Adelgonde."

Wij zullen niet lang stilstaan bij de vele doch verschillende

gemoedsaandoeningen die ieders borst deden kloppen.

Het treurige oogenblik vorderde den meest mogelijken spoed.

"En staat dan niet hier aan mijne zijde de wakkere redder van mijn

zoon!" sprak Van Bergen: "Hoe ware het mogelijk dat hij mij een

zoon in de armen zou voeren, om mij terzelfder tijd eene dochter

te ontrooven!?"

"Het is gelogen!" riep Alonzo in woede, toen de graaf hem den

hoofdzakelijken inhoud van den brief had meegedeeld: "Gevloekt zij

de ellendeling, die met schendige hand de schoonste lelie van haren

stengel dorst rukken! Op mannen, geen tijd verloren! De Moeder Gods

zal haar beschermen! Met hare hulp, edele graaf, voeren wij uwe dochter

rein in uwe armen terug. Vaarwel! De Heiligen zullen met ons zijn!"

"De Vader zelf geleide u!" riep Van Bergen den vurigen jongeling

na, en weinige minuten later zag hij een aantal mannen te paard, en

verscheidene te voet, met fakkels en lantaarns de slotpoort uitsnellen,

ten einde in verschillende richtingen hunne nasporingen te beginnen.

Inmiddels verzuimde de graaf niet zijn zwakken, door de zonderlinge

lotsverwisseling afgematten zoon, de noodige versterking en rust te

doen genieten; dit gedaan zijnde, deed hij de luchters in de kleine

achterzaal ontsteken, en, hoewel zelf rust en slaap behoevende, was

het hem niet mogelijk zich aan die rust te wijden zoolang de teeder

beminde pleegdochter niet in zijne woning was teruggekeerd.

Dáár, met ernstigen blik ternedergezeten, herdacht hij de vele en

wondervolle oogenblikken, welke hem dien enkelen dag tot een reeks

van dagen maakten.

Ondanks zich zelven sloten zich eindelijk zijne oogen, en in een half

wakenden half droomenden toestand ontwaarde hij,--dat de deur openging

en de schim zijner ontslapene stiefmoeder de zaal binnentrad. Op eenige

schreden afstands bleef zij staan, en trok met baar ontvleesde handen

een naakt, uitgeteerd en levenloos wezen van onder haar witte kleederen

te voorschijn. Dat uitgeteerde lijk.... was de ongelukkige Adel!

Van Bergen ontstelde, en zich haastig met de hand over het voorhoofd

strijkende, zag hij navorschend de zaal rond, doch bespeurde weldra

dat de schim zijner stiefmoeder die plaats had verlaten, dat een

droombeeld zijn geest had beangst.

Eenig gedruisch op het portaal boeide nu weder Van Bergens aandacht.

--Wellicht is hunne nasporing reeds met een goeden uitslag bekroond,

dacht hij, en wilde juist den terugkeerenden te gemoet snellen,

toen een jong edelman haastig de zaal binnentrad.

Het baarde den graaf geen geringe verwondering, toon hij in dit

nachtelijk uur jonker Walter Van Rodenberg voor zich zag.

"Wat voert u herwaarts?" was Van Bergens eerste en hoogst natuurlijke

vraag: "Ik had gedacht Walter, u nimmer weer in mijn kasteel te zullen

ontmoeten. Wat kunt gij van mij verlangen in dezen laten stond?"

"Vergeef mij waarde graaf," ving Van Rodenberg aan: "dat mijn plicht

mij gebood, voor ditmaal uw gebod te overtreden. Door een samenloop

van omstandigheden ben ik den dader op het spoor gekomen, die den

schandelijken roof aan uw beminnelijke pleegdochter heeft begaan."

"Gij," zeide Van Bergen, den jonker vragend aanziende.

