'k Zeide reeds,

Hoe 'k aan zijn voeten sliep met ons Zee-zuster.

De neevlen van 't gebergte, op onze stem

Onder de maan verdichtend, hadden zacht

Hun sneeuwge vlokken uitgespreid, beschermend

Onzen vervlochten slaap voor 't snijdend ijs.

Twee droomen kwamen toen. Een is me ontgaan.

Maar in den andren vielen van Prometheus

Zijn bleeke, wond-verminkte leden af;

De azuren nacht werd stralend van de glorie

Van die gestalt' die onveranderd leeft

In hem, en o zijn stem viel als muziek,

Die duizlen doet het donkre brein, bezwijmd

Door de bedwelming van zoo helle vreugd:

"Zuster van haar wier stappen de aard bespreien

Met lieflijkheid--schoonste behalve haar

Wier wederschijn gij zijt--zie op tot mij."

Ik hief mijn oogen. 't Overweldgend licht

Van die onsterflijke gestalte zag 'k

Gansch overschaduwd door de liefde die

Zijn zacht-vloeiende leên, lippen half-open

In hartstocht, vurige doch droomrige oogen,

Ontstoomde als dampend vuur; een atmosfeer

Die in haar al-smeltend geweld me omsloot,

Als warme lucht, van morgenzon omhuld,

Eer zij haar drinkt, een wolk zwervende dauw.

Ik zag niet, hoorde niet, bewoog mij niet;

Maar voelde alleen zijn tegenwoordigheid

Vervloeien en vereenen met mijn bloed,

Tot het zijn leven werd, en 't zijne mijn.

Zoo was 'k als opgeslorpt,--maar 't ging voorbij;

En, als de dampen, wen de zon verzinkt,

Zich weer in dropplen zaamlen op de pijnen,

En sidderend als zij, verdichtte zich

Mijn wezen in den diepen nacht; en wijl

De stralen der gedachte langzaam weer

Verzameld werden, kon 'k zijn stem nog hooren,

Wier tonen talmden voor zij henenstierven

Gelijk voetstappen van een zwak geluid.

Uw naam hoorde ik alleen, in tal van klanken,

Van het misschien-verstaanbre, ofschoon 'k bleef luistren

In 't duister, toen er geen geluid meer klonk,

Ione ontwaakte toen, en zei tot mij:

"Kunt gij soms raden wat mij verontrust

Vannacht? Ik wist voorheen steeds wat ik wenschte

En vond geen vreugde ooit in vergeefschen wensch.

Maar nu kan ik niet tolken wat ik zoek:

Weet ik het zelf? 't is zoet, want zoet is 't al

Om te begeeren. 't Is, trouwlooze zuster,

Een spel van u; ge ontdekte een ouden toover,

Wiens ban mijn geest stal toen ik sliep en met

Uw geest vereende: want, toen straks wij kusten,

Voelde ik de zoete lucht die mij deed leven

In uwer lippen kier, en o de warmte

Van 's levens bloed, door wier gemis ik zwijm,

Beefde in den boog onzer vervlochten armen."

'k Antwoordde niet, want de Oosterster werd bleek,

Maar vlood tot u.

*ASIA.*

Gij spreekt, maar ach, uw woorden

Zijn als de lucht: ik voel ze niet. O! licht

Uw oogen op, dat ik zijn ziel, daarin

Geschreven, leze!

*PANTHEA.*

'k Hef ze, schoon zij zinken

Onder de zwaart' van wat zij spreken wouden:

Wat kunt gij zien dan uw lieflijkste schaduw

Daar afgebeeld?

*ASIA.*

Uw oogen zijn gelijk

De diepe, blauwe, grenzenlooze hemel,

Tesaamgedrongen tot twee cirkels onder

Hun lange fijne wimpers: donker, ver,

Mateloos, kring in kring en lijn in lijn

Vervlochten.

*PANTHEA.*

Waarom kijkt ge, of er een geest

Voorbijging?

