Kwade naturen wijzigen het goede

Produced by Miranda van de Heijning, Valère Swinnen and

the Online Distributed Proofreading Team at

http://www.pgdp.net

PROMETHEUS ONTBOEID

WERELDBIBLIOTHEEK

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

SHELLEY

PROMETHEUS ONTBOEID

EEN LYRISCH DRAMA

IN VIER BEDRIJVEN

VERTAALD DOOR

ALEX. GUTTELING

HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN VOLGENS

DE WET OP HET AUTEURSRECHT

UITGEGEVEN DOOR DE

MAATSCHAPPIJ VOOR

GOEDE EN GOEDKOOPE

LECTUUR--AMSTERDAM

*INLEIDING*

Tot dit gedicht van Shelley is de lezing van Aeschylus' "Prometheus

Geboeid", waarvan het vervolg: "Prometheus Ontboeid" verloren is, de

aanleiding geweest. Talrijke regels en brokstukken in het engelsche

drama herinneren aan het grieksche, wat men reeds voldoende kan zien, al

kent men, zoo als ik, hiervan alleen de vertaling van Elisabeth

Browning. Wat meer is: de grootsche figuur van Prometheus is bij

Aeschylus geen andere dan bij Shelley. Aeschylus zag in zijn daad ook

het nuttelooze, hij liet het koor hem toeroepen: "O vriend, schouw en

zie! wat is al de schoonheid van het menschdom?--kan het schoon zijn?

Wat is al zijn sterkte?--is het sterk? En wat voor hoop kunnen zij

dragen, deze stervende levenden; die éen dag leven? En ziet gij niet,

mijn vriend, hoe zwak en traag, en als een droom, dit arme blinde

menschdom gaat, afgedreven van zijn doel? En hoe geen menschetwisten

kunnen verwarren de harmonie van Zeus?"--maar toch rijst uit dit drama,

dat door dit besef van het wanhopige van Prometheus' streven wezenlijk

een drama is, bewonderenswaardig reusachtig de gestalte van hem, die de

menschen zoo liefhad, dat hij om hen den toorn van Zeus trotseerde.

Prometheus is de grieksche Heiland. Door zijn hulp werd Jupiter (Zeus)

de opperste der Goden, op voorwaarde dat hij den mensch zou ontzien.

Jupiter brak zijn belofte en Prometheus alleen weerhield den tyran, het

menschdom te vernietigen. Hij eindelijk stal uit den hemel het vuur, dat

het in staat stelde een gelukkiger leven te leiden. Alles wat het tot

troost en hulp kon krijgen, ontving het van Prometheus, die tot straf

aan den Kaukasus geketend en gemarteld werd. Maar hij wist een geheim:

op welke wijze Jupiter eenmaal zou vallen en hij bevrijd worden. Jupiter

trachtte hem dit geheim te ontrukken. In het tweede gedicht van

Aeschylus moet het onderwerp geweest zijn, hoe hij erin slaagde zijn val

te voorkomen tegen den prijs van een verzoening met Prometheus en diens

bevrijding. Shelley heeft deze oplossing, die hem weinig verheven

voorkwam en in strijd met Prometheus' karakter in Aeschylus' eerste

drama, versmaad en voorgesteld, alsof Prometheus nu nog lijdt en lijden

zal tot Jupiters ondergang, waarna hij het menschdom verlossen zal uit

alle ellende.

Shelley heeft het moderne verlangen naar een vrije, liefdevolle

menschenwereld uitgestort in dit beeld: Prometheus: de onbedwingbare

"Moed," "Wijsheid" en "duldende Liefde," lang geboeid door Jupiter: den

wereldregeerder, éen naam voor duizend Goden, waarvoor de menschen ooit

knielden, tot Demomorgon: de Eeuwigheid, dezen neerstort en Hercules: de

Kracht, Prometheus bevrijdt, die zich dan hereenigt met Asia: de

"schaduw van onaanschouwde Schoonheid," waarna de wereld en de

gemeenschap der menschen gelijk worden aan een paradijs.

De schoonheid van deze schepping ligt in de titanische kracht ervan, die

samengaat met de wonderbare fijnheid en innigheid die Shelley altijd

kenmerken; in de macht van verbeelding en de grootschheid van gedachte;

in de zuiverheid van geluid en den zeldzamen, misschien nooit

geëvenaarden rijkdom van zang. Er is een stijging in, die eindelijk

gejubel wordt; het is na de verschrikkingen in den aanvang, de

openbarsting van een verrukkelijke lente: men voelt er de heerlijkheid

in van het italiaansche voorjaar, waarin het geschreven werd.

Daarentegen is alles, wat tot den vorm in engeren zin behoort, van een

opmerkelijke losheid. Shelley's poëzie is een fontein die zijn bekken

overstroomt, een vulkaan van onberekenbare uitbarstingen, maar geen

bouwwerk. De compositie van zijn "Prometheus" is zelfs zwak te noemen.

Alles hangt er af van den val van Jupiter, en hoe schetsmatig wordt deze

behandeld, terwijl bijkomstige tafereelen een groote ruimte beslaan! In

maat, strofenbouw en rijmen gebruikt hij vele vrijheden, die evenwel

nooit aan de schoonheid der verzen afbreuk doen en haar zelfs vaak

verhoogen, omdat die schoonheid berust op de ritmische vaart en den zang

van Shelley's verzen, op de levende bewogenheid van zijn stem dus, en

niet op de kunst-verfijning, waarmee sommigen die bewogenheid bedwingen

in de strakste beperkingen. Zoo is ook zijn woordenkeus niet, zooals

o.a. die van Poe, bepaald door een onverbiddelijke noodwendigheid, maar

hij stelt zich wel eens tevreden met een ietwat retorische uitdrukking

mits zij den stroom van vers en gedachte niet belemmert. Zijn woorden

zijn druppels, die men niet een voor een, maar altijd in die strooming

beschouwen moet.

Bij het vertalen vergemakkelijkten deze eigenschappen mijn taak. Wie

eenmaal Shelley's toon met den zijnen heeft weten te benaderen, en den

geest van het werk goed verstaat, mag zich menige vrijheid veroorloven.

Als er iets van den geweldigen gang en tevens van de verrukkelijke

teerheid van het oorspronkelijk in mijn Hollandsch is overgegaan, ben ik

tevreden. Aan hem, wiens vertaling van "Shelley's Gedichten van 't jaar

1816" mij tot voorbeeld was, draag ik dit werk op.

*OPGEDRAGEN AAN ALBERT VERWEY*

PERSONEN:

PROMETHEUS.

DEMOGORGON.

JUPITER.

DE AARDE.

OCEANUS.

APOLLO.

MERCURIUS.

HERCULES.

ASIA |

PANTHEA | DOCHTERS DER ZEE.

IONE |

DE SCHIM VAN JUPITER.

DE GEEST DER AARDE.

DE GEEST DER MAAN.

GEESTEN DER UREN.

GEESTEN, ECHO'S EN FAUNEN.

FURIËN.

*EERSTE BEDRIJF.*

*PLAATS:*

_Een ravijn van ijsrotsen in den Indischen Caucasus. Prometheus is

zichtbaar, aan de steilte gebonden. Panthea en Ione zijn aan zijn voeten

gezeten. Tijd: nacht. Gedurende het tooneel breekt langzaam de morgen

aan._

*PROMETHEUS.*

Monarch van Goden, Demons, alle Geesten--

Op Een na--waar die werelden van weemlen,

De stralend-wentlende, door u en mij

Alleen van al wat leeft met slaaplooze oogen

Aanschouwd! Zie hoe deze aard krielt van uw slaven

Die gij voor knieval, prijs, gebed, gezwoeg

En offrand van gebroken harten loont

Met vrees en zelfverachting, hooploosheid;

Terwijl gij, blind in haten, mij uw vijand

Deedt heerschen, triomfeeren, u tot hoon,

Over mijn rampspoed en uw ijdle wraak.

