Frau Remse stond peinzend voor het raam van haar kleinen winkel,
en tuurde naar de dikke regenwolken, die over de smalle straat naar
het marktplein joegen.
Ja, wat een mensch zich wel eens tot een ongeluk rekent, zoo denkt ze,
dat blijkt hem later soms ten zegen te zijn.
Heeft ze niet dikwijls geklaagd dat haar eenige Frits nog zoo jong
en zoo wild was: die goeje Frits! te jong en te wild althans om
haar in haar kleine winkelzaak met den noodigen ernst van dienst te
zijn. Maar nu, Godlof! met dien vreeselijken Erbfeind, terwijl alle
Landeskinder gereed moesten staan om 't leven voor 't vaderland te
wagen, ja nu behoudt zij haar jongen toch, haar ondeugenden besten
Frits, ha!--omdat hij gelukkig nog te jong is.
Wel dubbel moet ze deernis hebben met haar arme buurvrouw: Vier kloeke
zonen zag die goede moeder gisteren heentrekken om ze misschien--wie
kon het zeggen--nooit weder te zien.
"Stil Mirza," roept Frau Remse, terwijl ze nu naar de winkeldeur ziet,
want Mirza, de mooie witte does, krabde met zijn pootje gedurig tegen
het onderplint, en joeg onstuimig zijn staart heen en weer, en weder
en nogmaals krabbende, maakte hij een jankend geluid.
"Stil Does! Frits zal wel dadelijk komen. De leerink bij dominee zal
wel gauw uit zijn. Kom dan maar hier Doeske, hier bij de vrouw!"
Maar Doeske deed alsof ie 't niet hoorde. 't Was al over den tijd dat
de jonge baas moest thuiskomen, dat wist hij zeker, en--met het neusje
schuins ter zij, even jankende, komt het voorpootje weer vooruit,
en krabt hij opnieuw uit al zijn macht.
"Foei, Mirza!... Zoek dan den baas!" roept Frau Remse, en legt op
dat laatste een bijzondere klem.
't Zou toch mogelijk kunnen zijn, meent de hond; en ijlings zijn plaats
verlatende, vliegt hij den winkel uit, naar achter, de gang ten einde,
ritselt met de nagelpootjes langs de trap in weinige sprongen naar
boven, en dan, na 't snufflend zoeken op het kamertje van den jongen
baas--onder 't bed en naast de kleerkast, hier, ginds, overal, maakt
hij ijlings denzelfden weg--ritslend langs de trappen terug, en zit
al spoedig weder voor de deur in den winkel, en krabt, luid jankende,
vier vijf malen achtereen.
Frits kwam wel een half uur over etenstijd; maar, hij kon het niet
helpen. Al de jongens van de leerink waren in optocht gegaan naar
ouden Heinrich, met z'n verminkt en verhakt karkas--zooals hij 't zelf
noemde--om Heinrich te feliciteeren dat Duitschland nu eindelijk eens
met den Erbfeind zou afrekenen, en de kwitantie presenteeren voor de
beenen, die Heinrich bij Leipzig verloren had.
"Z'n oogen fonkelden moeder," zegt Frits bij 't verhalen: "Ha! riep ie,
als ze 't maar wilden, dan ging ik nog op m'n krukken mee, zoo oud
als ik ben." En dan tot Mirza die den kop onder zijn hand poogt te
schuiven: "Stil Doesje, koest! Heb jij honger! Dáár! Ik heb het niet!"
Maar Frits moest toch wat eten.--Zie er was wel veel sombers in dezen
tijd, omdat zoovelen van de zij hunner geliefden werden opgeroepen,
maar--moeder en Frits, hoe dikwijls ze ook in de laatste twee jaren
werden beklaagd om het droevige lot van den armen krankzinnigen vader,
nu kon men hen benijden: ze bleven te zamen, ja, Goddank, want Frits
haar lieve wildzang was pas zeventien jaar.
Frits keek strak naar den grond. Maar hij was dan toch zeventien
jaar! Heeft oude Heinrich niet gezegd: Als ik jou beenen en jou
jong bloed in 't lijf had: Donnerwetter! dan zou ik ze leeren die
sakkerbleus!
Frits had geen rust op zijn stoel. Hij moest weer voort. Met een
twintigtal Turners had hij afgesproken om Zum weissen Hirsch op de
markt bijeen te komen. Daar werden telegrammen en de Köllnische Zeitung
gelezen; daar zouden ze een Lebe Hoch wijden aan Koning en Vaderland,
daar zingen het:
"Heil dir im Siegerkranz!"
en het
"Fest steht die Wacht am Rhein!"
Neen, nu kan hij niet thuisblijven. Peter Kraus wil als vrijwilliger
gaan, en dien moeten ze ook een driewerf Donnerendes Lebe Hoch
brengen.... "Och neen Moeder, neen! wie zou er nu om onze galanterie
prullen komen! Voor Fransch verguldsel, bah!--Marsch Doeske,
marsch! Dag Moe." En, haastig snelt hij heen, luide zingende:
"Lieb Vaterland magst ruhig sein,
Fest steht und treu die Wacht, die Wacht am Rhein!"
En de moeder staat weer voor het winkelraam. En de donkere wolken
jagen nog altijd boven de straat in de richting van het marktplein.
O! waarom bonst haar hart zoo geweldig? Zou het toch mogelijk kunnen
zijn dat hij...?
Maar, als zij, zijn eigen moeder, het niet wilde! als zij het
verbood....? Verbieden! hem!? Zwakke vrouw, zal ze hem, den sterken,
den boven zijn leeftijd krachtigen Frits kunnen weerhouden indien
hij wilde....? Wát zou hij willen?--Neen, neen! dát wil hij niet. O
God! als zij dat eenig kind, dien eenigen schat moest verliezen!
Zoo peinsde en streed ze totdat ze starende naar boven zelfs de donkere
wolken niet meer onderscheiden kon. Ach! 't Was óók zoo duister in
haar beklemd gemoed.
Hoor, wat klinkt daar van verre?--Is het muziek? Ja, de gansche
straat tot ginds bij het marktplein--phantastisch verlicht door schier
ontelbare papieren ballons bijwijze van fakkels gedragen--weerkaatst
de schetterende tonen van het diep in de ziele grijpende:
"Lieb Vaterland--Lieb Vaterland!"
Frau Remse beeft. Een donderend Lebe Hoch breekt er los uit duizenden
kelen. Men weet het: de Duitscher heeft Gesiegt!--Victorie soll
geschossen werden, heeft Koning Wilhelm geschreven, en, nóg eens juicht
het hier donderend: Victorie, victorie! mee.--'t Is een serenade aan
den Landraad ter eere van de overwinning:
"Hurrah! Germania Hurrah!"
En de Landraad spreekt tot het Turn-Verein van de grootheid en kracht
der Duitsche natie, die ze dankt aan haar degelijken zin; aan de
opvoeding der moeders; aan de orde en tucht harer Landeskinder,
geroepen om den Erbfeind te straffen wanneer hij hun rust komt
verstoren.--En, oorverdoovend trillen nu de kreten ter eere van Koning,
Prinsen en Vaderland!
"Hurrah! Hurrah!
Hurrah! Germania!"
Waarom vliegt Mirza gedurig als half waanzinnig door 't kleine huis,
den winkel uit, de gang door, naar boven, 't kamertje van den jongen
baas in; snuffelend en jankend, straks met den mooien staart tusschen
de beenen weer naar beneden; de achterkamer binnen, onder den stoel
van den goejen baas, óp dien stoel, driemaal ronddraaiende als waande
hij dat men zich zoo verschuilen kon? Waarom kermt en kreunt hij zoo
geweldig, en krabt hij de verf van deuren en raamkozijnen totdat hij
buiten op straat is, om daar al snuffelend te jagen naar 't marktplein,
Zum weissen Hirsch binnen te sluipen doch straks ook terug te keeren,
om nóg eens zijn jacht te beginnen door 't huis van den jongen baas?
Men zegt dat Frau Remse zich goed heeft gehouden, heel goed, zooals
dat een kloeke Pruisin betaamt. Maar aan den avond van den dag toen
Frits haar verliet met de woorden: "'t Zou Duitschland bestelen zijn
moeder, wanneer ik den Koning mijn kokend bloed en mijn krachtigen
arm onthield;" aan dien avond vond men haar op het verlaten kamertje
van haar Frits in bezwijming neerliggen bij zijn stoel. En, toen
ze weer bijkwam.... neen, men zegt niet wat ze toen deed; maar men
fluistert.... dat ze toen den koning vervloekte, en..... Doch dat kan
niet waar zijn, want vrouw Remse is een Duitsche vrouw, en Duitsche
vrouwen zijn kloek, en ook een Duitsche moeder is verstandiger dan
een stom en, redeloos dier.--Zie dan, Mirza is niet weg te slaan van
het kamertje, waar nog kort geleden zijn jonge meester sliep. Voor
zijn bed ligt hij nacht en dag, en 't eten laat hij onaangeroerd
staan. Wie hem nadert of een hand naar de kleeren over dien stoel,
of naar die oude schoenen ginds in den hoek durft uitsteken, dien
gromt hij tegen.... En--gisteren lag hij roerloos stijf op de peluw
van het verlaten bed. Hij heeft het gevoeld, die vroolijke jonge
vriend zou hem nooit meer liefkoozen, nooit!
