IV.

Mijnheer de uitgever van het Dames-Weekblad!

Als ik eens een boek las of een verhaaltje, dan heb ik meestal

opgelet dat de schrijvers net deden als de meeste menschen, namelijk

dat ze met een weerpraatje begonnen. 'T is: óf een zoete, geurige

zomermorgen, óf een regenachtige najaarsavond, maar 't allermeest

een koude stikdonkere winternacht. 't Is wel iets om tot lezen uit te

lokken dat ze daarmee beginnen, dewijl alle menschen bijzonder veel

belang in 't weer stellen, natuurlijk omdat zij er zoo afhankelijk

van zijn. Vandaag--'t is den 5den Januari--heb ik mij op uw verzoek

eens weer aan een brief voor het Weekblad gezet, en nu ik zit, nu

kan ik niet nalaten om toch ook iets van 't weer te zeggen, want hoe

hard of Koendert ook in onze potkachel zit te pooken, hoe hard hij ook

uit zijn doorrooker dampt en hoe'n flinke kool ik ook in de test heb,

we zeggen toch maar gedurig dat het grummels koud is geworden. 't Is

waarlijk griemelig als je naar buiten ziet. Aan de overzij woont een

knappe Schoolmeester, maar ik heb medelijden met al die roodneusjes

die daar binnengaan. Nu, 't sneeuwt ook niet weinig en zoo jachterig,

weet je, iederen keer met zoo'n rukwind er bij dat de sneeuw opstuift

alsof een bakker aan 't ziften is. Mijn zusters kind dat we, zooals

U weet, bij ons in hebben, is met boodschappen naar den slager en

den kruidenier toe; ik heb met de stumperd te doen en wou dat ze

al terug was; maar zie je mijnheer, waar de dingen toch al weer

goed voor kunnen zijn; dat het vandaag zulk koud en guur weer is,

doet mij aan een persoon denken, die met juist zulk weer bij mijn

zalige mevrouw kwam. 't Was een Zaterdag avond--'t heugt me als de

dag van gisteren--Aaltje was met de vaten bezig, Koendert met het

zilver schuren en ik met het opbouten van nachtmutsen--zoo goed weet

ik het nog. Nu was het bij ons aan huis Zaterdags avonds altijd een

druk geschel; slager, bakker, kruienier en zoo al meer omdat er bij

mevrouw 's Zondags nooit van boodschappen-doen inkwam.

In de kwiesienjeere--zooals ze zeggen--brandde een stevig vuurtje,

want het was vinnig koud en het stormde buiten van geweld. Opeens wordt

er weer gescheld en omdat Koendert juist met het mooie tabaks-komfoor

doende was, zoo liep ik maar even naar de voordeur en nam een servet

voor 't warme brood mee.

Maar jawel, pas had ik de deur open of ik zag al dat het de bakker

niet was.

"Ben ik hier terecht bij mijnheer Van W?" klonk een beverige stem en

ik zag een soort van juffrouw voor mij, die een alles behalve proper

voorkomen had, terwijl zij een jongetje van een jaar of tien aan de

hand hield.

"Ja wel," zeide ik, "maar mijnheer is niet thuis," die was in Den

Haag op de Kamers van de regeering. "Niet thuis" zuchtte de juffrouw;

"och asjeblieft ga 't maar eens vragen."

Dat wilde zooveel zeggen als: "je hebt zeker gelogen, mijnheer is wel

thuis;" ik werd er niet boos om, wel wetende dat zulke onwaarheden

dikwijls van wegens de lui moeten overgebracht worden en de dienstboden

alzoo in kommissie--zooals ze 't noemen,--tegen beter weten en willen

aan, liegen moeten, maar zie je mijnheer, daar was mijn goeje mevrouw

niet van thuis en ik herhaalde daarom dat mijnheer uit de stad,

maar mevrouw wel thuis was.

De vreemde juffrouw steunde een woordje, dat hare blijdschap moest

uitdrukken en stapte de deur binnen. Ik wist niet recht, mijnheer,

of ik haar toe zou laten of tegenhouden, want bedelarij mocht 's

avonds de deur niet in, dat was 'n vaste boodschap, maar, ik had

den moed toch niet om de juffrouw den toegang te weigeren en, om de

waarheid te zeggen, de scherpe wind stond ook zoo vreeselijk op de

voordeur dat ik weinig behagen in een langer gesprek tusschen deur en

drempel had. In één woord mijnheer, vóór dat ik het zelve recht wist,

stond de avondbezoekster op de mat ook binnen de lakensche tochtdeur;

en, bij 't licht der kloklantaarn zag ik nu eerst recht wat een naar

en haveloos perceeltje ik in huis had gehaald en zou--ziedaar!--twee

zesthalven uit mijn zak hebben gegeven zoo ik die juffer met goed

fatsoen weer op straat had gehad.

