II.

Mijnheer de Spectator!

Gij herinnert u het doel van mijn schrijven, namelijk om op eenige

vragen, die mij in den laatsten tijd gedaan werden, het antwoord

te geven.

Ik spreek maar terloops van sommige aanzoeken, om pas verschenen

boeken te beoordeelen, o. a. een werk van Ds. Adama Van Scheltema,

getiteld: Wat ik goeds zag in den vreemde, 't geen ik reeds goed zou

kunnen noemen, omdat het goede op te merken in mijn oog heel goed

is,--ook het goede niet in den vreemde.--Maar immers ik ben geen

recensent en al heeft een geestig vriend eens beweerd dat men zulke

dingen niet zeggen moet, ik zeg het toch nog maar even heel zachtjes

aan u, mijnheer de S. in de hoop dat men mij daardoor niet meer met

de toezending van werken ter beoordeeling vereeren zal.

Maar de fabriekskinderen! Komt daar nu niets van? Is dat al

doodgebloed? Is die commissie van onderzoek....?

Stil, dat zijn vragen die zeer doen. Nietwaar, 't gaat langzaam,

alles zeer langzaam in ons lieve vaderland! Misschien heeft het

zijn goede zijde, maar--'t is treurig, heel treurig, dat die arme,

bleeke, naar ziel en lichaam verwaarloosde kinderen intusschen nog

maar altijd op vele plaatsen 15 en meer uren daags moeten werken,

dat ze nog maar altijd niets NIETS kunnen leeren, en dat men in

Nederland menschen doemt tot machines, tot wezens dikwijls beneden het

redelooze dier.--Wij moeten geduld hebben. Ik vernam dat onze minister

van Binn. Zaken al gedurig naar den uitslag van het onderzoek der

commissie heeft gevraagd. Maar, de commissie zal waarschijnlijk niet

altijd haar tijd beschikbaar hebben voor de taak, die zij gaarne uit

plichtgevoel of menschlievendheid aanvaardde, en vermoedelijk heeft

zij te kampen met velerlei natuurlijke bezwaren. Doch--geduld! de tijd

komt waarin zij erkennen zal dat er verandering noodig is; erkennen,

dat die arme kleinen nimmer kloeke mannen en vrouwen, nimmer knappe

werklieden kunnen worden; misschien zelfs zal zij zich losrukken van

de hoogst twijfelachtige cijfers in dezen, om, getroffen door zooveel

ellende naar ziel en lichaam, van onze regeering te vragen een wet

ter regeling van den arbeid der fabriekskinderen.

Maar die regeering, mag zij de Nederlandsche industrie aan banden

leggen....?

O die oude, zoo dikwijls beantwoorde vraag! En dat antwoord: Ja gewis,

als die banden noodig zijn ter handhaving van de maatschappelijke

rechten; als zij strekken om den mensch te binden aan wat goed is,

en leiden tot veredeling van den geest. Ja, voorzeker mag zij dat,

wanneer zoo groot een aantal vertegenwoordigers der industrie

gedurig daarom vragen, ten volle verzekerd dat een wet ten behoeve

dier kinderen te gelijk een wet zal zijn in het waarachtig belang

der volksontwikkeling en zoo ook in het belang der nijverheid. Hoe,

daar is een wet in Nederland, die den armen vader tot den kerker

veroordeelt, dewijl hij een brood stal voor zijn behoeftig gezin. Ja,

hem wordt de vrijheid benomen, dat eischt.... de bakker die zijn

brood mist. Rechtvaardig! zeer rechtvaardig! Maar UWE burgerrechten,

UWE rechten als menschen, arme, arme kinders! Doch geduld, nog een

kleinen tijd en uw arbeid zal verlicht en uw geest zal ontwikkeld

worden, en misschien--als gij later knappe werklieden wordt, dan

krijgt ge ook nog wel iets meer te eten dan uw slechte aardappels

met mosterd en uw kleffe poffers met kalk.

Maar gelooft gij dan--zoo klinkt alweder een vraag--dat onze

fabrikanten gevoellooze menschen zijn! doof en blind voor den toestand

der armen die hen dienen, dienen voor een loon dat den ouders dier

kleinen een bloedgeld moest zijn--arme ouders, treurig overschot van

een geslacht fabriekskinderen dat verging.

