Mijnheer de Uitgever van het Dames-Weekblad.
Ik ben een boon als UE. al niet lang zult gedacht hebben: waar
zit Grietje Sluimer toch, ze schreef in haar laatsten brief dat ze
lozeeren ging te Doesborgh, maar van Juni tot haast November zal ze
daar niet geplakt hebben. Mis gedacht Mijnheer! en toch goed gedacht,
want wij zijn wel uit geweest al dien tijd, maar niet achtereenvolgend
in Doesborgh gebleven.
Nu voor acht dagen weer te huis gekomen, had ik heel wat te redderen,
want het huis van Sliedrecht is wel wat vochtig; de spinnen hadden
ook braaf geboezeerd, zooals Koendert dat noemt. Op een stapeltje
vond ik al de Nos. van de Dames-Courant bijeen, die ik gemist had,
en ik dank UE. daar wel vrindelijk voor. Om op mijn propo te komen,
wat ik ook zeggen wou.... á ja, met veel genoegen mijnheer, las ik
vooral mijn eigen brief weder; Koendert had er ook aardigheid van, en
kan zich met mij best begrijpen, dat er--zooals zij het noemen--zooveel
oteurs komen, omdat het zoo iets aardigs is, dat inktgeknoei in mooie
drukletters te zien overgebracht. Nou kunt u wel denken dat ik het
fameus druk had zooals ik reeds zeide, en niet dadelijk kon gaan zitten
om UE. te schrijven, maar de boel is nu zoo wat aan kant en alles op
zijn plaats, reden waarom ik zoo vrij ben, u eens weder te schrijven.
Waar een mensch toch toe komen kan! Lieve deugd, wat heb ik staan
kijken. Zie, ik dacht dadelijk, dat moet ik voor de krant eens
opstellen, zonder namen te noemen. Ja mijnheer, in mijn vuur zou ik
de kluts kwijtraken om geregeld te vertellen. Mijn voeten worden koud,
wacht ik zal eerst een kooltje nemen.
Ziezoo! u moet dan weten dat we van Doesborgh naar Zutphen zijn gegaan,
bij een Neef en Nicht van Koendert, die een kommenij hebben, zonder
kinderen; meer om wat om handen te hebben dan om den broode, want
Esboom heeft van UE weet wel, en Doortje-nicht--een beste vrouw--kan er
van haar zelves ook zijn. Wij waren er met veel plezier en zijn op een
dag heen en weer naar Hetloo geweest in een knap wagentje en naar de
Laatste Stuiver meer dan eens en ook naar het gesticht van Mettree. Zie
mijnheer, het is misschien kinderachtig maar ik kreeg de tranen in de
oogen toen ik al die spullen en die bloeien aanzag, die voor tijd en
eeuwigheid worden behouden; 'k ga graag naar een komedie en ook wel
graag naar een paardenspul, maar 'k verzie op dat Mettree nog liever
een rijksdaalder dan in die spullen drie kwartjes. Ja, mijnheer, het
is een mooi en heerlijk gesticht, zooals ik wenschen zou dat er een
paar dozijn in het land waren; maar ziet u, in Zutphen zelf is nog
een ander gesticht dat ook heel nuttig en, helaas! ook ekstra noodig
is, maar toch aan vreemdelingen, zooals Koendert en ikke, een naren
indruk geeft. Ik meen het onnoozelen- of krankzinnigenhuis. Esboom,
woonde er dicht in de buurt, en zoo zagen wij alle dagen een heelen
troep van die ongelukkige menschen voorbijkomen die, óf met geleiders
gingen wandelen, óf van minder allooi, naar het land gingen werken,
buiten de stad. Voor geen duizend gulden zou ik er alleen, zoo een
zijn tegen gekomen.
Op een Woensdag morgen--ik weet nog best, we zaten te ontbijten--was
er een akelige drukte op straat; een lijkstaatsie kwam roerende ons
huis voorbij met twee koetsen er achter.
Esboom, die van alles het fijne nog al weet, zei dat het zeker een
doode uit het gesticht was, want het kwam van dien kant en de dokter
zat in de tweede koets. Toen hij er goed over nadacht, herinnerde
hij zich van een oppasser--waar hij zeer mee bevriend is--voor eenige
dagen gehoord te hebben, dat een dame van grooten huize erg slecht lei;
die zou het zeker wezen, maar hij zou het nader nog wel eens vragen.
's Anderendaags kwam Polle--zoo heet Esbooms vriend--tusschen
schemerdonker eens even aanloopen. Het duurde niet lang of
Doortje-nicht had hem reeds naar de lijkstaatsie en naar den persoon
gevraagd die begraven was.
"Wel ongelukkig," antwoordde Polle: "'t was zoo'n knap slag van
een vrouw, de dochter van een schout-bij-nacht, uit 's-Gravenhage
geboortig, zij heette van E."
Ziet gij mijnheer, namen wil ik niet noemen, en daarom zet ik maar
blootweg een E. Toen ik dien naam hoorde, liet ik waarlijk van schrik
de breikous zakken en vroeg: "heette zij Mathilde of Dora?"
