Zoodra Alonzo met zijne volgelingen buiten het kasteel was gekomen,
verdeelde hij de manschappen in eenige groepen. Elk dezer groepen
wees hij een verschillenden weg aan, met bevel om aan alle woningen,
die zij voorbij zouden komen, een nauwkeurig onderzoek in het werk
te stellen. Maarten werd, met nog twee andere knapen, stadwaarts
gezonden. Burgman moest met de zijnen het zandspoor naar Delft
volgen. Elbert met nog eenigen moest den zandweg houden, die
van het kasteel rechtstreeks op Leiden aanliep, terwijl Alonzo
zich voorbehield om met Rudolf de stadwaarts trekkenden, langs de
laan van het Nieuw-Oosteinde tot aan den Bezuidenhoutschen weg te
vergezellen, waarna hij, hen verlatende, het Bosch in alle richtingen
wilde doorkruisen, om eindelijk op den zandweg tusschen Den Haag en
Leiden zijne nasporingen voort te zetten.
Weldra verloren de optrekkenden elkander uit het oog. Geen woord werd
er gesproken; de diepste stilte werd door allen in acht genomen, en
ieder wenschte zich het voorrecht te mogen hebben, de veelgeliefde
jonkvrouw binnen de muren van den Oldenburgh terug te voeren.
"God geve dat de anderen gelukkiger zijn!" zeide Rudolf, toen hij,
na een rit van bijkans twee uren, met Alonzo op den voornoemden
zandweg kwam. "Wij kunnen nu de lantaarn wel uitdoen," vervolgde hij:
"het is hier veel lichter dan in het bosch, en de lucht begint in
het Oosten al helder te worden."
"Geen hoop verloren!" zeide Alonzo: "Wij zullen de paarden nu in een
kleinen draf zetten. Liggen er geen woningen aan dezen weg?"
"Laat zien," antwoordde Rudolf: "nog een goed kwartier rijdens en wij
zijn aan den viersprong. Een half uurtje verder ligt een boerenhoeve,
en nabij Leiden moeten wij rechts nog een kleine kroeg voorbij."
"Ja, ik herinner mij dien viersprong zeer goed," hernam Alonzo:
"Indien ik mij niet bedrieg staat er een steenen kruis."
"Daar zou ik u wonderlijke avonturen van kunnen verhalen," zeide
Rudolf: "menige goede ziel is van die plaats naar de eeuwigheid
verhuisd! Men wil dat de duivel zelf dat kruis daar heeft gezet,
om de geloovigen te lokken en ze daarna den nek te breken."
"Malligheid!" bromde Alonzo, die eenmaal zelf met dien duivel had
kennis gemaakt! "Niets dan oudewijven praatjes. Ik hoop niet dat gij
dien zotteklap gelooft?"
"Ik niet," hernam Rudolf: "en al ware het ook zoo, al krioelde het
er ook, zooals men zegt, van duivels en spoken, ons protestanten
durven ze toch niet aan; maar de geloovige papen, ja als ze die in
hun midden kunnen krijgen, dan blijft er geen haar of been van over."
"Dan dien ik op mijne hoede te zijn," zeide Alonzo glimlachend.
"Gij, edele heer?" zeide Rudolf, terwijl hij zijn tochtgenoot
bedenkelijk aanzag.
"Welzeker," hervatte Alonzo: "ik behoor tot die geloovige papen,
zooals gij ons katholieken gelieft te noemen. Uw gezelschap zal
mij nú echter, zoo ik hoop, tegen een aanranding van die gevreesde
personages vrijwaren."
Rudolf antwoordde niet; hij gevoelde zich zeer onaangenaam te moede;
maar dankte evenwel den hemel dat het spoedig dag zou worden, en
de kwade geesten dan--bij het eerste morgenlicht voor goed naar hun
donkere schuilplaats zouden terugkeeren.
Alonzo, met zijn belangrijk doel voor oogen, had verder geen lust
zich met den eenvoudigen rijknecht bezig te houden, terwijl deze,
met zijn katholieken metgezel, zich maar half op zijn gemak bevond,
en het geraden oordeelde, tot voorbij het steenen kruis, de achterhoede
uit te maken.
"Groote God, wees onzer genadig!" riep Rudolf eensklaps met angstige
stem. Alonzo zag verschrikt om en ontwaarde den dienaar die, met de
doodskleur op het gelaat, stokstijf voor zich uit staarde.
"Wat moet dat misbaar beteekenen?" vroeg Alonzo gramstorig.
"Dáár, dáár," stotterde Rudolf, met den vinger voor zich uit wijzende:
"ziet gij dáár, aan den kruisweg, dat witte spook niet fladderen? Bij
het heil mijner zalige moeder, ik ga geen stap verder! Laat ons
terugkeeren genadige heer! geloof mij, als wij in de handen dier
wezens vallen, dan blijft er geen spoor van ons over."