*ASIA.*

Anders wordt het: achter 't diepst

Dier diepte zie 'k een schaduw, een gestalte:

't Is Hij, gekleed in van zijn eigen glimlach

Het zachte licht dat om hem henen spreidt

Als straling van de wolk-omkringde maan!

Prometheus, het is de uwe! Vlied nog niet!

Zegt niet die glimlach dat we elkander eens

Weer zullen vinden in die heldre tent

Die zijn gestraal bouwe op de woeste wereld?

De droom is uitgezeid!--Wat schim is dat,

Tusschen ons? Zijn ruig haar verwart de wind

Die 't opwaait, wild en levend is zijn blik,

Toch is 't een wezen van de lucht: er schijnt

Door zijn grijs kleed de gouden dauw wiens sterren

De middag niet gebluscht heeft.

*DE DROOM.*

Volg, o volg!

*PANTHEA.*

Het is mijn andre droom.

*ASIA.*

Zie, hij verdwijnt.

*PANTHEA.*

Hij komt nu in mijn geest. 'k Verbeeldde mij,

Wij zaten hier, en open sprongen al

De knoppen, bloem-omwikklend, van daarginds

De' amandelboom, dien bliksem heeft verzengd,

Toen snel van witte Scythische woestijn

Een wind aanvlaagde, rimplend de Aard met vorst.

Ik keek,--al bloesems waren neergewaaid,

Maar op elk blaadje stond--verhalen zoo

De blauwe hyacintheklokjes niet

Apollo's daar geschreven leed?--"Volg, volg!"

*ASIA.*

Terwijl gij spreekt, vullen uw woorden, poos

Na poos, ook mijn slaap dien 'k vergeten was,

Met beelden. 't Scheen me of wij tesamen schreden

Onder de jonge grijze dageraad

Over grasperken, en een menigte

Van zware, witte, wolge wolken dreef

In dichte kudden langs de bergen heen,

Geherderd door den trage' onwilgen wind.

De witte dauw op 't nieuw-ontsproten gras,

Even de donkere aard ontschoten, hing

Heel stil. En er was meer dat me is ontgaan.

Maar op de schaduwen der morgenwolken,

Dwars op de purpren helling van 't gebergt,

Stond ook geschreven: "Volg, o volg!" en wijl ze

Verdwenen, en op elken halm waarvan

De dauw des hemels neergevallen was

't Zelfde gedrukt werd als met welkend vuur,

Rees wind tusschen de pijnen; die ontschokte

Gerank van melodieën aan hun twijgen

En toen hoorde ik geluiden, laag, zoet, zacht,

Als het vaarwel van geesten: "Volg, volg, volg!"

Toen zei 'k tot u: Panthea, zie mij aan:

Maar in de diepte van die dierbare oogen

Zag ik nog altijd: "Volg, o volg!"

*ECHO.*

"O volg!"

*PANTHEA.*

De rotsen, op dees klaren voorjaarsmorgen,

Spotten met onze stem, als spraken geesten.

*ASIA.*

Het is een wezen zwevend rond de rotsen.

Wat fijne heldere geluiden! Luister!

*ECHO'S.*

_(onzichtbaar)._

Echo's wij, luister!

Wij wijlen niet:

Als dauwdrups luister

Ge kort maar ziet--

Zee-geboorne!

*ASIA.*

Hoor! Geesten spreken! Vloeiende echo's klinken

Nog van hun hemelstemmen na.

*PANTHEA.*

Ik hoor.

*ECHO'S.*

Volg, o volg!

Wen ons lied dreigt te zwijgen,

Waar een grot ons verzwolg--

Waar wouden stijgen--

_(meer verwijderd)_

Volg, o volg,

Waar een grot ons verzwolg.

Ga ons na als 't lied versuist,

Waar de wilde bij nooit ruischt,

Door het diepe middagdonker,

Langs het nachtgebloemte loom,

Geuren aadmend in zijn droom,

Langs de golfjes, waar geflonker

Van een bron in holen blinkt,

Wijl onstuimig en toch zoet

Ons gezang speelt met uw voet

Die zoo zacht ter aarde zinkt,

Zeegeboorne!

