"Mijnheer de Spectator!" Om dien aanhef heb ik eens iemand vreeselijk
hooren lachen. Die lacher vond het dwaas, en bovendien vond hij
niets heerlijks aan de Spectator. ZEd. was boekverkooper en had
er geene enkele bestelling op. Maar--ofschoon de man gerust mocht
lachen, aangezien de Spectator zoomin als de redactie een mijnheer
is--immers indien ik mij niet bedrieg bestaat de laatste uit twee
of drie mijnheeren--zoo schreef ik toch in navolging van anderen:
Mijnheer de Spectator, en 't blijft er staan. Wat doen we niet veel
in navolging van anderen, soms dwaas, bespottelijk dwaas.... Vormen
mijnheer, je kunt alle vormen niet zoo inééns op zij zetten.
Doch ter zake. Ik wend mij tot u mijnheer de Spectator, dewijl mij in
den laatsten tijd vele vragen zijn gedaan, die ik graag beantwoorden
wil. In de eerste plaats--metterdaad--de dikwijls herhaalde: Schrijf
je niet meer in de Spectator?--Liefst geen vertellingen mijnheer,
ziet ge, omdat ik niet houd van afbreken--al is het stuk dan ook zoo
voortreffelijk niet. De meerderheid raakt de klus kwijt, en het stuk,
waarvan men trachtte een goed geheel te maken, ligt verbrokkeld. Er
moet altijd weer verzameld worden, dat is niet anders.
Mijn vriend B kon wel gelijk hebben, indien hij nu al voor de tweede
maal een zinspeling in mijne woorden heeft gevonden. Geen wonder,
ik wil vragen beantwoorden; die antwoorden liggen gereed, en, iets
anders ligt mij op het hart. Dat moet er af!
Desiderius, ik heb uw stuk "Een afscheid aan de kerk", naar aanleiding
van Dr. Piersons jongste geschrift, in het eerste nommer voor 1866
van de Ned. Spectator, gelezen.
Ik moet daareven over spreken, want het heeft een diep leedgevoel
bij mij verwekt. Hoe is het mogelijk, dacht ik na de lezing, dat
beminnelijke, brave, rechtschapene en veelal zoo helderziende menschen,
een oogenblik in den waan komen dat Revilles: "Jan Rap,"--door
verstandigen althans--op hen wordt toegepast. De De Génestets Jan Rap
ziet op degenen, die zich verheugen in den ondergang van al wat rein
is en edel:
"Als hij 's avonds laat thuis komt psalmzingt hij:
Vrijheid! Blijheid!
"Zijn geweten is van ruim fatsoen en tamelijk versleten."
In één woord. 't Is de dierlijk lichtzinnige mensch. Neen--waar
streven naar volmaking is, in den edelsten zin, daar is geen Jan Rap,
daar is godsdienst.
En nu over de kerk. (Ik versta onder kerk een vereeniging van menschen,
die dezelfde of nagenoeg dezelfde Godsvereering of Godsdienstige
uiting hebben.)
Onder die vele kerken is er noodwendig ééne, die de zuiverste vormen
heeft of er naar streeft. Ik geloof dat de nieuwe of zoogenoemde
Moderne richting in het oog der edele vrije denkers--van Jan Rap
spreken we niet--dan toch nog de beste richting of kerk is. Voorzichtig
dan, vel den boom niet omdat zijn vruchten nog groen en onrijp
zijn.--Maar gij, Desiderius, gij wilt hem niet vellen, gij wilt
hem dulden. En als ge dan aan anderen die vruchten gunt, vergeet
gij het lommer....? Doch waartoe die beelden. Ik bid u, blijf niet
stilstaan bij de tientallen die gij kent; bij menschen onder hen,
als gij, bevoorrecht boven velen met gaven van geest en van hart;
neen, zie in breeder kring, denk aan de duizenden van nabij en verre,
in steden en dorpen, die slaven den ganschen dag--en ze zullen er
tot den einde toe zijn--om zich schatten te verzamelen en tot eer of
grootheid te geraken. Zie rond, telkens verder, en juich het dan toe
dat er in al die steden en dorpen nog mannen worden gevonden--wij hopen
hoe langer hoe meer, eenvoudige mannen, beseffende dat ze mensch zijn
en niets meer,--mannen, die er in de grootste gebouwen--welke met hun
hooge torens zich als boven het alledaagsche verheffen--den medemensch
herinneren dat er nog iets meer en iets hoogers is, dan geld en goed,
en eer en aanzien: weldoen in stilte; den naaste te geven wat hem
toekomt; aan den beleediger de hand ter verzoening te reiken.--Juich
het toe dat er nog gewezen wordt op de schoonste bladzijden der
wereldgeschiedenis, of op voorbeelden vol leven en gloed.