Alonzo richtte zijn blik naar de aangeduide plaats, en werkelijk zag
hij het voorwerp van Rudolfs vrees. Een kreet van verrukking ontglipte
er aan zijn mond; zonder een oogenblik te toeven gaf hij zijn paard
de sporen, en rende den ontstelden dienaar voorbij en op het steenen
kruis aan.
"Het is met hem gedaan!" riep Rudolf, en zich niet sterk genoeg
gevoelende, om het ijselijk schouwspel aan te zien, wendde hij
zijn ros, en nam, met denzelfden spoed, den terugtocht naar den
Oldenburgh aan.
Weldra was Alonzo de bedoelde plaats genaderd; snel sprong hij van zijn
paard, en ijlings op het gewaande spook toegetreden, bespeurde hij tot
zijn onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne hoop hem niet had bedrogen,
dat de schoone Adelgonde in waarheid door hem was wedergevonden.
Daar lag de bekoorlijke Hagenlelie, van vermoeienis aan deze eenzame
plaats in slaap gevallen. De nachtwind speelde kwistig met haar
blonde lokken, en deed het witte kleedje om haar verkleumde leden
fladderen. Daar lag zij, de bloem der schoonen! Maar hoe!--had de
vorst der duisternis haar niet op een lage doch listige wijze, in
zijn strik gelokt; had hij haar niet schandelijk haar eer ontroofd? of
had de heilige Moeder Gods haar wellicht wonderbaarlijk beschermd?
"Ontwaak schoone Adelgonde!" riep Alonzo, terwijl hij zich over
de bekoorlijke slaapster henenboog en met innige verrukking hare
hemelsche trekken beschouwde.
"Wie roept mij?" lispte het nog sluimerende meisje, nadat een pijnlijk
lachje zich over haar gelaat had verspreid; doch plotseling wreef
zij de nog benevelde oogen, en zag Alonzo vol verbazing aan.
"Ga, ga!" zeide zij: "gij zijt immers Spinola, gij, de vijand die mij
in het verderf hebt willen storten. Ga, vlucht, of mijn toorn blijft
op u!"
"Adelgonde! dierbare Adelgonde!" sprak Alonzo smeekend: "Wat heb ik
gedaan dat uw mond deze woorden tot mij spreekt? Bij God! ik ben
onschuldig aan het onheil dat u is weervaren. Weer mij niet van u
af; ik zal u aan uw vader teruggeven, Ach, dood mij niet met het
ondraaglijk gevoel uwer verachting!"
"Ja, gij hebt mij in de woning mijner ware ouders laten terugvoeren,
maar door wien!" hernam Adelgonde: "door een booswicht. En in die
woning!.... De hemel weet hoe zwaar ik er beproefd ben geworden."
Alonzo wist niet te antwoorden. Dat een ander haar onder zijn naam
had ontvoerd, hij was er zeker van. Wie die ellendeling was, liet
zich zeer wel gissen, doch, wat die terugvoering in de woning harer
ouders, waarvan Adelgonde sprak, beteekende, dit kon hij zich niet
verklaren. Wél had hij bij zijn toevallig bezoek op den Blankert,
haar onwettige afkomst hooren bevestigen; doch het onder zijne handen
berustende portret had hem,--naar zijne meening--, een sprekend
tegenbewijs geleverd, en thans,--van die heuglijke waarheid overtuigd,
hoorde hij nu Adelgonde zelve van haar ware ouders gewagen.
Hoezeer Alonzo's karakter in enkele opzichten twijfelmoedig kon
genoemd worden, in dit oogenblik, met het werkelijke beeld eener
idealische heilige vóór zich, kon hij niet langer wankelen. Liefde
en trots worstelden niet meer in zijn binnenste, en wat Adelgonde ook
mocht gevoelen, welke drijfveeren haar ook mochten hebben aangespoord
tot het schrijven van de letteren welke hij, eenigen tijd geleden,
ontvangen had--Alonzo verstond het duidelijk, dat, terwijl hare
lippen de woorden: vijand en toorn hadden uitgesproken, de echo van
haar hart de klanken: vriend en liefde hadden weerkaatst.
"En gij zoudt kunnen denken, dierbare Adelgonde," hervatte Alonzo
eindelijk: "dat ik haar, die mij eenmaal de woorden: "Ik bemin u,"
heeft toegefluisterd, aan de misdaad en schande zou prijs geven? O! wat
ons ook van elkander heeft gescheiden, niets is meer in staat om mijne
liefde voor u te dooven. De hemel doet mij u ten tweedenmale op mijn
weg ontmoeten; ik heb den waardigen graaf een zoon doen wedervinden:
God zij dank dat ik hem ook eene dochter terugschenken mag!"