*ASIA.*

Zullen wij 't zingen volgen? Zachter wordt het

En verder.

*PANTHEA.*

Hoor! het koor komt nader nu.

*ECHO'S.*

In het onbekende

Slaapt een ongesproken stem;

Slechts als gij u daarheen wendde,

Wekt gij hem;

Zeegeboorne!

*ASIA.*

Hoe op den wind die ebt de tonen zinken!

*ECHO'S.*

Volg, o volg,

Waar een grot ons verzwolg!

Ga ons na als 't lied verflauwt;

Door het dauwig middagwoud,

Langs de meren en fonteinen,

Bosschen door, en grilge lijnen

Van gebergten, naar de spleten,

Diepten, scheuren, waar 't vaneengereten

Lijf van de Aarde rustte van zijn lijden

Op den dag toen Hij en Gij

Zijt gescheiden--

Paar dat nu hereenigd zij;--

Zeegeboorne!

*ASIA.*

Mijn lieve Panthea, kom, geef mij uw hand,

En volgen we, eer de stemmen zijn verruischt.

*TWEEDE TOONEEL.*

_Een bosch, afgewisseld door rotsen en holen. Asia en Panthea

gaan het in. Twee jonge faunen zitten luisterend op een rots._

*HALFKOOR I VAN GEESTEN.*

Het pad waarlangs dat lieflijk paar

Schreed onder ceder, taxis, pijn,

Al donkre boomen die er zijn,

Scheidt van den hemel wijd en klaar

Een ondoordringbaar loofgordijn

Wind, regen, zon- noch maneschijn

Vindt zich een weg door die geweven

Prieelen, slechts een wolk van dauw

Drijft somtijds langs de stammen grauw

Op winden mee die de aard bezweven,

Doet overal een parel beven

In bloesems bleek, opnieuw ontbloeid,

Van 't lauwergroen, en buigt de kroon

Van een teer-lieflijke anemoon,

Waarna ze stil vervloeit.

Of wen een ster, van velen een,

Die stijgt en drijft in steilen nacht,

De eenige kloof vond waardoorheen

Nog dalen kan der stralen pracht,--

Voordat zij vliedt voorbij, voorbij:

De heemlen, nimmer rusten zij,--

Sprenkelt zij droppend gouden schijnen

Als nooit vereenende regenlijnen:--

En 't heilig duister is in 't rond;

Omlaag is de bemoste grond.

*HALFKOOR II.*

Daar zijn den heelen heldren noen

Verliefde nachtegalen wakker.

Wen een bezwijmt van heil of smart

En zinkt door 't windloos klimopgroen

Stervend van zoete liefde op 't hart,

Het toon-doortrilde, van zijn makker;

Verheft een ander die daar wachtte,

In bloesems heen en weer bewogen,

Het kwijnende eind der laatste klachten

Om in te vallen, plots ten hoogen

De wieken van den weeken zang,--

Tot eigen lied uit nieuwen drang

Van voelen rijst,--en 't woud wordt stom;

Men hoort alleen door donkre lucht

Van vlerken 't ritselend gerucht,

En evenals fluiten, wen rondom

Een meer zich spreidt, bedwelmen 't brein

Klanken zoo zoet dat vreugde zweemt naar pijn.

*HALFKOOR I.*

Als tooverkolken spelen daar

Zoet-stemmige echo's en zij tijgen

Door Demogorgons machtge wet,

Smeltend verrukt of zoet ontzet,

Langs 't heimlijk pad een geestenschaar;

Als stroomen die van bergdooi stijgen

Schepen uit land naar zee toe voeren.

Tot wie door slaap of zacht gepraat

Geboeid zijn eerst een fluistren gaat;

't Wekt de verkoornen; zacht ontroeren

Trekt hen en stuwt hen voort. Ja, zwoeren

Niet zij die 't zagen dat een wind

Achter hen stoomt van de aadmende aard,

Die veedren optilt en wiens vaart

Hen verder drijft gezwind,

Terwijl zij denken dat hun voet

En eigen vleuglenpaar zoo snel

Gehoorzaamt aan hun wenschen zoet?