Drieduizend jaar van uren onbeschermd

Door slaap, en oogenblikken steeds gekloofd

Door felle pijnen, tot zij jaren schenen,

Foltring en eenzaamheid, wanhoop en smaad,

Die zijn mijn rijk:--eindloos roemruchtiger

Dan de gebieden, die gij overschouwt

Van onbenijden troon, o Machtge God!

Almachtig, had de schande ik willen deelen

Dier snoode dwinglandij, hing ik niet hier

Genageld aan dees bergwand aadlaar-tartend,

Zwart, wintersch, dood, onmeetlijk; zonder kruid,

Insect of beest, vorm of geluid van leven.

Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!

Geen wissling, rust noch hoop! Toch houd ik vol.

Ik vraag aan de Aard, voelden de bergen 't niet?

Ik vraag den Hemel, heeft de alziende Zon

Dit niet gezien? De Zee, in stilte of storm,

's Hemels nooit eendre Schaûw omlaag-gespreid,

Hoorden haar doove golven niet mijn nood?

Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!

Gletschers, aansluipende, doorboren mij

Met speren van kristal in maan bevrozen;

De helle ketens vreten me in 't gebeent

Met kou die brandt; 's Hemels gevlerkte hond,

Met gif niet van hemzelf, van uwe lippen,

Zijn bek bezoedelend, verscheurt mijn hart;

En vormlooze gezichten zwerven aan,

Spookge bevolking van het droomenrijk,

Spottend met mij; de Aardbeving-demons moeten

De spijkers uit mijn sidderende wonden

Loswringen, wen de rots splijt en weer sluit;

Wijl uit hun luide afgronden huilend zwermen

Stormgeesten, 't razen van den wervelwind

Opzweepend, treffend mij met scherpen hagel.

En toch, hoe welkom zijn mij nacht en dag,

't Zij voor den een de morgenrijp verdwijnt,

't Zij sterrig, donker, langzaam, de ander stijg'

In 't loodblauw Oosten; want dan leiden zij

De wiekloos-kruipende Uren, waarvan een--

Gelijk een sombre priester 't weigrig offer--

U, wreede koning, sleuren zal om 't bloed

Te kussen van dees voeten bleek, die dan

U trappen konden, als zoo'n slaaf in 't stof

Niet werd veracht door hen. Verachten! Neen!

'k Heb medelij met u. Welk een verwoesting

Jaagt onbeschermd u dan door wijden hemel!

Hoe zal uw ziel, van schrik ten kern gespleten,

Hel-gelijk in u gapen! 'k Spreek in leed,

Niet juichend, want ik haat niet meer, als toen,

Eer 'k door ellende wijs werd. 'k Zou den vloek,

Eens geâdemd over u, herroepen willen.

Gij Bergen, wier veelstemmige Echo's wierpen

Door mist van cataracten 't dondrend doemwoord!

Gij ijzge Bronnen, stijf, rimplig bevrozen,

Die trildet toen gij 't hoordet en dan kroopt

Siddrend door Indië! Gij puurste Lucht,

Waardoor de Zon schrijdt brandend zonder stralen!

En snelle Wervelwinden gij, die hingt

Op evenwichtge vlerken stom, beweegloos,

Boven verstilden afgrond, toen een donder

Luider dan die van u, de ronde wereld

Schokte! Als mijn woorden toen een kracht bezaten,

Schoon 'k zoo veranderd ben, dat in mij stierf

Iedere kwade wensch, en 'k niet meer weet

Wat haat is,--laat hen thans niet krachtloos zijn!

Hoe was die vloek? gij allen hoordet mij.

*EERSTE STEM, VAN DE BERGEN.*

Driemaal drieduizend keer honderd jaren

Staande boven Aardbevings bed,

Trilden onze tallooze scharen

Vaak als menschen vrees-ontzet:--

*TWEEDE STEM, VAN DE BRONNEN.*

Bliksemstralen zengden ons water,

Door bitter bloed werden we ontwijd,

Tusschen moordkreten zweeg ons geklater

In een stad en een eenzaamheid:--

*DERDE STEM, VAN DE LUCHT.*

Ik die sinds de Aard verrezen is kleedde

Verwoesting in kleuren, haar eigen niet,

Voelde dikwijls mijn zuiveren vrede

Splijten door scheurende kreet van verdriet:--

*VIERDE STEM, VAN DE WERVELWINDEN.*

Ons die beneden dees bergen vlogen

Rustlooze eeuwen, hadden de dondren,

Vulkanen die vlammenfonteinen spogen,

Of welke macht ook van boven of ondren,

Nimmer verstomd in verwondren:--

*EERSTE STEM.*

Maar nooit, nooit boog onze sneeuwige kam,

Als toen ze de stem van uw smart vernam.

*TWEEDE STEM.*

Nimmer tevoren droegen wij

Naar de indische golven zulk een schrei.

Een loods in slaap op het huilende diep

Sprong op van het dek in wanhoop en riep

Toen hij het hoorde: "o wee mij, wee!"

En stierf ontzind als de wilde zee.

*DERDE STEM.*

Nooit mijn stil rijk zoo vreeslijke kreten

Van de Aarde tot den Hemel doorspleten:

Toen de wond was gesloten, stond er een gloed

Duister over den dag als bloed.

*VIERDE STEM.*

En wij schrikten terug: verwoestingsvizioenen--

Wij vliênd naar ijsholen--vervolgden ons toen en

Deden ons zwijgen--zuchten--zacht--

Zwijgen, door ons een hel geacht.

*DE AARDE.*

Der rotsge heuvlen spraaklooze Spelonken

Schreeuwden toen: "Wee!", de holle Hemel riep

Tot antwoord: "Wee!", der Zee purperen golven

Bestegen 't land, huilden 't zweepende winden

Tegen, de bleeke volken hoorden 't: "Wee!"

*PROMETHEUS.*

'k Verneem geluid van stemmen, niet de stem

Die klonk uit mij. Moeder, gij en uw zonen

Hoont hem zonder wiens al-doorstaanden wil

Onder de wreede almacht van Jupiter

Niet zij alleen, ook gij vergaan zoudt zijn

Als dunne mist, op morgenwind ontrold.

Kent gij mij niet, den Titan? hem, die tegen

Uw anders al-veroverenden Vijand

Zijn lijden slagboom zijn deed? O in rotsen

Schuilende weiden, sneeuw-gevoede stroomen,--

'k Zie u heel diep dwars door bevrozen dampen--

Door wier beschaduwende wouden 'k eens

Met Asia liep, het leven drinkend uit

Haar dierbaar oog; waarom versmaadt de geest

Die u bezielt, nu het verkeer met mij,

Met mij alleen die intoomde, als wie demon-

Getrokken voerman stuit, de kracht en valschheid

Van hem die oppermachtig heerscht, en vult

Daldiepte en waterige wildernissen

Met kreten van rampzaalge slaven? Broeders,

Antwoordt gij nóg niet, hoe?

*DE AARDE.*

Zij durven 't niet.

*PROMETHEUS.*

Wie durft? Want ik begeer dien vloek te hooren.

Ha! welk een vreeselijk gefluister stijgt!

't Lijkt nauwlijks klank: het tintelt door het lijf

Als bliksem tintelt, aarzlend eer hij slaat.

Spreek, Geest! want door uw lichaamlooze stem

Weet ik alleen dat gij mij nader komt,

En liefhebt. Hoe vervloekte ik hem?