Afgemat en verkleumd, kon Adelgonde den geheelen samenloop der
omstandigheden nog geenszins in haren geest verbinden, en ook de
laatste woorden begreep zij niet, doch Alonzo's edele blik boezemde
haar een onbepaald vertrouwen in, en gewillig gaf zij zich aan zijn
zorgvuldige leiding over.
"Ik ben zeer koud," zeide zij, klappertandende: "mijne kleeren zijn
nat van den dauw."
De jongeling was het dierbare meisje nu in het opstaan behulpzaam;
met de teederste bezorgdheid sloeg hij zijn mantel om hare schouders,
tilde haar vervolgens op zijn paard, en terwijl hij haar met de eene
hand ondersteunde, nam hij de teugels in de andere, en leidde alzoo
den kostbaren weergevonden schat naar de woning, waar men in gespannen
verwachting den uitslag der nasporingen te gemoet zag.
Reeds werden de toppen der boomen door de eerste stralen der morgenzon
verguld, reeds weken de dampen om door kleuren vervangen te worden,
en verliet de leeuwerik zijn nederig verblijf, ten einde het voedsel
voor zijn gezin te zoeken, toen Van Bergen is voortdurende onrust,
zijn kasteel op en neer liep.
In hetzelfde oogenblik dat Rudolf kwam aanrennen, bevond hij zich op
de binnenplaats.
"Gij brengt mij geen goede tijding," zeide Van Bergen, toen bij het
bleeke gelaat van den rijknecht bespeurde.
"O, het is verschrikkelijk!" antwoordde de dienaar, terwijl hij van
het schuimende ros stapte: "Hij is door een helsch wezen naar den
afgrond gesleept."
"Hebt ge uw hersens verloren Rudolf!" zei de graaf, terwijl bij hem
scherp in de oogen zag: "Wat en van wien spreekt gij?"
Rudolf verhaalde nu hoe zijn paapsche metgezel door een bovennatuurlijk
wezen in het verderf was gelokt, en hoe datzelfde wezen hem, weinige
seconden later, als door een tooverslag had vernietigd.
"Hebt gij dat met eigen oogen gezien?" vroeg de graaf, nadat Rudolf
had uitgesproken.
"Gezien, genadige heer?" antwoordde de bijgeloovige man: "Ja zie,
gezien heb ik het eigenlijk niet; de moed ontbrak mij om koelbloedig
het einde der zaak af te wachten: maar zeker toch heb ik het spook
zien fladderen, en nauwelijks had ik het dien paapschen heer doen
opmerken, of hij werd door een bovennatuurlijke kracht naar die plaats
getrokken, en...."
"En koost gij, door een ellendig bijgeloof gedreven, lafhartig het
hazenpad? Ik versta dit," vervolgde Van Bergen: "en toch vorder ik
van u, ondanks alle spoken of helsche wezens, dat gij den jongen
graaf Spinola gaat opzoeken, ten einde mij te berichten, wat er van
hem geworden is."
Rudolf zette een gezicht als ware hij tot den brandstapel verwezen;
doch het karakter van zijn heer kennende, en zeer wel wetende dat
alle tegenspraak vruchteloos zou zijn, zette hij den voet in den
stijgbeugel en verliet weinige seconden later de binnenplaats.
"Indien gij het mocht vergeten hebben," riep Van Bergen hem achterna:
"zoo herinner ik u: dat hij die zich op God verlaat, in Zijn hand
altijd veilig en wél bewaard is."
Wel verre van in Rudolfs verhaal iets verontrustends te zien,
koesterde Van Bergen integendeel de heimelijke en, zoo wij weten,
gegronde hoop, dat Alonzo met een gelukkig gevolg zijne nasporingen
zou hebben voortgezet, en dat het witte spook zijn geliefde Adelgonde
zou geweest zijn.
Weder was er een uur verstreken.
De graaf had zich op eene bank onder den zwaren lindeboom
nedergezet. Van deze plaats kon hij beurtelings den blik richten
naar de drie verschillende wegen, langs welke zijne zendelingen
moesten terugkomen.
Na lang turen zag hij eindelijk aan het einde der laan een dikke
stofwolk opstuiven. Het was Rudolf, die nog sneller dan te voren kwam
aanrennen, terwijl zijn gelaat heel anders stond dan bij zijn eerste
te huiskomst.
"Zij is er! zij is er!" riep hij den graaf reeds van verre toe:
"Binnen een half uur zijn zij hier!" vervolgde hij, naderbij gekomen:
"De freule is frisch en gezond; ik heb haar gezien; zij lachte van
blijdschap, en de jonge Spaansche graaf gaat insgelijks ongedeerd
aan hare zijde."
Zooals Rudolf gezegd had, verliep er nog ruim een half uur, eer
Van Bergen de terugkeerenden ontwaarde. Reeds had hij in zijn geest
de woorden gekozen, welke hij het lieve meisje zou toespreken, om
eensdeels haar gevoelig hart niet te kwetsen, doch om haar tevens op
een zachte wijze het verkeerde van hare daad onder het oog te brengen.