"Van een wandelrit naar Delft huiswaarts keerende," hervatte de

schandelijke leugenaar: "zag ik nabij de herberg het Gouden Zwaantje

een ruiter mij voorbijsnellen, die vóór zich op het paard eene in

zwijm liggende schoone had. Door nieuwsgierigheid gedreven hield

ik stand, en zag dat weinige schreden van de herberg iets wits,

hetwelk ik echter niet onderscheiden kon, den vluchtenden ontviel. De

ontvoerde schoone,--want daarvoor mocht ik haar gereedelijk houden,

werd door haren schaker in de herberg gedragen. Ongezien naderde ik

nu het kleine witte voorwerp, nam het op, en, bespeurende dat het

een klein pakje was, werd ik zeer begeerig te weten wat daarvan de

inhoud mocht zijn. Om dit te onderzoeken, besloot ik insgelijks in de

kroeg te gaan. Na mijn paard aan het rasterwerk te hebben gebonden,

trad ik binnen. Het was blijkbaar dat mijne komst eenige opschudding

veroorzaakte. Ik hield mij als bespeurde ik dit niet, en eene kan

bier eischende, nam ik eenige brieven en voorwerpen uit mijn zak,

verdiepte mij schijnbaar in de lectuur en beschouwing er van, zoodat

ik ongemerkt het pakje onder de tafel kon openen, en hetgeen er in

was met het reeds vóór mij liggende vermengen. Het pakje bevatte

niets dan eenige oude brieven, doch hoe zal ik u mijne verbazing

schetsen, toen ik de opschriften, alle eensluidende, aan uw bekoorlijke

pleegdochter gericht vond. Alleen om mij nader aangaande de waarheid

mijner vermoedens te overtuigen, en den roover des te zekerder te

vangen, doorliep ik vluchtig eenige brieven. Sommige waren van u,

reeds verscheidene jaren geleden aan Adelgonde, van verschillende

plaatsen, gezonden; één insgelijks van u, door haar, tijdens haar

verblijf op het slot Aduaar in het Luiksche ontvangen; nog eenige

van speelnooten of vriendinnen uit vroegeren of lateren leeftijd,

en eindelijk verscheidene van den u bekenden paapschen Spanjaard

Alonzo Spinola, de zoon, naar men zegt, van den markgraaf Ambrosio."

"Welnu?" zeide Van Bergen, zeer wel wetende dat Alonzo met den roof

zijner Adelgonde niets gemeens had.

"Welnu," hernam Walter: "die brieven des Spanjaards vloeiden over

van de teederste woorden en de zoetste namen. Hij sprak van eeuwige

trouw, van vurige liefde, van een ijzeren doch verroeste keten, die de

schoonste der schoonen in een doodsch kasteel gekluisterd hield--die

keten waart gij, genadige graaf,--van een alleenzaligmakende kerk,

en van de vreugde over hare toezegging dat zij aan zijne zijde de

kettersche gevoelens zou afzweren."

De graaf had moeite zijne bedaardheid en het stilzwijgen te bewaren.

"Ja," ging Van Rodenberg voort: "mijn vermoeden klom weldra tot

zekerheid, ik had mij niet bedrogen: de laatste van des Spanjaards

brieven behelsde een wel doordacht en fijn geslepen plan om Adelgonde

te ontvoeren."

Van Bergen stond op, trad op den jonker toe, sloeg de armen kruiselings

over de borst, zag hem scherp in de oogen, en zeide bedaard doch met

een diep doordringende stem: "Walter! gij spreekt onwaarheid!"

Onwillekeurig deed Van Rodenberg eenige schreden achterwaarts,

zijn roode lippen verbleekten; doch zich weldra herstellende, zeide

hij, als ware hij schandelijk miskend: "Denkt gij dat ik lieg,

graaf Van Bergen? Meent gij dat ik mijne woorden niet zou kunnen

bewijzen? Ziehier!" vervolgde hij met verheffing van stem, terwijl hij

een pakket brieven op de tafel wierp: "Lees zelf: zijn dat uwe brieven

niet? en deze....? overtuig u dan dat ik waarheid gesproken heb."

"Wat gaan mij die brieven aan!" hernam Van Bergen, in dezelfde

onwrikbare houding: "Ik zeg u, gij liegt! De jonge Spinola is

onschuldig aan de daad, die gij hem ten laste legt. Den geheelen

middag was ik in zijn gezelschap, en eerst sedert een paar uren heeft

hij het kasteel verlaten, om mijn lieve dochter op te sporen."