*DE AARDE.*

Hoe kunt gij,

Die niet de taal der dooden kent, het hooren?

*PROMETHEUS.*

Gij zijt een geest die leeft, spreek zooals zij.

*DE AARDE.*

'k Durf niet als 't leven spreken, want des Hemels

Grimmige Vorst zou 't hooren, aan een rad

Van pijn zou hij mij kluistren, foltrender

Dan dat waarop ik wentel. Gij zijt wetend

Zoowel als goed, en schoon de Goden niet

Deze stem hooren--gij zijt meer dan God:

Vriendlijk en wijs zijnd,--hoor aandachtig nu.

*PROMETHEUS.*

Donker gaan door mijn brein, als doffe schaduwen

Gruwbre gedachten, snel en dicht opeen.

Ik voel me of ik bezwijm, als wie in liefde

Vereenend zich omstrenglen, maar geen vreugd is 't.

*DE AARDE.*

Neen, gij kunt niet verstaan: gij zijt onsterflijk,

Dees taal is enkel stervelingen bekend.

*PROMETHEUS.*

En wat zijt gij, o weemoed-volle Stem?

*DE AARDE.*

'k Ben de Aard, uw moeder, in wier steenen aadren

Tot 't laatste nerfje van den hoogsten boom,

Wiens dun geblaart trilde in de ijskoude lucht,

Vreugd stroomde, als bloed stroomt in een levend lijf,

Toen gij haar schoot gelijk een gloriewolk

Ontreest--een wezen van geweldge vreugd!

En bij uw stem hieven haar kranke zonen

't Gebogen hoofd op van 't bezoedlend stof;

En onze almachtige Tyran werd bleek

Van felle vrees,--totdat zijn donder hier

U vastklonk. Toen,--zie die millioenen werelden

Rondom ons brandend, wentlend,--hun bewoners

Zagen mijn ronde licht in wijden hemel

Slinken; de zee hief zich in vreemden storm;

Nieuw vuur uit helle sneeuwgebergten, die

De aardbeving spleet, schudde zijn dreigend haar

Onder gefronsden hemel; bliksem, vloed,

Kwelden de vlakten; blauwe distels bloeiden

In steden, voedsellooze padden kropen

Zuchtend in weelderige kamers rond,

Toen Pest en Honger mensch, beest, worm beviel;

En zwart bederf planten en boomen; 't koren,

De wijnstok, 't weidegras, krielde van onkruid,

Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,--

Want mijn vervallen borst was droog van leed;

De dunne lucht, mijn adem, was bezoedeld

Met de besmetting van een moeders haat,

Dien ze op den pijniger aêmde van haar kind.

Ja, 'k heb dien vloek gehoord, dien, moogt dan gij

Hem kwijt zijn, mijn tallooze zeeën, stroomen,

Bergen, holen en winden, wijde lucht,

En 't onverstaanbaar doodenvolk, bewaren;--

Gelijk een schat is die bezwering ons,

Wij overpeinzen in geheime vreugd

En hoop die vreeselijke woorden, maar

Durven ze niet te spreken.

*PROMETHEUS.*

Waardge Moeder!

Alle andre levenden die lijden, krijgen

Van u eenge vertroosting: bloemen, vruchten,

Blijde geluiden, liefde--al vliedt die snel.

Dit 's niet voor mij:--mijn eigen woorden,--'k smeek u.

Weiger die niet aan mij.

*DE AARDE.*

Gij zult ze hooren.

Eer Babylon tot puin verging, ontmoette

Mijn doode zoon, de Magiër Zoroaster,

Zijn eigen beeltnis wandlend in den tuin.

Hij enkel zag van 't menschdom die verschijning.

Want weet, twee werelden bestaan, van leven

En dood:--een, die ge aanschouwen kunt, maar de andre

Is onder 't graf, daar, waar de schimmen wonen

Aller gedaanten met gedachte en leven,

Tot dood hen eent en nimmermeer zij scheiden;

Droomen, lichte verbeeldingen der menschen,

Al wat geloof schept of wat liefde hoopt,

Vreeslijk, verheven, vreemd en schoon van maaksel.

Daar zijt ook gij, en hangt, wringend een schim,

In wervelwind-bevolkte bergen. Al

De Goden zijn daar; al de Machten van

Naamlooze werelden, reusachtge schaduwen,

Geschepterd, en heroën, menschen, dieren;

En Demogorgon, een schrikwekkend Duister;

En hij, de Opper-Tyran, zit op zijn troon

Van brandend goud. Zoon, een van hen zal uiten

Den vloek dien ieder kent. Roep wien gij wilt,

Uw eigen geest, den geest van Jupiter,

Hades of Typhon, of wat machtger Goden

Uit over-vruchtbaar Kwaad, sinds uw verderf,

Rezen en trapten mijn geknielde zonen.

Vraag, en zij moeten antwoorden: de wraak

Des Hoogsten raze dan door holle schaduwen,

Als regenwind door de verlaten poort

Van een verwoest paleis.

*PROMETHEUS.*

Moeder, dat niets

Van wat misschien verkeerd is weer mijn lippen

Ontga, of die van iets dat mij gelijkt.

Schaduw van Jupiter, verrijs, verschijn!

*IONE.*

Mijn wieken vouwde ik voor mijn ooren,

Mijn wieken kruiste ik voor mijn oogen,--

Toch zie 'k door zilveren schaduwbogen,

Toch kan ik door sussende veedren hooren,--

Een Schim, een klankenzwerm.

Nadere u geen onheil nu,

O veel-doorwonde, ocharm,

Bij wien we, ons Zusterlief ten troost,

Slapeloos waken onverpoosd.

*PANTHEA.*

't Geraas is van vuur, van wervlend geblaas

Onder de aarde, van bergen die scheurend beven,

De schim is vreeslijk als 't geraas.

In donker purper, sterren-doorweven.

Een schepter van bleek goud,

Die zijn stappen schraag', trotsch over wolken traag,

Zijn hand, de dooraderde, houdt.

Wreed, maar toch kalm en sterk hij ziet,

Als wie onrecht doet, maar lijdt het niet.

*SCHIM VAN JUPITER.*

Waartoe werd ik, een broze en ijle schaduw,

Door dezer vreemde weerld geheime machten

Hierheen gedreven op de wildste stormen?

Wat ongewone klanken zweven er

Op mijnen mond, een andre stem dan die

Waarmee ons bleeke ras spookachtig spreekt

In duister?--Trotsche lijder, wie zijt gij?

*PROMETHEUS.*

Ontzachlijke verschijning! gelijk gij zijt

Moet hij zijn dien ge afschaduwt. 'k Ben zijn vijand,

De Titan. Spreek de woorden die 'k wou hooren,

Schoon geen gedachte uw leege stem beziel'.

*DE AARDE.*

Luistert! wel moet uw echo stom zijn, grijze

Bergen, orakelholen, geestenbronnen,

Stroomen rond eilanden, en oude wouden,--

Verblijdt u hoorend wat gij niet kunt spreken!

*DE SCHIM.*

Mij grijpt een geest, die binnen in mij spreekt:

Hij scheurt me als vuur een donderwolk verscheurt.

*PANTHEA.*

Zie hoe zijn machtge blik zich heft! de hemel

Donkert omhoog!

*IONE.*

Hij spreekt! Wil mij beschermen!

*PROMETHEUS.*

Ik zie den vloek, in trotsch en koud gebaar,

Blikken van vaste uitdaging, kalme haat en

Wanhoop die met zichzelf glimlachend spot,

Geprent als op een rol. Maar spreek, o spreek!

*DE SCHIM.*

"Duivel, ik daag u uit! kalm, vast van geest,--

Zooveel gij slaan kunt bid ik u te slaan;

Booze Tyran, door god en mensch gevreesd,

Eén eénig wezen zult gij niet verslaan!

