"Nacht vader. Zondag zeker weerkomen vader!" klinkt het nog eens aan
moeders zij.
En moeder Bertha.... Wat! wie.... wat is er?
Eensklaps gaan haar matte oogleden open; ze tast met de hand voor
zich uit.
"Walter, Walter!" roept ze.--Hoort ze de deur niet zachtjes
sluiten?--"Walter!" klinkt het nog eens met angstige kracht terwijl ze
overeind vliegt: "Walter! O gerechte God, waar is hij? Walter, Walter!"
"Stil Moeke, niet schreien! Karl zal aan Koning Wilhelm gaan zeggen dat
Moeke zoo ziek en bedroefd is, en dan brengt ie vader weer mee, en...."
Maar de zwakke vrouw verstaat hem niet. Ze wil haar steun, haar liefde,
haar helper, haar trouwe, navliegen; ze zal hem terugbrengen; ze moet
hem hier houden, tot morgen, ach ja! tot morgen althans.
Doch, haar krachten.... haar duizelend hoofd.... en, losbarstende in
't vreeselijkst geklag:
"Weg, weg! O groote God, mijn Walter! weg!?"
Ach arme, ja! Uw Walter ging heen, en, voor altijd.