Monsieur Toulemaire heeft zijn kleine nette villa geen vijftig schreden
buiten het dorp. 't Ligt aan de helling van den berg met het uitzicht
op het dal, waardoor het blinkende stroompje zich dartel een weg baant.
Monsieur Toulemaire woont daar met zijne vrouw en twee volwassen
dochters.
Blanche en Virginie moeten 't zeker wel weten dat ze "de bloemen van
Monsieur Toulemaire" genoemd worden, want Gaspard en Antoine zeggen
't haar zoo dikwijls en o, ze zeggen haar nog veel meer, heel in
vertrouwen, als ze 's avonds soms paar aan paar in den heerlijken
omtrek dwalen. Maar Blanche en Virginie zijn natuurkinderen, in den
edelsten reinsten zin van het woord, doch beschaafd, en verstandig
ontwikkeld niettemin, en daarom, of ze 't al weten dat ze de schoonste
meisjes van het dorp zijn, toch eigenlijk weten zij 't niet.
En, in den laatsten tijd hadden ze wel aan wat anders te denken. Haar
lieve ouders zullen dit jaar in 't midden van den zomer hun
vijfentwintigjarig huwelijksfeest vieren. Sedert vele weken reeds
waren Blanche en hare zuster 's morgens heel vroeg, en 's avonds tot
's nachts zeer laat, in de weer om de prachtige handwerken bijtijds
gereed te hebben: roode en witte camelia's, naar zelve geteekende
modellen, op satijn geborduurd in het genre der Gobelins. Twee
fauteuils, met die kostbare bloemen versierd en bekleed, zullen op
den zilveren trouwdag voor het dierbare bruidspaar gereed staan.
En ha! gisteravond, toen le bon papa met la chère maman op visite
bij hun vriend Le Pochon waren--men had het zoo heel stilletjes
bedisseld--toen heeft de meubelmaker uit stad de beide prachtstoelen
kant en klaar in de villa Toulemaire gebracht, en Gaspard en
Antoine hebben de bloemen in verrukking aangestaard. Welke bloemen
't meest....? Dat zag de kleine achterkamer wel, waar de stoelen
verborgen zouden staan tot den dag dat le bon petit pére en l'ange
mére, het feest zouden vieren met hun vier kinderen.... Ja vier,
bien certes! car: deux et deux font quatre.
Blanche en Virginie ontstelden er van. Had papa woorden gehad met
den goeden vriend Le Pochon? Wat was er voorgevallen dat hij zoo
onbegrijpelijk rood zag, en een paar malen een leelijk woord tusschen
de hagelwitte tanden zocht te smoren.
Monsieur Butel, gewezen wachtmeester, die bij Solferino een arm
verloor, en nu brievenbesteller op het dorp is, Monsieur Butel,
met zijn groote snorren en blank geschuurde decoratie op de borst,
hij zal 't verklaren misschien.
Men spreekt van een oorlog tegen Pruisen. De Hertog van Pruisen zou
te Weenen, zoo verhaalde Monsieur Butel, een brief vol insultes--sacré
tonnerre--aan Keizer Napoleon hebben geschreven, niets meer of minder
dan: Blancbec! omdat Keizer Napoleon er voor zorgde dat de Hertog
van Pruisen aan zijne Heiligheid den Paus la Province du Rhin niet
ontweldigen kon. "Ha!" zoo eindigde Monsieur Butel zijn inlichting:
"Één Franschman geldt meer dan tien Pruisen-kinkels, die parbleu! te
stupide zijn dat ze een woord Fransch verstaan." En dan met verheffing;
"Ik heb er een gekend, Hans Rölich uit Kopenhague! 'En ezel! sacrè
tonnerre!"
Monsieur Toulemaire wist er meer van. Doch evenals den ouden
onderofficier kookte 't hem in de borst.
Wat hij gevoelde? Luister:
Tot voor weinige jaren was hij fabrikant te Salins. Sedert den dag
dat de marquis De *** de Salins, aan 't hof der Tuilerieën zijn
invloed kon doen gelden, nam de zaak van Toulemaire een groote maar
tevens een welverdiende vlucht. "En nu," zoo sprak hij: "naast God
en mijn vlijt, dank ik mijn voorspoed en een gezegenden ouderdom,
aan het tweede Keizerrijk. Vive l'Empereur! Vive l'Empereur: Vive la
France! A bas les ennemis! Mortdieu!"
Dit laatste overluid gesproken woord was een ongewone klank in den
mond van dien goedaardigen man.
"'t Zal alles nog ten beste gekeerd worden lieve papa," zegt Blanche:
"Aan couranten-berichten kan men geen onvoorwaardelijk geloof
slaan. Kom, we mogen nu niet anders dan vroolijk aan ons heerlijk
feest denken, nietwaar?"
"Ja zeker!" vleit Virginie, en drukt haar rozenmond op het heldere
voorhoofd van den geliefden man: "Is 't zoo niet beste vadertje? Zie
maar, uw lieve aanstaande bruid knikt u zoo opbeurend toe."--En zij,
die aanstaande zilveren bruid:
"Pierre," zegt ze: "geen zorg in 't verschiet. Al moest er oorlog
komen, hier toch zal het vrede blijven. Waar is men veiliger en kalmer
dan in ons lieve dorp, in onze heerlijke vallei!"
"Veilig! daar spreek ik niet van Eugénie. La France, c'est la force,
la gloire! la victoire! Ik zou niet weten hoe men een enkel Fransch
burger één haar zou kunnen krenken. De Keizer wenkt en 't gaat naar
Berlin, waarachtig naar Berlin!"
Papa had gelijk, zóó zou het wezen! En hier in het stille heerlijk
gelegen dorp, had men toch zeker niets te duchten. De ramp voor het
arme Duitschland zou groot zijn, nu ja! men kon ze betreuren, men kon
medelijden met dat in vele opzichten nog zoo ruwe volk hebben, maar,
onder Gods leiding moeten immers zelfs bloedige oorlogen meewerken tot
de opvoeding en beschaving van nog weinig ontwikkelde naties. (!) Ach
Blanche en Virginie willen 't hopen met haar lieve ouders mee,
dat God ook nu uit dit schijnbaar kwade, het goede zal doen geboren
worden. Als 't noodig moest zijn, dan zal men haar vooraan vinden
in de rijen van hen, die den vijand zullen weldoen; want immers nog
dezen morgen had Monsieur le Curé zoo roerend als krachtig gezegd:
"Mais moi je vous dis: Aimez vos ennemis; bénissez ceux qui vous
maudissent; faites du bien á ceux qui vous haïssent, et priez pour
ceux qui vous outragent et persécutent!" En nu, geen somberheid meer;
nog veertien dagen maar, en dan is het de heerlijke dag, dat de villa
Toulemaire één enkel feestbouquet zal zijn, en dat de armen van 't
vreedzame dorp het zilveren bruidspaar zullen zegenen voor de milde
giften, die het voor hen heeft weggelegd.
Veertien dagen later was het een prachtige zomerdag.
Aan den voorgevel der villa Toulemaire stak men de groote vlag
uit. Geen wonder, 't zilveren trouwfeest wordt gevierd.
Maar hoe! is het de grijze bruidegom zelf, die de driekleur ter
viering van het feest langs den fraai met sierplanten begroeiden
gevel zal doen wapperen?--Ja, maar doodsbleek is zijn gelaat; zijn
tanden klemmen soms knarsende opeen.
"Stil! Ik wil het Eugénie, ik wil het! Laat los! weerhoud me niet."
"Maar Pierre.... ik bid, ik smeek je, goede trouwe man!"
"Vervloekt! zij zullen 't weten dat ik het een laagheid zou achten. Een
verraad! te gehoorzamen aan 's vijands bevel.--Laat los!--Zoo! Daar
waait ze, de vlag!"
"Maar Pierre! In 's hemelsnaam denk aan onze kinderen. Denk aan
Blanche en Virginie. Mijn God. wie zal ze beschermen tegen de woede
dier barbaren, indien....?"
"Beschermen!? God zal ze beschermen Eugénie, de God die ons vijf en
twintig jaar te zamen spaarde en zegende. God zeg ik, door mijn arm."
"Pierre, och lieve Pierre! weersta die woestaards niet. Je hebt het
gelezen dat alle tegenstand der bevolking vreeselijk zal gestraft
worden.--O God, welk een feestdag!"
Pierre antwoordde niet, maar zijn oog sprak het bevel dat de Fransche
vlag daar zou blijven, om den vijand te toonen dat Pierre Toulemaire
geen lâche en geen traître was.