Deze voorzorg echter was noodeloos geweest, want nauwelijks had het
beproefde meisje haar pleegvader ontdekt, of zij snelde luid snikkende
naar hem toe, en hij.... stom van blijdschap, drukte haar vast in zijn
armen, en kon niets uitbrengen dan de woorden: "Gonne! mijn lieve,
mijn beste Gonne!"
Alonzo werd door dit schoon doch roerend tooneel diep getroffen. O
hoe gaarne had hij in dit oogenblik dien edelen, dien waardigen man
insgelijks vader, en die zachte schoone, zijn lieve Gonne genoemd;
ja, in dezen stond kon slechts kieschheid hem beletten, om voor zijn
dubbelen dienst een zoo gewenschte belooning af te smeeken.
Zoodra Van Bergen met zijne pleegdochter en Alonzo in de kleine zaal
was gekomen, liet hij eenige ververschingen opdragen.
"Ik ben u oneindig veel verplicht, wakkere jongeling!" sprak hij
tot Alonzo. "Ja, Gonne, gij weet het nog niet: van nu aan hebt gij
een broeder. Spinola heeft mij een verloren zoon doen wedervinden,
zooals ook gij, door zijn ijverige nasporingen, ongedeerd in mijne
armen zijt teruggevoerd."
Adelgonde zag den graaf vragend aan.
"Alles is mij zelven een raadsel," ging Van Bergen voort: "God alleen
is het bekend, waarom de boosheid tot heden zulke dichte netten om mijn
levensgeluk heeft moeten werpen. Thans echter ben ik weer gelukkig,
en hij, dien ik naast God den meesten dank ben verschuldigd, hij kan
tot mijn laatsten snik op die dankbaarheid staat maken; hem zij de
zegen van God en de eere der menschen, terwijl ik voor altijd zijn
schuldenaar zal blijven."
Het hart van den vurigen minnaar klopte hevig in zijne borst, Hij wilde
spreken, doch aarzelde weder. Eenige oogenblikken nog bleven zijn
donkerbruine oogen op Adelgonde gevestigd; toen wendde hij zich tot
den graaf, en sprak langzaam doch met een vaste stem: "De goede daad,
uit baatzucht volbracht, verliest hare waarde; daarom edele graaf,
ben ik bevreesd door u veroordeeld te worden. Mijn woord als edelman
echter zij u voldoende, om te gelooven dat ik onbaatzuchtig aan de
stem der menschlievendheid het oor heb geleend.--Door de gunst der
Heiligen mocht ik het voorrecht hebben tot uw geluk werkzaam te zijn;
ik heb dien eervollen plicht vervuld, en wel verre van uwe dankbaarheid
te vorderen, moet ik de Heiligen danken, dat ik hierdoor aan mijn
eeuwig heil heb mogen arbeiden.--Maar nochtans, edele graaf!" ging
Alonzo voort: "is het vreemd dat hij, die u een zoon en een dochter
mocht terugschenken, u bidt: o maak een klaverblad van het getal uwer
kinderen; neem hem tot zoon, die u zoo gaarne vader zou noemen: hij
biedt u zijn kinderlijke liefde, en uw engelreine dochter: zijn hart,
zijne trouw en zijn gansche leven aan."
Van Bergen stond als door den bliksem getroffen. Hoe! was die redder
van zijn lievelingen dan niet de zoon van den beruchten Spinola? was
hij geen Spanjaard? geen vijand van het dierbare Nederland? geen vijand
van het zoo duur gekocht geloof? Zou Adelgonde ooit in dat land van
bij- en ongeloof met dien vreemdeling gelukkig kunnen zijn? En hij
zelf, zou hij dat dierbare wezen verre--verre van zich laten gaan,
en alzoo vrijwillig de hoop verijdelen, om haar aan de zijde van een
waardigen echtgenoot in zijn laatste levensjaren gelukkig te zien?
"Jongeling! gij eischt veel, gij eischt het onmogelijke van mij," sprak
de graaf: "Beseft gij dan niet, dat mijn geslacht evenmin met het uwe
kan vereenigd worden, als Nederland, zoo lang er nog strijdbare mannen
zijn, aan Spanje kan toebehooren?--Jongeling, zoo waar God leeft, ik
acht u hoog," vervolgde de graaf, terwijl hij Alonzo de hand reikte:
"Beschuldig mij niet van ondankbaarheid. Ik weet het, gij zijt de
man die mij mijne kinderen hebt teruggegeven, doch juist daarom zult
gij mij die lievelingen laten behouden; eisch alles wat gij wilt,
maar laat mij mijne dochter! Uw vaderland is het hare niet; en uwe
kerk--zij is de hare evenmin."