Neen, NEEN, zeg ik u. In gemoede houd ik vol dat het gevoeligste

hart kan wonen in de borst van hem die zijn zaak ziet bloeien,

zelfs ten koste van het arme jonge leven. Gewoonte, ziet ge, dat

is de dommekracht die hen deed voortgaan tot nog voor weinig tijd;

dat is de doffe bril waardoor men in die kinderen machines zag,

werktuigen en niet veel meer.

"Marie, geef dien armen drommel daar op straat 'en boterham, 't is

beroerd zooals dat kind d'r uitziet--zoo'n wurm!"

En dat kind werkte bij mijnheer zelf in de fabriek. "Ja, ziet ge,

als men IN DE FABRIEK is dan is 't natuurlijk dat ze er zóó uitzien,

maar op straat en voor het raam van je huiskamer, neen, dát maakt

een verschil, dat doet waarachtig zeer."

Ja ZEER, omdat het oog er niet aan gewend en het hart toch goed

is. Geduld dan kinderen, het grootste deel uwer heeren en meesters

beseft al dat gij tot wat meer zijt geboren dan gij nu worden

kunt; die heeren beseffen al dat uw belang ook het hunne wordt,

als ze zien naar den fabriekswerkman ginds in het praktisch nijvere

Engeland. Geduld maar, uw meesters, al doen er sommigen reeds veel om

uw lot te verbeteren, ze kunnen nu nog niet alles wat ze willen--de

meesten hunner althans--want ziet ge, daar is een andere macht,

die hen tot nu toe weerhoudt: de concurrentie, een macht....

Maar arme fabriekskinderen, wat praat ik tot u; al kondt gij

den Spectator lezen, ge zoudt er geen woord van verstaan; neen,

mijnheer de Spectator, tot u is het dat ik spreek, en door u tot

hen, die zoo dikwijls en ernstig vragen: Wat wordt er van de zaak

der fabriekskinderen?

En het antwoord er op, vat ik nog eens saam in deze woorden: Wat elders

noodzakelijk was zal ook hier blijken noodig te zijn; wat elders de

schoonste vruchten oplevert [12] mag hier niet ontbreken. Nog een

wijle geduld!--Voor de eer van Nederland, en--wij moeten het dankbaar

erkennen--met den wensch van vele, ook der eerste fabrikanten, gaan

wij een betere toekomst te gemoet, want, daar moet, daar zal een

wet komen ten behoeve van het ongelukkige fabriekskind, een wet ter

handhaving van den bloei der Nederlandsche industrie.

Een vraag van geheel anderen aard klonk menigmaal. Hoe schrijf je

voortaan, heelemaal woordenboeks? of....?

't Zou voor een belletrist, die zich volstrekt niet inbeeldt een

taalkenner te zijn, misschien verstandiger wezen, om dit chapitre

in uw weekblad blauwblauw te laten, doch de zaak der spelling raakt

den auteur zoo van nabij, dat hij,--om niet inconsequent te schijnen

wanneer hij zich afwijkingen veroorloven gaat--zich wel eens openlijk

verklaren mag.--En zoo antwoord ik dan gaarne: dat ik op gezag--ja op

gezag--in vele woorden meer letters zal schrijven dan ik gewoon was;

ik wil de vorsten lang laten regeeren, en aan een adellijke een l meer

geven dan aan een edeling of zelfs een hemeling--ofschoon ik het niet

rechtvaardig vind. De trotsche paauw zal ik met genoegen kortwieken

en met pleizier aan alle draaijers en vleijers een been ontnemen,

op gevaar af dat men ze niet meer kennen zal. Wat mij betreft ik had

er echter niet aan getornd om een mooije vrouw heelemaal van de been

te helpen en had haar in allen geval--indien ze dan wat van haar mooi

moest verliezen--veel liever de i ontnomen, en mooje in plaats van

mooie gezet. Al die klinkletters naast elkaar, 't is Hottentotsch en

een fraaiigheid om in te verbiesteren, zei Toon de kruier--misschien

landerig omdat hem ook al z'n been ontfutseld was.

Maar ik ben bedroefd over de komst der g. Onze dierbare moedertaal

wordt naar de keel gedrongen; die zachte g moet verdwijnen, de

g die ons herinneren moest: spreek toch vóór in den mond en niet

als de schreeuwers die de "levendiche schchellevisch" venten en de

"maachchies acht om een dubbeltje, pak ze maar wech!" 't Is treurig,

maar, als de wetenschap: leve de ch zegt, dan zal ik haar gaarne gunnen

zich te warmen aan een kachel zonder g, en te lachen ook al zonder g,

lachen zelfs om de dwaasheid dat ik laatst een lief maar onnoozel kind

hoorde voorlezen: "hij zat bij de kac-hel.... vreeselijk te lac-hen."

