Mijn Heer de Redactie!
't Is al meer als 'n maand geleden dat ik 'n kleur kreeg als 't lint
op de muts van.... ja van een zekere juffrouw, die boos op mij is,
omdat haar naam, de naam van een sergeantmajoors-weduwe zegt ze, in
de krant heeft gestaan. Nu 't is hetzelfde, maar Koendert vroeg me,
wát of me scheelde.
U moet dan weten dat ik over de post in een geel omslag het 6e nommer
van de krant voor beschaafde lezeressen kreeg met.... warempel met
den heelen brief er in, precies zooals ik die geschreven had. Ik kan u
niet zeggen hoe ik er van ontsteld was, al die letters, al die woorden,
die ik zelve geschreven had, zoo mooi gedrukt te zien en mijn naam en
alles er onder! Neen waarlijk mijnheer,'t was alteé, en toen ik alles
en ook uw antwoord gelezen had, was ik er beduusd van en wist niet
of ik boos op u moest zijn om zoo misbruik van mijn brief te maken,
of wel vereerd, omdat u er zóó gebruik van hadt gemaakt. Koendert vond
het ijselijk gek dat mijn hebben en houen zoo publiek was, maar nam
toch, evenals ik wel twaalfmaal in één uur het blad op om dien "Brief"
in te zien en ongejokt dat hij hem twintigmaal gelezen heeft. Weet
je mijnheer hoe het toen gegaan is? Den eersten dag was 'k boos en
vereerd, 's nachts droomde ik er van en ook dat ik in ééns in juffrouw
of mevrouw Toussein werd veranderd, die ook zoo mooi schrijven kan,
u weet wel. Den anderen dag was ik uit het veld geslagen, omdat ik
ruzie met juffrouw T--p (ik zal haar naam niet meer noemen) kreeg,
die me verweet dat ik haar aan de klok had gehangen--nota béne.--Nu,
ze liep kwaad de deur uit en zei dat ik "een schandaal" was,--omdat
ik de waarheid had gezegd. Dien nacht, mijnheer, sliep ik al zeer
onrustig en droomde dat ik onder een stapel dames-couranten bedolven
lag, waarop duiveltjes met roodbelinte mutsen stonden te dansen,
's Morgens kon ik uw krant niet meer zien, ik was er wee van, maar
ziet u, van lieverlede kwam de aardigheid er voor toch weer boven,
en op 'n goejen achtermiddag toen wij--Koendert en ik--aan de thee
zaten, zei ik: "Koendert wat dunkt je?"
"Wat meen je?" zei Koendert.
"Wel van de krant," zei ik weder. "Zou ik het doen?"'
"Nog eens schrijven?" vroeg mijn man, en daar hij glimlachend zijn
kopje vatte, begreep ik het al dat hij er trotsch op was en zei ik:
"Waarom zou ik het laten nietwaar?"
Zie je mijnheer, ofschoon ik dien eersten brief niet had geschreven om
zoo heel te laten drukken, maar alleen om u van die krant te vragen,
en ook slechts van meening was om u 't een en ander van eenige dames
te melden, opdat gij 't zelf eens zoudt kunnen beschrijven, zoo ben
ik nu tot het besluit gekomen om mij maar net als die mevr. Dolly
en juffer Koosje en juffr. Elise, voor uw krant aan 't schrijven
te zetten, als gij de fouten maar wat veranderen wilt want zie je,
ik ben van 't jaar 97.
Als ik u dan wat zal schrijven over dames, dan komt mij 't eerst die
brave mevrouw voor den geest, die ik dertig jaren answiet, zooals ik
reeds vroeger zeide, eerlijk gediend heb.