"Maar wie bent uwes dan?" zeide ik, haar nogmaals van 't hoofd tot de

voeten opnemende. "Wie moet ik aan mevrouw zeggen dat er is....?" ik

was een beetje onthutst mijnheer--"want zie je, als u komt om een

aalmoes dan mag ik niet naar binnen gaan. Mevrouw geeft nooit aan de

deur, maar althans niet bij avond en ontijden."

"Och! neen," klonk toen haar antwoord,--en ik vond bij me zelve dat ze

wel iets moois en fatsoenlijks in haar stem had,--"neen ik kom geen

aalmoes vragen, ik kom.... ik ben...." maar ze sprak niet verder en

ik zag duidelijk dat ze moeite had om haar tranen te bedwingen. Het

jongske aan haar zijde stond te knie-knikken van de kou en hield zijn

ijskoude vingertoppen in den mond om ze met zijn adem te verwarmen.

Ik hield mij toen overtuigd mijnheer, dat er bij die vrouw geen kwaad

overleg was, maar vroeg tevergeefs naar naar naam, totdat ten laatste

haar woorden: "zeg maar een oude bekende," mij verwonderd deden opzien

maar mij tevens zoo spoedig mogelijk aan haar verlangen deden voldoen.

Nooit in mijn leven mijnheer, heb ik zoo'n raren avond beleefd. Mevrouw

had twee dames op theevisite en een warm broodje. Zij deed mij licht

in het spreekkamertje brengen, en ontmoette er de juffrouw met het

kind. Toen wist ik natuurlijk niet wat er verhandeld werd--later

begreep ik het.--Mevrouw schelde driemalen, weet je voor mij--en

ik kwam. Wat ik nooit verwacht had te hooren, werd mij gelast. De

juffrouw, die door mevrouw gladweg haar nicht werd genoemd, moest

met het kind in de achterkamer gebracht, dáár de kachel aangelegd

en goed koffie met brood worden toegediend. "Mijn nicht wil liever

alleen blijven," zeide mevrouw: "omdat zij vermoeid van de reis is."

Zonder een woord te kunnen zeggen, want ik beefde inwendig een beetje,

omdat zoo'n soort van.... arme landloopster door mijn mevrouw nicht

werd genoemd,--zonder te kunnen spreken knikte ik zooveel als, ja

wel mevrouw, en wilde gaan, maar opeens werd ik getroffen door een

aandoenlijk gezicht, daar ik nog--'t is misschien kinderachtig--een

traan van in de oogen krijg, als ik er om denk. De juffrouw, zooveel

als de nicht, sloeg hare magere handen voor het aangezicht en begon

zoo luid en zoo bitterlijk te schreien dat mevrouw er merkbaar van

ontdaan werd, doch haastig zeide: "Bedaar Emilie, ga en rust eerst

wat van je vermoeienissen uit, morgen zullen wij samen spreken;

je kind heeft ook wat verkwikking noodig,--nietwaar ventje?"

Het kind keek verlegen vóór zich en antwoordde niet, doch Emilie--zal

ik maar zeggen--kon niet zoo aanstonds bedaren, maar schreide bitter

voort, en terwijl zij eindelijk mijne lieve mevrouw bij de hand

vatte en die vreeselijk kuste, riep zij gedurig: "U verstoot mij niet

edele vrouw! o die barmhartigheid zal God u vergelden!" en nog een

heele boel dergelijke uitdrukkingen meer, die ik nu om de waarheid

te zeggen vergeten ben.

Wat ik vergeten zal of niet, zeker de oogenblikken nooit, die ik met

mevrouw in het spreekkamertje doorbracht, nadat ik de nicht met haar

zoontje in de achterkamer gebracht, er licht ontstoken en Koendert

gezegd had, dat hij er de kachel zou aanleggen.--In plaats dat mevrouw

naar de zaal bij de dames zou zijn teruggekeerd zat HE. nog in het

kamertje--en grummels wat zag ze bleek!