De heer Polle bedacht zich en verzekerde dat de eerste letters van
haar voornaam M. A. waren. Mathilde Aleksandrine riep ik, en had werk
om van mijne verbazing te bekomen. Zij gestorven, zoo ongelukkig
gestorven, dat beeldschoone meisje. O mijnheer, ik had haar gekend
zoogoed als mij zelve. Haar moeder, een juffrouw B. van haar eigen,
was een beste vriendin van mijn brave zalige mevrouw, ieder jaar kwam
zij met Mathilde en Dora een week of wat bij ons lozeeren. Poetjes
van kinderen! Mathilde, waarover ik schrijven wil. was als een
beeldje zoo mooi, en werd van jaar tot jaar al mooier, ze was zwart
van haar, bruin van oogen en blank daarbij als krijt. Wat ze hebben
wou kon ze krijgen, want mevrouw Van E. gaf haar alles toe, zoodat
mijn goeje mevrouw wel eens zei: "'t lieve kind wordt te ijdel,"
en mevrouw had gelijk. Toen ze achttien jaar oud was. wier ze al
ten huwelijk gevraagd, maar ze bedankte omdat haar zinnen voornamer
waren. Ik geloof niet dat mijn beste mevrouw in een heel jaar zoo
dikwijls in den spiegel zag als juffrouw Mathilde op éénen dag. Het
allerliefste zat ze dan ook vlak over den spiegel, maar overdag, voor
't raam, om zooals Koendert destijds zeide: naar de wandelstokken
te zien. Nooit heb ik met een lozee zooveel te stellen gehad. Als
de dames eens uitgingen dan had ik met juffrouw Mathilde alleen wel
een groot uur werk. "Trui wat dunk je," was het dan, "staat me dit
goed, of kijk, vin je dat beter, of dit?" of weer wat anders, o,
in 't bespottelijke! Somwijlen drie zijden japonnen op één dag; ja
't was akelig, en altijd draaien om in 't oog te vallen zelfs bij
ons achter, als er binnen te weinig op gelet wier. Het heugt mij nog
als de dag van gisteren, dat ze eens mee naar een bal was geweest en
thuis gekomen, onder het uitkleeden in tranen uitbarstte. Juffrouw
Dora vroeg naar de oorzaak, maar toen begon onze juffrouw Mathilde
in het Fransch, en ziet u, dat verstond ik niet, maar eindelijk kon
zij in 't Fransch van kwaadheid niet meer voort, en ik merkte, dat ze
te weinig naar haar zin gedanst had, en verweet zulks hare zuster,
dewijl zij haar voor dien avond een zijden kleed had aangeraden,
't welk haar zooals ze zeide, "zat als een gek, en niemendal kleurde".
Mijn brief zou veel te lang worden, wanneer ik alles van juffrouw
Mathilde zou verhalen; genoeg mijnheer, zij was zoo ijdel als
zij mooi was, en heeft het genoeg getoond met dien knappen G. die
candidaat-notaris was, en dien zij letterlijk met haar gekheid--de
Heere vergeve mij--in 't graf heeft geholpen.
Sedert een jaar of zes had ik volstrekt niets van de dames Van
E. gehoord en u kunt dus begrijpen, hoe ik ontstelde, toen de vriend
van Esboom dat treurige nieuws verhaalde.
"Ja," zeide de heer Polle, toen ik van mijn eerste verbazing
eenigszins bekomen was, "die ongelukkige dame was wel de voornaamste
en de knapste die wij hadden. Geen kosten zijn er door haar moeder
gespaard, doch alles vruchteloos. Zij meende de troonopvolgster van
de koningin--ik meen--van Engeland, Victoria te zijn en wachtte alle
dagen in de grootste onrust op een brief, die haar tot de regeering zou
roepen. Haar parelen en diamanten, die ze had meegebracht, verwerkte
zij zelve, op een balein, tot een soort van kroon, en indien de dokter
of haar verzorgster niet met eerbiedige buigingen tot haar kwamen,
dan ontvlamde zij in de schrikkelijkste woede.
Nog veel verhaalde ons de heer Polle en ik werd er naar van om 't
hart. Letterlijk moet de schoone juffrouw door haren hartstocht in
twee jaren tijds als verteerd zijn, en toen zij stierf, was zij bijna
onherkenbaar geworden.
Twee dagen later zijn wij met Esboom en Doortje-nicht den weg naar
Warnsveld op gewandeld, waarnaast het mooie kerkhof ligt; wij zijn er
op gegaan en ik vond er ook een gloednieuwe zerk met de namen Mathilde
Aleksandrina Van E. er op. Daar lag ze dan, en ik dacht aan de woorden
van mijn zalige mevrouw: "Het kind wordt te ijdel!" en ik dacht ook
aan mevrouw Van E., die te verblind was om die schrikkelijke ondeugd
in haar kind te bemerken, en ik nam mij voor om dit aan uw krant of
weekblad te schrijven. Ja mijnheer, als er zooveel door de meisjes in
den spiegel wordt gekeken dan deugt het al niet; dan zijn ze op weg
naar juffrouw Mathilde, naar--o! foei! ik kan er akelig van worden en
wilde nog zoo graag eens aan alle mevrouwen met kinderen toeroepen:
"Pas op, dat uwe meisjes niet te ijdel worden, één ligt er op het
kerkhof te Zutphen en 't was zoo'n mooie!"
't Wordt tijd dat ik eindig; als dit geschrift gedrukt onder de oogen
van spiegeljuffers komt, dan wensch ik haar dat ze bang worden, en aan
't versje zullen denken, dat mijn vader ons in de school liet opzeggen:
Wil 'k weten wie ik ben;
Zoo moet Gods woord de spiegel zijn
Waar ik mijn hart uit ken.
Nu vaarwel mijnheer, zet dit maar gerust in uw krant, en verblijve:
Uw Dienstw. Dienaresse,
GRIETJE SLUIMER,
geb. Mispel.
Arnhem,
22 Oct. 1856.
[De Redactie plaatst den brief van Mej. Sluimer volgaarne, doch
verzoekt HEd. vriendelijk zoo HEd. later weer mocht schrijven, iets
meer op taal en spelling te letten, dewijl de correctie al te veel tijd
vordert. Enkele fouten liet zij onverbeterd. Het laatste gedeelte van
den brief was bijna onleesbaar. Intusschen blijft zij zich aanbevelen.]