In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige
aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens
was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en
telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te
hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw,
na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was
het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof,
verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede
reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene
verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten
Augustus 1608, de krijg feller dan te voren zou hervat worden. Openlijk
hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter
hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden
geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe
echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk
hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door
vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten
en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te
besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af
aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren.
Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche
en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor.
De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst,
zeer voor deze zaak.
Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor
Nederland--wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen--liever
een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste
geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond,
hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten
verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden,
bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen
een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen,
doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men
zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het
verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen.
Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van
zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te
neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen
noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat
Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust,
in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men
eindelijk--nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende,
door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te
wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven
de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden,
tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen.
De Algemeene Staten evenwel--Zeeland uitgezonderd--besloten, door
geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden
van den vijand aan te hooren.
De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord
en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden
volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de
vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde,
te bezinnen.
Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden
verstaan.
Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal
genoodigd.
Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola
van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn
ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke
hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. "Deze dronk,"
zoo eindigde hij: "zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij
onthaal hier te lande genoten."
Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord.
"Mijne heeren!" zeide hij: "Wij zijn als vrienden, niet als vijanden
te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen,
doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang
zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars
blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende
wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te
meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn
wij in den strijd,--laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin
des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten
onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen
zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond,
mijne heeren!" aldus besloot de prins: "zal ons samenzijn iets goeds
gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken
achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!"
Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden
avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën
van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede:
"God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten
daarvan men met 'er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne
van desen staet." [1]
Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede
uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest.
Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader,
bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was,
bevond zijn geest zich op den Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en
treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin
hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem
gevonden schat voor altijd moest achterlaten.
De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee
groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden.
Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de
onderhandelingen voor altijd waren afgebroken.
Dien keer echter moesten de zaken niet nemen.
De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van
Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegen Maurits
en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak
te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd
bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger
gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig
heeft samengewerkt.
Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een
onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen
Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen
lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend. [2]
Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden
de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk
's-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De
bode des vredes had gesproken,--het gesloten bestand was met de meeste
plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,--de vreugdeschoten knalden
door de Maliebaan--'t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren:
"Rust Neerland!"--was de kreet:
"Rust van Uw heldendaen."
"Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast
in de boutjes," zei een man uit de menigte tot iemand die zich,
in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den
had gemengd.
"Het ding was malsch en niet malsch," antwoordde de aangesprokene:
"haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als
krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in
mijn zak overgegaan."
"Geef hier!" hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het
halssieraad bij zich stak: "Gij zijt een slimme vogel; een dief die
zijn handwerk verstaat."
"Ik ben een dief en geen dief," hernam de tweede: "ik neem,--evenals
de rijken--wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne
kronen in den zak houd."
"Uwe kronen! dat geloof ik," zei de eerste glimlachend, en dan:
"Hebt gij Aaij ook gesproken?"
"Gesproken en niet gesproken," hernam de hansworst: "Ik ontmoette hem,
of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij,
zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft
zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben
weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer."
Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna
rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewonden
publiek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te
beter zijne kansen te kunnen waarnemen.
"Leve de rust! leve de vreugd!
Leve de rust die 't hart verheugt!
Weg met den nijd, weg met den strijd!
Leve de vree en de vroolijkheid!"
Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen
de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst
behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen.
"Nietwaar seigneur!" riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje
te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong,
die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts
langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende
massa's te veroorzaken: "Nietwaar seigneur?" riep de hansworst
nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter,
de omstanders deed schateren van lachen.
Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens
de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer
diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch
eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds
in het aangezicht.
"Wij zijn elkander niet vreemd," zeide de vreemdeling: "Mij dunkt dat
ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg
van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.--Voorzichtig, maat!" vervolgde
hij zachter: "steek den buidel even behendig weer in mijn zak als
gij er dien uit hebt genomen, of anders...." en hij liet dit woord
door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan.
De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te
hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte
van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel
eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht
verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter
werd verlaagd.
Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van
algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende
omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller,
voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid.
"Mijn jachtmes!"--"Mijn buidel!"--"Mijn zakboek!" riepen eenige mannen.
"Zie, mijn zilveren beugel!"--"Mijn gouden doekspeld!"--"Mijn
reukdoosje!" riepen eenige vrouwen.
"Houdt den dief!"--"Houdt den schurk!"--"Houdt den afzetter!" riepen
allen.
De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst
en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den
weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwende stedelingen
hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het
aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen.
Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola
zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen,
gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur,
voor de geopende poort van den Oldenburgh.
Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier
heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien
heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid
aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle
goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland
een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken.
Maar Alonzo?--In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van
die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven
op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken.
--Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik
staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk,
met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij
in dit kasteel vertoonen?--Ja! het is de heilige engel des Heeren die
mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik
den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want,
zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart.
Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo
hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde
de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden,
hare wedergade niet vond.
Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen,
en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds
welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en
drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst.
Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste
stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins
de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast
elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug.
"Alonzo!" zeide het meisje: "hebt gij wel gehandeld? Is het uit een
zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend,
het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij
zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O
Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt
gij Zijns niet waardig."
"Gij miskent mij, dierbaar meisje!" riep Alonzo, haar aan zijn
hart drukkende: "Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den
hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hem
sloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans--evenals Saulus
werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd
gebracht--evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij
tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige
dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop
aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde
boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden,
waren deze: "Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van
Mij getuigen." Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn
hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk,
waartoe ik behoorde, verbiedt 't geen God heeft bevolen. Alles werd mij
duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek
verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij,
door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid
doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het
aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe
hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans
geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer."
Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige
liefde. "En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor
u neder," zeide zij op zacht smeekenden toon: "Zijt gij dan toch nog
bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht
nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien
bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?"
"Ons geluk!" riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart
drukte: "Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel
niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is
het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo
teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. "Ga van hier ontaarde
zoon!" waren de woorden mijns vaders: "Ga van hier, door God verdoemde
ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht,
wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben."
Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen
jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en
terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het
minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te
troosten en op te beuren.
"Lang leve onze waardige graaf!" was de kreet, die eensklaps den jongen
lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats
op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn
geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen.
Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward,
snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne
armen.