Alonzo was op dit antwoord geenszins voorbereid. De woorden van den
graaf waren hem als kokend lood op het hart gevallen. Een oogenblik
stond hij als versteend; doch weldra zijne tegenwoordigheid van geest
terugbekomende, trad hij op Van Bergen toe; nam de hem toegereikte hand
aan, en beurtelings zijne oogen naar Adelgonde en haren pleegvader
wendende, sprak hij met een stem bevende van aandoening: "Graaf Van
Bergen, het is u gebleken dat ik wél uw geluk, maar geenszins uw
ongeluk heb bedoeld. Mijn geluk derhalve begeer ik niet ten koste
van het uwe. Adelgonde zal, evenals ik, gelaten haar kinderplicht
vervullen. Welaan dan, mijne taak in uwe woning is afgedaan; ik
vertrek, en de tijd zal, zoo ik hoop, mijne smart verzachten. Geloof
echter, edele graaf, dat mijn vaderland dáár is waarheen mijn hart
trekt, en dat mijne kerk die kerk is, waar God en zijn groote Zoon
verheerlijkt worden."
Alonzo zweeg,--Adelgonde zag strak voor zich neer, en Van Bergen, in
wiens oogen een paar dikke tranen waren opgeweld, wilde den jongeling
nog eenige woorden toespreken, toen hij daarin eensklaps verhinderd
werd door een hevig rumoer, 't welk zich op het portaal liet hooren.
"Laat mij door! laat mij door, zeg ik u!" riep eene vrouwenstem buiten
de zaal: "Ik moet, ik wil den graaf spreken. Waar is hij? O ik bid u,
laat mij bij hem!"
Van Bergen, niet begrijpende wat dit moest beteekenen, deed de deur
open, en onmiddellijk stoof vrouw Barbara in havelooze kleeren en
met loshangende haren de zaal binnen.
"Wij hebben dit wijf nabij Leiden ontmoet," zeide Elbert, die met zijne
knapen op het portaal was blijven staan: "Wij hebben haar ondervraagd
om de genadige freule op het spoor te komen, doch zij antwoordde niet,
en zeide alleen naar den Oldenburgh te gaan, om uw genade onverwijld
te kunnen spreken; wij zijn toen dadelijk teruggekeerd en wilden haar
beneden houden om u van de zaak kennis te geven, doch zij stelde zich
zoodanig te weer, dat wij haar onmogelijk konden beletten onaangediend
tot uw genade door te dringen."
Zoodra Barbara de haar ontvluchte Adelgonde gewaar werd, ontstelde
zij zichtbaar.
"Vrouw, wat wilt gij?" zeide Van Bergen, nadat hij Elbert een wenk
had gegeven om zich te verwijderen.
"Genade! vergeving! ontferming!" riep Barbara, terwijl zij aan des
graven voeten neerviel: "Genade voor mij en voor een stervende,
die onder hevige smarten zijn einde te gemoet gaat."
"Sta op, vrouw," zeide Van Bergen: "voor God alleen moogt gij
knielen. Welke misdaad hebt gij bedreven? Waarvoor komt gij mijn
genade inroepen? Spreek zonder dralen, doch maak het kort!"
Vrouw Barbara stond op; wischte zich het zweet van het voorhoofd,
en begon eindelijk met een eenigszins bevende stem: "Mijn gelaat
zult gij u wellicht niet meer herinneren, genadige graaf; ook is het
reeds meer dan twintig jaren geleden, dat wij elkander voor het laatst
gezien hebben. Ik ben Barbara Leendertz, de vrouw die baker bij uwe
gemalin was, toen hare genade voor de eerste maal moeder werd. De
man die thans zieltogend in mijne woning ligt, was de vreemde arts,
die bij hare moederwording tegenwoordig was. Gij waart in den strijd,
genadige graaf, en toen gij terugkwaamt...."
"Werd mij door u een dood wicht als de pasgeboren zoon aangewezen,"
viel Van Bergen haar schielijk in de rede.
"Het is zoo," hernam Barbara: "doch de duivel had mij verleid om u die
leugen te verkondigen. Zekere Rosio, een geneesheer, zooals hij zich
noemde, uit Frankrijk afkomstig, wist mij door schoone woorden en een
ruime belooning tot een schandelijk bedrog over te halen. Gij bewijst
der kerk van Rome een onschatbaren dienst, zeide hij: indien gij dat
kind aan het kettersche geloof ontrukt en voor de Heilige Moederkerk
bewaart.--Den vorigen nacht was eene mijner kennissen van een dooden
zoon bevallen; dat lijkje werd,--tegen een kleine belooning, weldra
ons eigendom; en terwijl de geneesheer uw levenden zoon naar mijne
woning bracht, legde ik het doode kind in een kistje, en bleef tot
uwe tehuiskomst uw zwakke vrouw bewaken."