"Is u niet wel mevrouw?" vroeg ik zacht en vroeg ook, of ik een

glas water zou halen. Mevrouw knikte, ik haalde het spoedig en liet

mevrouw drinken. Dat moet mevrouw goedgedaan hebben, want haastig

stond zij op, drukte haar zakdoek even voor de oogen en mij toen

tot zich wenkende zeide HE. met een bewogen stem: "Grietje wat je

gezien en gehoord hebt, behoeft in mijn huis geen geheim te blijven,

want, dergelijke geheimhoudingen baren slechts nieuwsgierigheid en

laakbaren achterklap. Zeg aan je kameraden gerust dat de aangekomene

een ongelukkige nicht van mij is, terwijl ik hun vriendelijk verzoek

haar met den verschuldigden eerbied te bejegenen; jou, Grietje,"

liet mevrouw er op volgen, "behoef ik zulks niet eens te zeggen;

je ziet dat de wederontmoeting mij eenigszins heeft getroffen, maar

nu gevoel ik mij toch weer in staat om naar mijn gezelschap terug te

keeren." Zie mijnheer, dit is misschien niet zoo heel belangrijk voor

u en ook niet voor de beschaafde lezeressen van uw weekblad, maar wat

de hoofdzaak van het geval betreft. die ik u verder mee zal deelen, ik

geloof dat die wel belangrijk genoeg voor u en voor iedereen zal zijn.

Den volgenden morgen dan gaf mevrouw mij orders om de nieuwe lozee

van mevrouws kleeren een stel uit te zoeken, want wat ze aan 't

lijf had was bijster verlapt en schunnig en voor den wintertijd

kaal en dunnetjes. Wat zag die arme nicht, bij daglicht bekeken er

millankeliekjes en schraal uit. Grummels! ik had er mee te doen. Ze

zat met haar zoontje bij het vuur, en schrikte letterlijk toen ik

binnenkwam. Ik zei: "Goeje morgen juffrouw, of u die kleeren eens

woudt passen," en toen stond de juffrouw op, kwam naar mij toe en

vatte mij zoo aandoenlijk bij de handen, dat ik er puur kippevel van

kreeg. "O!" zeide zij, en de tranen maakten haar het spreken moeielijk:

"O, het moet u wel zeer verwonderen in mij eene nicht van uwe rijke

mevrouw te zien; in mij die.... die het kleed der armoede draagt en

wie de ellende op het wezen staat. De schuld.... de zonde...." maar

zij sprak niet verder, en toch hield zij mijn handen vast, alsof

ze mij ongaarne zag vertrekken, misschien in mij een wezen gevonden

hebbende dat zij, om zoo te zeggen, tusschen haar en haar tante stelde.

"Och heden! mevrouw heeft wel met u te doen," zei ik, "u hebt zeker

veel verdriet gehad juffrouw?"

"Verdriet! o! God weet het alleen wat ik geleden heb!" zuchtte de

ongelukkige dame: "maar mijn ellende was het loon voor zonde en

berokkend verdriet...." Weer zweeg zij en mij eenige oogenblikken

later schuchter in de oogen ziende, zeide zij zachtjes: "zeg meisje,

heeft uw edele mevrouw u niets gezegd...?" "Neen, juffrouw, waarlijk

niet," antwoordde ik, en nauwelijks had ik dit gezegd of de deur

ging open, mevrouw kwam binnen en zag ons staan, zooals ik zeide met

de handen inéén. Emilie--zal ik maar zeggen--liet mij dadelijk los,

en luid snikkende op mijn goede mevrouw toetredende, riep zij met

afgebroken woorden: "Vergeef mij, vergeef mij, brave grootmoedige

tante! Ik heb zoo zwaar misdaan; zoo weinig uw liefde beantwoord. O,

vergeef mij, om den wille van mijn ongelukkig kind? God weet het, hoe

uw voorkomende liefde zonder eenig verwijt nog meer mijn hart heeft

verbrijzeld. Ik bid, ik smeek u om vergiffenis!" Ik was al bij de deur

om heen te gaan, want bij zóó iets hoorde ik niet, maar het "Grietje

blijf!" van mevrouw deed mij blijven en op den achtergrond staande,

hoorde ik verder wat er tusschen mevrouw en haar ongelukkige nicht

verhandeld werd, iets wat mevrouw, zooals HE. later zeide, deed,

omdat ik ten deele de waarheid gehoord hebbende, haar ook geheel

moest kennen, dewijl er leering uit te trekken en zij overtuigd was,

dat ik er nooit dan gepast en ten nutte van anderen over spreken zou.

De menschen in die zaak betrokken zijn allen dood mijnheer, en een

leering zit in deze zaak, dus schrijf ik u ronduit wat er van aan

is. Gelukkig! daar komt de kleine meid terug met de koffie en grauwe

erwten voor van middag--eerst koffie zetten.