Ja, dat zal hij toonen. Zie maar: in zijn keurig schrijfvertrek
gekomen, neemt hij uit de geheime lade zijner secretaire, een
paar kleine revolvers; laadt ze en verbergt ze zorgvuldig in zijn
kleeding. Ha, nietwaar, men zal toch vreugdeschoten lossen op een
zilveren bruiloftsfeest!
En de zilveren bruid, als zij straks weer beneden komt, dan bekruipt
haar opnieuw en sterker de angst dat die breede helderkleurige vlag,
dat gedenkstuk van zoovele blijde dagen, haar en haar geliefden ten
verderve zal worden. Zij wil....
Maar groote God, wat weerhoudt haar om reeds aanstonds haar plan te
volvoeren? Ziet ze goed? Is dat Gaspard, Blanches beminde, zoo bleek,
zoo deerlijk gehavend?--Hoe! is het waar 't geen hij snakkend naar
adem met snijdend geluid en slechts ten deele verstaanbaar uitbrengt?
In weerwil van de Duitsche proclamaties tegen 't verzet der
Fransche burgers, en 't geen nog daarenboven in dien geest door den
"flauwhartigen" dorpsmaire was aangeplakt, waren hij--Gaspard en
Antoine, Virginie's aanstaande,--met nog twee vrienden, benevens een
schaapherder en nog drie jonge boeren, allen met buksen gewapend,
naar den Steenenburg gegaan om van daar--schier aan alle kanten
gedekt en met het steil uitgehouwen rotspad in den rug--naar de zij
der chaussée te kunnen vuren, indien de vijand het dorp durfde naderen.
Gaspard heeft bijna niet verder kunnen spreken. Het roekelooze maar
toch vaderlandslievende waagstuk is den uitvoerders duur, ontzettend
duur te staan gekomen.
"Ga niet naar den Steenenburg, nooit nooit meer," heeft Gaspard in
't eind half waanzinnig gestameld: "Nauwelijks was er een schot
gelost of drie der onzen sloegen reeds neer, en stortten langs de
smalle rotstrap naar beneden. En de anderen....? O God, hier ben ik
om te zeggen wat hun lot werd of worden zal. Ga nooit meer naar den
Steenenburg! De takken zijn er niet hoog, neen, maar toch ... O,
ga er nooit meer heen, in Gods naam, nooit!"
Blanche klemt zich aan den roekeloozen dierbare vast, en smeekt hem
dat hij haar niet meer verlaten zal.
"En Antoine....?" krijt een andere vrouwenstem.
Uit de verte klinkt trompetgeschetter. Langs de breede chaussée trekt
een deel van het zegevierend leger naar het dorp in kwartier. De
grond dreunt van 't steeds naderkomende heir; 't gerommel van de
raderen der kanonnen, de hoefklank der paarden, het kettinggerammel
der amunitie-wagens, vermengd met het luid gezang der overwinnaars,
't weergalmt als een onweer van verre.... en straks in het oor der
bleeke dorpers, als het vreugdgeschrei eener helsche macht, of het
brullen van wild gedierte ter vernieling gereed. Een kleine voorhoede
is reeds van achter het beukenhout in de vallei voor de bewoners der
villa zichtbaar geworden.
"O Jésus Marie!" gilt weer de stem, die straks naar den geliefde
vroeg, maar geen antwoord bekwam. Nu behoeft ze dat antwoord niet
meer. Staart ze in een vuurpoel waarin haar schat ligt? Ziet ze een
toekomst van geluk plotseling geheel verdonkerd? Ze weet niet wat ze
ziet.... Ja toch: Aan deze zij van de bonte krijgsgroep treedt hij,
Antoine, blootshoofds met verwilderde haren naast een te paard gezeten
"duivel" voort. Zijn bovenkleeren schijnen hem in een fellen strijd
van 't lijf gescheurd. De beide handen heeft men hem vast op den rug
gebonden, en met het paard moet hij gelijken tred houden, want, om
den ontblooten hals heeft men, o God van liefde, een touwstrik gelegd!
Virginie Toulemaire kent zich zelve niet meer.
In wanhoop vliegt ze voort naar beneden. Zij zal die wreedaards
dreigen, smeeken.... Maar, hoor, nog eer ze beneden kwam, knalde
er reeds van achter een klein bosschage bij den landweg een schot,
en weder, en nogmaals, tot twaalf malen achtereen.
Was hij krankzinnig geworden, de brave beweldadigde van het tweede
Keizerrijk?
Heeft hij zóó met zijn revolvers de overwinning der Pruisen willen
verkleinen? Heeft dan de grijze Toulemaire--achter die heestergroep
verscholen--niet bespeurd dat het leven van jongeren, die toch niet
roekeloozer waren dan hij, reeds aan een zijden draad hangt en besefte
hij niet dat door zijn hernieuwd vergrijp, dat leven reddeloos moet
verloren zijn!
Een der huzaren is neergestort.
"Donnerwetter! Verfluchter Franzoos!" Ha! in 't open veld, op leven
en dood een kamp te wagen, dat wil de eerlijke Duitscher, maar tegen
't verraad...! Daar klinken twee, drie karabijnschoten. De oude man
zinkt bewusteloos neer.
De huzaar, die Antoine bij het moorddadige koord vasthield, heeft
zijn plicht gedaan. Daar lag hij "der alte schwartzhosige Turco!"
Maar zie, op 't oogenblik dat de huzaar den dood van zijn nevenman
wreekte, heeft hij het touw, waarmee hij Antoine regeert te luttel
vastgehouden, en, met een ruk, die hem schier de oogen uit de kassen
wrong, is de ter dood verwezen jonkman in vrijheid!
Terwijl de verraste huzaar, verwoed, ijlings uit den zadel springt,
knetteren weer karabijnschoten.
Men had niet slechts den vluchtenden Franzoos, neen, men had ook
de vlag van den Erbfeind gezien. Alsof er geen Sieg en Proclamaties
bestonden, zag men daar voor het hooge dakvenster een bejaarde dame
door anderen geholpen, nog juist de laatste hand slaan aan het tergend
werk om met het uitsteken dier verwenschte driekleur den overwinnaar
te bespotten.
Men bedroog zich. De vlag, die straks achter het geboomte was
verscholen, heeft men niet eerder kunnen zien, en het inhalen er van
zag men nu voor een tergend uitsteken aan.
Joseph, de huisknecht, wankelt op den zolder achteruit, en slaakt
een kreet van ontzetting. Zijn brave meesteres, die niet rustte aleer
zij, ondanks Pierre's verbod, de vlag zou hebben ingehaald, mevrouw
Toulemaire sloeg de hand op de borst, werd zoo wit als het wit der
driekleur, en zonk door een kogel getroffen ineen. Blanche staat als
verlamd. Gaspard, nog ontdaan van 't geen hem weervoer, en 't geen
hij zag, vangt nabij het zolderraam gekomen de waardige vrouw in zijn
armen op.--Maar, een tweede kogel vliegt het dakvenster binnen.--Buiten
wordt een luid Hurrah! vernomen. Ze hadden hem daarboven herkend den
"sluipmoordenaar", dien men losliet om aan 't dorp te boodschappen
wat het lot van "struikroovers" werd.--Hoe! durfde hij nog van boven
hen bespotten: Hurrah! die Zündnadelspitze ging hem dwars door de
hersenpan heen!
Vorwärts! Marsch! Is die villa hier een rooversnest, een
moordenaarshol! Vorwärts! Den brand er in! Al het bandietentuig
gestraft ten exempel. Vorwärts! Hurrah!
Intusschen is Antoine Berrier, aan den huzaar en het vreeselijke
koord ontkomen, ijlings langs het struikgewas, waarachter de oude man
zich straks heeft verschanst, de buitenplaats ingerend. Geen andere
drijfveer dan zelfbehoud jaagt hem voort. Doch nu, wat is het dat hem
den weg verspert? Een jonge vrouw ligt daar gebogen over het lichaam
van.... O God! den edelen Toulemaire!
"Virginie! mijn engel!" roept de vluchteling nu hij mede zijn dierbare
herkent.
Het meisje ziet op; doet een poging om te spreken, doch haar tanden
klemmen opeen; haar oogen draaien onbestemd; een zachte kreet ontsnapt
aan haar doodsbleeke lippen, en nevens het lijk.... zoo meent ze,
van haar dierbaren vader zinkt ze machteloos neer.
Een rassche wending op de hem wel bekende slingerpaden bezijden
de villa, had Antoine zooeven aan 't oog van zijn vervolger
ontrukt. Vluchtig omziende neemt hij nu zijn dierbare in den trillenden
arm, en voelt met de andere hand of inderdaad het hart van dien braven
oude niet meer slaat. Maar neen, hij is niet dood, de edele Toulemaire.
"Virginie hij leeft! Moed, moed!" roept Antoine op gedempten toon.