Zie je, ze was deftig van postuur; toen ik er 't eerst kwam was ze vier
en dertig en zag er--zooals Koendert zegt--kostuljeus uit. Altijd
netjes maar eenvoudig, in de kleederen eenvoudig, want prachtig
gekleed te gaan dat deden, zooals ze zeide, de dames van 't minste
állooi. Nou, 't schemerde mijn goeje mevrouw in 't geheel niet. Ze
was wonderlijk vlug van verstand en sprak precies zoogoed Fransch
en Duitsch en Engelsch wanneer het te pas kwam als haar moedertaal;
als het te pas kwam, want die 't Hollandsch verstonden daar sprak
ze geen Fransch of wat anders tegen. 't Was goed voor de kinderen
om zoo'n taal te leeren, maar van groote menschen vond zij 't even
verkeerd, ja slecht, als wanneer een kind zijn moeder verloochent,
die hem heeft grootgebracht. Mevrouw las machtig veel boeken, maar
altijd op gezette uren, want op haar tijd ging ze ook met de juffrouw
van gezelschap 't huishouden na, en later 'n wandeling doen of rijden,
al naar het uitkwam. 's Morgens als 't ontbijt was afgeloopen, dan
moesten wij booien altijd binnenkomen en dan las zij ons uit een
godsdienstig boek, ja soms ook wel eens de Bergrede of een gelijkenis
van den Heere Jezus voor, och, en dat deed zij zoo mooi, dat het
was alsof je er bij waart. Als mijnheer--die veel in Den Haag op de
kamers van de regeering moest zijn--te huis was, dan deed die het,
maar och hechie! daar hadt je niet de helft aan; mevrouw zei altijd
dat men in een goed huishouden geregeld des morgens, "iets goeds"
moest lezen en dat het onvergeeflijk was indien heeren en vrouwen
aan hunne booien, daar ze over gesteld waren, die lezing onthielden;
en ze had wel gelijk, daarom, als Koendert en ikke 's Woensdags en
's Zaterdags de werkvrouw hebben dan roepen wij ze ook altijd om
't lezen te hooren, maar och Heere! wij kunnen 't bij lange na niet
zóó als onze goeje mevrouw.
Nu zult u misschien wel denken dat mevrouw, omdat ze zoo niets voor
opschik en fratsen was en zooveel van degelijke boeken hield, geen
liefhebberij in handwerken had. Verexcuseer me wel, als je 't gezien
hadt, dan zou je de handen er van in mekaar hebben geslagen. Ze deed
niet zooals zoo vele juffertjes tegenwoordig, die 'n geruit papier
koopen met prenten er op en dan mannetje aan mannetje natellen en
nazoeken, nu 'n draadje van dit, en dan weer van dat, neen, 't was
heel wat anders. Uit de hand, mijnheer, werkte mevrouw op satijn, heele
landschappen en figuren en binnenkamers met gekleurde zijde, zoo maar
gladweg naar zwarte platen of levende bloemen, 't was meesterachtig
en HEd. heeft mij toch dikwijls gezegd als ik er over uit was, dat
zij alleen in haar jeugd een weinigje teekenen had geleerd en dit was
begonnen eerst gebrekkig, maar allengs beter. Een slaafsch navolgen
van gekleurde ruitjes was in hare oogen een onverdraaglijk werk, even
onbeduidend als het natekenen van platen, die er bij honderden zijn,
en waarvan--zooals ik mevrouw hoorde zeggen--de eenige verdienste is,
dat men er vijf of zes of acht weken op peutert om bijna aan het
voorbeeld gelijk te worden, 't welk men niet zelden voor weinige
stuivers koopen kan.
Zie mijnheer de redactie, als dit nu de jonge dames lezen, dan zullen
ze zeggen, die Grietje de linnenmeid spreekt van dingen daar ze geen
verstand van heeft--pantoffels, voetenzakken, canapé-kussens, wat
al niet meer zouden we die nu met zijde op satijn gaan werken? Zie
je mijnheer, ik weet van al die dingen best, maar 't was mijn
bedoeling niet om die dames--als ze plezier er in hebben--haar werk te
beschimpen, maar slechts om haar te zeggen wat mevrouw mij meermalen
zeide: Een handwerk krijgt eerst waarde, wanneer daar eenig vernuft
uit blijkt. Als er nu jonge dames zijn, die weten willen hoe mijn
goede mevrouw dat werk op satijn aanvatte, dan moeten ze 't maar
eens in de krant vragen, dan zal ik het eens duidelijker zeggen,
zooveel als ik er mij van herinneren kan.
Als ik zoo van mevrouw aan 't praten raak, dan zou ik haast van
geen uitscheiden weten. Als ik denk hoe goed ze voor de armen was
en toch nooit een cent aan de deur gaf. Een staaltje van de wijze,
waarop mevrouw weldeed moet ik toch geven.
In de stad bij ons was een man komen te vallen, die eene vrouw met acht
bloeien van kinders naliet. Koendert vertelde het in de keuken, en ook
er bij dat die vrouw 'n slechte peuzel was--zooals men zeide--smerig
en lui en heel gemeen ook. 's Anderen daags, toen ik aan 't vouwen
van damasten tafellakens was en mevrouw kwam kijken, sprak ik er van,
precies zooals Koendert het gezegd had. Een paar dagen later kwam
de werkmeid, juist toen mevrouw mij haar kraagjes te strijken gaf,
en bracht haar een briefje waarop antwoord moest wezen. Dat briefje,
't welk mevrouw mij naderhand lezen en behouden liet, en dat ik uit
een aardigheid tot heden bewaarde, was precies als hier volgt:
hoogWelEdele Mijnvrouw als UwelEdele MijnVrouw het Niet
kwaalik neem heef ik zooVeel as Mijn man Verloore en Zit met
ag Schaap Van Kinders alleenig oVer, God zel Mij niet verlaate
WelEdele MijnVrouw als U mij Niet kwaalik neem ik van Uwes
een klijnigheidje voor mijn armen schapen vraag De God en
de hemelSche Vader zal U eewiglijk loone Voor wat UwelEdele
Mijnvrouw aan Mijn gedaan heef, zal ik Verblijven In de hoop
U dit niet kwaalik neem Uwe Bedroefde Dienaar--Esze De weduwe
Roos. woon kortestraat 75.