Zoo drijven zij--tot, lieflijk wel

Nog steeds, maar krachtiger en luid

De storm van klank zwelt voor hen uit,

Haastend, als opgeslorpt; zij volgen,

En weer verzaamlen zich zijn golven,

Die naar den berg van 't noodlot dragen

Als wolken de wijkende lucht doorjagen.

*EERSTE FAUN.*

Kunt ge u verbeelden waar die geesten leven,

Die in het woud zoo fijne melodieën

Doen klinken? In de minst bezochte holen

En dichtste lommerlegers wonen wij

En kennen deze wildernissen wél,

Doch hen ontmoeten nooit we, ofschoon wij vaak

Hen hooren: waar toch, denkt ge, schuilen zij?

*TWEEDE FAUN.*

't Is zwaar te weten. Wel heb ik gehoord,

Dat andren meer bekend met geesten zeiden:

De bellen die de zonnetoover zuigt

Uit bleeke, teere waterbloemen die

Den slijkgen bodem van de heldre meren

En plassen overspreiden, zijn de tenten

Waarin die wezens wonen en doorzweven

De groene en gouden atmosfeer, ontstoken

Door 't middaguur onder het blaadrenweefsel;

En wen die barsten en de dunne lucht,

De vuurge, die zij aêmden in die helle

Gewelven, stijgt om meteoorgelijk

Te vliegen door den nacht, rijden zij dáarop

En sturen hun onstuimge vaart en buigen

Hun flonkerende kuiven, en in vuur

Glijden zij weer onder der aarde waatren.

*EERSTE FAUN.*

Als zulke zoo bestaan, leven dan andre

Weer andre levens, onder anemonen,

Of in de klokjes van de weidebloemen,

In de gevouwen diepte van viooltjes,

Of op hun stervende zoetgeurigheid

Wanneer zij sterven, of in 't zonlicht van

De ronde dauw?

*TWEEDE FAUN.*

Ja, velen, wel te raden.--

Maar als wij praten bleven werd het middag,

En knorrige Silenus zou zijn geiten

Nog ongemolken vinden, en ons brommend

Die wijze en liefelijke zangen weigren,

Van Noodlot, Toeval, God, en ouden Chaos,

Liefde, en den droevgen doem van den geboeiden

Titan, en hoe die eens, bevrijd, heel de aard

Eén broederschap zal maken: schoone liedren,

Die onze eenzame schemers blij doen zijn,

En die tot luistrend zwijgen zelfs bekoren

De niet naijverige nachtegalen.

*DERDE TOONEEL.*

_Een rotspunt tusschen bergen._ ASIA en PANTHEA.

*PANTHEA.*

Hier droeg 't geluid ons heen, naar het gebied

Van Demogorgon, en de machtge poort,

Gelijk van een vulkaan de meteoor-

Aadmende spleet, waaruit de orakeldamp

Opwervelt, dien de eenzamen in hun jeugd

Rondzwervend drinken, en zij noemen hem

Waarheid of deugd, bezieling, liefde of vreugd,--

Die levenswijn die als ontzind doet zijn,

Wiens droesem zij tot diepe dronkenschap

Gansch leedgen, en dan heffen zij de stem,

Gelijk Maenaden luidkeels "Evoë!"

Uitgalmend, die de weerld besmetting dunkt.

*ASIA.*

Waardig een troon voor zulk een Macht! Hoe schoon!

Wat zijt gij grootsch, o Aarde! En als gij zijt

De schaduw van een geest, nog lieflijker,--

Schoon kwaad zijn werk bevlekke, en of ook hij,

Gelijk zijn schepping, zwak doch heerlijk zij,--

Dan zou ik kunnen knielen en u beiden

Vereeren! Ja, ook nu aanbidt mijn hart.

Hoe wonderbaar! Zie, Zuster, eer de damp

Uw brein beneevle. Omlaag is een wijd veld

Golvende mist, gelijk een meer, plaveiend

Onder de morgenlucht met blauwe golven,

Barstend in zilverschijn, een Indisch dal.