Zij heeft het gehoord, maar ze kan.... neen.... ja, ja toch,
't is eensklaps alsof er een nevel optrekt, alsof er een zonlicht
doorbreekt. Zij opent de oogen; drukt de hand op den boezem, en, nadat
een huivering haar trillen deed, komt ze langzaam overeind. De hoop
om dien lieven vader te behouden, schenkt haar schier bovenaardsche
krachten. Langs een dicht begroeid zijpad, dragen Antoine en Virginie
den zieltogenden man naar de villa. Door de achterdeur zullen ze er
binnengaan, en, om de arme moeder den eersten schrik te besparen,
zullen ze hem brengen in de kleine kamer, die vooral in den laatsten
tijd als het heiligdom der "bloemen van Monsieur Toulemaire" werd
beschouwd, ja, ja, omdat men wel wist dat ze er iets werkten en
bewaarden voor den heerlijken feestdag.
Maar hoor, wat gillend angstgeschrei vervult het vriendelijk
lusthuis? Een "waanzinnige furie" vliegt de breede vestibule door en
naar buiten:
"Beulen!" gilt ze: "Beulen!" en altijd weder datzelfde, dat tergende:
"Beulen!"--'t Is Blanche. O God, ze weet niet wat ze doet; ze weet
niet dat zij zich uit de armen van een paar trouwe dienstboden met
geweld heeft losgerukt; en dat haar kleeren er door gescheurd, en
haar haren zijn losgegaan. Ze weet niet welk ijzeren voorwerp ze
greep om er den dood mee te wreken van.... O Heere Jezus! hoe kan
ze de namen noemen van een engelachtige moeder; van een innig innig
geliefde! "Beulen! Moordenaars!" gilt en grijnst nu de teedere maagd,
die nog slechts van het vreeselijk tooneel op den zolder getuige was,
en vliegt langs de prachtige bloemperken een viertal huzaren te gemoet
die haastig naderen, met den hun opgedragen last om dit nest uit te
roeien met al het "schurftgebroed" dat zich er in bevindt.
Nu houden ze stand. Donnerwetter, tegenover zulk een vijand staan ze
niet dikwijls. Prachtvolles Mädchen! Ha!
De ruwe scherts van een dier krijgers hoort Blanche niet. Doch nu,
nu voelt ze een hand op haar schouder, en op luchtigen toon de vraag:
of Mamsell die Herren komt einladen in Paris den Cancan zu tanzen?
Maar zij--ze hoort niet wat ze zeggen:
"Beulen! Beulen!" krijt ze opnieuw, en....
Men had het zoo niet verwacht. Dat schoone Fransche kind is een ware
tijgerin! Met een kleine zaag, het eerste voorwerp, 't welk haar
straks op den zolder in 't oog viel, merkt ze den driesten spreker
op vreeselijke wijze het aangezicht.
De scherts maakt plaats voor een hevigen toorn. Ze hebben wel harten
die mannen, en Karl Wunder zou zelfs in gewone dagen een schoone
vrouw niet zuur kunnen aanzien, laat staan haar leed doen--maar nu,
als ze zóó op z'n Turco's beginnen...!
Een ruwe uitval en een forsche greep naar de teedere hand, die tot een
vernieuwden aanval het vreemde wapen verhief, doen Blanche plotseling
geheel en al verlammen. Een doodelijk wit vervangt haar hoogroode
kleur. Dikke zweetdroppels glijden langs haar blanke blauwgemarmerde
slapen en gitzwarte lokken naar beneden. Een hevig zenuwtoeval schokt
haar slanke leden.
Men werpt haar naast het bloemperk in 't gras neer.
Is men hardvochtig! Wie kan het helpen, als God het zoo
wil(!) "Vorwärts!"
En de Duitscher, het felst gebeten op hen, die na een heeten strijd
den overwinnaar nog het zoet van de zege en het genot eener korte
ruste benemen durft, kent op hoog bevel geen genade:
"Voort meiden en knechten van dit weerspannig
nest. Heraus! Donnerwetter, heraus!!"
Ha! dat is een poltron! Wat schreit en klaagt en bidt die gegalonneerde
Franzoos, terwijl hij op de knieën gevallen angstig met de hand naar
dat kleine vertrek wijst.... Was will er? Nun!? Geen genade!--Maar
nochtans, aleer ze onverbiddelijk hun werk gaan beginnen, toeven de
Duitsche krijgers een oogenblik.
Daar op den dorpel van dat kleine vertrek staat: "de sluipmoordenaar",
die zooeven ontsnapte aan het koord waarmee men hem--wat nader bij
het dorp dan zijne kameraden--ten afschrik van alle "valschaards"
heeft willen straffen. Daar staat hij. Vlammen vuurs schieten er
uit zijn oogen, maar toch, evenals de livreiknecht, die ginds steeds
handenwringend op de knieën ligt, klinkt zijn stem schier schreiend,
terwijl hij als in vertwijfeling bidt dat men genadig zal zijn, want:
dat ze daar sterven in dat kamertje, die nu vijf en twintig jaren
vereenigde echtgenooten, het zilveren bruidspaar!
De Duitschers verstaan hem niet. Doch, wát hij ook smeeken moge,
er is geen genade voor de burgers die zich verzetten.
Helaas! het zal Antoine niet meer baten of hij smeekt en klaagt en
dreigt en vloekt, en tandenknarsend zich verweert, terwijl hij--nu
men hem terdege bindt--tevens gedurig met wanhopigen blik naar zijn
engel, zijn dierbare Virginie blijft omzien.
En zij! O God, kan ze hier in deze kamer werkeloos blijven!
De hand van den stervenden vader laat ze ijlings los, en even als
Blanche straks daarbuiten, vliegt ze op die wreedaards toe om hun
den dierbaren buit te betwisten.
Maar neen, er is geen God meer! de menschen zijn duivels, verscheurende
dieren! Durven zelfs die Duitsche klauwen haar tengere leest zoo ruw
en schaamteloos omvatten!
Durven!--Gott im Himmel! Krabt die Fransche furie niet met haar spitse
nagels het vleesch van Heinrichs aangezicht! Slaat ze die nagels niet
in Friedrichs oog!--Ja, laat hij maar vloeken en tieren der verdammte
Franzoos. Voort met het Eugénieënbrut! Smijt het razende dier in den
kelder, of buiten, bij nummer eins!
Friedrich trilt van woede. Zijn linkeroog brandt in de oogkas.--Nog
één ruk, en hij sleurt de teedere jonkvrouw die zulk een furie werd,
van zich af; zij smakt met het hoofd tegen den muur der vestibule.
Antoine, ofschoon vastgebonden, kent zich zelven niet meer:
"Satan de l'enfer!" gilt hij wanhopend, op 't zien van den vreeselijken
gruwel aan zijn liefste gepleegd.--Onmachtig om zich los te wringen,
ten einde dat dierbare kind--de schoone bloem van het dal--ter hulp te
snellen, grijnst hij als in razernij; en, zich vluchtig verheffende,
bijt hij den armen Heinrich--die toch zijn plicht deed--zoo hevig
in het aangezicht, dat deze een rauwen kreet slaakt, maar ook op
hetzelfde tijdstip den kolf van zijn karabijn verheffende, den armen
Antoine daarmee een zoo hevigen slag op den schedel toebrengt dat hij
zieltogend neerstort, terwijl zijn vergruisde hersens rondspatten in
de marmeren vestibule.
Begint zij walging te baren de schets? Wordt zij kwetsend voor
het gevoel?
Maar groote hemel zijn we dan niet gestikt in den stroom van
menschenbloed, waarin we reeds zoovele maanden, en tegen wil en dank,
werden gedompeld!
Doch gewis, indien wij zelf die vreeselijke tooneelen hadden
aanschouwd, indien wij zelf een gewaarwording hadden opgedaan als
die wanneer de spitse degen of de scherp gewette bajonet, na een
krachtigen stoot, zoo week door het lillend ingewand van den ons
vreemden evenmensch glijdt; wanneer wij het zelf hadden gezien hoe het
bloed, de straks nog gloeiende wang van ons slachtoffer ontvluchtende,
uit den opgescheurden strot naar buiten perst, terwijl het ons lauw
in het aangezicht spat. Wanneer de brekende oogen onzer verslagenen
ons maar levendig voor den geest stonden, de blauwe oogen vooral van
dien blonden jonkman met den wijd opgesperden mond, waaraan nog met
een pijnlijken zucht den naam eener dierbare ontsnapt; of die van
den forschen krijger, akelig puilende uit de kassen, terwijl zijn
laatste woord een vervloeking was van zijn moordenaar!
Ja, groote God, indien wij die vreeselijke werkelijkheid hadden getast
en aanschouwd....