Doch dit gepraat zou in 't geheel niets beduiden indien ik mij niet

wilde verklaren omtrent een paar woorden, waarin ik de g zal blijven

gebruiken in weerwil van de aangenomen regels. Ik bedoel de woorden

ligt voor niet zwaar, en digt voor toe. Het onderscheid wensch ik bij

de lezing niet twijfelachtig te hebben. Wanneer ik straks geschreven

had: geduld kinderen, uw arbeid zal verlicht worden, dan had men een

oogenblik aan meer dag- of kunstlicht in de fabrieken kunnen denken,

't geen toch waarlijk de bedoeling niet was. En gesteld eens dat

daar geschreven staat: "Het boek is dicht," zou hij die van Vlotens

Dicht en Ondicht bezit, niet een oogenblik in de war kunnen komen,

evenals de vriend in de residentie, die een beklag ontving uit een

der noordelijke provincies, en wel ter oorzake dat aan een Hagenaar

een onderscheiding was te beurt gevallen waarop de noordelijke meer

aanspraak meende te hebben, en de vriend nu las: maar geen wonder

hij is "dichter bij het Hof". De vriend wist niet dat Z. M. er een

privaat dichter op nahield. Nu wil ik gaarne aanstonds toestemmen,

dat men zóó kan schrijven dat een vergissing niet ligt mogelijk wordt,

doch, waar op den regel de ch voor de t de uitzonderingen gelden:

behalve in de regelmatige vervoeging der werkwoorden wier stam op een

g eindigt, en, in de zelfstandige naamwoorden door achtervoeging van

de te gevormd van bijvoeglijke naamwoorden uitgaande op g; daar mag

mijns inziens nog wel déze derde uitzondering gelden: en behalve in

de woorden ligt en digt--voor niet zwaar en toe--die eensluidend

als de woorden licht en dicht maar verschillend van beteekenis

zijn." En nu, terwijl ik het geen gevaar acht dat men mijn derde

uitzondering ligt en digt zal noemen, omdat zij juist daardoor tot

een zekere bekendheid zou geraken, stap ik van dit onderwerp af, om

met blijdschap de woordenlijst der Ned. taal van de wakkere heeren

de Vries en te Winkel te begroeten. Gaven zij dikwijls gaarne de

verzekering dat zij hun werk niet als verbindend willen beschouwd

hebben, zij zullen, ik ben er zeker van, ook deze afwijking waar men

die volgt, gaarne eerbiedigen. [13]

En nu ten slotte die vele vragen naar aanleiding van de schier

algeheele afkeuring van mijn jongste tooneelwerk aan de eene, en

het buitengewoon groot succes er van aan de andere zijde. Ik zal

er niet op antwoorden, alleen wil ik met het oog op mijn vaderstad,

voor de inwijding van wier nieuwen schouwburg ik mijn Emma Berthold

heb geschreven, openlijk den wensch uiten, dat een reeks van meer

dan veertig voorstellingen er van te Rotterdam haar de overtuiging

zal hebben geschonken, dat de auteur zich de taak in waarheid niet

ligt heeft geacht, maar ter eere van Arnhem--en mocht het zijn van het

Ned. tooneel--getracht heeft het beste te schenken wat hij te schenken

had. Niets anders dan de zucht om zoo mogelijk ons tooneel te helpen

zuiveren van de gruwelen en onzinnigheden, die er zoo dikwijls den

volke worden vertoond, spoorde hem aan om het, in ons land waarlijk

niet uitlokkende veld te bearbeiden, en, als ik nu met blijdschap

verneem, dat een schoon oorspronkelijk werk van onzen genialen Schimmel

zoo groote scharen naar den schouwburg lokt, dan word ik gedrongen om

allen, die hun volk liefhebben en zich krachtig tot die taak gevoelen,

krachtiger dan ik, luide toe te roepen: Schrijft mannen, schrijft

goede stukken, zorgt voor een juiste opvoering er van, evenals onze

classieken daarvoor zorgden, en, gij zult den bloei van ons tooneel

bevorderen en den wansmaak verjagen uit die leerschool voor het volk.

Den Haag, 22 Jan. 66.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 41 / 82 题