Zie hoe het rolt onder de stollende winden,

En hoe 't den bergtop waar we in 't midden staan

Aan alle zijden tot een eiland maakt,

Omkringd door wouden, donker en in bloei,

Scheemrige weiden, stroom-verlichte holen,

En zwerfsche mist-gestalten: winden-toover;

En ver omhoog werpen de scherpe bergen,

Den hemel splijtend, van hun ijzge spitsen,

Stralend als zonneschijn, den dageraad,

Als der geheven zee verblindend schuim

Omhooggespat tege' een Atlantisch eiland,

Den wind bestert met lamp-gelijke dropplen.

Het dal is door hun muren als omgordeld,

Gehuil van katarakten, uit ravijnen,

Door dooi gekliefd, verzaadt den wind die luistert,

Aanhoudend, wijd, geweldig als de stilte.

Hoor! 't stuwen van de sneeuw! de zon-ontwaakte

Lawine! wier drievoudig door den storm

Gezifte massa vlok bij vlok verzaêmd was,

Gelijk in geesten die den hemel tarten

Gedachte wordt gestapeld op gedachte,

Totdat een groote waarheid losraakt, rondom

Weergalmen dan de volken, tot hun wortels

Daavrend geschud, als thans de bergen doen.

*PANTHEA.*

Zie hoe de onstuimge zee van neevlen breekt

In purper schuim, en juist aan onzen voet!

Zij rijst als de oceaan bij manetoover

Rondom schipbreukelingen zonder voedsel

Op een laag, slijkig eiland.

*ASIA.*

De wolkflarden

Verspreiden zich naar boven. 'k Voel den wind

Die ze optilt warren in mijn haar; de golven

Drijven over mijn oogen nu, mijn brein

Duizelt; ziet gij gedaanten in de mist?

*PANTHEA.*

't Is een gelaat--zijn glimlach wenkt--er brandt

Azuren vuur in zijn goudlokken. Zie!

Nog een en nog een! Luister! zij gaan spreken!

*ZANG VAN GEESTEN.*

Naar omlaag, naar omlaag,

Daal, daal!

Door de schaduw vaag

Van den slaap, en de dampen

Waar de Dood en het Leven kampen;

Door den slagboom van 't zijnd'

En het waas van wat schijnt,

Naar de treden van troon in den versten zaal,

Daal, daal!

Wijl 't geluid kolkt in 't rond,

Daal, daal!

Als het hert trekt een hond,

Als den bliksem de damp,

Als een vlinder de lamp,

Wanhoop dood, liefde zorgen,

Tijd beî, heden morgen,

Als de geest van den steen doet gehoorzamen 't staal,

Daal, daal!

Door het grijs leeg ravijn,

Daal, daal!

Maan noch sterren er zijn,

Geen prisma de lucht is,

Om de rotsen geducht, is

Geen hemelsche luister

Noch aardeduister,--

Doordrongen van Een is het t'eenemaal--

Daal, daal!

Naar het diepst van den kolk,

Daal, daal!

Als bliksem in slaap in een wolk,

Als de in kolen gekoesterde vonk,

Als, door Liefde herdacht, een laatste lonk,

Als van een edelen steen de schijnen

Op den donkeren rijkdom der mijnen,

Wordt een toover gezwegen, die voor u zich vertaal'--

Daal, daal!

Wij bonden, wij leiden u,

Daal, daal!

Met de heldre gestalte bezijden u;

Schuw niet dat ge ontkracht zijt:

Zoo machtig is zachtheid,

Dat de Eeuwge, de Onsterflijke,

Door de poort van het Werklijke,

Moet loslaten den Doem, die beneên zijn troon slaapt

(in slange-spiraal,

Alleen om haar.

*VIERDE TOONEEL.*

_De grot van Demogorgon._ ASIA en PANTHEA.

*PANTHEA.*

Wat voor gesluierde gestalte zit

Ginds op dien ebben troon?

*ASIA.*

De sluier viel.

