegen, fel verwijtend,
Twijflend, weeklagend, in gebed weerstrevend,
Ophuilend muiterij, die ons oud rijk
Wankelbaar maken kon, al is 't gebouwd
Op oudst geloof en vrees, hel's evenouder.
En schoon mijn vloeken, gelijk vlok bij vlok
De sneeuw op onbegroeide kruinen valt,
Dalen door zwevende atmosfeer en kleven
Aan haar,--schoon ze in het duister van mijn toorn
Stijgt op des levens rotsen stap na stap,
Gelijk het ijs den ongeschoeiden voet
Haar wondend,--tòch blijft zij de ellende meester,
Strevend, niet onderdrukt;--maar weldra valt zij.
Juist nu baarde ik een wonder, een vreemd wonder--
't Noodlottig kind, de schrik van de aard, slechts wachtend
Tot de bestemde stond verschijnen zal
(Dragend van Demogorgons leedgen troon
De vreeselijke macht van eeuwge leden,
Die ongezien dien schrikbren geest bekleedden)
Om, weer gedaald, dien sprankel te vertreden.
Pleng 's hemels wijn, o Ida's Ganymeed,
Doe hem als vuur de kunstge bekers vullen,
En van den bloem-doorweven godenvloer,
Verrijs, al-zegevierende muziek,
Als dauw van de aard onder der scheemring starren!
Drinkt! dat de nectar door uw aadren cirklend
De ziel der vreugde zij, gij eeuwge Goden,
Tot jublen uitbarst in één wijde stem,
Als melodie van de Elyseesche winden.
En gij, stijg naast me, omsluierd in het licht
Van het verlangen dat u eent met mij,
Thetis, o stralend beeld van de eeuwigheid!
Toen ge uitriept: "God, niet-te-verduren macht!
Spaar me! ik doorsta de snelle vlammen niet,
't Doordringend bijzijn; heel mijn wezen smolt,
Als dat van hem die tot een dauw vervloeide
Door 't gif van de Numidische haagdis,--
Zinkende door zijn grondvest;" toen juist maakten
Twee machtge geesten saâm vereend een derden,
Machtger dan bei, die onlichaamlijk nu
Tusschen ons zweeft, gevoeld schoon niet aanschouwd,
En de gestaltenis verbeidt die stijgt
(Hoort gij den donder van de vuurge wielen,
Snijdend den wind?) van Demogorgons troon.
Zegepraal! Zegepraal! Voelt gij niet, wereld!
De aardbeving van zijn wagen die de' Olympus
Opdondert?
_(De Wagen van het Uur verschijnt. Demogorgon stijgt af,
en gaat naar den Troon van Jupiter)._
Vreeslijk wezen, spreek! wat zijt gij?
*DEMOGORGON.*
De Eeuwigheid. Vraag niet een gruwbrer naam.
Daal van uw troon en volg me in d'afgrond neer.
Ik ben uw kind, als gij Saturnus' kind,
Machtger dan gij. En samen moeten wij
Voortaan in duister. Licht uw bliksems niet.
De dwinglandij des hemels moog' voortaan
Niet een zich nemen, krijgen of behouden
Na u: doch wilt ge--daar 't het noodlot is
Van wormen daar me' op treedt dat ze zich kronklen
Totdat ze dood zijn--toon wat ge vermoogt.
*JUPITER.*
Vloekbre misboorte! zóo dan treed ik u
Neer onder diepte van Titanen-holen--
Draalt ge nog?
O erbarmen! o erbarmen!
Geen deernis, geen bevrijding, geen respijt.
Maakte mijn vijand ge tot rechter mij,
Hemzelf, die hangende aan den Caucasus
Door mijn langduurge wraak verdord is--Hij
Zou mij niet zóo verdoemen. Is hij niet,
De zachte en vreeslooze en rechtvaardige,
De koning van de wereld? Wat zijt gìj dan?--
Geen toevlucht, geen verhooring!
Zink dan mét mij!
Verzinken beiden we in de wijde baren
Van ondergang, gelijk een gier en slang,
Ontkracht, in onontwarbren strijd vervlochten,
Neerstorten, in een strandlooze' oceaan.
De hel ontsluit' nu haar omwalde zeeën
Van stormend vuur, en overstelpe daar
In 't boômloos leeg deze verlaten wereld,
En u, en mij, verwinnaar en verslaagne,
En 't wrak van dat waarom zij streden.