Ziezoo, dat heeft den inwendigen mensch goedgedaan. Zoo'n kopje koffie

verwarmt het hart--grummels wat zeg ik, het hart? neen, mijn hart

had geen koffie tot verwarming noodig, want dáár was ik straks zoo

warm als op het oogenblik. Hoe zou het anders wanneer men een daad

kan vermelden, die aan de hoogste liefde raakt.

Kortom, mijnheer,--want ik ben al bang dat de brief te lang

wordt hoewel ik zoo kneuterig op mijn schrijf ben--kortom dan,

ik hoorde toen en later wat de oorzaak dier armoede geworden

was. De juffrouw--nicht--werd als wees van Mevrouws eigen zuster

bij HE. grootgebracht. Ze had niets geen geld, maar moet een lief

meisje geweest zijn, hoewel altijd met romans van die Franschen, daar

mevrouw, zoo'n afkeer van had. Ze las stil bij avond, op bed, en wier

wat ze romenesk noemen. De juffrouw kreeg les in alles, tot de piano

en teekenen toe. Maar door die piano, zie, daardoor kwam het. Die

muziekmeester was een Franse flierfluiter die snorren en lang zwart

haar had. Meestal zat mevrouw er bij, maar soms was ze wel eens uit of

er niet bij als ze hoofdpijn had. Die Fransoos moet de juffrouw altijd

geprezen en gezegd hebben, dat ze zulke mooie bandjes en wat al niet

meer had en ook, dat ze hem op de piano haast de baas was. Dat streelde

de juffrouw en ze studieerde op de piano dat het mevrouw soms te druk

wier, maar ook--en daar zat hem de kwaje kneep--ze verlangde naar niets

en naar niemand sterker dan naar dien vreemden muziek-poespas. Wat er

toen allemaal zoo precies is voorgevallen, dat weet ik niet, maar wél,

dat die twee meer voor malkaar gingen voelen dan rechtuit,--zij ten

minste. Hij moet haar een heelen boel in 't hoofd hebben gehangen

en zij moet hem gezegd hebben dat ze ook smoorlijk op hem verliefd

was. Daar was het spul aan den gang. Op zekeren dag werd onze mijnheer

zoo maar brutaal weg door dien Fransoos aangesproken en om de hand

der nicht gevraagd. Wat een narigheid--dat kun je begrijpen. Een

vreemde overgewaaide snoeshaan, die in de Vlakkesteeg op een kleine

kamer woonde en wel om zijn knapheid, gaandeweg eenige lessen kreeg,

maar een slechte betaler was, die kwam maar zóó om de hand van een

meisje, dat destijds haast als mijnheers en mevrouws dochter werd

aangemerkt. Dat het spaak liep kun je begrijpen. Huilen van juffrouw

Emilie geen gebrek, maar mijn goeje mevrouw had door haar godsdienstige

en verstandige gesprekken toch zooveel vermogen op de juffrouw dat zij

hare dwaze en dolzinnige plannen liet varen--dat meende mevrouw ten

minste. Mooie stukken! drie weken ging alles zijn gang. De Fransoos

had als muziekmeester natuurlijk zijn paspoort met een replement er

bij gekregen. Daar kwam mijnheer en mevrouw op een goejen morgen

in de ontbijtkamer, en daar lag een brief op tafel van de hand

van juffrouw Emilie. Wat mevrouw ontstelde, kan ik u niet zeggen,

want ze las niets meer of minder, dan dat de juffrouw niet langer

in een huis kon blijven waar zij met de grootste onbarmhartigheid

werd behandeld en waar men haar tijdelijk geluk dwarsboomde. Kort

en goed, zij had den heer Dulo--of zoo wat--niet kunnen en willen

vergeten en ongelukkig maken; zij hadden elkander eeuwiglijk trouw

gezworen en dien eed mocht ze niet breken. Als mevrouw den brief las,

zou ze reeds naar Frankrijk vertrokken zijn, met den man dien ze als

haar zelve liefhad. God zou het haar vergeven--schreef ze--dat zij om

het heil haars levens te verwerven een klein misdrijf had gepleegd,

en uit tantes schrijftafel eenige losse gelden en drie bankjes van

honderd gulden had meegenomen, benevens het juweelen garnituur,

dat zij van tante toch krijgen zou als ze meerderjarig zou worden,

besluitende met de toezegging, dat zij die schuld later wel af zou

doen, want dat ze met haar eenig dierbaren Alfonsus--geloof ik--de

wereld zou doorreizen om met hunne talenten veel geld te verdienen.