Ei! sla den blik op het zegevierend leger terwijl het de groote
hoofdstad binnentrekt, op die krijgers, overladen met roem en
eer. Bloemen en bouquetten worden hun toegeworpen. Jubelend keeren
ze in 't vaderland terug. Wilhelm draagt er roem op dat hij, hij
alleen, dertien Franschen voor zijn lood of kolf zag neerzinken;
en Dominique, zoo pas uit de gevangenschap ontslagen, brengt toch de
glorie mee naar het arme Frankrijk, dat hij met dezen zelfden sabel,
een damné colonel Prussien naar de andere wereld zond.
Moesten wij 't zelf niet vernemen uit den mond van een jong en zeer
beschaafd strijder, dat hij--neen! op dit oogenblik, geen zweem van
medelijden heeft gevoeld bij 't neerschieten van een paar roodbroeken,
maar dat het hem goeddeed ze te zien bijten in 't zand.
Een jachtgenot wordt de oorlog, geprikkeld door 't levensgevaar.
O mijn God, indien de krijg zelfs uw edelste menschenkinderen
tot furies en duivelen maakt, wie zal hem dan géén vervloeking
noemen?--Dronken zijn ze die juichen bij 't vergoten bloed van hun
naaste, dronken! krankzinnig!
Ha! daar nadert een breede schaar. Twee banieren heft ze omhoog. Die
van 't Roode Kruis en den Vredebond.
't Licht moet schijnen in de duisternis. Liefde wordt gesteld tegenover
Volkenhaat.
Beschaving tegenover Barbarisme.
Vrede op aarde!
Helaas! gij breede schare, er zullen nog eeuwen voorbijgaan eer ge
uw taak hebt volbracht.
Eeuwen, eer de hoofden der volken geen opperste krijgslieden, maar
de eerste burgers van den Staat zullen zijn.
Eeuwen, eer men het mes in des vleeschhouwers scheede minder verachten
zal dan den degen, toch slechts gesmeed met het doel om te vlijmen
door eens menschen ingewand.
Doch schep moed, de dag zal komen! Gij legt de grondslagen tot het
gebouw eener schoonere toekomst.
Uw leger, saamgevloeid uit de edelste krachten der menschheid, zal
steeds grooter worden. Uw wapenen zullen de wapenen der beschaving
zijn: Onderwijs! Volksontwikkeling! Verzet tegen de zonden der naties,
en tegen het meest algemeene der menschheid onteerende dwaalbegrippen.
Laat uw licht schijnen, en keer u 't allereerst tegen dien leugen:
dat de oorlog een noodzakelijk kwaad.... of zelfs een heilzaam goed is!
Ja, zoo beweert men: Even noodzakelijk als de stormen en onweders in
de natuur, even zoo noodzakelijk zijn het de oorlogen in 't belang
der volken.
"Nietwaar, dat is zoo begrijpelijk: Evenals twee wolken, zoo stooten
twee volken tegen elkaar. De bliksem is 't oorlogsvuur, de donder het
krijgsgeknal. Daarna, de gezuiverde lucht!--O, ongetwijfeld slaan die
vreeselijke wereldstormen diepe wonden, maar er is een God van liefde,
die 't alles bestuurt, en zonder Zijn wil...."
"Neen, natuurlijk, natuurlijk! Ongelukkig de mensch, die dat een
oogenblik zou kunnen vergeten."
Een God van liefde!?
Blanche en Virginie Toulemaire, vergaten het een oogenblik, en zelfs
die oude waardige zilveren bruid, ze vergat het in de laatste ure
van haar leven!
Vermoorden van Pantin! beklaagt u niet.
Monster Traupmann, leg uw hoofd met gerustheid op het blok. Immers
alles wat er op de wereld geschiedt, het geschiedt met den wil van God.
En welzeker, de God van liefde neemt ook het dankoffer genadig aan van
de zeer geleerde heeren, die de resultaten hunner hersengymnastiek
aan de wereld konden toonen; van de uitvinders dier onsterfelijke
mitrailleuses Montigny, Marklerberg en Durand, waarvan de laatsten
niet door kruit maar door stoom gedreven, 3600 kogels per minuut
werpen, terwijl ze dooden op 400 meters afstand. God neemt het innige
dankoffer genadig aan van Zijn rijk begaafd menschenkind, den uitvinder
dier granaten, waarvan er één voldoende is om duizend van zijn andere
menschenkinderen te gelijk te vernietigen; van den heer Gaudin, die de
aarde met zijn uit luchtballons te werpen brandgranaten ten zegen werd.
En dan, mochten zij hun tijdelijke welvaart niet met blijdschap zien
toenemen, en leeren zij hun lieve kleinen daarvoor niet innig dankbaar
de handjes ten hemel heffen, de papa's die met hun satans-raketten,
grieksch vuur, springmijnen en stinkbommen, de wereld en.... misschien
ook wel het Opperwezen zoozeer aan zich verplichtten!
Zal men zich in duistere vraagstukken verdiepen? Neen! maar al zonden
ook duizend dierbare oorkonden en tienduizend achtenswaardige leeraars
't ons vermelden: dat er niets, niets geschiedt zonder Gods heiligen
wil, wij achten het een leugen, een verderfelijke leugen: dat zonde
en ongerechtigheid en inhumaniteit, ofschoon ze een plaats hebben in
het grootsche wereldplan, de uitvloeisels van Gods wil zouden zijn.
Is het Gods wil dat een zoon, zijn trouwe moeder, die hem vermaant,
in koelen bloede een mes door het hart jaagt....? Neen, zeg nu maar
NEEN. Dát toch wil God niet.
Niet dóór en met het onreine en onedele, neen, door den strijd er
tegen klimt het menschelijk geslacht al hooger en hooger.
Die strijd, dát is de strijd die er zijn moet op aarde; de gymnastiek
voor den geest ter bereiking van zijn hoogere bestemming, of wilt ge,
ter bevordering eener trapswijze ontwikkeling van het menschelijk
geslacht.
Oorlog is liefdeloosheid. Liefdeloosheid is zonde. God wil de zonde
niet.
Niet? En waarom schiep dan Zijn Almacht geen zondelooze wereld? Van
den grooten Schepper ging toch óók het denkbeeld zonde uit Hij gaf
er plaats aan op deze aarde!?
Alzoo wil God dat de mensch zal omkomen van kou omdat hij den winter
zulke scherpe pijlen gaf; dat hij verbranden zal omdat het vuur hem
niet spaart wanneer hij zich aan de woedende vlammen waagt?
Alzoo wil God dat de mensch zal honger lijden omdat Hij den honger
schiep!?
Neen, God wil de zonde niet. Hij kan niets willen wat in strijd is
met het rein-menschelijke.
Het rein-menschelijke!
En tóch: een onderling vernielen en vermoorden!
En toch: de oorlog een noodzakelijk kwaad!?
Met verblinding zijn ze geslagen de vorsten, die volgens de oude sleur
hun volken ter slachtbank voeren, met den roep dat het hun ten zegen
zal zijn.
En de oorsprong dier verblinding. Ziet: Ook uit het kwade--heerlijk
scheppingsplan!--ontstaat nog het goede.
Naar dat goede, 't welk de oorlog ondanks zich zelven bewerkt, zoekt
en tast men met gretige oogen en handen; en, hoe gering ook, het moet
luide verkondigd, breed uitgemeten en grootsch genoemd worden. Zonder
die som zou men z'n eigen vonnis vellen. Noodlottig zelfbedrog!
Wat de oorlogen in 't eind nog goeds bewerken:
Het staat in geen evenredigheid tot de som hunner jammeren.
En tevens:
Zonder oorlogen zullen de volken, met den waarachtigen strijd op aarde,
zelfs in ruimere mate, en bovendien veel eerder dat goede verwerven.
Aanschouwt de vruchten van het bloedbad 't welk nu weder werd
aangericht:
Er is een haat geboren, die nog het nageslacht zal prikkelen tot wraak.
Ziet, daar treden ze voorwaarts, jammerende en in rouwgewaad, de
weduwen en weezen dier in dolle woede geslachte krijgers.
Daar gaan ze, de eertijds zoo vroolijk blozende maagden, nu verbleekt
en met roodgeschreide oogen, de liefhebbende warme zielen voor wie
de teedere naam van vrouw of moeder nooit klinken zal.
Daar zijn ze de tienduizenden, ongelukkig verminkte wezens, mannen
zonder handen of armen en beenen, mannen die gedoemd zijn om hun
leven in een beuzelachtig nietsdoen te slijten, en te pralen met de
wreedheden die ze bedreven, of den haat levendig te houden tegen dien
"erfvijand van hun volk".
Arme verminkte mannen! Is het hun schuld dat ze vergeten dat die
erfvijand hun naaste, en dat de haat een roest is die 't hart
verteert?"
Zie ze die legioenen krijgers: Eertijds--hoe velen hunner erkennen het
nog met trots--eertijds konden ze geen mugje leed doen, eertijds! Maar
nu: Valt aan! Houwt en sabelt neer wat uw vijand heet, 't zij oud of
jong, man of vrouw, kind of grijsaard; slaat ze dood die u in den
weg staan. Zie ze plassen in 't menschenbloed, geen dieren- maar
MENSCHENbloed!--Eertijds, nu ja, maar thans: de Keizer, de Koning,
het Vaderland roept. Nu.... voorwaarts! Een nieuw bloedblad: nieuwe
lauweren!