"Groote God!" riep Van Bergen uit, "moest zóó dat ongelukkige kind aan
onze zorgen worden ontrukt!--Ga voort," vervolgde hij tot Barbara:
"en de Heer schenke mij kracht om even bedaard te vernemen wat gij
met mijn zoon hebt aangevangen, als Hij langmoedig de zonden zijner
menschenkinderen gadeslaat."
"Nadat uw kind verscheidene jaren door mij was bewaard," hervatte
Barbara: "kwam op zekeren avond een man in mijne woning, dien ik
weldra voor dien geneesmeester Rosio herkende. Zes jaren was hij
uitlandig geweest, en had bij de oude gravin Van Bergen God hebbe hare
ziel!--de plaats van rentmeester bekomen; hij vernam naar uw zoon,
dien ik gedurende al dien tijd voor de wereld had verborgen gehouden,
en gaf mij den wensch der gravin te kennen, om het kind ten harent te
ontvangen, ten einde het verder, op een meer gepaste wijze, in het
ware geloof te laten opvoeden. Op een stormarchtigen nacht bracht
ik het kind, met mijn nu zaligen zoon Casper, naar den Blankert,
waar die rentmeester verder voor de opvoeding heeft zorg gedragen,
doch waar het arme schaap nu zeker met dien schrikkelijken brand
onder het puin is omgekomen."
Van Bergen sprak niet, maar greep Alonzo's hand, en terwijl hij die
aan zijn hart drukte, scheen hij nu eerst recht te beseffen, welk
een onschatbare weldaad de edele Spanjaard hem had bewezen.
"En hebt gij bewijzen van hetgeen gij zegt?" zei de graaf eindelijk,
terwijl hij, hoewel innerlijk van de waarheid overtuigd, reikhalzend
naar schriftelijke bewijzen uitzag.
"Denkt gij dan dat ik mij zelve zou komen beliegen?" hernam Barbara:
"De man smeekt en kermt om uwe vergiffenis; zonder die is hij verdoemd,
en bedreigt hij ook mij met het eeuwige vuur. Doch bewijzen? ja ik heb
ze gehad," ging zij voort: "maar ze zijn mij ontstolen. Een aflaat om
mijn geweten te stillen mij door dien rentmeester bezorgd, benevens
een bewijs van ontvangst door de gravin Van Bergen onderteekend,
dit zouden waarborgen voor de waarheid mijner woorden zijn geweest."
Alonzo bracht de hand aan het voorhoofd om zich te bezinnen waar hij
de papieren, aan den ronselaar ontsnapt, had gelaten.
"Die stukken zullen u geworden," zeide hij eensklaps tot Van Bergen:
"ze zijn door bijzondere omstandigheden mijn eigendom geworden. Morgen
of heden nog, zullen ze in uwe handen zijn."
"Zijt gij de dief?" riep Barbara, terwijl zij zich geheel vergetende,
met de armen in de zij voor Alonzo plaatste: "Spreek, schurk, met uw
fijn geslepen tronie, waar is mijn geld? Ha! ik begrijp al wie gij
zijt," vervolgde zij, nadat de gebiedende stem van den graaf haar
vruchteloos tot zwijgen had aangemaand: "gij zijt de bondgenoot van
dien ellendigen vadermoorder, van dien Van Rodenberg, die, voor een
goede som dat arme bloedje dáár, dezen nacht in mijne woning heeft
gebracht.--Ja, genadige graaf," ging zij in één adem tot Van Bergen
voort: "ja, dat mensch heeft het lieve duifje in het ongeluk willen
storten, maar hij kwam te laat, en toen Rosio de schoone vrucht vóór de
komst van dien ander wilde plukken, bleef zij evenwel ongedeerd, want
hij zonk plotseling ineen, dewijl een hevig vergif zijne ingewanden
verscheurde. Zijn bastaardkind had hem vergiftigd. Die Van Rodenberg,
het monster, 't welk Rosio bij uwe stiefmoeder verwekt en als vondeling
had neergelegd, was door den tijd tot vadermoorder opgewassen. God
verdelge hem! maar vergeve ons dat wij hem behulpzaam zijn geweest om
u zoo vele jaren van ongeluk te berokkenen. Ja graaf, gij weet nog
niet alles: Gij weet niet dat de haat, de nijd en de afgunst van uw
stiefmoeder, u ongeluk en rouw hadden gezworen; gij weet niet dat uw
grijze vader, kort nadat hij zijn onwaardige gemalin had verstooten,
aan een langzaam werkend vergif is weggekwijnd; Rosio mengde die drank;
ook daarvoor smeekt hij u genade."
Om 's graven antwoord af te wachten zweeg Barbara een oogenblik. Deze
echter sprak niet maar was in diepe gedachten verzonken.