Regen uw plagen altemaal,

Krankzinnige angst, spookachtige kwaal

Op mij, laat wisslend vorst en gloeden

Knagen in mij, en zij uw woede

Bliksem, snijdende hagel, tallooze vormen

Van Furiën drijvend aan op wonden-slaande stormen!

"Ja, doe het ergste, almachtige! over 't al

Behalve uzelf en mijn wil gaf 'k u macht!

Zend uit dien hemeltoren 't talloos tal

Onheilen snel, verzengend 't menschgeslacht.

Dat uw boosaardge geest omzweef'

In duister wie 'k mijn liefde geef:

'k Wil dat gij mij en de mijnen slaat

Met de uiterste pijniging van uw haat;

Zoo wijd 'k aan foltring, door geen slaap verdoofd,

Zoolang gij heerscht omhoog dit nimmer-zinkend hoofd.

"Maar gij, die God en Heer zijt! Gij wiens ziel

Vervult dees weerld van wee, Vijand die heerscht:

Buigt niet in eerbied of in bang gekniel

Voor u elk ding van heem'l en aarde om 't zeerst?

Ik vloek u! Als berouw omgrijp'

Eens lijders vloek zijn beul, en nijp',

Totdat uw eindloosheid een kleed

Gelijke van vergiftigd leed,

En tot uw almacht zij een kroon van pijn,

Klemmend als brandend goud rondom uw smeltend brein!

"In naam van dezen Vloek staaple gij tal

Van zonden op uw ziel, wees 't goede ziend

Verdoemd dan, bei oneindig als 't heelal,

Gij en uw eenzaamheid, zelf-pijnging biênd!

Nog zit ge, een vreeslijke figuur

Van kalme macht, maar kome t' uur,

Waarin zal blijken wat gij zijt

In allerdiepste inwendigheid,

En, na veel zonden, valsche en vruchtelooze,

Hoon volge uw tragen val, eeuwig, door 't eindelooze!"

*PROMETHEUS.*

Sprak ik zoo, moeder Aarde?

*DE AARDE.*

Zoo spraakt gij.

*PROMETHEUS.*

't Berouwt me: ijdel en haastig woorden zijn:

Smart is een wijle blind, en zoo was mijn':

Niets wat er leeft wensch ik dat lijdend zij.

*DE AARDE.*

Wee mij, wee,

Dat Hij u eindlijk buigen deê!

Klaagt, huilt luid, Land en Zee,--

Aarde's gescheurde hart krijt mee!

Geesten der levenden en dooden, schreit!

Uw toeverlaat en steun thans overwonnen leit.

*EERSTE ECHO.*

Thans overwonnen leit?

*TWEEDE ECHO.*

Verwonnen leit!

*IONE.*

Vrees niet: die huivring zal niet duren,--

De Titan is niet overmand.--

Maar zie omhoog waar door de azuren

Spleet van dien sneeuwtop scherp-getand,

Op hellende winden tredend zijn voet

In gouden sandaal--hij straalt

Onder veeren gekleurd in purpergloed

Ivoor gelijk door een roos bebloed--

Een Gedaante daalt,--

Uit zijn rechterhand oprijzend blinkt

Een staf door een slang omkringd.

*PANTHEA.*

Mercuur, Jupiters boô, die 't al doordwaalt.

*IONE.*

En wie zijn die met hydraharen,

En vlerken van ijzer, den wind bestijgend?

De God, gefronsd, weerhoudt hun scharen

Achter hem stoomenden damp gelijkend,

Met luid geroep, een eindlooze troep-- --

*PANTHEA.*

't Zijn Jupiters honden die hij met krijten

En bloed verzaadt, zij bezweven de' orkaan,

Wen zijn raadren op zwaavlige wolken gaan,

En de grenzen der hemelen splijten.

*IONE.*

Of van de ijle doôn zij gezonden zijn,

Zich te voeden met nieuwe pijn?

*PANTHEA.*

De Titan ziet als steeds vast, niet hoovaardig.

*EERSTE FURIE.*

Ha! ik ruik leven!

*TWEEDE FURIE.*

Laat mij in zijn oog maar zien!

*DERDE FURIE.*

De hoop van hem te foltren ruikt gelijk een stapel

Van lijken na den slag voor een doodsvogel!

*EERSTE FURIE.*

Durft gij nog treuzlen, o Heraut? Verheugt u, Honden

Der Hel! Hoe, als de Zoon van Maia dra

Tot voedsel en vermaak ons strekken zou?

Wie kan den Oppermachtge lang behagen?

*MERCURIUS.*

Terug naar jullie ijzren torens, knarst

Met voedsellooze tanden, naast de stroomen

Van vuur en weeklacht! Geryon, verrijs!

Gorgon, Chimaera, Sphinx, de meest verfijnde

Duivel, die 's hemels gifwijn reikte aan Thebe:

Ontaarde liefde, en meer ontaarde haat!--

Die zullen 't werk volvoeren.

*EERSTE FURIE.*

Medelij!

O medelij! wij sterven in ons smachten:

Jaag ons niet weg van hier!

*MERCURIUS.*

Neer dan en zwijgt!--

Ontzachbre Lijder! Willens niet, onwillens

Nader ik u: de wil des Grooten Vaders

Dreef mij omlaag, dat ik een doem volvoer'

Van nieuwe wraak. Helaas! 'k bemeelij u,

En 'k haat mij zelf, dat ik niet meer kan doen.

Ja, als ik weerkeer, nadat ik u zag,

Schijnt voor een poos de Hemel mij een Hel,

Zoo achtervolgt me uw magere gedaant

Des daags, des nachts, en glimlacht een verwijt.

Wijs sterk en goed zijt gij, maar woudt vergeefs

Alleen weerstaan de' Almachtge; gindsche lampen,

De heldre, die de moede jaren meten

En scheiden, die niet een ontkomen kan,

Leerden 't reeds lang en moeten 't lang nog leeren.

Juist op dit oogenblik wapent uw foltraar

Met vreemde kracht van nooitgedroomde pijnen

Machten, die in de hel langzame ellenden

Beramen, en aan mij werd opgedragen

Hen hier te voeren, of wat wreeder, wilder,

Verfijnder duivels in den afgrond huizen,

Dat zij hun taak volbrengen! Zij het niet zoo!

U, en van al wat leeft anders niet een,

Is een geheim bekend,--den schepter van

Den wijden Hemel kan het overdragen,--

De vrees daarvoor verbijstert de' Oppergod.

Kleed het in woorden, vraag of het zijn troon

Bemiddelend omgrijp'; buig in gebed

Uw ziel, laat in uw trotsche hart den wil

Knielen, een smeekling in een prachtgen tempel:

Weldaân, deemoedige onderwerping temmen

Den meest vertoornde en machtigste tot zachtheid.

*PROMETHEUS.*

Kwade naturen wijzigen het goede

Naar eigen aard. Ik gaf al wat hij heeft;

En tot belooning ketent hij mij hier,

Jaren, neen eeuwen, nacht en dag; hetzij

De zon mijn droge huid doet barsten, 't zij

In maannacht de kristal-gewiekte sneeuw

Kleeft rond mijn haar; wijl mijn geliefd geslacht

Vertreên wordt door wie zijn gedachte doen.

Zoo is 't dat de Tyran vergeldt, 't Is recht:

Hij die niet goed is kan geen goed ontvangen

En voor een weerld geschonken of een vriend

Verloren kan hij haat, vrees, schaamt gevoelen;

Geen dankbaarheid. Hij loont mij enkel voor

Zijn eigen misdaad. Vriendlijkheid is fel

Verwijt voor zulk een, dat met scherpe steken

Den lichten sluimer afbreekt van de Wraak.

