door dat vloeipapier heen schittert reeds een der geniale scheppingen
van den Czaar der teekenaren, en als ge het rammelend vloeipapier
omslaat, dan ziet gij dat eenzame woud, met zijn fantastisch licht,
zooals alleen Gustave Doré het schetsen kon, het duistere woud, dat
de wereld moet voorstellen, verzonken in onwetendheid en zonde, en
waarin de dichter, zelf met den voet in struik en distelen, angstig
omziet, dewijl hij "het rechte pad had laten varen".
Wij slaan nu eenige bladen om en, luister:
Virgilius heeft Dante de poort der helle gewezen waarboven geschreven
staat:
"Wie binnentreedt late alle hope varen."
en Dante spreekt:
Toen vatte hij mijn hand, en wel tevreden
Zag hij mij aan, en schonk mij nieuwe krachten,
Zoo daalden we in den afgrond naar beneden,
Waar zuchten, luide kreten, jammerklachten,
Die duistre sterrelooze lucht doorboorden,
Zoodat ze mij tot droeve tranen brachten.
Vermengde talen, vreeselijke akkoorden,
Geschrei van smart en wanhoop of van woede,
Met handgeklap en schelle of doffe woorden
Verwekten een geweld, dat, nimmer moede,
In 't rond draait in die eeuwig duistre luchten,
Als zand, gedreven door des stormwinds roede.
Nu zou ik wel kunnen voortgaan, maar de Inferno heeft drie en dertig
zangen, en elke zang gemiddeld honderd veertig verzen.--Ei! zie nog
eens even die terzines:
Krachten, klachten, brachten.
Doorboorden, akkoorden, woorden.
Woede, moede, roede.
En dan, een schier woordelijke vertolking!
Mij dunkt wij moeten eerbied krijgen voor den man, die niet slechts
den moed had om Virgiel en Dante te volgen op hun somber pad, maar
die er zijn leven aan wijdt om een klassiek kunstgewrocht van vreemden
bodem in een Nederlandsch kunstwerk voor het heden te herscheppen.
In een Nederlandsch kunstwerk! Zie Mijnheer de Spectator, ik ben
er zeker van: het doet u goed zoowel als mij, dat een vermogend
Nederlander, in stee van met Franschen tongval te spreken, ons
dierbaar Nederlandsch zóó lief heeft dat hij het kneden en vormen
wil tot de herbouwing van een onvolprezen monument der middeleeuwen,
op vaderlandschen grond!
Ja het doet ons harte goed, en met hooge ingenomenheid mogen
we wijzen op dit feit in de geschiedenis onzer hedendaagsche
letterkunde, want eene vertolking als door Dr. Hacke geleverd--en
nog te leveren--bewijst ons opnieuw den onwaardeerbaren rijkdom
onzer heerlijke moedertaal. En--wat wordt zij dikwijls verloochend,
die lieve taal van Vader en Moeder!
Gij hebt het reeds gehoord, de dichter--rijk in meer dan eene
beteekenis--hij gaf de volwassen vrucht van zijn talent, mét de gouden
schalen waarop hij haar aanbood, aan zijn vrienden ten geschenke.--'t
Is niet alledaagsch wat ik u vertel en wel de moeite waard er nota
van te nemen.
Maar 't zou nu toch wel mogelijk kunnen zijn dat gij juist van dit
laatste uw grief maaktet tegen den dichter; de grief namelijk, dat
Dr. Hacke slechts aan zijn vrienden schonk waar gansch Neerland recht
op heeft.
Neen, ik weet wel, gij eischt niet dat het getal vrienden zal
afhangen van de vrienden. 't Getal is al wél zult ge zeggen: honderd
vijftig! Maar wat gij hem in stilte verwijt misschien, 't is dat hij
zijn werk niet in een gewonen vorm--al ware het dan ook tegen een
matigen prijs--voor 't groote publiek heeft doen verkrijgbaar stellen.
't Is mij onbekend welke redenen Dr. Hacke daarvan terughielden. Maar,
het begonnen en nog slechts voor één deel voltooide werk heeft hij
lief. Vermoedelijk wil hij het gaarne heel rustig voltooien en althans
tot zoolang van zijn lievelingsstudie slechts smaken, wat hij er mee te
geven wenscht.--'t Kan zijn dat ik mistast, maar het komt mij zoo voor.
Nu zult gij wellicht vragen--en oogenschijnlijk met eenig recht--of
het mij dan vergund was u, en mét u het publiek op deze prachtuitgave
opmerkzaam te maken, terwijl Dr. Hacke haar niet aan de openlijke
critiek onderwerpt. Ik herhaal u dat ik er niet aan dacht een
beoordeeling van zulk een werk te schrijven, maar,--voelde ik mij
gedrongen op het feit te wijzen, een woord van den dichter zelf geeft
mij 't recht tot deze mededeeling, en, ik weet het vooruit, uw eerbied
zal stijgen voor den man, die bij zooveel studie en dichtvuur, ook de
Nederlandsche beeldende kunst beschermen wil, door haar zoo mogelijk
aan zijn grootsche taak te verbinden. Dr. Hacke schrijft:
"Er blijft mij bij de uitgave van dit eerste gedeelte alleen nog dit
te zeggen overig: met de vertaling van het tweede gedeelte ben ik
reeds gevorderd, en hoop, zoo God mij het leven laat, dit evenals het
laatste in denzelfden vorm uit te geven. Voor dit gedeelte kon ik van
de schoone platen van Doré gebruik maken; voor de beide volgende deelen
hebben verschillende kunstenaars onder mijne vrienden mij reeds hunne
hulp toegezegd; zeker ben ik daardoor, dat die deelen in belangrijkheid
zullen winnen. [14] Het zou mij zeer aangenaam zijn zoo deze woorden
aanleiding konden geven, dat nog meer kunstenaars uitgelokt werden
om mij hunne talenten tot het illustreeren van dit werk aan te bieden."
Gij ziet het.... terwijl Dr. Hacke zijne vrienden reeds heeft
uitgenoodigd, wenscht hij dat nog meer kunstenaars hem hunne talenten
zullen aanbieden, en, ben ik dan niet in mijn recht wanneer ik door
middel van deze regelen, de tolk zijner wenschen tracht te zijn in
't belang der Nederlandsche kunst!
Mijnheer de Spectator, terwijl ik weet dat gij mij gaarne het
prachtwerk gunt, 't welk ik dank aan een gelukkige kennismaking
met den Kunstenaar Mæceen, geef ik u evenzeer de verzekering dat
Dr. Hackes werk ten mijnent voor u met de meeste liefde ter lecture
en ter bezichtiging openligt. Kom en gevoel mét mij, wat reuzenarbeid
de dichter ondernam, en voor een derde reeds ten einde bracht. Zie
nogmaals de drie en veertig u bekende meesterstukken van Doré; merk
op hoe onze Haarlemsche Kruseman mede een kunstenaar is waar hij een
prachtwerk weet uit te geven, dat naar mijn inzien aan de hoogste
eischen van goeden smaak en typographische uitvoering voldoet.
Kom en zie, en wensch dan evenals ik: dat de dichter gespaard zal
worden tot de voltooiing van zijn werk, dat hij "in dien arbeid troost
en kalmte moge vinden bij de herinnering aan bittere verliezen", en dat
eens zijn geheele vertolking der Divina Commedia het algemeen eigendom
zal zijn van het onverdeeld en altijd Nederlandsch sprekende Vaderland.
Den Haag, 10 April 1867.