En ginder--zie, zij zoekt zich te verbergen die breede schaar van
huichelaars, gekweekt in de school van den oorlog. Met de hel in het
hart, hebben zich die ruggen gekromd. Stil! in de harten van sommigen
hunner, wekte wraak of zelfbehoud zelfs den sluipmoordenaar op.
En nu, sla den blinddoek weg; zie de waarheid--al zij het ook een
naakte waarheid--onverbloemd in het aangezicht:
Daar gaan ze de ongelukkigen, die bezweken in hun zedelijken strijd
te midden van dien zelfmoord der menschheid.
Daar gaan ze, de gieren van 't slagveld, de dieven der
gelegenheid. Daar zijn ze, de ontuchtigen en dierlijken door
onthouding. En dan, helaas! de arme vrouwen die de ongeborenen
verwenschen in haar schoot, omdat de woestaards, die--óf haar
trouw als echtgenoot verlamden, óf schaamteloos haar maagden-eer
roofden--duivels waren; ze zullen dat kroost verachten en het den
ongekenden vader leeren vloeken. Arme moeders!
Schatten van Kunst en Wetenschap vernield! Stilstand van alle werken
tot heil der menschheid!
Vernieling van duizenden menschenlevens!
Verkrachting van de wetten der hoogste liefde en waarachtige
humaniteit!
Ziedaar dan de vruchten van den oorlog.
Halt! Nu klinkt er een andere stem:
"Kortzichtige, kunt ge niet verder zien dan de spanne tijds van een
menschenleven? Wat zijn al die jammeren, vergeleken bij de weldaad
aan een volk bewezen, wanneer men het wakker schudt uit zijn vadsigen
dommel, en tot zijn zedelijk bewustzijn ontwaken doet!"
Alzoo, al die jammeren, en al die ellenden--heugenis voor honderden
jaren--ze dienen om een volk--of de volken--te leeren.... Wat?
Iets 't geen ze niet weten konden zonder een oorlog? Iets wat nergens
elders gevonden werd? Of 't geen niet langs andere wegen te bereiken
was?
De oorlog van 1870 moest aan het Fransche volk dus leeren:
Dat een oneerlijk bewind het volk--vooral in oorlogstijd--noodlottig
wordt.
Dat de Fransche natie over 't algemeen slecht wordt onderwezen,
en beter onderwijs alzoo hoog noodig is.
Dat een volk zich vrij moet ontwikkelen, niet geketend door de
willekeur van een overmoedig bestuur.
Maar is het ernst!? Om dát te leeren, moesten daarvoor al die
gruwelen geschieden; moeten daarvoor die wonden nog zoolang bloeden
en inkankeren?
Of ook, moest dat helsche vuur worden ontstoken, om te voorkomen
dat het eene volk het andere voortaan nogmaals zou kunnen bedreigen
of beleedigen?
Maar als dat andere volk dan nu het ééne heeft geleerd zijn toon
wat lager te stemmen, en het geknakt heeft en vernederd, dan kon dat
wijzere volk op zijne beurt wel eens den toon wat hoog gaan stellen,
en op zijne beurt gaan dreigen en beleedigen.
Mettertijd! Wie weet!
Maar hoort, men zegt weder: dat in oorlogstijden de edele gezindheden
insgelijks meer op den voorgrond treden en ontwikkeld worden.
Ziet dien moed; die krachts-ontwikkeling; die warme vaderlandsliefde;
die hulp en troost bij al den jammer.
De hulp en troost. Ja Goddank!
De warme vaderlandsliefde. O, dat zij spreke, altijd luid en krachtig,
die liefde voor het lieve vaderland. Maar--nooit krankzinnig.
De krachts-ontwikkeling. O dolle kracht! O vernieling!--De beste
klachten verkracht!
Den moed!
Wat is moed?
Moed is de vastberadenheid die gevaren trotseert, en zelfs den dood
veracht in 't belang der menschheid of van 't vaderland.
Gode zij dank. Zoo verstaat ook de edele krijgsman zijn roeping. Zou
hij hunkeren om toch spoedig zijn moed te toonen door het vernietigen
van menschenlevens, door een triumfantelijk omhoog heffen van
het bebloede staal?--Overwinnen dát is zijn leus. Overwinnen of
sterven. Maar neen, aan dat slachten en vernielen dááraan dacht hij
niet toen hij als knaap den degen koos. Toen dacht hij--en misschien
bij den zegen van den vrede nog zooveel te meer--aan verheffing in
rang, aan eer en roem, maar ten koste van zooveel bloed en tranen,
neen, dat heeft een menschelijk soldaat zich waarachtig nooit klaar
voor oogen gespiegeld, noch ooit begeerd.
Vraagt het aan de edelen onder de strijders, of hun hart, in weerwil
van alle doodsverachting, niet een oogenblik onrustig klopte bij het
naderen van den stond, toen ze voor 't eerst het bloed van geslachte
menschen zouden zien. Ja, maar ze hebben dat aanstonds onderdrukt,
want immers de overlevering zegt: wanneer de oorlog is verklaard, dan
gelden de gewone aandoeningen niet meer, menschen zijn dan eigenlijk
voorwerpen--sabel-, geweer- en kanonspijs, of wilt gij 't liever,
ze zijn de geroepenen op hooger bevel, de dienaars van vorst en
Vaderland!--Al die fraaie gevoelens uit den lieven vredestijd komen
niet meer in aanmerking. Geen weekheid, zwakheid of lafhartigheid!! A
la guerre comme à la guerre!
En, toen het bloed maar stroomde, toen was de zwakheid--de liefde
tot den naaste--verdwenen, toen ging het comme à la guerre.
Op een verderfelijken doolweg voert de onzalige stelling: dat oorlog
een noodzakelijk kwaad is, al moge hij een noodwendig gevolg van
zonde en slaafschheid zijn.
Een gruwel is hij, een den mensch onteerend, verdervend, gansch
onnoodig kwaad.
Al het zoogenaamde goede dat een oorlog bewerkt, 't is oneindig
geringer dan het kwade, 't welk hij sticht voor vele jaren.
Ja, ook uit het kwade komt nog het goede voort. Maar steeds in
geringere mate. Wanneer men een prachtigen vruchtboom uitroeit, dan
zal het gras weliger tieren dáár waar de boom voorheen zijn schaduw
wierp. En, als dan in den herfst de kostbare vruchten niet meer geoogst
worden, welzeker, dan moet men wel roemen in dat heerlijke groene gras!
Maar ziet dan, Frankrijk is toch wakker geschud. Zijn banden zijn
verbroken. Met de leuze vrijheid en ontwikkeling gaat het een schoonere
toekomst tegemoet!
Is het geen verblinding? Zal werkelijk het Fransche volk bij 't eind
van dit schrikkelijk bloedbad, een ander volk worden? Zullen zijn
bewindslieden, onder welken titel zij 't schip van staat ook zullen
besturen, zullen ze--misschien minder zelfzuchtig dan hunne voorgangers
(?)--nochtans de voetstappen van die voorgangers niet voor een groot
deel moeten drukken, omdat zij rekening hebben te houden met het
verleden? Kan een natie, die langzaam rijpen moet voor de vrijheid,
plotseling worden vrij verklaard?
Als men den leiband, waaraan het kind langzaam vooruitscharrelt,
plotseling loslaat, dan valt dat kind.
De band is verbroken!--Zal er geen nieuwe noodig worden?--Maar toch,
Frankrijk heeft geleerd!
Ja in waarheid, maar wát het leerde, 't zal niets meer zijn dan hoe
het zijn krachten heeft in te spannen, om na jaren--misschien niet vele
jaren--over de nu geledene schande een bloedige wraak te kunnen nemen.
Doch, zal men de vrucht van dezen krijg voor het zegevierende Pruisen
vergeten! Ziet men dan, in weerwil van al zijn rouw: zijn heil,
zijn Bondgenootschap met de Broeders van het Zuiden niet!
Maar zou dat Bondgenootschap inderdaad een vrucht van dezen oorlog
mogen heeten! Neen, 't is een vrucht van den gemeenschappelijken
haat. Dat Bondgenootschap ontstond niet dóór, maar het bestond reeds
lang vóór den oorlog.
En als nu de verwenschte vreemdeling door vereenigde krachten in zijn
hoek is teruggejaagd, en de broeders straks weer rustig te huis zijn,
dan--'t zou niet onmogelijk wezen--dán misschien zal het onderling
krakeelen opnieuw een aanvang nemen, en.... Maar de tractaten?--Nu
ja de tractaten!
En als de broeders niet gaan krakeelen, wie waarborgt ons dat ze te
zamen niet overmoedig zullen worden, steeds hunkerende naar meer,
totdat ze ten leste gaan inslapen op hunne lauweren.