Hoe die eerste dagen zullen geweest zijn kunt gij begrijpen. Mijnheer

schreef naar Brussel en Frankrijk, want in 't land was van die twee

geen spoor te vinden; maar wat hij schreef of deed van de ongelukkige

juffrouw Emilie hoorden ze verder niets.

En ja, die daar tien jaren later--ik was bij mevrouw toen in 't

achtste jaar--'s avonds berooid met een kind kwam aanzetten was

diezelfde juffrouw Emilie. 't Was haar naar werken vergaan. Niet

naar Frankrijk maar naar Amerika had zij zich met haar Alfonsus

ingescheept,--daar had mijnheer geen idees op gehad. In 't eerst was

alles mooi geweest en ze hadden waarlijk, in Nieuw-jork en nog meer

zulke namen, gespeeld op conserten ook; toen was de juffrouw--zie,

zonder zelfs getrouwd te zijn--van een zoon bevallen en had later weer

van voren af aan, getrokken en geleefd, zonder zin of nagedachte,

altijd met de muziek voorop. Maar de juffrouw was er van al dat

trekken en die vermoeienissen niet mooier op geworden; kortom, die

lieve mijnheer Alfonsus had zijn bekomst van de mooie handjes, en

toen, toen was er voor de ongelukkige een leven begonnen, te akelig

om te zeggen. Als ik er van verhalen wou, zouden de dames er naar

van worden; aan de woorden: schelden, razen, slaan en gebrek, hebben

zij zeker genoeg. Nog drie jaren--vijf in 't geheel--hield ze het met

dien poespas uit, toen liep ze van hem weg, zwierf, tobde en wurmde met

haar kind nog vijf jaren in de vreemde wereld op de ellendigste wijze,

kwam om Godswil mee terug naar Holland, en na een geheelen dag in de

nabijheid van het huis te hebben gedwaald, waagde zij het eindelijk

's avonds aan te schellen.

Ziedaar de heele historie;--maar het einde....? Geen verwijt zelfs kwam

over de lieve lippen der brave mevrouw. Alleen zeide zij--toen ik er

bij was--deze woorden: "Kind, je hebt veel geleden, zie dáár ligt de

bijbel; en dáár," zij wees door het venster naar den hemel--"dáár woont

God!" Mevrouw deed wat zij dikwijls haren Zaligmaker na had gebeden:

zij vergaf gelijk zij wenschte vergiffenis te bekomen. Zij deelde

in de blijdschap des hemels, die verheugd is, over één zondaar die

zich bekeert. Zij vergaf niet alleen, maar zij deed wèl bovendien. In

overeenstemming met haar echtgenoot werd er voor de jonge, maar door

het leed vroeg verflenste vrouw, ten platten lande bij fatsoenlijke

lieden een paar kamers gehuurd; dáár leefde zij, door ervaring tot

God gebracht, met haren zoon in vrede en dankbaarheid; daar beweende

zij vurig de groote zonden der jeugd; en hare brieven getuigden van

de meeste dankbaarheid jegens hare weldadige bloedverwanten en van

de hope op vergeving bij God.

Als dáár geen leering in zit, mijnheer dan weet ik het niet. Van 't

begin tot het einde zie ik er leering in--zelfs betreffende mijn brave

mevrouw, die met dien Fransoos en de mooie woorden van Emilie te goed

van vertrouwen was geweest. Afein, dat alles wil ik niet uitpluizen,

de dames hebben verstand genoeg. Het zoontje is zoo wat drie jaren

vóór zijn diepbedroefde moeder gestorven--waaraan weet ik niet;

de juffrouw zelve een jaar vóór mevrouw, ik geloof aan een hartkwaal.

Grummels, wat een lange brief; ik eindig dus maar sito, we moeten

ook aan de erwten, en noem mij hoogachtend:

Uw Dw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER

geb. MISPEL.

Arnhem, 5 Januari 1857.

P. S. Ik heb de kleine meid die school gaat, nog eens de fouten laten

nazien en laat het maar verder aan u over; snejeer u niet om te laten

staan of te verbeteren wat u goedvindt. 't Komt maar op de zaak aan,

en al zie ik ook tot mijn spijt dat de laatste pagina's wel een beetje

slecht zijn geschreven, nichtje kon er uit wijs worden en hoop zulks

ook bij u het geval zal zijn.

Atjuus.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 57 / 82 题