II.

Mijn Heer de Redactie!

't Is al meer als 'n maand geleden dat ik 'n kleur kreeg als 't lint

op de muts van.... ja van een zekere juffrouw, die boos op mij is,

omdat haar naam, de naam van een sergeantmajoors-weduwe zegt ze, in

de krant heeft gestaan. Nu 't is hetzelfde, maar Koendert vroeg me,

wát of me scheelde.

U moet dan weten dat ik over de post in een geel omslag het 6e nommer

van de krant voor beschaafde lezeressen kreeg met.... warempel met

den heelen brief er in, precies zooals ik die geschreven had. Ik kan u

niet zeggen hoe ik er van ontsteld was, al die letters, al die woorden,

die ik zelve geschreven had, zoo mooi gedrukt te zien en mijn naam en

alles er onder! Neen waarlijk mijnheer,'t was alteé, en toen ik alles

en ook uw antwoord gelezen had, was ik er beduusd van en wist niet

of ik boos op u moest zijn om zoo misbruik van mijn brief te maken,

of wel vereerd, omdat u er zóó gebruik van hadt gemaakt. Koendert vond

het ijselijk gek dat mijn hebben en houen zoo publiek was, maar nam

toch, evenals ik wel twaalfmaal in één uur het blad op om dien "Brief"

in te zien en ongejokt dat hij hem twintigmaal gelezen heeft. Weet

je mijnheer hoe het toen gegaan is? Den eersten dag was 'k boos en

vereerd, 's nachts droomde ik er van en ook dat ik in ééns in juffrouw

of mevrouw Toussein werd veranderd, die ook zoo mooi schrijven kan,

u weet wel. Den anderen dag was ik uit het veld geslagen, omdat ik

ruzie met juffrouw T--p (ik zal haar naam niet meer noemen) kreeg,

die me verweet dat ik haar aan de klok had gehangen--nota béne.--Nu,

ze liep kwaad de deur uit en zei dat ik "een schandaal" was,--omdat

ik de waarheid had gezegd. Dien nacht, mijnheer, sliep ik al zeer

onrustig en droomde dat ik onder een stapel dames-couranten bedolven

lag, waarop duiveltjes met roodbelinte mutsen stonden te dansen,

's Morgens kon ik uw krant niet meer zien, ik was er wee van, maar

ziet u, van lieverlede kwam de aardigheid er voor toch weer boven,

en op 'n goejen achtermiddag toen wij--Koendert en ik--aan de thee

zaten, zei ik: "Koendert wat dunkt je?"

"Wat meen je?" zei Koendert.

"Wel van de krant," zei ik weder. "Zou ik het doen?"'

"Nog eens schrijven?" vroeg mijn man, en daar hij glimlachend zijn

kopje vatte, begreep ik het al dat hij er trotsch op was en zei ik:

"Waarom zou ik het laten nietwaar?"

Zie je mijnheer, ofschoon ik dien eersten brief niet had geschreven om

zoo heel te laten drukken, maar alleen om u van die krant te vragen,

en ook slechts van meening was om u 't een en ander van eenige dames

te melden, opdat gij 't zelf eens zoudt kunnen beschrijven, zoo ben

ik nu tot het besluit gekomen om mij maar net als die mevr. Dolly

en juffer Koosje en juffr. Elise, voor uw krant aan 't schrijven

te zetten, als gij de fouten maar wat veranderen wilt want zie je,

ik ben van 't jaar 97.

Als ik u dan wat zal schrijven over dames, dan komt mij 't eerst die

brave mevrouw voor den geest, die ik dertig jaren answiet, zooals ik

reeds vroeger zeide, eerlijk gediend heb.

Zie je, ze was deftig van postuur; toen ik er 't eerst kwam was ze vier

en dertig en zag er--zooals Koendert zegt--kostuljeus uit. Altijd

netjes maar eenvoudig, in de kleederen eenvoudig, want prachtig

gekleed te gaan dat deden, zooals ze zeide, de dames van 't minste

állooi. Nou, 't schemerde mijn goeje mevrouw in 't geheel niet. Ze

was wonderlijk vlug van verstand en sprak precies zoogoed Fransch

en Duitsch en Engelsch wanneer het te pas kwam als haar moedertaal;