*PANTHEA.*

'k Zie een geweldig Donker, 't vult den zetel

Dier Macht; stralen van duister schieten rond

Als licht van middagzon, door geen bestaard,

En zonder vorm. Leden, gedaant' noch omtrek;

Toch voelen wij: het is een Geest die leeft.

*DEMOGORGON.*

Vraag wat gij weten wildet.

*ASIA.*

Maar wat kúnt

Gij openbaren?

*DEMOGORGON.*

Al wat gij durft vragen.

*ASIA.*

Wie schiep de weerld die leeft?

*DEMOGORGON.*

God.

*ASIA.*

Wie schiep al

Wat ze in zich sluit? gedachte, hartstocht, rede,

Wil en verbeelding?

*DEMOGORGON.*

God, de Almachtge God.

*ASIA.*

Wie schiep 't gevoel, dat bij het ongemeenst

Bezoek van Lentewind, of bij de stem

Van een beminde alleen in jeugd gehoord,

Tranen 't verflauwende oog ontwellen doet,

Die, vallend, van 't niet rouwende gebloemt

Den hellen blik verduistren,--dat deze aard,

De dicht-bevolkte, als eenzaam achterlaat,

Wen het niet weerkeert?

*DEMOGORGON.*

De barmhartge God.

*ASIA.*

En wie schiep schrik, waanzin, berouw en zonde,

Die, van de schakels van den grooten keten

Der dingen, tot de nietigste gedachte

In 's menschen geest, regeeren en zwaar sleepen,

En elkeen wankelt naar den kuil des doods

Onder dien druk; hoop die men opgaf; liefde

Verkeerd in haat; en zelfverachting, wranger

Een drank dan bloed; leed, wiens geluid, gemeenzaam,

Onopgemerkt, luid huilt en heftig krijt

Dag in dag uit; en Hel, of voor de Hel

De hevige angst?

*DEMOGORGON.*

Hij heerscht.

*ASIA.*

Zeg hoe hij heet!

Een weerld in pijn verkwijnend vraagt zijn naam

Alleen: haar vloek zal hem zijn troon af sleuren.

*DEMOGORGON.*

Hij heerscht.

*ASIA.*

Ik voel, ik weet het: wie?

*DEMOGORGON.*

Hij heerscht.

*ASIA.*

Wie heerscht? In 't eerst was er de Hemel, de Aarde,

Het Licht, de Liefde; dan Saturnus, van

Wiens troon, als een naijverige schaduw,

De Tijd viel. De eerste schepselen der aard

Leefden, toen hij regeerde, als in de vreugd,

De kalme, van gebloemt en levend loof,

Voordat de wind of zon het welken deed,

En half-levende wormen. Maar hij wilde

't Geboortrecht van hun wezen hun niet geven:

Kennis en macht, de kunst die de elementen

Handelbaar maakt, gedachte die als 't licht

Dit donker Al doordringt, zelfheerschappij,

En majesteit van liefde; en zij verkwijnden

Van dorst daarnaar. Toen schonk Prometheus wijsheid,

Dus kracht, aan Jupiter, en met deze eisch

Alleen: "Zij 't menschdom vrij," bekleedde hij

Hem met de macht over den wijden Hemel.

Te kennen trouw noch wet noch liefde, almachtig

Maar zonder vriend te zijn, is heerschappij.

Jupiter heerschte nu; want op 't geslacht

Des menschen viel eerst honger, toen gezwoeg,

Toen ziekte, strijd en wonden, en de dood,

Spookachtig, en voorheen nimmer aanschouwd;

De ontijdige getijden dreven toen

Met wisselende schichten: ijs en vuur,

Hun onbeschutte bleeke benden heen

Naar bergspelonken; in hun leege harten

Zond hij heevge begeerten, zinlooze onrust,

En ijdle schaduwen van onwerklijk goed,

Die onderlingen oorlog stichtten, 't leger

Verwoestend waar ze in raasden. Maar Prometheus

Zag het, en deed der Hoop legioenen rijzen,

Die in 't gevouwen elyseesch gebloemt,

Bloesems die nooit verwelken, Amarant,

Nepenthe en Moly, sluim'ren, dat hun dunne

Regenboog-wieken Doods gedaant' verborgen;