Wee!
Wee! De elementen zijn mij niet gehoorzaam!
Duizelend zink ik neer, eeuwig, voor eeuwig!
En, als een wolk, verduistert met zijn zege
Mijn vijand van omhoog mijn val! Wee! Wee!
*TWEEDE TOONEEL.*
_(De mond van een groote rivier in het eiland Atlantis. Oceanus
is zichtbaar rustend bij het strand, Apollo staat naast hem.)_
*OCEANUS.*
Hij viel onder den frons van zijn verwinnaar,
Zoo zegt ge?
*APOLLO.*
Ja, bij 't einde van den strijd,
Waardoor de bol dien ik bestuur verduisterd'
En 't vast gestarnte trilde, werd de hemel
Beschenen door de ontzetting van zijn oog
Met bloedrood licht, door dichten flardenzoom
Van 't zegepralend duister, wijl hij viel:
Gelijk de laatste glans van rooden doodsstrijd
Des daags, die door een spleet der vuurge wolken
Ver brandt over het storm-doorgroefde diep.
*OCEANUS.*
Zonk hij naar de' afgrond, naar het donker Leêg?
*APOLLO.*
Gelijk een aadlaar op den Caucasus
Gevangen in een wolk die splijt; zijn vlerken
Waarmee de donder spot, in wervelwind
Verward; zijn oogen die de zon aanstaarden
Zonder verblind te zijn, door 't witte weerlicht
Verbijsterd; wijl de zware hagel slaat
Zijn worstlende gestalt', die eindlijk zinkt
Voorover, en het hemelsche ijs omklemt haar.
*OCEANUS.*
Voortaan zal 't hemelspieglend zeeëveld--
Mijn rijk--opdeinen, door geen bloed bevlekt,
Onder de winden die het rijzen doen
Als 't graanveld golvende in de zomerlucht;
Mijn stroomen zullen rijkbevolkte kusten
Omvlieten en gelukkige eilandrijken.
En van hun glazen tronen zullen Proteus,
De zeeëblauwe, met zijn vochtge nymfen,
De schaduw zien van schoone schepen (zoo
Zien menschen, hoe de licht-beladen maan:
Drijvende bark, saam met die witte ster:
Kroon van onzichtbren loods, wordt meegedragen
Op zee die ebt: snelle zonsondergang--);
Volgend hun pad niet meer door bloed en klachten,
Verwoesting, en dooreengemengde stemmen
Van slaafschheid en bevel--maar door het licht
Van golf-weerkaatst gebloemt, drijvende geuren,
Zachte muziek, en vriendelijke en vrije,
Zachtmoedge stemmen: lieflijkste muziek,
Waarvan de geesten houden.
*APOLLO.*
En ik zal
Niet meer op daden staren die mijn geest
Verduisteren met smart, gelijk de eclips
Den bol dien 'k leid verdonkert.--Luister! 'k hoor
De kleine, klare, zilvren luit waarmee
De jonge Geest speelt in de Morgenster.
*OCEANUS.*
Nu moet gij gaan. Uw paarden zullen rusten
Vanavond--tot zoolang zeg 'k u vaarwel.
Het luide diep roept mij juist nu naar huis,
Om het te voeden met azuren kalmte
Uit de smaragden urnen, die voor eeuwig
Gevuld, neven mijn troon staan. Zie de Nymfen,
Onder de groene zee, 't beweeglijk lijf
Gedragen op den wind-gelijken vloed,
Haar armen blank boven haar stroomend haar
Getild, met kransen bont en sterge kronen
Van zeegebloemt, zich haastende om te sieren
De vreugde die haar machtge zuster beidt.
_(Een geluid van golven wordt gehoord.)_
't Is de ongeweide zee hongrend naar kalmte.
Monster, wees stil; ik kom. Vaarwel.
*APOLLO.*
Vaarwel.
*DERDE TOONEEL.*
_(De Caucasus. Prometheus, Hercules, Ione, de Aarde, Geesten;
Asia en Panthea, in den wagen met de Geest van het Uur.)_
*HERCULES* _ontboeit_ *PROMETHEUS* _die neerdaalt_.
*HERCULES.*
Roemruchtigste der Geesten! zoo dient Kracht
Wijsheid en Moed en lang-duldende Liefde,
En u, die 't wezen zijt dat zij bezielen,--
Gelijk een slaaf.