Gij weet, dat 'k mij niet onderwerpen kan:

Welke onderwerping dan dat noodlot-woord,

Doodszegel van des menschdoms slavernij,

Als 't zwaard des Siciliaans, dat aan een haar hangt

Bevend boven zijn kroon, zou hij aanvaarden,

Of kon ik toestaan? Maar niet wil 'k ze toestaan.

Laat andren Misdaad vleien waar hij troont

In snel-verganklijke almacht! Veilig zijn zij:

Want wen het Recht verwint zal 't meelij reegnen,

Geen straf, op 't onrecht dat het leed, en dat

Te over geboet werd door wie dwalen, 'k Wacht,

Dus duldende, 't vergelding-brengende uur,

Dat sinds wij spraken zelfs iets nader kwam.

Maar luister, de Helhonden razen. Vrees

Uitstel! want zie! de hemel donkert onder

Uws Vaders frons!

*MERCURIUS.*

O bleve 't ons bespaard--

Mij 't leed doen, u het lijden! Antwoord me éens nog:

Kent gij het eindperk niet van zijn gezag?

*PROMETHEUS.*

Ik weet slechts dat het eind eens komt.

*MERCURIUS.*

Helaas!

Gij kunt de jaren die uw pijn nog dure

Niet tellen!

*PROMETHEUS.*

Zoolang Jupiter regeert,

Houden zij aan, niet meer noch minder hoop

Of vrees ik.

*MERCURIUS.*

Maar denk even na, en duik

In de eeuwigheid, waar tijd dien ge u herinnert--

Zelfs al wat we ons verbeelden, eeuw op eeuw--

Een punt maar schijnt, en de weerstrevende

Gedachte kwijnt, moe in de oneindge vlucht,

Tot duizlend, blind, verloren, onbeschermd,

Zij zinkt. Ze telde allicht de trage jaren

Nog niet, die gij in foltring zonder uitstel

Doorleven moet?

*PROMETHEUS.*

Misschien kan geen gedachte

Ze tellen. Evenwel, zij gáán voorbij.

*MERCURIUS.*

Als gij mocht wonen bij de Goôn dien tijd,

In wellustvreugd gekoesterd?

*PROMETHEUS.*

Toch zou 'k niet

Willen verlaten dezen zwarten afgrond,

Noch deze pijnen, wien geen pijndoen rouwt.

*MERCURIUS.*

Helaas! 'k verbaas mij, maar beklaag u toch.

*PROMETHEUS.*

Beklaag des hemels slaven, die zichzelf

Verachten, maar niet mij: want in mijn geest

Zit heldre vrede, als in de zon het licht,

Ten troon. Hoe doelloos is het spreken. Roep

De duivels op.

*IONE.*

O zuster, zie! Wit vuur

Spleet dien geweldgen sneeuw-beladen ceder

Tot aan de wortels. Hoe ontzettend huilt

Gods donder 't achterna!

*MERCURIUS.*

Ik moet zijn woorden

En die van u gehoorzamen! Helaas!

Hoe hangt zich zwaar de wroeging aan mijn hart!

*PANTHEA.*

Zie waar het Hemelkind, gewiekt van voet,

Omlaagsnelt langs het schuine daagraad-zonlicht.

*IONE.*

Dierbare zuster, sluit uw veedren nu

Over uw oogen, anders ziet ge en sterft.

Zij komen, komen, zwartend dags geboorte

Met vlerken zonder tal, waaronder 't hol is

Gelijk de dood!

*EERSTE FURIE.*

Prometheus!

*TWEEDE FURIE.*

Kampioen

Van 's Hemels slave'!

*DERDE FURIE.*

Onsterfelijke Titan!

*PROMETHEUS.*

Hier is hij dien een vreeselijke stem

Aanroept, Prometheus, de geboeide Titan.

Gruwbare vormen, wat en wie zijt gij?

Nimmer nog kwamen zoo afgrijslijke

Droombeelden door de hel die monsters teelt

Uit Jupiters alles wanscheppend brein.

Wijl 'k zoo verfoeilijke wezens zie,

Is 't me of ik lijken ga op wat ik schouw

En lach en staar in walglijke gemeenschap.

*EERSTE FURIE.*

Wij zijn de dienaars van ontgoocheling,

Van pijn en vrees en wantrouwen en haat,

En zonde die zich vastklemt aan de ziel,

Als ranke honden die door woud en meer

Een jeugdig hert, geraakt en snikkend, volgen,

Gaan we alles na wat weent en bloedt en leeft,

Wanneer de groote Vorst hen overlevert

Aan onzen wil.

*PROMETHEUS.*

O veel vreeslijke wezens

In éenen naam! ik ken u; en dees meren

En echo's kennen 't duister en 't gedruisch

Van uwe vlerken. Maar waarom verrijst gij

Leelijker dan uw walgingwekkend wezen

Vergaderd in legioenen uit den afgrond?

*TWEEDE FURIE.*

Dat wisten wij nog niet. Verheugt u, Zusters!

*PROMETHEUS.*

Kan iets om zijn wanstaltigheid verblijd zijn?

*TWEEDE FURIE.*

Schoonheid van wellust maakt verliefden blij,

Starende naar elkaar,--zoo zijn ook wij.

Als van de roos, die knielend plukken wil

Voor feestelijken bloemkroon de priestres,

De bleeke, een roode schijn valt op haar wang

Waardoor zij bloost, zoo kleedt ons onze vorm:

De schaûw van smarten die ons offer wachten,--

Anders zijn vormloos we als ons' Moeder Nacht.

*PROMETHEUS.*

'k Bespot uw macht en die van wie u zond,

In diepsten hoon. Giet leeg uw kelk van pijn.

*EERSTE FURIE.*

Bedenkt gij dat we u zullen scheure' uiteen,

Zenuw voor zenuw, been voor been, als vuur

Vretend in u?

*PROMETHEUS.*

Pijn is mijn element,

Als haat het uwe. Gij verscheurt mij nu,

Het raakt mij niet.

*TWEEDE FURIE.*

Stelt ge u wel voor, dat we in

Uw lidlooze oogen zullen lachen?

*PROMETHEUS.*

'k Schat

Niet wat gij doet, maar wat gij lijdt, kwaad zijnde.

Wreed was de macht die u, of wat dan ook,

Zoo slecht, in 't licht riep.

*DERDE FURIE.*

Denkt gij hier wel aan,

Dat we in u zullen leven, een voor een,

Als dierlijk leven, en ofschoon wij niet

De ziel die in u brandt kunnen verduistren,

Dat wij daarneven zullen wonen, als

Een ijdle luide menigt, folterend

De zelftevredenheid der wijste menschen;

Wij zullen zijn ontzettende gedachte

Onder uw brein, en leelijke begeerte

Rond uw verbaasde hart, en bloed dat kruipt

In doolhof van uw aadren als zieltoging.

*PROMETHEUS.*

Wel, nu reeds zijt gij zoo, toch ben ik vorst

Over mijzelf en heersch over die volten

Die in mij worstlen en me inwendig martlen,

Gelijk over uw menigt Jupiter

Regeert, wanneer de Hel aan 't muiten slaat.

*KOOR VAN FURIËN.*

Van de einden der aard, van de einden der aard,

Waar zijn graf heeft de nacht en de morgen klaart,

Komt, komt, komt!

Wier vreugdkreet de heuvelen schokkend doorvaart

Wen steden zinken in puin met gesteen!

Wier vlerklooze voetstappen treên op de zeên,

Die snatert--Schipbreuk en Hongersnood vlak

Op het spoor--van pret op het voedselloos wrak,

Komt, komt, komt!

