III.

Mijnheer de Uitgever van het Dames-Weekblad.

Ik ben een boon als UE. al niet lang zult gedacht hebben: waar

zit Grietje Sluimer toch, ze schreef in haar laatsten brief dat ze

lozeeren ging te Doesborgh, maar van Juni tot haast November zal ze

daar niet geplakt hebben. Mis gedacht Mijnheer! en toch goed gedacht,

want wij zijn wel uit geweest al dien tijd, maar niet achtereenvolgend

in Doesborgh gebleven.

Nu voor acht dagen weer te huis gekomen, had ik heel wat te redderen,

want het huis van Sliedrecht is wel wat vochtig; de spinnen hadden

ook braaf geboezeerd, zooals Koendert dat noemt. Op een stapeltje

vond ik al de Nos. van de Dames-Courant bijeen, die ik gemist had,

en ik dank UE. daar wel vrindelijk voor. Om op mijn propo te komen,

wat ik ook zeggen wou.... á ja, met veel genoegen mijnheer, las ik

vooral mijn eigen brief weder; Koendert had er ook aardigheid van, en

kan zich met mij best begrijpen, dat er--zooals zij het noemen--zooveel

oteurs komen, omdat het zoo iets aardigs is, dat inktgeknoei in mooie

drukletters te zien overgebracht. Nou kunt u wel denken dat ik het

fameus druk had zooals ik reeds zeide, en niet dadelijk kon gaan zitten

om UE. te schrijven, maar de boel is nu zoo wat aan kant en alles op

zijn plaats, reden waarom ik zoo vrij ben, u eens weder te schrijven.

Waar een mensch toch toe komen kan! Lieve deugd, wat heb ik staan

kijken. Zie, ik dacht dadelijk, dat moet ik voor de krant eens

opstellen, zonder namen te noemen. Ja mijnheer, in mijn vuur zou ik

de kluts kwijtraken om geregeld te vertellen. Mijn voeten worden koud,

wacht ik zal eerst een kooltje nemen.

Ziezoo! u moet dan weten dat we van Doesborgh naar Zutphen zijn gegaan,

bij een Neef en Nicht van Koendert, die een kommenij hebben, zonder

kinderen; meer om wat om handen te hebben dan om den broode, want

Esboom heeft van UE weet wel, en Doortje-nicht--een beste vrouw--kan er

van haar zelves ook zijn. Wij waren er met veel plezier en zijn op een

dag heen en weer naar Hetloo geweest in een knap wagentje en naar de

Laatste Stuiver meer dan eens en ook naar het gesticht van Mettree. Zie

mijnheer, het is misschien kinderachtig maar ik kreeg de tranen in de

oogen toen ik al die spullen en die bloeien aanzag, die voor tijd en

eeuwigheid worden behouden; 'k ga graag naar een komedie en ook wel

graag naar een paardenspul, maar 'k verzie op dat Mettree nog liever

een rijksdaalder dan in die spullen drie kwartjes. Ja, mijnheer, het

is een mooi en heerlijk gesticht, zooals ik wenschen zou dat er een

paar dozijn in het land waren; maar ziet u, in Zutphen zelf is nog

een ander gesticht dat ook heel nuttig en, helaas! ook ekstra noodig

is, maar toch aan vreemdelingen, zooals Koendert en ikke, een naren

indruk geeft. Ik meen het onnoozelen- of krankzinnigenhuis. Esboom,

woonde er dicht in de buurt, en zoo zagen wij alle dagen een heelen

troep van die ongelukkige menschen voorbijkomen die, óf met geleiders

gingen wandelen, óf van minder allooi, naar het land gingen werken,

buiten de stad. Voor geen duizend gulden zou ik er alleen, zoo een

zijn tegen gekomen.

Op een Woensdag morgen--ik weet nog best, we zaten te ontbijten--was

er een akelige drukte op straat; een lijkstaatsie kwam roerende ons

huis voorbij met twee koetsen er achter.

Esboom, die van alles het fijne nog al weet, zei dat het zeker een

doode uit het gesticht was, want het kwam van dien kant en de dokter

zat in de tweede koets. Toen hij er goed over nadacht, herinnerde

hij zich van een oppasser--waar hij zeer mee bevriend is--voor eenige

dagen gehoord te hebben, dat een dame van grooten huize erg slecht lei;

die zou het zeker wezen, maar hij zou het nader nog wel eens vragen.

's Anderendaags kwam Polle--zoo heet Esbooms vriend--tusschen

schemerdonker eens even aanloopen. Het duurde niet lang of

Doortje-nicht had hem reeds naar de lijkstaatsie en naar den persoon

gevraagd die begraven was.

"Wel ongelukkig," antwoordde Polle: "'t was zoo'n knap slag van

een vrouw, de dochter van een schout-bij-nacht, uit 's-Gravenhage

geboortig, zij heette van E."

Ziet gij mijnheer, namen wil ik niet noemen, en daarom zet ik maar

blootweg een E. Toen ik dien naam hoorde, liet ik waarlijk van schrik

de breikous zakken en vroeg: "heette zij Mathilde of Dora?"