*PROMETHEUS.*
Uw vriendelijke woorden
Zijn zoeter zelfs dan vrijheid, lang begeerd
En lang verschoven.
Asia, 's levens licht,
Afglans van onaanschouwde Schoonheid; gij ook,
Lieflijke zusternymfen die 't erinren
Dier lange jaren van ellende zoet maakt
Door liefde en zorg; nu scheiden wij niet meer.
Er is een grot, gansch overgroeid met geurge
Kruipende planten, die den dag afsluiten
Met blaadren en gebloemte, en geplaveid
Met aderig smaragd; en een fontein,
Wier klank ontwaken doet, springt middenin.
Van het gebogen dak hangen omneer
Bevrozen tranen van den berg, als zilver
Of sneeuw of lange diamanten spitsen,
Waaruit een twijfelachtig schijnsel stroomt.
Daar hoort men de altijd-door bewogen lucht,
Erbuiten fluisterend van boom tot boom,
Vogels en bijen, en in 't rond zijn zetels
Van mos; de ruwe wanden zijn bekleed
Met lang zacht gras:--'t is een eenvoudge woning,
Die de onze zijn zal; waar wij neergezeten
Veel zullen spreken over tijd en wissling,
Wanneer de wereld ebt en vloedt, doch wij
Dezelfden blijven. Want wat zou den Mensch
Kunnen vrijwaren voor verandering?--
En, wen gij zucht, zal ik glimlachen; gij,
Ione, zult zee-melodieën zingen,
Totdat ik ween,--dan zal _uw_ glimlach drogen
De tranen die zij wekte, nochtans zoet.
Wij zullen knoppen, bloemen, en de stralen
Die fonklen aan den zoom van de fontein
Verwinden, en tot vreemde vormen vlechten
't Gewone, als kleine menschenkindren doen
In korte onschuldigheid. Wij zullen zoeken
Met blikken en met woorden onzer liefde
Naar schuilende gedachten, elke schooner
Dan de voorafgegane, in onze zielen,
Nooit uitgeput; en gelijk luiten bevend
Onder 't bespelen van verliefden wind,
Hemelsche harmonieën, altijd nieuw,
Uit lieflijke verscheidenheid, waar nooit
Oneenigheid kan zijn, tesamenweven.
En hierheen komen, op bekoorde winden
Die van elk hemeleind elkaar ontmoeten
(Als bijen die van iedre bloem, gevoed
Door 't hemelsche Enna, bij hun eigen huizen
Op 't eiland Himera tesamenkomen)
De echo's aansnellen van de menschenwereld,
Die spreken van de zachte stem der Liefde,
Schier ongehoord, en van 't gemurmeld leed
Van Medelij duif-oogig, en Muziek,
Zelf de echo van het hart,--al wat het leven
Des menschen, vrij nu, zachter, beter maakt.
En lieflijke verschijningen, eerst scheemrig,
Dan stralend,--als de geest, helder ontrijzend
Schoonheids omhelzing (daarvandaan de vormen
Waar deze 't schaduwbeeld van zijn) haar kleedt
In stralenbundels--die zijn werklijkheid,--
Zullen daar tot ons komen; het onsterflijk
Nakroost van Schilderschoon en Beeldhouwkunst
En opgetogen Poëzie, en andre,
Die zullen zijn, schoon wij niet weten hoe.
Zwervende stemmen zijn ze en schaduwen
Van al wat 't menschdom past, bemiddelaars
Van liefde--'t beste dat men eeren kan--
Door hen en ons geschonken en beantwoord;
Snelle gestalten en geluiden, schooner
En zachter naar de mensch wijs wordt en teeder,
En kwaad en dwaling storten, floers na floers.
Dat is 't vermogen van de grot en 't oord.
_(Zich wendend tot de Geest van het Uur.)_
Voor u, lieflijke Geest, rest nog éen arbeid,
Ione, geef haar die gebogen schelp,
Die de oude Proteus gaf als bruidsgeschenk
Aan Asia, ademend een stem daarin,
Die zal verwerklijkt worden,--en die gij
Verborgt in gras onder de holle rots.
*IONE.*
Gij van alle Uren meest begeerde, meer
Bemind en minnenswaard dan al uw zusters,
Dit is de tooverschelp. Zie 't bleek azuur
Dat overgaat in zilver, het bedekt haar
Inwendig met een zacht maar gloeiend licht:
Schijnt het geen zwijgende muziek daar sluimrend?