En Liefde zond hij dat zij binden zou

De uiteengescheurde ranken van dien wijnstok

Die 's levens wijn doet rijpen: 't menschenhart;

Hij temde 't vuur dat als een roofdier speelde,

Vreeslijk doch lieflijk, onder 's menschen frons;

En naar zijn wil martelde hij het ijzer

En 't goud, de slaven en 't symbool der Macht,

Juweelen en vergiften, al 't verfijndste

Dat onder bergen en in golven schuilt.

Hij gaf den Mensch de taal, taal schiep gedachte,

Die van 't heelal de maat is; kennis schokte

De tronen van den hemel en van de aard,

Die trilden maar niet stortten; en de ziel

Vol harmonie uitte zich al-profetisch

In zang; muziek hief, tot hij zorg-bevrijd,

Godgelijk schreed over de klare golven

Van zoet geluid, den luisterenden geest;

En menschenhanden bootsten na, bespotten

Ten laatste, met gestalten geboetseerd

Lieflijker dan hun eigne, 's menschen vorm,

Totdat het marmer godlijk werd, en moeders

Die het beschouwden er de liefde dronken

Die menschen in hun kroost weerspiegeld zien

En 't ziende sterven. Van gewas en bronnen

Zei hij wat kracht zij bergen, en de Ziekte

Dronk en vond slaap. De Dood werd slaapgelijk.

Hij onderwees de veel-vervlochten banen

Geweven door 't wijd-zwervende gestarnt,

En hoe de zon van plaats verandert, hoe

De bleeke maan, door een geheimen toover,

Wisselt van vorm, wen haar breed oog niet staart

Op de onverlichte zee. Ook leerde hij,

Als 't leven ledematen stuurt, te heerschen

Over de storm-gewiekte zeeëwagens,

En Kelt en Indiaan kenden elkaar.

Steden verrezen toen, en door hun sneeuw-

Gelijke zuilen vloeiden warme winden,

En scheen de azuren lucht en zag men 't blauw

Der zee en schaduwige heuvlen. Dit

Werd door Prometheus aan den mensch geschonken

Tot een verlichting van zijn toestand, daarvoor

Hangt hij en kwijnt in opgelegde pijn.

Maar wie regent het Kwaad neer, de ongeneesbre

Plaag, die wijl godgelijk de mensch zijn schepping

Beschouwt en ziet haar heerlijkheid, hem voortjaagt,

't Wrak van zijn eigen wil, de spot der Aarde,

De eenzame, de verlaten uitgestootne?

Niet Jupiter. Terwijk zijn frons den Hemel

Nog schokte,--en hem zijn tegenstander vloekte,

In diamant geketend, trilde hij

Gelijk een slaaf. Zeg mij, wie is zijn meester?

Is hij een slaaf, ook hij?

*DEMOGORGON.*

Al geesten zijn 't,

Die 't slechte dienen: en of Jupiter

Zoo'n geest is, ja of neen, dat weet gij zelf.

*ASIA.*

Wien noemt gij God?

*DEMOGORGON.*

Ik sprak slechts gelijk gij,

Want Jupiter is de opperste van al

Wat leeft.

*ASIA.*

Wie is de meester van den slaaf?

*DEMOGORGON.*

Als de afgrond zijn geheimen uit kon werpen....

Maar er ontbreekt een stem, de diepe waarheid

Is beeldloos; wat zou 't helpen of 'k u 't wentlen

Der weerld aanschouwen deed? of spreken liet

Lot, Toeval, Tijd, Kans en Verandering?

Aan deze is alles onderworpen, enkel

De eeuwige Liefde niet.

*ASIA.*

Zoo veel vroeg 'k reeds

Voorheen, en 't antwoord dat gij gaaft, gaf ook

Mijn hart; van zulke waarheden moet elk

Zichzelf 't orakel zijn. Nog éen ding vraag ik;

Antwoord gij mij gelijk mijn eigen ziel

Antwoorden zou, wist zij maar wat ik vraag.