Ziet u, mijnheer! ik heb dien brief maar precies zoo afgeschreven
uit een aardigheid, maar toen onze mevrouw hem gelezen had gaf ze
een dubbeltje aan de werkmeid, die een gezicht zette alsof ze zeggen
wilde: Hoe kaal voor zoo'n rijk mensch. De weduwvrouw aan de deur
had ook braaf geprutteld, maar 't bleef er bij. 's Avonds, toen
de gezelschapsjuffrouw vrij-af bij de familie had, schelde mevrouw
driemalen--dat was voor mij--ik kwam, en kort en goed mijnheer, wilde
mevrouw dat ik HEd., 't zij met eerbied gezegd, een kornet zou geven
en een jak en rok, en grummels, mijnheer! toen verkleedde mevrouw
zich precies alsof ze een booi was, maar een mooie booi was ze, dat
verzeker ik u. Om niet te lang te worden zal ik u 't beloop maar kort
verhalen. We gingen samen, mevrouw en ikke, naar de Kortestraat en
kwamen na eenig zoeken op de kamer waar de weduwvrouw van den opperman
woonde. Weet je mijnheer, toen moest ik het woord doen zooals mevrouw
't mij gezegd had. 't Was er zoo netjes dat het een lust was om aan te
zien, al de kinders behalve de twee oudste meisjes lagen in een bedstee
te slapen. De weduwvrouw huilde ijselijk en zei dat ze niet wist hoe ze
't aan moest, ze had aan drie van de voornaamsten briefjes geschreven,
maar twaalf stuivers was alles wat ze gekregen had, bedelen dat wilde
ze niet en van de diakenie daar had ze ook wel uitzicht maar nog geen
dadelijkheid van. Toen mevrouw nu alles gehoord, en gezegd had dat ze
iemand heel goed kende die veel naaiwerk had en als het handig gedaan
wier er goed voor betalen wou, zei de weduwe dat ze er maar al te
dankbaar voor wezen zou, en dat Mieneke en Kaatje ook zouden werken
zoo hard als ze konden. Zie je mijnheer, 't kwam heel anders uit dan
de menschen gepraat hadden en mevrouw was er toch zóó mee begaan dat
ze verder aan vrouw Roos deed wat ze maar kon en nog wel vijfmaal is
ze verkleed naar die arme vrouw geweest, die in plaats van smerig en
lui en heel gemeen, netjes en werkzaam en zeer fatsoenlijk was. Zie je,
dat was nu een voorbeeld dat men de armen niet alleen geven, maar ook
bezoeken moet, en als het nu gebleken was dat vrouw Roos niet deugde,
wat dan? zul je zeggen. Weet je wat onze mevrouw antwoordde toen ik
haar hetzelfde vroeg. Ik zou getracht hebben haar hare verkeerdheden
te doen verbeteren, zeide zij, en in ieder geval voor de arme kinders
wat gedaan hebben. Zie, dat moeten de beschaafde lezeressen ook zoo
doen. Er zijn er wel, maar niet als te veel.
Nu mijnheer de Redactie, eindig ik deze, Koendert en ikke we gaan
naar mijn zuster en zwager Janssen in Doesborgh lozeeren, dus,
of ik gauw weer zal kunnen schrijven weet ik niet, maar als ik nu
den volgenden keer eens over een andere dame spreek, dan zal ik van
onze goede mevrouw, ook nog wel een woordje zeggen zoo af en toe,
want over HEd. ben ik nooit uitgepraat.
Nu mijnheer, zet deze nu maar in de krant, ik ben al weer nieuwsgierig
om het te zien, en ook met de groeten van Koendert noem ik mij met
de meeste hoogachting, mijnheer de Redactie
Uw Dw. Dienaresse,
GRIETJE SLUIMER.
geb. MISPEL.
Arnhem,
18 Junij 1856.
P. S. Ik bedank u wel voor uw present-exemplaar.
Atjuus.