DE OORLOG EEN NOODZAKELIJK KWAAD?

't Is al laat in den avond, doch binnen de kleine landbouwerswoning,

schuins achter 't zwarte dennenbosch, daar brandt nog een lichtje.

Moeder slaapt, ja kijk maar. Als vader haar nu, zooals hij gezegd

had, nog eens zachtjes g'endag kuste, dan zou kleine Karl de lamp wel

uitblazen, en gauw in de bedstee kruipen. Ja zeker, en heel stil zijn;

en zorgen dat Lieschen en Else niet wakker werden; ja, en als hij

zelf schreien moest, dan zou hij de handjes maar vast voor den mond

houden, want Koning Wilhelm zal vader toch wel gauw weerom sturen,

nietwaar? Koning Wilhelm was immers zoo heel braaf, en kon ook niet

weten dat moeder nu juist zoo ziek was, neen!

Fluistrend heeft het zevenjarige jongske gesproken terwijl hij tot zijn

vader opzag, en de vader--die straks nog, tot lang na zonsondergang,

de sikkel dreef door het rijpe graan, maar ach! zonder het werk te

kunnen volenden--hij drukt de vereelte hand op het hoofdje van zijn

kind, en dan.... Maar neen, spreken kan hij niet.

"En als vadertje dan weer thuiskomt, dan zal hij voor Karl ook een

mooie klapbus van vlierhout snijen; is 't niet vader?" vleit het

jongske op nog zoeter toon.

God, wat bange stond! Bevend heft de vader het kind omhoog; drukt zijn

lippen op dat lief en rond gezichtje, en zegt dan bijna onhoorbaar:

"Zoet wezen Karl, heel zoet! en".... Maar, verder kan hij niet;

dikke tranen breken met geweld naar buiten.

Wees krachtig Walter! Ja, krachtig!--Zóó. Nog een zoen op Karls

voorhoofd. Nu tilt hij het kind in de bedstee over de slapende moeder

heen. Dáár, op vaders plaats, zou het jongske slapen voortaan.--Karl

fluistert nog dat hij aan onzen lieven Heertje zal vragen of vader

er Zondag mag weerzijn, want dan blijft hij thuis uit de school,

en zal dan een heele boel boschbessen voor 't zoete vadertje plukken.

"Goed mijn jongen, goed! Maar stil nu dat moeder niet wakker wordt."

Ach, nu zal hij dan aan die lieve zieke vrouw den zoen ten afscheid

moeten geven.... Neen, eerst in de bedstee ginds de beide kleine

meisjes zachtjes vaarwel gekust!

Zie, daar liggen ze, de blonde koornbloemen--roode koonen, blauwe

oogen.--Maar die oogjes zijn nu gesloten, ze zien hem niet aan.

Weet hij wel wat hij doet nu hij ze zachtjes, beurt voor beurt, op

die roode lipjes en malsche armpjes zoent; nu hij Lieschens zacht

weerstrevend handje vastklemt en het drukt aan zijn lippen; nu hij

Elsje--kleine woelwater, ruiter van vaders knie--de blootgewoelde

beentjes nog eens toedekt? Ach neen, hij weet niet wat hij doet

nu hij zijn kranke vrouw--om haar een doodend afscheid te besparen,

schier onvoelbaar zacht een zoen op de bleeke wang drukt.--Groote God,

welk een andere zoen dan dien hij haar gaf.... ha, op dien heerlijken

middag, nu zeven jaren geleden ... Voor de bedstee valt hij op de

knieën neer. Zijn handen blijven een wijle gevouwen; zijn lippen

bewegen zich krampachtig.--Moed, Walter; moed!--Voort nu.--Ja, voort!

De lelie van 's-Gravenhage · 第 74 / 82 题