O, ik heb zooveel te zeggen, maar de woorden op 't papier zijn te
zwak. Daar is een kerk noodig, daar zal een kerk noodig blijven
zoolang de mensch geen dier wordt. De mensch wil Godsvereering,
hij wil, hij moet aanbidden. Gij Desiderius doet het ook. Ja innig;
al bewondert ge maar het genie in den mensch, die sprank van het
Ongeziene. En als ge dat doet, dan huldigt ge God. Als ge verrukt
staat waar de dalende zon speelt over de rosse hei, daar aanbidt
ge. En als ge sprakeloos van verrukking daar hoordet aan uw zij:
Hoed af voor den grooten Schepper van hemel en aarde! gij zoudt....
Maar hoe, twijfelde ik daaraan een oogenblik? Neen, waarlijk waarlijk
neen. Maar anderen twijfelen daaraan, niet waar....? doch daarvan
later.
En de aanbidding van het genie, het verheven reine genie van Jezus was
juist uw grootste grief tegen de kerk tot heden. Maar nu, nu wil de
nieuwe richting geen genie-aanbidding meer. Zij wil--indien ik haar
wel begrijp--hulde brengen en recht laten weervaren aan het groote
genie van vóór achttien eeuwen, aan den onovertroffen dichterlijken
tolk der verhevenste uitingen van het menschelijk hart. Zij wil
zijn lessen volgen, die nooit in schooner en sprekender vorm werden
gegeven. Zij wil prediken: "Och menschen onder dezelfde zon, hebt toch
geen twist en tweedracht onder elkander, en neemt geen wraak als men u
misdeed." Immers zoo krachtig, maar tevens zoo dichterlijk klonk het:
"Vergeven zult ge tot zeventigmaal zevenmalen; die u sloeg op de
linkerwang, keer hem ook de rechter toe." Is dat niet geniaal? Ja,
't is nu een oud en bekend refrein, maar 't is prachtig geniaal. Daar
kunt ge niet tusschen komen, met geen speld. Al onze maren zijn van
nul en geen waarde.
Ja, zich te veredelen, te verheffen naar den rein godsdienstigen zin
van Jezus,--ik meen dat deze zin de veelal zoo mystiek verklaarde
heilige geest is--dat is, naar ik vertrouw, ook de leus der
nieuwe richting in de kerk, die moet blijven arbeiden totdat alle
menschen--ook de zeer zeer slecht ontwikkelden, vrij zullen kunnen
denken en geen herinnering meer behoeven aan hun duurste plichten,
of, wilt ge, aan de eischen der ware humaniteit, die wel niets anders
zal bedoelen dan den naaste liefhebben en den Schepper bovenal.
Maar, hoe dikwijls zal vóór dien tijd de boom zijn blad nog
verjongen?--Voorzeker, een kerk zal er noodig zijn, noodig, zoolang de
mensch behoefte heeft om een Eere! Eere! te brengen aan dien Oneindige
en Onbegrijpelijke, die de zonnen doet wentelen door het heelal en
een gansche wereld onderhoudt in een enkelen waterdroppel. Noodig,
zoolang de mensch gevoelt dat hij volmaakt zou kunnen zijn, maar het
niet wordt op deze wereld; zoolang hij beseft dat er oneindig veel
is wat hem in dit leven nimmer zal geopenbaard worden, hoezeer hij
er naar haakt, hoe dikwijls hij ook naar de ontsluiering van vele
raadselen smacht. Een kerk zal er moeten zijn om te troosten met de
gronden der hoop, dat het leven niet eindigt met dit aardsche bestaan,
waar het wijst op levens vol onschuldig lijden en onverdienden hoon;
op het sterven van zuigelingen, van mannen en vrouwen in de kracht
van het leven, zoo uitstekend en nog zoo nuttig in hun kring; van
ellendigen, kinderen van ontaarden, die rondtastten hun gansche leven
in de onreinheid en stierven met een godslastering op de lippen.
Op dat alles heeft de kerk die duizenden te wijzen. Ja stichten,
troosten, vermanen en veredelen moet zij zonder ophouden; maar ook
aansporen tot nutte werkzaamheid in het heden, om in 't eind te
komen tot den blijden toon: Moed gehouden als u deze aarde ontvalt,
want luister, luister naar den genialen dichter:
"Vele woningen zijn er in des Vaders huis!"