"Nog slechts weinige woorden heb ik tot u te spreken, genadige graaf,"
hervatte de vrouw: "maar bij de Heilige Maagd! zeg mij dan eerst
of gij het ons vergeven wilt? Zie, ik biecht voor u, dewijl Rosio
het mij bevolen heeft. Gij behoort wel is waar tot de ket.... de
hervormden, maar Rosio zeide mij dat uw vrijspraak, de genade uit
den hemel was. Wilt gij echter geen genade schenken, zoo moet ik
bidden voor het heil der gezonkene ziel, die al stervende bekent,
het verderf van uw geslacht te hebben bewerkt."
"Wat God over ulieden besloten heeft is mij niet bekend," zeide Van
Bergen: "Geen sterfelijk wezen is de raadsman naar wiens uitspraken
de Onzienlijke zich richten zal. Wij allen hebben vergeving
noodig. "Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan
onze schuldenaren," dit is de bede welke ik dagelijks ten hemel
opzend. Welnu, toon uw berouw, en God zal u genadig zijn zooals ik
ulieden insgelijks wil vergeven."
"Die woorden gaven u de Heiligen te spreken!" riep vrouw Barbara,
nadat zij door den graaf was verhinderd nogmaals aan zijne voeten neer
te knielen. "O ik zie het," ging zij voort: "gij zijt vergevensgezind,
en ik durf dus hopen, goedgunstig door u te worden aangehoord wanneer
ik u nog een geheim meedeel, 't welk mijn geweten sinds vele jaren
bezwaarde."
Van Bergen hield zijne oogen doordringend op Barbara gevestigd.
Alonzo, gerust in de overtuiging zijn plicht te hebben vervuld, had
zich wijselijk van een woordenstrijd met de vreemde vrouw onthouden;
hij vertrouwde, en met recht, dat men te zeer van zijn welgemeende
gevoelens zou doordrongen zijn, dan dat men hem een oogenblik van
de aangetijgde wandaad zou kunnen verdenken. Integendeel voelde hij
zich gelukkig, eenige duistere wolken te zien wegdrijven, en zich
ongezocht nog eenige oogenblikken in de beschouwing der bekoorlijke
Adelgonde te kunnen verlustigen.
"De dag zal u gewis nog heugen," ving Barbara weder aan: "toen gij,
drie jaren na de eerste bevalling uwer zalige gemalin, nogmaals te
velde trekkende, haar in gezegenden toestand moest achterlaten. Gij
kwaamt terug, en terwijl gij de hoop voeddet twee dierbare wezens aan
het hart te drukken, vondt gij bij uw tehuiskomst een woning van rouw,
want moeder en kind lagen reeds verscheidene dagen in het donkere
graf.--Ja, ik weet nog zeer goed hoe gij jammerdet en kermdet,"
vervolgde Barbara: "hoe gij het graf wildet ontsluiten, om de lijken
van moeder en kind met uw tranen te bevochtigen; hoe de raad van
uw vrienden, en bovenal van den geneesheer Rosio--want deze was ook
nu weder bij de bevalling tegenwoordig geweest--u met moeite van dat
akelige voornemen deed afzien, en hoe gij dagen en nachten vruchteloos
ronddooldet om uw rust en kalmte terug te vinden.--Graaf Van Bergen,
herinnert gij u nog hoe eenige dagen later, een kind, een meisje,
in lompen gewikkeld, bij de poort van dit kasteel door u zelf werd
gevonden? hoe tusschen die lompen een stukje papier was gestoken,
waarop met onduidelijke letters geschreven stond: dat een paar arme
doch brave ouders, u dit kind ter verpleging aanboden; dat zij niet
bekend wilden zijn, doch den volgenden avond aan die zelfde plaats
zouden terugkomen om uw antwoord daar te vinden, hetzij de kleine,
zoo gij u harer niet wildet aantrekken, hetzij een geldelijke
ondersteuning ten einde hun andere kinderen voor broodsgebrek
te bewaren?--Gij hebt toen het wurmpje liefderijk opgenomen,"
vervolgde Barbara: "gij hebt het tot eene maagd zien opgroeien, die,
om haar uitnemende schoonheid, in de vorstenstad en hare omstreken
de Hagenlelie wordt genoemd.--Welnu, dat kind--dat meisje, 't welk
gij thans zoo onuitsprekelijk lief hebt, weet gij graaf Van Bergen,
wie de moeder van dat wurmpje was?--Zij is het kind van uw gade--zij
is uw eigen dochter.--Jezus! Maria! weest ons genadig! Wij hadden
het u, evenals uw zoon ontstolen, en het stoffelijk overschot uwer
zalige gemalin,--wier spoedig uiteinde door Rosio was bewerkt,--is
slechts alleen naar het graf gedragen."
Het zou voorzeker een wanhopige poging zijn om de diep ontroerde
gemoederen op de onstuimige baren hunner aandoeningen te volgen.