als het te pas kwam, want die 't Hollandsch verstonden daar sprak

ze geen Fransch of wat anders tegen. 't Was goed voor de kinderen

om zoo'n taal te leeren, maar van groote menschen vond zij 't even

verkeerd, ja slecht, als wanneer een kind zijn moeder verloochent,

die hem heeft grootgebracht. Mevrouw las machtig veel boeken, maar

altijd op gezette uren, want op haar tijd ging ze ook met de juffrouw

van gezelschap 't huishouden na, en later 'n wandeling doen of rijden,

al naar het uitkwam. 's Morgens als 't ontbijt was afgeloopen, dan

moesten wij booien altijd binnenkomen en dan las zij ons uit een

godsdienstig boek, ja soms ook wel eens de Bergrede of een gelijkenis

van den Heere Jezus voor, och, en dat deed zij zoo mooi, dat het

was alsof je er bij waart. Als mijnheer--die veel in Den Haag op de

kamers van de regeering moest zijn--te huis was, dan deed die het,

maar och hechie! daar hadt je niet de helft aan; mevrouw zei altijd

dat men in een goed huishouden geregeld des morgens, "iets goeds"

moest lezen en dat het onvergeeflijk was indien heeren en vrouwen

aan hunne booien, daar ze over gesteld waren, die lezing onthielden;

en ze had wel gelijk, daarom, als Koendert en ikke 's Woensdags en

's Zaterdags de werkvrouw hebben dan roepen wij ze ook altijd om

't lezen te hooren, maar och Heere! wij kunnen 't bij lange na niet

zóó als onze goeje mevrouw.

Nu zult u misschien wel denken dat mevrouw, omdat ze zoo niets voor

opschik en fratsen was en zooveel van degelijke boeken hield, geen

liefhebberij in handwerken had. Verexcuseer me wel, als je 't gezien

hadt, dan zou je de handen er van in mekaar hebben geslagen. Ze deed

niet zooals zoo vele juffertjes tegenwoordig, die 'n geruit papier

koopen met prenten er op en dan mannetje aan mannetje natellen en

nazoeken, nu 'n draadje van dit, en dan weer van dat, neen, 't was

heel wat anders. Uit de hand, mijnheer, werkte mevrouw op satijn, heele

landschappen en figuren en binnenkamers met gekleurde zijde, zoo maar

gladweg naar zwarte platen of levende bloemen, 't was meesterachtig

en HEd. heeft mij toch dikwijls gezegd als ik er over uit was, dat

zij alleen in haar jeugd een weinigje teekenen had geleerd en dit was

begonnen eerst gebrekkig, maar allengs beter. Een slaafsch navolgen

van gekleurde ruitjes was in hare oogen een onverdraaglijk werk, even

onbeduidend als het natekenen van platen, die er bij honderden zijn,

en waarvan--zooals ik mevrouw hoorde zeggen--de eenige verdienste is,

dat men er vijf of zes of acht weken op peutert om bijna aan het

voorbeeld gelijk te worden, 't welk men niet zelden voor weinige

stuivers koopen kan.

Zie mijnheer de redactie, als dit nu de jonge dames lezen, dan zullen

ze zeggen, die Grietje de linnenmeid spreekt van dingen daar ze geen

verstand van heeft--pantoffels, voetenzakken, canapé-kussens, wat

al niet meer zouden we die nu met zijde op satijn gaan werken? Zie

je mijnheer, ik weet van al die dingen best, maar 't was mijn

bedoeling niet om die dames--als ze plezier er in hebben--haar werk te

beschimpen, maar slechts om haar te zeggen wat mevrouw mij meermalen

zeide: Een handwerk krijgt eerst waarde, wanneer daar eenig vernuft

uit blijkt. Als er nu jonge dames zijn, die weten willen hoe mijn

goede mevrouw dat werk op satijn aanvatte, dan moeten ze 't maar

eens in de krant vragen, dan zal ik het eens duidelijker zeggen,

zooveel als ik er mij van herinneren kan.

Als ik zoo van mevrouw aan 't praten raak, dan zou ik haast van

geen uitscheiden weten. Als ik denk hoe goed ze voor de armen was

en toch nooit een cent aan de deur gaf. Een staaltje van de wijze,

waarop mevrouw weldeed moet ik toch geven.

In de stad bij ons was een man komen te vallen, die eene vrouw met acht

bloeien van kinders naliet. Koendert vertelde het in de keuken, en ook

er bij dat die vrouw 'n slechte peuzel was--zooals men zeide--smerig

en lui en heel gemeen ook. 's Anderen daags, toen ik aan 't vouwen

van damasten tafellakens was en mevrouw kwam kijken, sprak ik er van,

precies zooals Koendert het gezegd had. Een paar dagen later kwam

de werkmeid, juist toen mevrouw mij haar kraagjes te strijken gaf,

en bracht haar een briefje waarop antwoord moest wezen. Dat briefje,

't welk mevrouw mij naderhand lezen en behouden liet, en dat ik uit

een aardigheid tot heden bewaarde, was precies als hier volgt:

hoogWelEdele Mijnvrouw als UwelEdele MijnVrouw het Niet

kwaalik neem heef ik zooVeel as Mijn man Verloore en Zit met

ag Schaap Van Kinders alleenig oVer, God zel Mij niet verlaate

WelEdele MijnVrouw als U mij Niet kwaalik neem ik van Uwes

een klijnigheidje voor mijn armen schapen vraag De God en

de hemelSche Vader zal U eewiglijk loone Voor wat UwelEdele

Mijnvrouw aan Mijn gedaan heef, zal ik Verblijven In de hoop

U dit niet kwaalik neem Uwe Bedroefde Dienaar--Esze De weduwe

Roos. woon kortestraat 75.

Ziet u, mijnheer! ik heb dien brief maar precies zoo afgeschreven

uit een aardigheid, maar toen onze mevrouw hem gelezen had gaf ze

een dubbeltje aan de werkmeid, die een gezicht zette alsof ze zeggen

wilde: Hoe kaal voor zoo'n rijk mensch. De weduwvrouw aan de deur

had ook braaf geprutteld, maar 't bleef er bij. 's Avonds, toen

de gezelschapsjuffrouw vrij-af bij de familie had, schelde mevrouw

driemalen--dat was voor mij--ik kwam, en kort en goed mijnheer, wilde

mevrouw dat ik HEd., 't zij met eerbied gezegd, een kornet zou geven

en een jak en rok, en grummels, mijnheer! toen verkleedde mevrouw

zich precies alsof ze een booi was, maar een mooie booi was ze, dat

verzeker ik u. Om niet te lang te worden zal ik u 't beloop maar kort

verhalen. We gingen samen, mevrouw en ikke, naar de Kortestraat en

kwamen na eenig zoeken op de kamer waar de weduwvrouw van den opperman

woonde. Weet je mijnheer, toen moest ik het woord doen zooals mevrouw

't mij gezegd had. 't Was er zoo netjes dat het een lust was om aan te

zien, al de kinders behalve de twee oudste meisjes lagen in een bedstee

te slapen. De weduwvrouw huilde ijselijk en zei dat ze niet wist hoe ze

't aan moest, ze had aan drie van de voornaamsten briefjes geschreven,

maar twaalf stuivers was alles wat ze gekregen had, bedelen dat wilde

ze niet en van de diakenie daar had ze ook wel uitzicht maar nog geen

dadelijkheid van. Toen mevrouw nu alles gehoord, en gezegd had dat ze

iemand heel goed kende die veel naaiwerk had en als het handig gedaan

wier er goed voor betalen wou, zei de weduwe dat ze er maar al te

dankbaar voor wezen zou, en dat Mieneke en Kaatje ook zouden werken

zoo hard als ze konden. Zie je mijnheer, 't kwam heel anders uit dan

de menschen gepraat hadden en mevrouw was er toch zóó mee begaan dat

ze verder aan vrouw Roos deed wat ze maar kon en nog wel vijfmaal is

ze verkleed naar die arme vrouw geweest, die in plaats van smerig en

lui en heel gemeen, netjes en werkzaam en zeer fatsoenlijk was. Zie je,

dat was nu een voorbeeld dat men de armen niet alleen geven, maar ook

bezoeken moet, en als het nu gebleken was dat vrouw Roos niet deugde,

wat dan? zul je zeggen. Weet je wat onze mevrouw antwoordde toen ik

haar hetzelfde vroeg. Ik zou getracht hebben haar hare verkeerdheden

te doen verbeteren, zeide zij, en in ieder geval voor de arme kinders

wat gedaan hebben. Zie, dat moeten de beschaafde lezeressen ook zoo

doen. Er zijn er wel, maar niet als te veel.

Nu mijnheer de Redactie, eindig ik deze, Koendert en ikke we gaan

naar mijn zuster en zwager Janssen in Doesborgh lozeeren, dus,

of ik gauw weer zal kunnen schrijven weet ik niet, maar als ik nu

den volgenden keer eens over een andere dame spreek, dan zal ik van

onze goede mevrouw, ook nog wel een woordje zeggen zoo af en toe,

want over HEd. ben ik nooit uitgepraat.

Nu mijnheer, zet deze nu maar in de krant, ik ben al weer nieuwsgierig

om het te zien, en ook met de groeten van Koendert noem ik mij met

de meeste hoogachting, mijnheer de Redactie

Uw Dw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER.

geb. MISPEL.

Arnhem,

18 Junij 1856.

P. S. Ik bedank u wel voor uw present-exemplaar.

Atjuus.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 55 / 82 题