En dan, dan komen die vreemden opnieuw, en rukken de lauweren weg
onder die slapende hoofden.
't Is reeds gezegd: Leer om leer!
Helaas! de stem zal zich weder verheffen, die ons van kortzichtigheid
beschuldigt, en een glimp van waarheid weet te geven aan de traditie
dat de oorlogen noodzakelijk waren, en nóg zijn voor volksontwikkeling
en beschaving.
Ja, maar zij zal 't vergeten dat schier alle groote werken ten nutte
der menschheid kinderen des vredes waren.
Getuigt het allen, gij denkers van vroeger en later tijd, die de wereld
met de uitkomsten uwer studies op zedelijk en stoffelijk gebied hebt
verrast en zoo duur aan u verbonden.
Getuigt het allen, die zint op vooruitgang en volksbeschaving, dat
de oorlog steeds uw felste vijand is geweest; getuigt en verbreidt
het dat de zegeningen door dien vijand der menschheid aangebracht,
't allereerst tegen haar gekeerd waren.--Ook uit het kwade kan nog
het goede voortkomen. Gode zij dank!--Men zag ze, die inspanning van
krachten om het luchtschip te stieren--door den nood gedrongen, doch
ook ter vernieling. Misschien ten zegen voor de toekomst? Maar het
luchtschip bestond. Een kind van den oorlog is het niet; neen. De
mitrailleuses, de satans-raketten en stinkbommen--dàt zijn zijne
welpen.
De oorlog is een kwaad, een volstrekt onnoodig kwaad.--Niets wezenlijk
goeds kan er door den oorlog tot stand komen 't geen niet langs den
rein menschelijken weg zou zijn te verwerven geweest.
Was het dan in Europa tot heden een verborgenheid dat degelijk
onderwijs een volk ten zegen is? Moesten duizenden moorddadige
bommen en kogels verkondigen 't geen één enkel helder hoofd, één
enkel waarachtig vaderlandslievend hart ten goede had kunnen bewerken?
Zijn dan de oorlogen nu nog noodzakelijk ter verbroedering van de
volken--indien ze het al vroeger moeten geweest zijn--nu, terwijl
bergen noch zeeën de naties meer scheiden? Zijn er geen andere
middelen inderdaad om de volken wakker te doen blijven, en hun kracht
te bewaren of meer te ontwikkelen!
Een gruwel is de oorlog. Een toegeven op reusachtige schaal aan wraak
en haat en veroveringszucht, onder het mom van vaderlandsliefde.
Waarachtige vaderlandsliefde is: Het werken met alle krachten aan de
beschaving en ontwikkeling van zijn volk; maar ook: Het werken zelfs
in den kleinsten kring met lust en noeste vlijt. Vaderlandsliefde is
een ijverig voorwaarts streven door gepaste middelen, zonder dwaze
verheffing boven zijn stand; een bevorderen en schragen van het te
dikwijls verbroken maatschappelijk evenwicht. Vaderlandsliefde is het
kweeken van een reinen onziekelijken Godsdienstzin; van humaniteit
waaruit de waarachtige vrijheid wordt geboren, waardoor in 't einde
de vrede moet komen op aarde.
Vaderlandsliefde!
Maar als een wreede roover het dierbaar erf bedreigt; wanneer het
ruw geweld met ijzeren vuist op deuren en vensters beukt?
Hoe! Zal men den woestaard dan met een ernstig vermaan tot rede
kunnen brengen; zal hij het oor leenen aan die woorden van den
edelsten onder de menschen, den grooten Jezus van Golgotha: Steekt
het zwaard in de scheede. Hebt elkander lief. Bidt voor degenen die
u haten!--en nog zoovele andere uitingen der reinste humaniteit,
der warmste menschenliefde!?
Helaas! indien het ruw geweld u tot handelen dwingt, zoekt het met
krachtige hand te beteugelen, en--wordt gij gedwongen zijn helsche
wapens te kiezen.... God wil dat ge uw leven en dat uwer dierbaren
zult beschermen. Maar wee wee den mensch door wien de ergernissen in
de wereld komen!
Één enkel boosaardig hart behoeft slechts één enkele vuurvonk om een
gansche stad te verwoesten. Doch wee, wee dat hart, na zijn ontwaken
uit den helschen roes bij 't aanschouwen van den jammer door hem
aangericht.
Vaderlandsliefde!--Preekt het van de daken dat het geen waarborg is
voor 't geluk van een volk, wanneer zijn land al grooter en grooter,
al machtiger en machtiger wordt.
Preekt het van de daken dat de kleine naties zoowel recht hebben van
bestaan als de groote; dat zij veelal gelukkiger zijn, huiselijker
van aard, en meer geadeld door den waren vrijheidszin.
Groot en klein, 't zijn twee machtige factoren van het
scheppingsplan. Ziet ze, de onmetelijke zonnen, en de kleinste
planeten; de hemelhooge bergen, en de liefelijke heuvels; ziet ze,
de cederen van den Libanon, en het fijngetakte plantje der hei;
den olifant en het miscroscopisch insekt.
Vaderlandsliefde!--Verkondig het alomme, gij kleine natie, dierbaar
Nederland, dat gij recht hebt van bestaan, gij bovenal!--Laat uw stem
klinken, met verstandigen ernst, wijd en zijd, dat gij uw huis zult
bewaken, en zonder inwendig krakeel, uw huis aan zee, wel wat vochtig,
maar toch zoogoed!
Verkondig het, dat ge de bondgenoot wilt zijn voor alle werken des
vredes, maar ook, dat ge bij overheersching de taak zoudt vervullen
van het folterende geweten, telkens in opstand, en triumfeerende in
't eind!
Zal het de stem wezen van een roepende in de woestijn, klein Nederland,
indien gij luide verkondigt:
"De vorsten moeten de eerste Staatsburgers zijn.
"Een gewapende vrede is de eeuwigdurende oorlog. Algemeene ontwapening,
dat is de waarborg des vredes."
Wanneer men gereed is ten strijde--of het meent te wezen--dan trekt
men het zwaard. Hoort! De gelegenheid maakt den dief, soms ook maakt
de dief de gelegenheid. Maar de ontwapende dief? Misschien gaat hij
werken en ziet hij af van inbraak en roof.
Klein Nederland, verhef uw stem; misschien kan het baten in 't eind.
Immers men weet dat gij wel klein zijt, maar ook 't geen men dapper
pleegt te noemen; dat slechts een paniek in staat is om u voor een
oogenblik u zelf te doen vergeten.
Vrij, dierbaar Nederland! roept het den volken toe:
"Slecht uw vestingen, uw arsenalen en tuighuizen; vernietigt uw
heillooze wapenfabrieken, uw monster-geschutgieterijen. Dat alles
knaagt aan uw eigen welvaart en dwingt een volk, 't welk u de
broederhand zou willen reiken, om zich evenals gij in 't ijzeren
pantser te steken: 't pantser, knellende, drukkende, den vrijen
bloedsomloop belemmerende, 't hoofd verhitten de, drijvende den arm
tot vernieling en broedermoord.
Maar vooral, klein Nederland, al wijst gij ook met krachtig en vinger
op de misgeboorten van het genie, op stinkbommen en satansraketten,
gedraag u verstandig en wijs, terwijl ge de vaan van den Vredebond
hoog en met frissche kleuren doet wapperen door uw vrije lucht;
wees wijs en verstandig, terwijl ge uw stem verheft opdat men u niet
verdenke van lafheid, en u bespotte in 't eind.
Wees wijs en verstandig; zeg niet dat ge uw heil van de naaste toekomst
verwacht. Verkondig het luide: dat ge niet zult wanhopen indien er
nog eeuwen moeten voorbijgaan eer de oorlog tot de barbaarschheden
van een vroeger tijdvak zal worden gerekend; indien er nog eeuwen--ja
zelfs vele eeuwen moeten verloopen, eer uw Vredebond waarachtig een
algemeene onverbreekbare Vredebond zal zijn; eer de geschillen der
volken alleen zullen beslist worden voor de hooge Internationale
vierschaar van 't kloek verstand en 't onkreukbaarste recht!
Wees verstandig en wijs, want die tijd zal toch komen. Maar, bij
den goeden strijd, dien gij strijden wilt, klein dierbaar Nederland,
vergeet het niet om het woord van mond tot mond te doen gaan, dat de
NOODZAKELIJKHEID VAN DEN OORLOG EEN DER MENSCHHEID EN GOD ONTEERENDE
LEUGEN is.
Aan den avond van den dag dat de villa Toulemaire voor een groot deel
in de asch werd gelegd, ontstond er in de dichtst daarbij gelegen
woning, terwijl eenige hoofd-officieren van het zegevierend leger er
bijeen waren, een hevig rumoer.