Prometheus zal verrijzen en voortaan

De zon zijn van deze opgetogen wereld:

Wanneer zal de bestemde stond verschijnen?

*DEMOGORGON.*

Zie!

*ASIA.*

De rotsen spleten, door den purpren nacht

Zie 'k wagens, regenboog-gewiekte paarden

Trekken ze en treden op de duistre winden:

In iedren staat een voerman wild van blik,

Hun vlucht aanhitsend. Enklen zien naar achter,

Of duivels hen vervolgden, toch zie 'k niets

Dan 't schitterend gestarnt: met brandend oog

Buigen zich andren over, die den wind

Van de eigen vaart met greetge lippen drinken,

Alsof dat wat zij minden voor hen vlood

En nu, juist nu, zij 't grepen. Heldre lokken

Ontstroomen hun gelijk het flikkrend haar

Van een komeet: zij allen haasten verder.

*DEMOGORGON.*

Dit zijn de onsterflijke Uren waar ge om vroegt.

Eén wacht op u.

*ASIA.*

Een Geest, vreeslijk van aanblik,

Beteugelt bij de rotsge krocht zijn wagen,

De donkre. Uw broedren ongelijke voerman,

Spookachtige, wie zijt gij? Waarheen woudt gij

Mij dragen? Spreek!

*GEEST.*

Ik ben de schaduw van

Een vreeselijker noodlot dan mijn aanblik.

Eer gindsche ster verzonk, zal 't met mij stijgend

Duister des Hemels koningloozen troon

In eeuwgen nacht omwikklen.

*ASIA.*

Wat bedoelt gij?

*PANTHEA.*

Die vreeselijke Schaduw vliegt omhoog

Van zijn troonzetel, als de doodsche damp

Van steden die de aardbeving heeft verwoest

Over de zee. Zie! hij bestijgt den wagen;

De paarden rennen als ontzet! Aanschouw

Zijn pad tusschen de sterren, nacht-verduistrend!

*ASIA.*

Zoo word ik beantwoord: vreemd!

*PANTHEA.*

Zie, bij den zoom

Een andre wagen,--een ivoren schelp,

Doorvloeid van purper vuur dat komt en gaat

Binnen haar rand, gebeeldhouwd vreemd en fijn

Van lijnensier. De jonge Geest, haar sturend,

Heeft de oogen van de Hoop, de duif-gelijke.

Hoe haar zacht lachen lokt de ziel! als 't licht

Vliegende insecten door lamplooze lucht.

*GEEST.*

Mijn renpaarden voedde het weerlicht,

Zij drinken van 's wervelwinds vloed,

En zij baden in 't purperen meer zich, 't

Frisch meer van den morgenzon-gloed.

Hun sterkte volstaat voor hun spoed;--

Stijg dan op met mij, Zeegeboorne!

Ik verlang,--door den nacht vaart een lichtschijn;

Ik vrees,--zij ontvlieden de' orkaan;

Eer de wolken om de' Atlas gezwicht zijn,

Omcirklen wij de aarde en de maan.

Dat wij rusten wen 't werk is gedaan:--

Stijg dan op met mij, Zeegeboorne!

*VIJFDE TOONEEL.*

_De wagen houdt stil in een wolk op den top van een sneeuwigen berg.

Asia, Panthea, en de Geest van het Uur._

*GEEST.*

Op de grens van den daagraad en 't duister

Zijn mijn paarden veraadming gewend;

Maar van de Aard hoorde ik juist een gefluister

Dat sneller dan 't vuur dient gerend:

Drinkt verlangen en vaart ongekend!

*ASIA.*

Op hun neusgaten blaast gij, maar mijn adem

Zou hun meer snelheid geven.

*GEEST.*

Kon dat maar!

*PANTHEA.*

O Geest! vertoef; zeg, waar is 't licht vandaan

Dat deze wolk vult? Nog verrees geen zon.

*GEEST.*

Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven · 第 2 / 5 段