Laat het bed, laag, koud en rood,

Waar een natie neerligt, dood;

Laat de haat, want in de sintels

Bleef nog vuur dat straks moog' flakkeren:

't Zal opvlammen in bloediger krinkels

Als, spoedig terug, gij 't aan zult wakkeren;

Laat de zelf-walg die verovert

Jeugdige zielen zinnen-betooverd,

Nog onontstoken haard van leed;

Laat het Hel-geheim, half onthuld

Den waan-bevangen droomer;--wreed,

Meer dan gij die de haat bewoog,

Werd hij door vrees voor schuld.

Komt, komt, komt!

Uit den wijden hellepoort stoomen we omhoog,

Wij bezwaren de vlagen van de lucht,

Maar ons doen is vergeefsch totdat gij tot ons vlucht!

*IONE.*

Zuster, 'k hoor 't donderen van nieuwe vlerken.

*PANTHEA.*

Dees vaste bergen trillen van 't geluid

Gelijk de sidderende lucht: hun schaduwen

Doen 't zwarter zijn dan nacht tusschen mijn veedren.

*VIERDE FURIE.*

Uw roep was als een gewiekte wagen,

Op wervelwinden snel en ver gedragen,

Hij kwam van rooden krijgskolk ons verjagen;

*VIJFDE FURIE.*

Van wijde steden waar de honger woedt,

*ZESDE FURIE.*

Van klachten half-gehoord, en ongedronken bloed;

*ZEVENDE FURIE.*

Van konings-raden, barsch en koud,

Waar bloed verkwanseld wordt om goud;

*ACHTSTE FURIE.*

Van den oven, wit en heet,

Waar--

*EEN FURIE.*

Spreek niet, daar 'k alles weet

Wat gij woudt zeggen--wil niet fluistren--

Breken mochten de tooverkluistren,

Waardoor straks buig' de strenge van gedachte,

Dien niets nog buigen deed:

De diepste macht der Hel blijft hij verachten.

*EEN FURIE.*

Scheur het floers!

*EEN ANDERE.*

Het is door.

*KOOR.*

't Bleek gesternt van Auroor

Schijnt op smart zwaar te dragen. Bezwijmt gij erdoor,

Machtge Titan? Wij lachen hoon-schaatrend in koor!

Roemt ge op wetenschap klaar, die den mensch gij deedt dagen?

Toen ontgloeide er een dorst in hem, nimmer verslagen

Door die stervende waatren, een koortsdorst verterend,

Liefde, twijfel, hoop, smachten, hem eeuwig verheerend.

Een verscheen van zachte waarde

Lachend op de bloedroode aarde:

Zijn woorden duurden, snel venijn

Gelijk, verdelgend waarheid, deernis, vrede.

Zie! langs de wijde kimmelijn

Rondom, veel dichtbevolkte steden,

Braaksels rookend in de heemlen klaar!

Hoor dien kreet van wanhoop zwaar!

't Is zijn zachte en teedre geest die treurt

Om 't geloof door hem ontstoken.

Zie opnieuw! de vlam die hoog zich beurd'

Tot een glimworm-lamp ineengedoken:

De overlevenden rondom de kolen

Verzaamlen zich ontzet.

Vreugd! vreugd! vreugd!

Het verleên overstelpt u, maar iedere eeuw heugt;

En het heden--de toekomst blijft duister verholen--

Is voor 't sluimerloos hoofd u een dorenenbed!

*HALFKOOR I.*

Droppen van bloedige ellende leken

Van zijn voorhoofd, 't sidderend bleeke.

Gun een kort heraadmen thans.

Zie een volk zijn ban verbreken,

't Springt uit moedloosheid als morgenglans;

Aan Waarheid wijdde het zijn staat

En Vrijheid leidt het voort, haar maat;--

Een legioen aaneengesloten broeders,

Die Liefde kindren noemt--

*HALFKOOR II.*

Van andre moeders

Zijn ze, zie hoe verwanten magen moorden!

Het is de wijnoogst-tijd voor Zonde en Dood.

Bloed schuimt als nieuwe wijn zoo rood.

Straks wordt, wanneer haar Wanhoop smoorde,

Die worstelende wereld prooi van slaven en despoot.

_(Al de Furiën verdwijnen, op een na.)_

*IONE.*

Hoor zuster! wat een diep maar wreed gekreun,

Gansch niet teruggehouden, 't hart verscheurt

Van de' eedlen Titan, gelijk stormen 't diep,

Wanneer de dieren hooren hoe de zee

Huilt in de holen onder 't binnenland!

Durft gij te zien hoe hem de duivels martlen?

*PANTHEA.*

Helaas! Ik keek tweemaal, doch doe 't niet meer.

*IONE.*

Wat zaagt ge?

*PANTHEA.*

Een smartlijk schouwspel: een geduldig

Starende jonkman aan een kruis genageld.

*IONE.*

Wat meer?

*PANTHEA.*

De hemel in het rond, en de aard

Omlaag, was dicht bevolkt met vormen van

Menschlijken dood, alle verschriklijk, en

Gewrocht door menschehand; en enkle schenen

Het werk van menscheharten, moordend traag

Door frons en glimlach. Andere gezichten,

Te schandlijk om te noemen en te leven,

Dreven voorbij. Laat ons niet ergre vrees

Verzoeken door te zien: voldoende smart

Is dat gekreun.

*FURIE.*

Zie een symbool: dat zij

Die voor den mensch diep onrecht lijden, hoon

En keetnen, enkel duizendvoudge foltring

Wentelen op zichzelf en ook op hem.

*PROMETHEUS.*

Verzacht den doodsnood van dat stralend staren;

Sluit nu die lippen bleek, doe 't doorn-doorwonde

Voorhoofd van bloed niet stroomen: met uw tranen

Vloeit het ineen! Stil, stil 't gefolterd oog

In vrede en dood,--dat niet uw kranke weeën

Schudden dat kruis,--dat niet die vingren bleek

Met uw geronnen bloed meer spelen! O,

Afgrijslijke! Uwen naam wil ik niet spreken:

Hij is een vloek geworden! 'k Zie, ik zie

De wijzen, zachten, eedlen en rechtvaardgen,--

Uw slaven haten hen, die zijn als gij--

Enklen verdreven uit huns harten huis,

Een vroeg-gekozen, laat-bejammerd huis,

Door vuile leugens: panters die geblinddoekt

Een opgejaagde hinde dicht vervolgen;

Enklen in giftige kelders saamgeketend

Met lijken; enklen--hoor 'k de menigt daar

Niet lachen luid?--omsloten door traag vuur;

En machtge rijken drijven aan mijn voet,

Gelijk eilanden door de zee ontworteld,

Wier zonen zijn gekneed in één plas bloed,

Bij rooden brandgloed van hun eigen huizen.

*FURIE.*

Bloed kunt gij zien, en vuur, en kreuning hooren,--

Ergere dingen resten, ongehoord

En ongezien.

*PROMETHEUS.*

Ergere?

*FURIE.*

In 't menschehart

Wordt prooi, dien het verslond, steeds overleefd

Door schrik. De edelsten vreezen dat wat hún

Te laag schijnt om te denken waarheid zij;

Gewoonte, huichlarij maken hun geest

Tempels van meengen thans versleten godsdienst.

Zij durven voor den toestand van den mensch

Geen heil beramen, en zij weten niet

Dat zij 't niet durven. Zij die goed zijn hebben

Geen macht, en kunnen enkel vruchtloos weenen;

De machtgen missen goedheid--dat gebrek

Is erger; wijzen missen liefde; en wie

De liefde hebben missen wijsheid; zoo

Is al 't uitmuntendste verkeerd in kwaad.

