Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en
op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de
schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel
verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan
ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans
der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den
alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten,
op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren.
De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van
België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit
geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem
verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij
bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij
met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen,
om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen.
In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel
Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd
toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige
broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht
graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen;
drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde
op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch
de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong
met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af,
die rijp was voor den grooten oogst des Heeren.
Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De
doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats
gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en
vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen.
Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven,
een bewoner terugbekomen.
De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle
verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten
inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet
gekend had.
"Ben ik vandaag zoet geweest?" zeide een allerliefst driejarig meisje,
dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken
van Beaufort zat te spelen: "Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet
stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet,
en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar
zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens bij u op schootje zitten?"--en
zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende,
zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar
met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren.
"Gij zijt een kleine plaagster!" zeide Klaartje, terwijl zij het lieve
kind op haar schoot nam: "Met u kan men nauwelijks de helft van zijn
werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders...."
"Ja, heel stil!" hernam het lieve kind: "en Klaartje zal mij dan
vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje
zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het
zal koud worden."
De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing,
doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even
blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij:
"Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor
te zijn. Want ziet gij," vervolgde zij, zich met Clarisje op den
arm voor het portret plaatsende: "dat is een geschilderd kindje;
het kan niet praten, niet zien, niet...."
"Ja maar het lacht toch," zeide het lieve meisje, haar in de rede
vallende: "en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat
kindje, of is het een ander kindje van mama?"
"Hoor lieve," antwoordde Klaartje: "ik zal u dat later wel eens
vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik
u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of
komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man,
die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens
het leven gered."
"Dat moet een goede man zijn geweest," zeide Clarisje: "Ik zal
dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem,
nietwaar lieve Klaartje?"
Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet
onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe
wond in haar binnenste opengereten: "Ja, voorzeker!" zeide zij
eindelijk: "doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat
gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan
zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed
onthouden hebt."
Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo
Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een
hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde
Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand
hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster
had toegehaald.
Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal,
had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. "Is Spanje
met Nederland in vrede," had hij gezegd: "en hebt gij de leer van
Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag
mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van
mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kunt gij mijn kleinood naar
het altaar geleiden.--Ga! God zij met u!"
En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde
geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn
zoon had uitgesproken. "Wie vader of moeder lief heeft boven Mij,
is Mijns niet waardig." Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had
wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat
het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de
goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den
hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde,
die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren.
Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand,
hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en
trouw gezworen.
Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest,
en het huwelijksfeest, 't welk juist tot het jaarfeest des graven
was uitgesteld, werd met ongemeenen luister op den Oldenburgh gevierd.
Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den
graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toen Adelgonde eindelijk, na den
dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam
der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet
langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen
zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd
zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem
nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het
thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn
ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog
eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten.
"Mijn Gonne is altijd even toegevend," zeide Alonzo eens tot zijn
bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten,
zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. "Ik
wilde wel," vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn
voet over den vloer heen en weer rolde: "ik wilde wel, Gonne, dat gij
mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt,
ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf
zulk een liefde niet te verdienen."
"Beste Alonzo," zeide Adelgonde: "waarom zoudt gij die liefde niet
verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd
al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig
te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder
u was er voor mij toch geen geluk op aarde."
"Gij zijt een engel!" hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast
dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag
een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien.
"Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt,"
hernam hij: "Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een
zoen. Zie zoo!--gij moogt uw lieve oogen niet bederven."
"'t Is waar," zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: "Het licht
is al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij
voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht,
nietwaar beste vriend?"
Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig
wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes
schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het,
terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde:
"Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje
zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man
geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!" en het aardige meisje
kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien.
"O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!" zeide
Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: "maar,"
vervolgde hij vleiend: "gij zult mij ook een zoon schenken, is het
niet zoo?" en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een
zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden:
Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand."
Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het
avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een
buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld
doch verrast deed opspringen.
"Lieve vader!" riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die,
in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden:
"Lieve beste vader!" riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven
hals bleef hangen: "hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!"
Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn
schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste
verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem
door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne
kinderen naast zijnen zetel plaats namen: "Het is mij goed weer bij
u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde,
deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en...."
"Een gevaar!?" riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: "Wat is
u overkomen?"
"Ik zal het u verhalen," hernam Van Bergen: "doch vooraf verzoek ik
u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf,
dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn."
Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen
hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht,
toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had
gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave
van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door
den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze
de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens
een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was
neergevallen.
Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en
verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden
vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien.
Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo's knechten het
kasteel Beaufort binnengedragen.
De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep;
een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten,
niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven
zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen.
Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis
bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek,
waar de ongelukkige terneer lag.
Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins
wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken
lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van
verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd
verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich
vroeger Walter Van Rodenberg noemde.
"God, Walter! zijt gij het?" riep de graaf, terwijl hij verbleekte,
en bevend den nederliggende beschouwde: "Walter, Walter! waartoe zijt
gij gekomen!"
Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich
heen.
"Ha!--eindelijk vernietigd!" riep hij met schorre stem: "Het is reeds
lang genoeg.--Waar is de dood?--Kom spoedig!"--en met een ontzettende
krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een
hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het
aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend
den geest gaf.
Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen
indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen
had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was "het
opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid
afgegleden," en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van
Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar
zijn laatste rustplaats.
Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor
de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den
Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier
een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd.
Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat
de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift
van zijn doorluchtigen beschermer.
Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen,
veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal
geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de
oogen. "Dáár, dáár," riep hij in vervoering uit: "lees.... zie.... ik
kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft
zich mijner ontfermd!"
Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was
de voorspraak van den echtgenoot der schoone Hagenlelie geweest, en
de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon
weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen
weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn
ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor
meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan.
Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven
nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te
zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen.
Het vroolijke kamermeisje van de schoone Hagenlelie was, twee
maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt
getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken,
en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op
het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad,
gelijk zijn goede huisplaag,--zooals hij Anne meermalen schertsend
noemde--steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene
trouwe moeder voor hare kinderen bleef.
Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen,
dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen
kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend
gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige
oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan
zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes
plaats bij haar te komen innemen.
Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De
akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds
sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede
gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed
aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken
had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant
van een wissen dood had gered.
Het schilderstuk, 't welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien,
was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen,
en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van
hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat
het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen.
Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het
sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste
oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer
zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht.
Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot
toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomen vergiffenis
geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster
als berouwhebbend Katholiek gestorven.
Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene
kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt
getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken;
en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot
zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne
schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel van den goeden
graaf gegeven.
Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf op den Oldenburgh, en door
hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds,
de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te
kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden
Burgman is verloren gegaan.
Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde
niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft
hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem
nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer
ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig
gevonden heeft.