Maar immers ik wist het, Desiderius heeft hier niets tegen. De kerk
besta, mits zij den ouden slenterweg verlate. Geen nieuwe wijn in
oude zakken, geen....
Maar toch wel een versterkende spijs in de aarden pan, als men tot nog
toe geen porselein bemachtigen kon. Toch liever met de grove schaaf
geschaafd dan met de zachte vlakke hand over het ruwe hout gegleden.
Hoe dan, geen doop! Geen avondmaal! Geen kerkelijke inzegening van
het huwelijk meer! En waarom niet, mits geen geheimzinnige mystieke
kracht daarin gelegd of gezocht wordt:
Het kindje wordt opgenomen in de groote vereeniging van menschen, die
op dezelfde wijze naar God en volmaking streven. Met helder water wordt
het gezichtje besproeid. Water, het beeld der reinheid. En dan--zou
het niet goed zijn dat die ouders--velen althans--omringd van vrienden
en getuigen, nog eens worden herinnerd aan de plichten die hun, met
het geschenk dat ze ontvingen, zijn op de schouders gelegd, en aan
God beloven: Vader! wij zullen ons kindje opvoeden naar UW reinen wil.
Geen avondmaal! Waarom niet? Is het, in kleine plaatsen vooral,
niet een aandoenlijk en plechtig middel om menschen met menschen te
vereenen, hun te herinneren dat ze gelijk zijn voor den Oneindige;
dat ze liefde moeten hebben voor elkander, en dat verzoening--zoo
die noodig is--hun een ongekende zaligheid schenken zal--Maar in
die groote kerken? Ja, ja! daar moet verandering komen.... of.... de
menschen moeten veranderen, ik weet het niet.
En 't kerkelijk trouwen!--O, begin maar vrij uw huwelijk in het
huis, dat aan den Schepper aller dingen is gewijd! begin maar vrij
met een lofzang aan Hem uit het hart.... Noemt gij het dwaas? Mij
komt dat uur niet in de herinnering of nog wellen er tranen in
mijn oogen. Dwaas? noem dan heelemaal een huwelijk dwaas, of uw
moeder een zoen geven dwaas, en zooveel, zoo ontzettend veel dwaas,
bespottelijk dwaas!
Maar Desiderius, dit zeide ik niet tot u. Ik dacht niet eens meer
aan u, want tot u moet ik geheel anders spreken. Gij zoudt recht
hebben indien gij u gekrenkt vondt, beleedigd door een liefdeloos en
onrechtvaardig oordeel van zoo velen uit den schoot der kerk--der oude
vooral--dewijl zij u niet kennen, niet begrijpen en u veroordeelen
omdat gij hunne vormen niet als voortreffelijk huldigen kunt, omdat
hun geloof voor u geen waarheid is, en gij vrij wilt zijn en vrij
wilt denken en God dienen in 't gemoed op uwe wijze, zelfs al moest
het schijnen dat ge leeft zonder een God.
Maar hoe--waarom kant ge u tegen de kerk, terwijl gij slechts
gewetensdwang en liefdeloozen eigenwaan te bestrijden hebt. O sla de
bijl niet aan den stam waar de boom zich verjongt met frissche blaren,
ofschoon ze nog teer zijn van vorm en van kleur. Nog eens, zoolang
er menschen leven zal er Godsvereering zijn, en de Godsvereering
wil zich meestal uiten op breede schaal en heeft een vorm noodig,
altijd een vorm.
Schrik ze niet af de jongelingen, die zich wijden willen aan de
ontwikkeling der menschheid; die verlichten en voorgaan willen in het
goede en zich stellen tegen dogma en gewetensdwang. Spreek hun moed
in met mij, 't is zulk een schoone roeping, raad en troost te geven
aan zwakken en armen; op te bouwen in het goede, den mensch te houden
in den heiligen zin, in den geest die uit God is: reinheid! liefde!
En hoe, hoe zullen en kunnen ze daartoe komen, in al die steden en
dorpen, dan binnen de grenzen--ik had haast gezegd dan binnen de muren
eener kerk, die feilen zal in begrippen en vormen tot den einde toe,
evenals wij feilen Desiderius, evenals gij en ik.
Dit moest mij van 't hart, mijnheer de Spectator! De vragen beantwoord
ik nader; misschien is dit meteen wel het antwoord geweest op de vraag:
Zijt ge het altijd eens met den Spectator? [11]
Jan. 1866.
(Wordt vervolgd).