De heer Polle bedacht zich en verzekerde dat de eerste letters van

haar voornaam M. A. waren. Mathilde Aleksandrine riep ik, en had werk

om van mijne verbazing te bekomen. Zij gestorven, zoo ongelukkig

gestorven, dat beeldschoone meisje. O mijnheer, ik had haar gekend

zoogoed als mij zelve. Haar moeder, een juffrouw B. van haar eigen,

was een beste vriendin van mijn brave zalige mevrouw, ieder jaar kwam

zij met Mathilde en Dora een week of wat bij ons lozeeren. Poetjes

van kinderen! Mathilde, waarover ik schrijven wil. was als een

beeldje zoo mooi, en werd van jaar tot jaar al mooier, ze was zwart

van haar, bruin van oogen en blank daarbij als krijt. Wat ze hebben

wou kon ze krijgen, want mevrouw Van E. gaf haar alles toe, zoodat

mijn goeje mevrouw wel eens zei: "'t lieve kind wordt te ijdel,"

en mevrouw had gelijk. Toen ze achttien jaar oud was. wier ze al

ten huwelijk gevraagd, maar ze bedankte omdat haar zinnen voornamer

waren. Ik geloof niet dat mijn beste mevrouw in een heel jaar zoo

dikwijls in den spiegel zag als juffrouw Mathilde op éénen dag. Het

allerliefste zat ze dan ook vlak over den spiegel, maar overdag, voor

't raam, om zooals Koendert destijds zeide: naar de wandelstokken

te zien. Nooit heb ik met een lozee zooveel te stellen gehad. Als

de dames eens uitgingen dan had ik met juffrouw Mathilde alleen wel

een groot uur werk. "Trui wat dunk je," was het dan, "staat me dit

goed, of kijk, vin je dat beter, of dit?" of weer wat anders, o,

in 't bespottelijke! Somwijlen drie zijden japonnen op één dag; ja

't was akelig, en altijd draaien om in 't oog te vallen zelfs bij

ons achter, als er binnen te weinig op gelet wier. Het heugt mij nog

als de dag van gisteren, dat ze eens mee naar een bal was geweest en

thuis gekomen, onder het uitkleeden in tranen uitbarstte. Juffrouw

Dora vroeg naar de oorzaak, maar toen begon onze juffrouw Mathilde

in het Fransch, en ziet u, dat verstond ik niet, maar eindelijk kon

zij in 't Fransch van kwaadheid niet meer voort, en ik merkte, dat ze

te weinig naar haar zin gedanst had, en verweet zulks hare zuster,

dewijl zij haar voor dien avond een zijden kleed had aangeraden,

't welk haar zooals ze zeide, "zat als een gek, en niemendal kleurde".

Mijn brief zou veel te lang worden, wanneer ik alles van juffrouw

Mathilde zou verhalen; genoeg mijnheer, zij was zoo ijdel als

zij mooi was, en heeft het genoeg getoond met dien knappen G. die

candidaat-notaris was, en dien zij letterlijk met haar gekheid--de

Heere vergeve mij--in 't graf heeft geholpen.

Sedert een jaar of zes had ik volstrekt niets van de dames Van

E. gehoord en u kunt dus begrijpen, hoe ik ontstelde, toen de vriend

van Esboom dat treurige nieuws verhaalde.

"Ja," zeide de heer Polle, toen ik van mijn eerste verbazing

eenigszins bekomen was, "die ongelukkige dame was wel de voornaamste

en de knapste die wij hadden. Geen kosten zijn er door haar moeder

gespaard, doch alles vruchteloos. Zij meende de troonopvolgster van

de koningin--ik meen--van Engeland, Victoria te zijn en wachtte alle

dagen in de grootste onrust op een brief, die haar tot de regeering zou

roepen. Haar parelen en diamanten, die ze had meegebracht, verwerkte

zij zelve, op een balein, tot een soort van kroon, en indien de dokter

of haar verzorgster niet met eerbiedige buigingen tot haar kwamen,

dan ontvlamde zij in de schrikkelijkste woede.

Nog veel verhaalde ons de heer Polle en ik werd er naar van om 't

hart. Letterlijk moet de schoone juffrouw door haren hartstocht in

twee jaren tijds als verteerd zijn, en toen zij stierf, was zij bijna

onherkenbaar geworden.

Twee dagen later zijn wij met Esboom en Doortje-nicht den weg naar

Warnsveld op gewandeld, waarnaast het mooie kerkhof ligt; wij zijn er

op gegaan en ik vond er ook een gloednieuwe zerk met de namen Mathilde

Aleksandrina Van E. er op. Daar lag ze dan, en ik dacht aan de woorden

van mijn zalige mevrouw: "Het kind wordt te ijdel!" en ik dacht ook

aan mevrouw Van E., die te verblind was om die schrikkelijke ondeugd

in haar kind te bemerken, en ik nam mij voor om dit aan uw krant of

weekblad te schrijven. Ja mijnheer, als er zooveel door de meisjes in

den spiegel wordt gekeken dan deugt het al niet; dan zijn ze op weg

naar juffrouw Mathilde, naar--o! foei! ik kan er akelig van worden en

wilde nog zoo graag eens aan alle mevrouwen met kinderen toeroepen:

"Pas op, dat uwe meisjes niet te ijdel worden, één ligt er op het

kerkhof te Zutphen en 't was zoo'n mooie!"

't Wordt tijd dat ik eindig; als dit geschrift gedrukt onder de oogen

van spiegeljuffers komt, dan wensch ik haar dat ze bang worden, en aan

't versje zullen denken, dat mijn vader ons in de school liet opzeggen:

Wil 'k weten wie ik ben;

Zoo moet Gods woord de spiegel zijn

Waar ik mijn hart uit ken.

Nu vaarwel mijnheer, zet dit maar gerust in uw krant, en verblijve:

Uw Dienstw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER,

geb. Mispel.

Arnhem,

22 Oct. 1856.

[De Redactie plaatst den brief van Mej. Sluimer volgaarne, doch

verzoekt HEd. vriendelijk zoo HEd. later weer mocht schrijven, iets

meer op taal en spelling te letten, dewijl de correctie al te veel tijd

vordert. Enkele fouten liet zij onverbeterd. Het laatste gedeelte van

den brief was bijna onleesbaar. Intusschen blijft zij zich aanbevelen.]

De lelie van 's-Gravenhage · 第 56 / 82 题