't Is wel eens gezegd dat er in Nederland moed toe behoort om te
zijn wat men "auteur" noemt. Immers zeide men, het land is zoo klein
en bovendien is het aantal Nederlandsch lezende Nederlanders naar
verhouding te klein. Ja, voegde men er bij, de volharding van een
Nederlandsche auteur mag wel bewonderd worden: hij is kunstenaar uit
roeping, uit liefde tot de kunst.
Op deze vereerende beschouwing mogen we niets afdingen. Wel hooren we
achter ons vragen, of Joostje, die met de meeste volharding dagelijks
lucifers vent--voorzeker gedreven door een inwendige roeping om anderen
van vuur en van licht te voorzien--niet insgelijks om zijn volharding
moet worden bewonderd? De stumper weet immers dat hij maar weinig
kans op debiet en nog minder op prijsjes heeft, want, zegt Joostje,
gaat de eerste niet dadelijk af dan heeten ze allemaal vochtig.
Maar men zou kunnen zeggen dat de heer, die zoo vraagt, de zaken
door elkander haspelt. Joostje is toch in elk geval geen auteur,
en Nederlandsche geschriften zijn geen lucifers. De heer zegt niet
eens of hij houten- of windlucifers bedoelt, of wasjes misschien.
Wat ons betreft, we zullen de quaestie--zoo het er eene wezen mocht--de
quaestie laten.
Maar--in allen ernst kunnen we toch bij nader inzien niet zoo volledig
toestemmen dat de Nederlandsche auteur, om zijn beperkten kring van
lezers, in 't beklag moet wezen.
Immers er zijn twee middelen, die den kring voor hem verwijden,
zoo dat noodig of wenschelijk is:
Zijn de Levens van Rembrandt door Mr. Vosmaer, en van Steen en Potter
door Van Westrheene geen echt Nederlandsche werken, al werden zij
door hen in 't Fransch geschreven? Slechts een Nederlander kon het
doen zooals zij het deden, en, deinsden zij niet terug voor het
moeielijke van hun taak, in al de landen waar men met ingenomenheid
een nieuw licht over de levens en werken dier coryphaeën der kunst
zag opgaan, daar worden nu mede de namen hunner talentvolle biografen
met dankbaarheid en eere vermeld.
Het tweede middel is voor den Nederlandschen auteur wat gemakkelijker.
Hoe langer hoe meer ziet men in den vreemde mannen verschijnen,
die onze schoone moedertaal beoefenen en zich geroepen gevoelen om
de literarische vruchten van Nederlandschen bodem op den hunnen over
te brengen.
De Nederlander, nog niet bijzonder gewoon aan zulk een beleefdheid,
voelt er zich een weinig door vereerd, en 't geeft hem eenigermate
de gewaarwording alsof hij bij voorbeeld aan een Duitsche badplaats
het Wien Neerlandsch bloed hoort spelen; soms veel te gauw of veel te
langzaam, maar dat doet er niet toe, 't is toch het Wien Neerlandsch
Bloed van ons!
De gemoedelijke Nederlander zou aanstonds als hij dat hoort, en maar
in staat was om een quartet te blazen, uit gevoelige dankbaarheid
het Volkslied van.... enfin van de Badplaats gaan aanheffen, maar
dat kan niet en hij bepaalt er zich toe om straks den kapelmeester
zijn compliment te maken: 's War schön! Wunderschön!
Nu zijn we waar we wezen willen.
Een Duitsch literator heeft zich de moeite gegeven om eenige
Nederlandsche geschriften in zijne moedertaal te vertolken, en
is daarin volgens het oordeel van vele Duitsche tijdschriften en
couranten uitmuntend geslaagd.
Reeds een paar malen vonden wij zijn naam in onze nieuwsbladen
abusivelijk vermeld, en kwam het ons voor dat de man, die o. a. het
jongste werk van den grijzen Van Lennep op meesterlijke wijze voor
Duitschers "genietbaar" maakte, aanspraak heeft op onzen dank en een
eervolle vermelding in deze kolommen, te meer dewijl wij vernamen
dat het zijn voornemen is om voort te gaan met het vertolken van
Nederlandsche geschriften, die hij daartoe geschikt zal achten.
Dr. Adolf Glaser is te Wiesbaden in 1829 geboren. Aanvankelijk voor
den handelsstand bestemd, bleef hij tot zijn vijftiende jaar op 't
gymnasium te Wiesbaden, en kwam daarna in een fabriek van een oom te
Mainz, die veel zaken met Holland deed en daarom den jongen Glaser
de Nederlandsche taal deed beoefenen.
In 't belang der zaak reisde Glaser zeer veel, niet slechts in
Duitschland, maar ook in Zwitserland, Italië, België en Nederland. Op
zijne reizen ontwaakte steeds meer en meer in de borst van den jongen
koopman de liefde voor natuurschoon en kunst, zoodat hij eindelijk
besloot den handelsstand te verlaten en zich, door de studie der
fraaie letteren, aan de kunst te wijden.