"En wie heeft u gezegd dat Adelgonde door Spinola zelven is

ontvoerd?" hernam Van Rodenberg, heimelijk glimlachende, daar zijne

zaak een gunstige wending scheen te nemen: "Heeft uw schrandere blik

de fijnheid van het spel nog niet geraden? Geloof mij edele graaf. Ik

ben veel aan u verschuldigd, en wat zou het mij baten een onschuldige

te belasteren, terwijl de zaak dezelfde blijft. Luister nog een

oogenblik, en gij zult zelf oordeelen of mijne woorden waarheid of

logen behelsden.--Nadat ik," zoo vervolgde hij: "zekerheid had bekomen,

trad een man, dien ik vroeger meermalen meende gezien te hebben, uit

eene zijdeur, in de gelagkamer, sloot de deur behoedzaam, en stak den

sleutel zorgvuldig in den zak. Zijne over den vloer weidende oogen

schenen iets te zoeken; ik vermoedde het door mij gevonden pakje. De

man fluisterde eenige woorden met den hospes, bekwam van dezen eene

lantaarn, en verliet daarop de kroeg. Spoedig verzamelde ik de vóór

mij liggende papieren, vereffende mijne rekening met den waard, en

volgde den zoekende buiten de herberg. Weldra was ik hem genaderd: Gij

zijt een lage schurk! beet ik hem vrij krachtig in de ooren: Wie geeft

u het recht de freule Van Bergen te ontvoeren?--Zonder de geringste

ontsteltenis lichtte de man mij met zijne lantaarn in het aangezicht,

en zeide met een schelle stem: Daar zal ik ú wel geen rekenschap

van behoeven te geven, jonker Van Rodenberg! gij toch hebt reeds

voor lang van uw rechten op het lieve duifje afstand gedaan.--Deze

verregaande beleediging, gevoegd bij het schandelijke der daad, deed

mijne aderen zwellen.--En evenwel vorder ik de freule uit uwe handen

terug, riep ik met hevigheid.--Gij hebt volstrekt niets te vorderen,

hernam de man, terwijl hij mij de tromp van een pistool onder de oogen

hield:--Verstaat gij, niets vordert gij van mij; maar ik vorder van u,

mij die brieven terug te geven, welke ik zooeven verloren heb.--Doch

waartoe, genadige graaf, zal ik u haarklein ieder woord herhalen

't welk door ons gesproken werd," vervolgde Van Rodenberg, ziende

dat Van Bergen weinig of niet naar zijn langwijlig verhaal luisterde,

maar ongeduldig de zaal op en neer ging: "Kortom, ik bad, ik smeekte,

ik dreigde; niets mocht baten, de man bleef onverbiddelijk, en reeds

begon de hoop mij te begeven uwe lieve dochter ongedeerd in uwe

armen terug te voeren, toen de man mij eindelijk schamper toevoegde:

Maar voor den drommel! denkt gij dan dat ik zulk een hapje voor mijn

genoegen hierheen heb gesmokkeld. De eigenaar zou raar opkijken als

ik hem een ledige kamer aanbood. Neen vriend, ik zou andere munt

ontvangen dan die mij is toegezegd. Mijne zakken zijn ledig, en een

goede belooning laat men zoo makkelijk niet in den steek.--Dus is

het winzucht alleen, die u tot deze daad heeft aangespoord? hernam

ik. Dat juist niet, zeide de man weder: Gehechtheid aan mijn meester

is een hoofdtrek in mijn karakter; die gelden dienen slechts om de

zaak wat aan te dringen. Maar zoo u dan eens van een andere zijde méér

kronen toevloeiden, hernam ik: zou uw gehechtheid dan niet wat minder

worden?--Dat zou er naar kunnen zijn! antwoordde de man. In 't eind,

edele graaf, zijn wij de zaak eens geworden. Nog een uur moest er

verloopen eer Spinola aan het Zwaantje kwam. Indien ik binnen dien

tijd aan de herberg terug was, kon ik de lieve Adelgonde tegen eene

som van zeven duizend kronen lossen; doch kwam ik eenige oogenblikken

later, dan zou de schoone Adelgonde voor u verloren, en door Spinola

reeds naar een veiliger schuilplaats zijn overgebracht."

Van Rodenberg hield op met spreken. Niet zonder eenigen schroom

verwachtte hij Van Bergens antwoord. De graaf echter bewaarde een

nadenkend stilzwijgen; eindelijk floot hij twee malen op zijn zilveren

fluitje, en weldra verscheen de eenige mannelijke dienst bode, die

nog op het kasteel was achtergebleven.

"Jozef, ga terstond naar den stal en zadel mijn paard," zeide Van

Bergen: "maak spoed, ik heb geen oogenblik te verliezen."

Hoe listig de grove leugenaar zijn verhaal ook geweven, hoe kunstig

hij iedere omstandigheid ook geplooid en geschikt had, deze natuurlijke

wending, die de voorgedragen logen schier in ieder geval moest nemen,

had hij niet berekend, of met achteloosheid over het hoofd gezien.

Zoo vermetel als hij even te voren was geweest, zoo verlegen en

verward was hij thans.

"Er zijn geene paarden meer op stal, uw genade!" antwoordde Jozef,

toen Van Bergen zijn bevel gegeven had: "Hoewel Wakker reeds doodaf

was, zoo heeft Burgman hem toch nog meegenomen. Elbert heeft Pretty,

en Ras wordt door Rudolf bereden."

Van Rodenberg schepte weder adem.

"O," hernam Van Bergen, zich tot den jonker wendende: "gij zult mij

uw paard wel voor een uur willen afstaan! Spoedig Jozef, houd het

paard van den jonker Van Rodenberg in gereedheid."

De dienaar boog en vertrok.

"Genadige graaf!" stotterde Walter: "Ik zal niet gedoogen.... Gij

wilt toch niet in dit nachtelijk uur.... Waarom mij die eervolle taak

niet opgedragen?--Gij zoudt u aan gevaren blootstellen! Overhandig

mij spoedig de som, welke de snoodaard eischt, en ik vlieg, om u

wellicht het laatste bewijs mijner dankbaarheid te geven."

"Spaar uw overdreven dienstvaardigheid," zeide Van Bergen, die den

jonker--wiens karakter hem sedert eenigen tijd maar al te bekend was

geworden--door het laatst gegeven bevel geheel in de val had gebracht:

"Hier," vervolgde hij, eene deur openende: "hier kunt gij voorloopig

van uw vermoeienissen in mijn belang wat uitrusten. Ga binnen en

wacht rustig mijne weerkomst af."

"Gij; wilt mij in de torenkamer sluiten!" riep Van Rodenberg met

hevigheid: "Is dat dewijl ik uw ellendig basterdkind wilde redden! Bij

mijne ziel....!" doch het werd hem niet vergund zijn dreigende

woorden te vervolgen; want Van Bergen, wiens kaken van de diepste

verontwaardiging gloeiden, greep den verachtelijken knaap bij den arm,

wierp hem in het geopende kamertje en deed de deur op het dubbele slot.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 24 / 82 题