Neen; wij wagen ons niet op het fel bewogen element; de winden zijn
te hevig, de golven schuimen te hoog, en de krachten des schippers
zijn te zwak om het roer naar eisch te wenden.
Genoeg,--bij zooveel misdaad en toch nog zooveel zegen in 't eind,
kampten verontwaardiging en jammer met dankbaarheid en verrukking.
Van Bergen had de spreekster ternauwernood tot het einde kunnen
aanhooren. Bij de woorden: "Zij is het kind van uw gade," was hij
eensklaps van zijne zitplaats opgesprongen, en had de vrouw bij haar
beide armen gevat, als om zich te overtuigen dat een levend wezen
hem deze woorden had toegesproken.
"Adelgonde! Adelgonde!" riep hij eindelijk;
"God! Zij is mijn kind!--Gerechte hemelsche Vader! is het
waarheid? Adelgonde!--mijne--mijne lieve dochter! kom--o kom--in de
armen van uw vader...." Nu was het den graaf onmogelijk verder te
spreken. Een luid geween verlamde zijne tong, en nadat Alonzo hem het
dierbare meisje in de armen had gevoerd, overlaadde Van Bergen haar
met tallooze kussen, en klemde haar vast aan zijn hart, als vreesde
hij dat nieuwe aardsche machten hem zijn schat zouden ontrooven.
Zoo liefelijk als het veelal is eene vrouw in vreugde of droefheid
te zien weenen, zoo akelig is het steeds wanneer een man zijne
aandoeningen op deze wijze moet lucht geven: Van Bergen was schier
niet tot bedaren te brengen, en Alonzo die over deze uitkomst minder
verrast dan de graaf, met afgrijzen het schrikkelijk aantal misdaden
had hooren opsommen, beschouwde met fonkelende oogen de ontaarde
vrouw die, met saamgevouwen handen, nogmaals voor den graaf op de
knieën was neergevallen.
"Monster! ga van hier!" sprak Alonzo op gebiedenden toon: "Wat baat
u en uw medeplichtige de vergeving der menschen, daar alreeds het
helsche vuur voor ulieden brandt. Wat baat u de genade der wereld,
zoo het tal van uw zonden zelfs door de verdiensten der Heiligen niet
kan worden uitgewischt."
Vrouw Barbara wierp een blik van minachting op den vertoornden
spreker. Biddende bleef zij de armen naar den graaf uitstrekken, en
zelve ontsteld door de uitwerking, die haar verhaal had teweeggebracht,
riep zij op smeekenden toon:
"Neen, ik zal, ik kan niet van hier gaan aleer de edele graaf ons
genade heeft toegezegd.--O! de Heiligen weten het, hoe dikwerf mijn
geweten mij tot spreken aanspoorde; hoe dikwerf ik wenschte van die
ijselijke eeden ontslagen te zijn, doch dan zweefde de dreigende
vloek van Rosio mij weder met vurige letters voor den geest; dan
zag ik mij weer aan den haat en de vervolging van uw stiefmoeder
prijsgegeven. Ja, zij was het die de ellende en den rouw over uw
huis heeft gebracht. Zij, door haar echtgenoot verstooten, wenschte
haar bastaardkind in die rechten te zien treden, waarop zij zelve in
de eerste plaats meende aanspraak te hebben. Daarom moest uw zoon
gedood, of voor de wereld verdonkerd worden; daarom moest uw gade
zoo vroegtijdig sterven, en gij uw eigen dochter grootbrengen, in den
waan dat zij een kind van lage afkomst was. Ja, zij had besloten dat
niemand anders dan haar verachtelijke zoon uw dochter tot echtgenoot
zou erlangen; bij eene weigering van uw zijde, was hij gewapend;
hem was de leugen van Adelgondes geboorte voor waarheid verhaald;
hij zou u bedreigen met de wereld daarvan te onderrichten. Uw antwoord
was dan niet langer twijfelachtig, en als Adelgondes gemaal, zou hij
na uw dood,--die dan spoedig volgen moest, in uwe rechten treden,
zoodat de zoon uwer stiefmoeder een geslacht zou vervangen, dat kort
te voren nog zoo fier den nek tegen haar had gekromd."
Nauwelijks had vrouw Barbara deze woorden geëindigd, of een vreeselijke
knal drong den aanwezigen in de ooren. Zij zelve stortte, met een
rauwen gil, bewusteloos op den grond, en terwijl de dienstboden,
door den slag ontsteld, ijlings naar de zaal stormden, opende
Alonzo het torenkamertje, waaruit een pistoolschot was gelost,
doch ontwaarde niets dan een tamelijk lang koord, 't welk uit het
venster hing. Voorzeker moest het de ontkoming van Van Rodenberg
hebben bevorderd, die eerst over de slotgracht was gezwommen en zich
daarna in allerijl uit de voeten had gemaakt.