Velen zijn sterk en rijk, wilden wel goed zijn,

En leven toch onder hun medemenschen

Die lijden, of er niemand iets gevoelde:

Zij weten zelf niet wat zij doen.

*PROMETHEUS.*

Uw woorden

Zijn als een wolk gevlerkte slangen; toch

Bemedelij ik wie zij niet doen lijden.

*FURIE.*

Bemedelijdt ge? Ik spreek niet meer!

_(verdwijnt)_

*PROMETHEUS.*

Wee mij!

Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!

Ik sluit mijn traanlooze oogen,--o verfijnde

Tyran! uw werken zie ik klaarder in

Mijn leed-verlichten geest. In 't graf is vreê:

Het graf verbergt al schoone en goede dingen.

Ik ben een God, en kan haar dáár niet vinden--,

Noch zou 'k haar zoeken: want, schoon wreede wraak,

Dit is verslagen zijn, niet zegepralen,

O felle Koning! De gezichten waar

Gij mij mee foltert, sterken mijn gemoed

Met meer volharding, tot het uur verschijnt

Dat zij geen beeld meer zijn van wat bestaat.

*PANTHEA.*

Helaas! wat zaagt gij?

*PROMETHEUS.*

Er is tweeërlei

Ellende: zien, en spreken:--spaar me er een.

Namen, die 't heilig wachtwoord der Natuur zijn,

Droeg men omhoog in blinkende blazoenen;

De volken wemelden in 't rond en riepen

Eenstemmig luid: "Waarheid, Vrijheid en Liefde!"

Plotseling viel er van den hemel wilde

Verwarring: er was strijd, bedrog en vrees:

Tyrannen stoven aan, deelden de buit.

Dit was de schaduw van de waarheid die

'k Aanschouwde.

*DE AARDE.*

'k Voelde uw foltring, zoon, met zoo

Gemengde vreugd als pijn en deugd kan geven.

Nu, om uw toestand te verheldren, vraag ik

Die fijne en schoone geesten op te stijgen,

Wier woonstede in de donkere gewelven

Der menschgepeinzen is en die, als vooglen

Den wind bezeilen, thuis in dier gedachten

Wereld-omcirkelenden ether zijn.

Zij zien achter dat schemerig gebied,

Als in een spiegel dat wat komen zal:

O dat zij spreken om u troost te schenken!

*PANTHEA.*

Zie zuster, waar zich zaamlen geestenscharen,

Als wolkenkudden in der Lente klaren

Hemel, verruklijk blauw!

*IONE.*

En zie! meer komen,

Als bronnedampen 't dal uit opwaarts stoomen,

Wen winden zwijgen, in verspreide lijnen.

En hoor! is het de ruisching van de pijnen?

Is 't van het meer? Is het de waterval?

*PANTHEA.*

't Is iets veel droever, zoeter dan dat al.

*KOOR VAN GEESTEN.*

Wij zijn 't die van de oudste tijden

Teer beschermen en geleiden

't Menschdom dat de Goôn doen lijden.

We aadmen--nooit kon het ons krenken--

De atmosfeer van 't menschlijk denken,

Zij ze ook donker, nat en grauw

Als een dag door storm gebluscht,

Nog doorvloeid van glanzen flauw,

Zij ze stralend als wat rust

Tusschen wolkenlooze lucht

En rivieren zonder zucht,

Lieflijk, stil, in klaar genucht.

Als de vooglen in den wind,

Als de visschen in den vliet,

Als wat 's menschen ziel verzint

Vloeit door 's levens licht gebied,

Leegren wij daar vlot en vrij:

Als de wolken onweerhouden reizen wij

Door die sferen die geen grens verkleint:

Daaruit dragen wij de profeetsij,

Die in u begint en eindt!

*IONE.*

Meer komen, een voor een: de lucht in 't rond

Ziet schittrend als de lucht rondom een ster.

*EERSTE GEEST.*

Door een krijgstrompet met kracht

Opgestooten in den nacht,

Kwam 'k hierheen in snelle jacht.

Uit het stof van eeredienst versleten,

Van tyrannenvaan uiteengereten,

Klonken daar vermengde kreten,

Die rondom mij medestegen:

't Luidde: Vrijheid! Hoop! Dood! Zege!

Tot ze omhoog versuizlend zwegen.

Eén geluid klonk voor mij uit:

Liefde's ziel, en 't ruischte en deind'

Onder, boven, rondom mij:

't Was de hoop, de profeetsij

Die in u begint en eindt.

*TWEEDE GEEST.*

Een regenboog stond op de zee

Die woelde omlaag, in vreemde vreê,

Waardoor, alsof veroovraar toog

Onder triomfpoort trotsch en snel,

De stormwind zegevierend vloog,

Meevoerend veel gevangen wolken:

Vormlooze, donkre, vlugge volken,--

Elke gekliefd door 't weerlicht schel.

'k Hoorde 't dondren: schor geschater--

'k Zag beneên, als kaf uiteen

Verstrooid, verspreid op 't witte water,

Machtge vloten--een hel van dood.

'k Daalde er op een groote boot--

Bliksem spleet haar romp vaneen--,

Op de zucht vlood ik hierheen

Van een die aan een vijand schonk

Zijn plank, en zijwaarts dook en zonk.

*DERDE GEEST.*

'k Zat naast eens wijzen legersteê,

Een rosse schijn van 't lamplicht gleê

Langs 't boek dat straks hem peinzen deê,--

Toen een Droom--als vlammen straalde

Zijn gevedert--nederdaalde.

En ik wist in hem verschenen

Wie ontstak eeuwen voorhenen

Deernis, eedle taal, en pijn;

Korten tijd droeg schaduwschijn

Van zijn luister 't aardeduister.

Hierheen droeg hij mij met spoed

Als Begeerte's bliksemvoet:

Dat 'k hem wederbreng' voor morgen,

Of de wijze ontwaakt in zorgen.

*VIERDE GEEST.*

'k Sluimerde op een dichtermond,

Droomend als wie liefde vond

In zijn aêm geluid nog suizend,--

Aardsche vreugden zoekt noch vindt hij,

Hemelsch kust hij en bemint hij

Wezens in de wouden huizend

Der gepeinzen. Van het dagen

Tuurt hij soms tot 's avonds duister:

O van gele bijen ruischt er

't Bloesemen der klimophagen,

't Gouden zonlicht hoogt hun luister,

't Weergekaatste door het meer;

Wat hij ziet, hij weet het niet,

Maar herschept het in zijn lied

Tot gestalten werklijk, méer

Dan de mensch die levend heet:

Kindren der Onsterflijkheid.

Een van dees me ontwaken deed:

'k Ging u troosten, daar gij lijdt.

*IONE.*

Ziet gij niet naadren van het Oost en 't West

Twee wezens? glijden tot één dierbaar nest

Duiven niet zoo, een tweelingpaar gevoed

Door de atmosfeer die alles leven doet,

Op snelle, stille vlerken naar omlaag?

En hoor! die stemmen zoet, toch vol geklaag:

't Is leed vermengd met liefde tot éen lied.

*PANTHEA.*

Spreekt gij nog, zuster? Woorden vind ik niet.

*IONE.*

Hun schoonheid geeft mij stem. Zie hoe zij drijven:

Op wieken rusten zij van hemel-kleur,

Oranje en hemelsblauw verdiept tot goud:

De lucht straalt van hun lach als van een ster.

*KOOR DER GEESTEN.*

Hebt gij de Liefde-zelf aanschouwd?