*GEEST.*
Waarlijk, het schijnt de mooiste schelp der zee;
Haar klank moet tegelijk zoet zijn en vreemd.
*PROMETHEUS.*
Ga, door uw wervelwind-voetige paarden
Over de steden van den mensch gedragen;
Snel nu nog eens rondom de ronde wereld
De zon voorbij, en blaas, terwijl uw wagen
De ontgloeide lucht klieft, in die bochtge schelp,
Zoodat haar machtige muziek bevrijd wordt:
't Zal zijn als donder, menglend met klare echo's.
Kom dan terug, en woon naast onze grot.
En gij, o Moeder Aarde!--
*DE AARDE.*
Ik hoor, ik voel.
Uw lippen raken mij, en hun beroering
Stroomt langs mijn zenuwen van marmer neer
Tot, middenin, het diamanten duister;
't Is leven, vreugd,--en door mijn oud, verwelkt
En ijzig lijf schiet nu in kringloop weer
De warmte van onsterfelijke jeugd.
Voortaan zullen de vele schoone kindren,
Omstrengeld in mijn leven-gevende armen,
Alle gewassen, kruipende gedaanten,
Insecten regenboog-gevleugeld, vogels,
Dieren, visschen en menschlijke gestalten,
Die ziekte en pijn mijn droge borst ontzogen
Drinkend het gif van wanhoop,--van mij krijgen
En onderling uitwisselen zoet voedsel.
Als zuster-antilopen zullen zij
Mij worden, die éen schoone moeder voedt,
Sneeuwblank en snel gelijk de wind, waar 't wemelt
Van lelies naast een boordevollen stroom.
De dauwge mist van mijn zonloozen slaap
Zal onder het gestarnt als balsem vlieten,
's Nachts opgevouwen bloemen zullen zuigen
Terwijl zij rusten onverwelkbre kleuren;
Wijl mensch en dier in blijden droom zal zaamlen
Kracht voor den dag die komt en al zijn vreugd.
Dood zal de laatste omhelzing zijn van haar
Die 't leven dat zij schonk herneemt: een moeder
Die spreekt, haar kind omarmend: "Blijf thans bij me."
*ASIA.*
O moeder! waartoe noemt den naam des doods gij?
Houden zij op te lieven, te bewegen,
Te ademen en te spreken, zij die sterven?
*DE AARDE.*
Wat zou het baten of 'k u antwoord gaf?
Gij zijt onsterflijk, en dees taal verstaan
Enkel de doôn die nooit iets mededeelen.
Dood is de sluier dien de levenden
Het leven noemen, en een slaap bevangt hen,
Dan wordt hij opgetild. En onderwijl
Zullen in lieflijke verscheidenheid
De lieflijke seizoenen, met hun buien
Van regenboge' omboord, en geurge winden;
En lange blauwe meteoren zuivrend
Den doffen nacht; en pijlen, die het leven
Ontbranden doen, van de al-klievende boog
Der helle zon; en dauw-vermengde regen
Van kalme manestralen, zacht van werking,--
De wouden en de velden kleeden--ja,
De rots-gebouwde woestenijen zelfs
Van 't naakte diep--met steeds-levende blaadren,
En vruchten, en gebloemt.--En gij! Er is
Een grot waaruit mijn ziel zich opwaarts zuchtte
In foltring, wijl uw pijn mijn hart verdwaasde.
Zij die haar aêmden werden ook verdwaasd,
En bouwden daar een tempel, en zij spraken
Orakeltaal, en lokten de misleide
Volken in 't rond tot wederkeergen krijg,
En trouweloosheid, gelijk Jupiter
U heeft betoond. Die adem rijst ook nu,
Maar als violengeur in het hooge onkruid,
Vullend met klaarder licht en roode lucht,
Hevig doch zacht, de rotsen en de wouden
In 't rond. Hij voedt den snel-groeienden wijnstok,
Slangachtig kronklend, en de donkre klimop,
Vast aan elkaar wild vlechtende, en de bloesems,
Knoppend, ontbloeid, of welkende van geur,
Die wen de wind erdoor stroomt hem besterren
Met stippen kleurig licht; en heldre gouden
Vruchtbollen, hangende in hun eigen hemel,
Die groen is; en, door aderige blaadren
En amberkleurge stengels, het gebloemt
Welks purpren en doorschijnge bekers altijd
Te schuimen staan van hemeldauw, den drank
Van geesten. En hij kringt in 't rond, gelijk
Van middagdroomen zacht-wuivende wieken,
Kalme en gelukkige gedachten wekkend,
Gelijk de mijne, nu ge in eer hersteld zijt.