Van waar zij gekomen was, dat wist men niet, maar eensklaps was een
jonge doodsbleeke vrouw met angstverwekkend gegil, uit een kelderdeur
de donkere gang ingevlogen. Men heeft haar niet kunnen vatten aleer
zij de deur van het vertrek had losgerukt waar de Duitsche strijders
vertoefden, en aan niets dachten....? dan aan den roem, waarmee zij
't Lieb Vaterland overlaadden.
Was het Blanche Toulemaire, zij, de eenig overgeblevene van het
gelukkige zestal, 't welk heden een zoo schoonen feestdag zou vieren?
Ja. Uit haar bedwelming ontwaakt is ze voortgeijld. Waarheen? Ze
weet het niet. Vurige slangen joegen haar voort; slangen die zich
om haar leden kronkelden, en den ademtocht belemmerden. Waar zij
een ganschen dag heeft getoefd dat weet ze evenmin. Ze wist niet
dat pachter Micauld, de naaste buurman van Toulemaire, haar heeft
bemerkt en in zijn woning gebracht. Ze weet het niet hoe ze telkens
knarsetandend is opgevlogen, terwijl ze gedurig, maar ook al doffer
en doffer, haar woord van dien morgen herhaalde: "Beulen, moordenaars!"
In 't eind, of ze geslapen heeft of wel dat nogmaals een zenuwtoeval
haar neerwierp, 't was donker om haar heen, zeer donker toen ze zich
oprichtte, en rondstarende, zachtkens vroeg: Waar men haar lijk had
neergelegd; want, dat ze een lijk was dat voelde ze wel.
Micauld de welgestelde pachter zat met zijn jonge vrouw aan 't einde
van den ruimen kelder. Jeanne was juist van boven gekomen; zij had de
Herrschaften bediend. Micauld zou 't besterven als hij het moest doen.
Goddank, men zag nu bij 't schijnsel der kleine lamp, die de jonge
boerin ontstak, dat de arme juffrouw Blanche wat kalmer ontwaakte.
Neen, lieve God, neen, zeker, een lijk was zij niet. Och zij moest maar
kalm en niet al te neerslachtig wezen. 't Heele dorp is immers ook wel
in rouw en angst. Overal is 't vol met arme verwonde soldaten.--Neen,
hier boven den kelder in de groote voorkamer dáár zijn geen gewonden;
eenige voorname officieren, die hier in kwartier liggen zijn er
bijeen. Och, zoo kwaad zijn ze niet als men maar doet wat ze zeggen. Ze
weten zich ook nog al te behelpen, want behalve een paar makkelijke
stoelen, die de soldaten uit den brand wisten te redden, moeten zij
't boerengerei maar voorlief nemen. Komaan, juffrouw Blanche moest nu
maar weer wat zien te slapen. Ja 't was wel verschrikkelijk.... en
allerverschrikkelijkst, zeker; maar och, die goede oudeluidjes zou
ze toch ééns hebben moeten verliezen nietwaar? en haar zuster, als
ze misschien getrouwd de ouderlijke woning verlaten had, wie weet
hoe weinig juffrouw Blanche haar dan had weergezien; en, wat haar
vrijer betrof: Och ja, heeft madam Micauld al verder getroost, dat
hij zich zoo bij den Steenenburg durfde wagen, dat was ook eigenlijk
geen liefde; en dan, zij heeft het met Pierre Legros ondervonden,
een half jaar na zijn dood--'t was anders zoo'n brave jongen--toen
had ze Micauld haar woord al gegeven, en, wie is er beter dan hij!
Eensklaps met een vreeselijken gil is Blanche toen overeind
gevlogen. Uit de armen van Micauld en Jeanne, die haar wilden
terughouden, heeft ze zich losgerukt. De keldertrappen op, en de gang
der hoeve is zij ingevlogen.
De wacht aan de deur schiet ijlings toe; doch de witte gedaante,
die men in 't donker zag, heeft de deur der groote hoeve-kamer reeds
geopend.
Het licht der hanglampen en der bougies op flesschen verblindt haar
de oogen.
Men heeft haar vastgegrepen. Zijn dat de slangen weer, die zich
kronkelen om haar trillende leden?
"Wat wil die vrouw!" roept een der officieren. En dan, na een
oogenblik stilte: "Laat haar los! Tegen weerlooze vrouwen vechten
we niet." Daarna op Blanche toetredende, herneemt hij in vloeiend
Fransch, terwijl zijn krijgsmakkers het schoone maar doodsbleeke
meisje met belangstelling gadeslaan:
"Ik geloof, juffrouw, dat een vergissing u in deze kamer bracht,
ten minste...."
Maar de Huzaren-ritmeester gaat niet verder. Hij heeft een arme
krankzinnige voor zich, dat bespeurt hij nu wel.
Bij het plotseling zien van zoovele vreemde officieren is Blanche
onthutst een paar schreden teruggegaan, doch nu, terwijl ze weer
stand houdt, staart ze hem aan met zulk een vreeselijke uitdrukking
in haar tintelende blauwe oogen, dat hij onwillekeurig een oogenblik
zwijgt zonder te weten hoe met het arme schepsel te handelen.
En Blanche. Hoor! ze fluistert op diep doordringenden toon:
"Wees niet bang; een lijk kan u geen kwaad doen. Kom mee als ge niet
bang zijt, kom mee naar den Steenenburg; daar zullen ze mij met al de
lijken begraven. Wacht maar, wacht! Allen wordt ge dan ook begraven,
allen! nu of morgen. Maar bidt eerst voor de rust uwer zielen, want
morgen zal het zijn, morgen zeker!"
Een doodelijke stilte heerschte er in het vertrek. 't Was een treurige
verschijning, die schoone waanzinnige met haar droeve profetie.
Aan slagvelden raakt men gewoon, maar zulke woorden, uit zulk een mond!
Een waardig Duitsch krijgsman met zilveren haren is nu mede opgestaan,
en nadert het meisje om zoo spoedig mogelijk in haar eigen belang
een eind aan dit tooneel te maken. Doch, op datzelfde oogenblik valt
Blanches oog op den sierlijken voltaire dien hij verliet. Een rauwe
kreet ontsnapt er aan haar hijgende borst. Zij snelt op den prachtigen
zetel toe; zinkt op haar knieën er bij neer, en dan, terwijl haar
hoofd machteloos neervalt op haar eigen kunstig borduurwerk voor het
zilveren bruidsfeest vervaardigd, klinkt nogmaals hijgend en dof die
snijdende aanklacht van haar trillende lippen:
"Beulen! Moordenaars!"
't Is drie maanden later. De gure nachtwind jaagt een sneeuwkleed
over het vreeselijk slagveld, 't welk de grauwe dag zag aanrichten.
Er heerscht een volkomen duisternis. De angst- en smartkreten hier
en ginder worden door den steeds feller opstekenden wind verstrooid
en versmoord.
Rillend in zijn laatste worsteling met den dood, treft een paard met
zijn killen hoef den fel gekorven schedel van een grijzen krijger,
die op gruwelijke wijze door een woedenden Franschman werd neergeveld
en verminkt, maar toch den laatsten strijd nog te strijden had.
O! waarom moest hij nog weder ontwaken in die ontzettende duisternis,
met dien vreeselijk brandenden dorst, met die ontzettende pijnen,
hier, aan het hoofd, en overal; onmachtig om zich te kunnen wenden,
onmachtig om het verminkte been weg te rukken onder het lijk van een
neergestorten vijand.--Waarom? Zal de sneeuw die hij opvangt in den
wijdgeopenden mond hem nog verkwikken kunnen....! Zal hij nog kunnen
denken aan zijne dierbaren....!
O God! zijn dit de smarten der hel!
"Help! Erbarming! Help!"
De nachtwind feller loeiende, spot met dien kreet.
"O Heere God!" kermt nog eens de grijze Duitscher, nadat hij een
vergeefsche poging deed om zich op te richten van dat vreeselijke
doodsleger.
Vruchteloos is elke poging; tevergeefs is alle uitzicht op hulp.--O
Heere God, welk een eeuwigheid!
Maar straks is ook die laatste strijd gestreden, en de sneeuw ontdooit
niet meer van de verstijfde lippen, met wier laatste smartkreten
zich telkens de aanklacht eener schoone waanzinnige vermengde, het
nooit vergeten:
"Beulen, moordenaars!"
In dien zelfden nacht gleed er in de hoogte over dat slagveld met al
zijn jammer de tijding:
"Hevige strijd *** duizend man gesneuveld. Roemvolle overwinning. God
zij dank!"
En de Leugen wierp zijn stem in den loeienden nachtstorm; en verbreidde
dien dank, met grijnzenden schaterlach.
Maar als de storm in den uchtend bedaarde, en de zon koud en vuurrood
opging over dat grillig golvende sneeuwkleed, met purper doorsijpeld,
dan verborg zij haar gelaat, want ontzettend was de aanblik van dat
met bloed bezoedelde lijkkleed, 't welk den broedermoord bedekte,
den moord van kinderen.... van eenzelfden Vader!