*VIJFDE GEEST.*

Toen 'k over wijde landen

Haastte als de vlugge wolken die de luchtwoestijn bevaren,

Vloog die gestalte ster-gekroond op vleugelen die brandden

Van weerlicht aan en schudde heil uit ambrozijnsche haren;

Haar stappen spreidden licht op de aard. Maar dra verdween dat stralen,

Verwoesting gaapte: waanzin bond wie hooge wijsheid zeiden;

Helden verdwaasd, jonglingen bleek die stierven zonder smalen,

Zag 'k in den nacht. En ik ging voort, tot gij, o vorst van Lijden,

Glimlachend wreedste erinnering verkeerdet in verblijden.

*ZESDE GEEST.*

't Vernielende is iets zeer verfijnds, o Zuster! weet waarom:

Het wandelt niet op de aard, het zweeft niet in de heemlen,

Maar het vertreedt met stap die stilt en 't koelt met vlerken stom

De teedre wenschen die in 't hart der besten, eêlsten, weemlen;

Die door het waaierend geveêrt in valsche rust gewiegd

En door 't bewegen melodieus dier zachte en snelle voeten,

Droomen van bovenaardsche vreugd en noemen 't monster Liefd'

En, wakker, zien de schaduw Pijn, als hij dien thans wij groeten.

*KOOR.*

Schoon nu Verwoesting schaduw zij

Der Liefde, volgend haar nabij

Op 't witte Doodspaard, dat gevleugeld

Als een stormwind onbeteugeld--

Ook de snelste ontvliedt het niet--

Trapt op onkruid en gebloemt,

't Slechte en schoone saâm verdoemt,

Menschen en gediert vertreedt--

Eens stuit gij dien ruiter wreed,

Hart en lichaam ongedeerd.

*PROMETHEUS.*

Geesten, zegt wie u dit leert!

*KOOR.*

Zijn dan niet in onze luchten

(Evenals wen de sneeuwstorm vluchtte

Voor de Lente en knoppen gloeien,--

't Vlierbosch trilt in winden mild,--

Ook de herders dolend weten

Dat de meidoorn gauw zal bloeien)

Recht en Vrede, Liefde en Weten:

Glans die worstlend wijder schijnt,--

Als de winden zacht en blij

Den herdersknaap, de profeetsij

Die in u begint en eindt?

*IONE.*

Waar vloôn de Geesten heen?

*PANTHEA.*

Niets blijft er over

Dan een gevoel van hen, gelijk de toover

Van tonen, wen bezielde stem en luit

Verruischen, eer het antwoordend geluid

Nog zweeg, dat in de diepe ziel blijft dolen

Als echo's winden door oneindge holen.

*PROMETHEUS.*

Hoe schoon dees lucht-geboren wezens! Toch

Voel 'k alle hoop vergeefsch behalve liefde!

En gij zijt ver, Asia, die wen mijn wezen

Overliep, als een gouden beker waart

Voor heldren wijn, anders in dorstig stof

Vervloeid.--Alles is stil. Helaas! hoe zwaar

Weegt deze rustge morgen op mijn hart!

'k Zou kunnen slapen met mijn leed, ofschoon

Ik droomen zou, waar' slaap mij niet ontzeid.

'k Zou willen zijn wat ik eens wezen zal,

De redder en de kracht van 't lijdend menschdom,

Of in de oer-baaiert van 't heelal verzinken.

Er is geen smart, geen heul die nu nog rest:

Aard heeft geen troost, Hemel geen foltring meer.

*PANTHEA.*

Hebt gij vergeten een die bij u waakt

In kouden duistren nacht, en nimmer slaapt,

Dan wen de schaduw van uw geest haar aanroert?

*PROMETHEUS.*

'k Noemde alle hoop vergeefsch, slechts liefde niet,

En gij hebt lief.

*PANTHEA.*

Innig voorwaar. Maar zie,

De ster van 't Oosten is verbleekt, en Asia

Wacht in dat ver-verwijderd Indisch dal,

't Oord van haar droeve ballingschap, eens ruw,

Eenzaam, bevrozen, gelijk dit ravijn,

Doch nu gehuld in schoon gebloemte en kruid,

Vol zoete winden en geluiden zwevend

In 't woud en langs den vloed, door de atmosfeer

Van haar herscheppend bijzijn, die zou kwijnen

Als zij niet éen met de uwe waar'. Vaarwel.

*TWEEDE BEDRIJF.*

*EERSTE TOONEEL.*

_Morgen. Een liefelijk dal in den Indischen Caucasus._

*ASIA.*

_alleen._

*ASIA.*

Uit al des hemels vlagen daaldet gij!

Ja, als een geest, als een gedachte dringt

Naar hoornige oogen ongewone tranen,

En het verlaten hart met kloppen kwelt,

Dat rust moest leeren, zijt gij neergedaald,

Gewiegd in stormen; wordt gij wakker, Lente,

O veler winden kind! Zoo plotseling

Komt ge als de erinring van een droom die nu

Verdrietig is omdat hij eenmaal zoet was;

Gelijk bezieling, gelijk vreugde, oprijzend

Van de aarde als 't ware, kleedend in goudwolken

De leegheid van ons leven.--

Dit is het jaargetij, de dag, het uur;

Bij 't rijzen van de zon zoudt, zoete Zuster,

Gij komen, kom, te lang verwachte, nu!

Te lang vertoeft gij! Hoe de vleugellooze

Seconden traag gelijk doodswormen kruipen!

Nog steeds trilt van éen witte ster de stip

Diep in de' oranjen lichtschijn van den morgen

Die zich verwijdt voorbij de purpren bergen:

't Donkerder meer weerkaatst haar door een spleet

Van wind-gedeelde mist. Nu flauwt zij heen,

Maar blinkt weer, wijl de golven bleeker worden

En wijl de gloênde draên van wolkenweefsels

Verrafelen in bleeke lucht. Ze is weg!

En door dier toppen wolk-gelijke sneeuw

Trilt het rozige zonlicht. Hoor ik niet

De Aeolische muziek van haar zeegroen

Gevedert, dat de roode daagraad klieft?

_(Panthea verschijnt.)_

Ik voel, ik zie die oogen brandend door

Geglimlach dat in tranen flauwt, als sterren

Half uitgedoofd in mist van zilvren dauw.

Beminde en schoonste, die de schaduw draagt

Dier ziel waardoor ik leef,--wat zijt gij laat:

De ronde zon beklom de zee; mijn hart

Was ziek van hoop, voor de indruk-looze lucht

Het naadren voelde van uw late veedren.

*PANTHEA.*

Vergeef mij, groote Zuster! maar mijn wieken

Waren zoo traag door zaalge erinnering

Van wat ik droomde, als 's middags het geveêrt

Van zomerwind, verzaad met zoete bloemen.

Ik was gewoon aan storeloozen slaap,

En ik ontwaakte steeds verfrischt en kalm,

Eer's heilgen Titans val, en uwe liefde,

De onzaalge, door gewoonte en medelij

Bei liefde en smart mijn hart gemeenzaam maakten,

Gelijk ze uw hart al werden, 'k Sliep voorheen

In grotten blauw van de' ouden Oceaan,

In scheemrige prieelen, waar het mos

Groen was of purper,--onzer jonge Ione

Teedere en melkwitte armen sloten zich

Toen, gelijk nu, achter mijn haren donker

En vochtig, wijl 'k mijn wangen en dichte oogen

Drukte in gevouwen diepte van haar boezem,

Die leven ademde; maar niet als nu,--

Sinds ik de wind ben, zwijmend onder tonen

Die 'k draag van woordeloos verkeer met u;

Sinds, opgelost in het gevoel waarmee

De liefde spreekt, mijn rust onrustig was

En lieflijk toch, en de uren die ik waakte

Te vol van zorg en pijn.

*ASIA.*

Licht óp uw oogen,

Dat ik uw droom daar leze.

*PANTHEA.*

Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven · 第 1 / 5 段