Dees grot zal de uwe zijn.--Verrijs! Verschijn!
_(Een Geest rijst op in de gedaante van een gevleugeld kind.)_
Dit is mijn fakkeldrager, die zijn lamp
In ouden tijd liet uitgaan door te staren
Naar oogen, waar opnieuw hij haar ontstak
Aan liefde, die als vuur is, dochterlief,
Want die in de uwe is zoo.--Loop, koppige jongen,
Leid dit gezelschap langs den top van Nysa,
Den Bacchus-berg, waar de Maenaden huisden,
Voorbij den Indus en schatplichtge stroomen
Tredend de bergriviere' en glazige meren
Met voeten onbevochtigd, onvermoeid,
En nergens poozend; dan het groen ravijn op,
Dwars door het dal, naast den kristallen vijver,
Waarop geen wind waait en waar altijd stil
Het door geen golven uitgewischte beeld
Ligt van een tempel op den top gebouwd,
Duidelijk zichtbaar met zijn kapiteelen
Als palmen, architraven, zuilen, bogen,
En overal bewerkt en weemlend van
Het levendst beeldwerk, zoo Praxiteles
Eens schiep, wier marmeren geglimlach vult
Met eeuwge liefde de gestilde lucht.
Hij is verlaten nu, maar eenmaal droeg hij
Uw naam, Prometheus. Daar werd u tot eer
Door de naijverige jonglingschap
De lamp--uw zinnebeeld--door 't heilig duister
Gedragen; eevnals zij die door den nacht
Van 't leven naar het graf de toorts der hoop,
Die zij niet afstaan, torsen; eevnals gij
Die hebt gedragen--schoonste zegepraal!--
Naar dit ver doel der Tijden.--Gaat. Vaartwel.
De grot, voor u bestemd, ligt naast dien tempel.
*VIERDE TOONEEL.*
_(Een bosch. Op den achtergrond een grot. Prometheus, Asia,
Panthea, Ione, en de Geest van de Aarde.)_
*IONE.*
Zuster, hij is niet aardsch! Zie hoe hij glijdt
Onder de bladeren! hoe op zijn hoofd
Een lichtschijn brandt gelijk een groene ster
Wier stralen van smaragd vervlochten zijn
Met zijn blond haar! hoe, als hij gaat, de glans
In vlokken op het gras valt. Kent gij hem?
*PANTHEA.*
Het is de fijne geest, die de aard geleidt
Door 't hemelruim. De volkrijke gesternten
Noemen, van ver, dat licht het lieflijkste
Van de planeten;--en somwijlen ook
Vliegt over 't schuim hij van de zoute zee;
Of maakt zijn wagen van een mistge wolk;
Of wandelt door de velden of de steden
Terwijl het menschdom slaapt, of over toppen
Van bergen, of stroomafwaarts op rivieren,
Of door de groene, woeste wildernis,
Als thans, verbaasd om al wat hij aanschouwt.
Voor Jupiter regeerde, minde hij
Ons beider zuster Asia; elk vrij uur
Kwam hij om uit haar oogen 't vochtig licht
Te drinken, waar hij zóo naar dorstte, zei hij,
Als een die door een dipsas werd gebeten;
Hij schonk aan haar zijn kinderlijk vertrouwen
En al wat hij te weten kwam of zag
(Want hij zag veel, maar wat hij zag verklaarde
Hij vaak verkeerd) vertelde hij aan haar,
En noemde haar--want hij wist evenmin
Als ik zijn afkomst--"moeder, lieve moeder."
*DE GEEST V. D. AARDE.*
_(op Asia toesnellend)._
Moeder, o moederlief, mag 'k dan weer spreken
Met u, als ik gewend was? Mag 'k mijn oogen
In uw zachte armen bergen, als uw blikken
Ze moe van vreugde maakten? Mag 'k dan spelen
Naast u, den langen middag, wen geen werk
Te doen valt in de heldre stille lucht?
*ASIA.*
Ik min u, teederst wezen, en voortaan
Zal u te koestren mij niet éen misgunnen.
Toe, spreek: uw simple taal die eens mij troostte,
Vervult mij nu met blijdschap.
*DE GEEST V. D. AARDE.*