In 1853--op vier en twintigjarigen leeftijd--vertrok hij, na eenige
voorbereidende studiën, naar de academie te Berlijn en werd in 56
tot doctor gepromoveerd.
Reeds als student had Glaser zich een goeden naam door het schrijven
van drama's en novellen verworven, zoodat hem al spoedig te Brunswijk
de redactie van het Tijdschrift Westermann'sche Illustrirte Monatshefte
werd toevertrouwd, welk blad onder zijne leiding weldra een zeer
goeden naam en groot debiet mocht verwerven.
Sedert zijne vroegere reizen in Nederland, waar hij zich meermalen
een geruimen tijd ophield, was het steeds een lievelingsdenkbeeld van
Glaser, om de Nieuwere Nederlandsche literatuur in Duitschland bekend
te maken. In 1857 had hij reeds met goeden uitslag zijne krachten aan
een onzer klassieke werken beproefd. Herrigs Archif für das Studium
der neueren Sprachen, nam een verhandeling van Glaser op, die getiteld
was: Joost van den Vondel und sein Lucifer, een stuk waarin hij de
verheven schoonheid van Vondels treurspel in een helder licht plaatste.
In 't jaar 1865 begon hij echter meer bepaaldelijk nieuwere
belletristische werken van Nederlandschen bodem in 't Duitsch
te vertolken. Zijn het er nog slechts weinige, met het oog op de
toekomst is het voor ieder Nederlandsch auteur en voor de eer onzer
letterkunde zeer belangrijk te vernemen, dat de Duitsche tijdschriften
en nieuwsbladen den heer Glaser den overvloedigsten lof brengen voor
de uitmuntende wijze waarop hij: Nederlandsche Novellen, en Hänschen
Siebenstern, bij hen heeft ingeleid.
Om bijzondere redenen bepalen wij ons tot een paar mededeelingen
betreffende Glasers jongste werk.
De Augsburger Allgemeine Zeitung zegt: Dass wir es können--Klaasje
Zevenster naar waarde schatten--das danken wir Herrn Adolph Glaser dem
Redakteur der Westermann'schen Monatshefte und bekannten Novellisten,
der uns den Roman "Hänschen Siebenstern" in gutes Deutsch so gut
übersetzte dass wir uns an der Uebersetzung wie an einem Original
freuen konnten. Solche holländisehe Annexionen lassen wir uns gerne
gefallen, enz. enz.
In de Hausblätter leest men: "Die Uebersetzung ist dem Original
ebenbürtig--sie spricht uns durchaus an, als sei sie selber ein
Solches." Wat ons betreft, die met de Niederländische Novellen mochten
kennis maken, we moeten erkennen dat zeker maar zelden eenig vertaler
beter de eigenaardigheden onzer taal zal vatten dan de heer Glaser
het deed.
In een verslag van de Gartenlaube für Oesterreich wordt doctor
G. genoemd: der bekannte, geistreiche Erzähler und Redacteur der
Illustrirten Monatshefte von Westermann, der gediegensten Zeitschrift
Deutschlands. Elders, in de Berliner National Zeitung wordt hij de
bekende dichter genoemd.
Uit dit alles zal blijken dat de Nederlandsche literatuur zich in
Duitschland in uitmuntende handen bevindt.
Tot de oorspronkelijke werken van Glaser behooren: Familie Schaller,
roman in zwei Bänden, Bianca Candiano, Erzählung, Erzählungen und
Novellen, drei Bände. Voor zijne Gedichten ontving hij van den
voormaligen Hertog van Nassau de gouden medaille van verdiensten,
en voor het drama Galileo Galilei--'t welk van zijn tooneelwerken
vooral in Weimar den meesten opgang maakte, van den later ontslagen
Koning van Hanover, mede het gouden eerbewijs.
Wij eindigen dit verslag met den wensch, dat Glaser nog lang den lust
zal behouden om op zijne wijze te annexiren. Misschien biedt Kellers
Van Huis hem al terstond daartoe de schoonste gelegenheid aan.
Den Haag, 26 S. 67.
Tot mijn groot leedwezen is het later bij herhaling gebleken, dat de
heer A. Glaser een groot deel van zijn goeden naam in Duitschland aan
een annexatie-geest heeft te danken die in zijn land, zonder twijfel,
even slecht staat aangeschreven als in ons dierbaar Nederland.
Slechts twee feiten ten bewijze:
I. Die Pflegemutter von Adolf Glaser is een woordelijke vertaling
van J. J. Cremers Deine-meu.
II. Sommige letterlijke vertalingen van Glaser--zoowel werken van
andere Nederlandsche auteurs als van mij, verzwijgen het vaderschap,
en vermelden een: dem Holländischen nacherzählt, terwijl--ook dan
wanneer de auteur werkelijk op een middenschotje vermeld is, de naam
van den vertaler op den omslag, ja op den rug en menigmaal boven elke
pagina prijkt. In Bohemen werd mij door een boekhandelaar Von der
Bühnenwelt von Glaser ter lezing aanbevolen. Het was eene vertaling
van mijn Tooneelspelers.