Op den Oldenburgh was alles in rep en roer.
Weinige minuten na Adelgondes ontvoering was de opgetogen graaf,
aan de zijde van zijn wedergevonden zoon, door den jongen Spinola,
Maarten en diens grootvader vergezeld, aan het kasteel teruggekeerd.
Met van blijdschap vonkelende oogen had hij zelf den zwakken Adel
binnen de muren zijner woning gedragen, en zijne dienstbaren en
huisgenooten doen bijeenroepen, ten einde hun de reden zijner
grenzenlooze vreugde en dankbaarheid kenbaar te maken.
Met den ouden Burgman aan het hoofd, trad dan ook weldra de kleine
schaar de ridderzaal binnen.
Slechts een flauwe schemering vervulde nog het ruime vertrek.
Weinige doch aandoenlijk waren de woorden welke Van Bergen sprak:
"Gaat," zoo eindigde hij: "en verheugt u met uwen heer; maar dankt
ook den Heer der heeren, dat Hij uw meester zulk een groot geluk
heeft doen deelachtig worden."
"En waar toeft mijne Gonne?" zeide Van Bergen, toen de diep getroffen
dienstbaren, heilwenschend de zaal hadden verlaten: "Moet mijn in
tranen zwemmend oog, haar, in dezen voor mij zoo zaligen stond,
dan nog in een duisteren hoek opsporen?"
Een zacht geween was het eenig bescheid dat Van Bergen op zijne
vraag bekwam.
"Is daar dan mijne Gonne niet?" vroeg Van Bergen nogmaals, terwijl
hij op Adelgondes weenend kamermeisje toetrad.
"Ach, genadige graaf!" snikte Anne: "de lieve freule is er niet. O
lieve God! wat of er van haar geworden is! Ik ben er wellicht de
oorzaak van; had ik den brief van den boozen Spanjaard maar niet
gegeven! Hij is het die haar dezen avond heeft ontvoerd."
"Meisje, ik versta u niet," hernam Van Bergen: "Spreek, verklaar
u nader."
"Ja, genadige graaf," hernam de kamenier: "zooeven op de kamer der
lieve freule gekomen, ten einde haar van uw komst te verwittigen,
vond ik die door haar verlaten. Een open brief, aan u gericht, lag
op de tafel. Ik heb er een blik in geslagen; lees genadige graaf,
maar verstoot mij niet."
Wie schetst de verslagenheid, welke aller gemoed vervulde, toen de
lichten waren ontstoken en de treurige inhoud der letteren aan de
omstanders bekend werd.
De brief luidde aldus:
"Edele graaf! Veelgeliefde pleegvader!
"Wanneer gij deze regelen zult lezen, zal ik wellicht reeds ver van de
plaats zijn verwijderd, welke mij altijd zoo dierbaar was. Veroordeel
mij niet dewijl ik een stap heb gedaan, dien gij, in uw groote liefde
tot mij, zult laken en misprijzen. God is het bekend, geliefde tweede
vader! hoezeer mijn hart heeft gestreden; hoezeer ik door liefde
en dankbaarheid aan u als gekluisterd werd; hoe ik met mij zelve,
met mijne plichten, met Gods heilig Woord te rade ben gegaan, en de
overtuiging heb bekomen, dat ik zóó en niet anders handelen moest.
"Ja, ik zal u verlaten: de banden des bloeds eischen dit offer
van mij! Uw stand, uw rang zijn de mijnen niet. "Hebt uwe ouders
lief!" staat er geschreven, en ik zou die armen verachten,
en mij, zelve op deze aarde een lot toeëigenen, dat mij niet is
voorbeschikt? Ik zal u verlaten! De jonge Spanjaard, voor wien ik
zuivere liefde in het hart heb gedragen, biedt mij aan mij in de woning
mijner ouders terug te voeren. Hij is edel en braaf; aan hem durf ik
mij veilig toevertrouwen. God helpe mij! Hij vergeve mij, zoo ik in
eenig opzicht mocht gedwaald hebben. Hij doove de vlam der liefde in
mijn binnenste, dewijl ik Alonzo nimmer zal kunnen toebehooren. Hij
zegene u, dierbare lieve tweede vader! O hoe zwaar zal het mij zijn,
mijn plicht te volbrengen. Dank, dank, duizendmaal dank voor uwe liefde
en onverdiende goedheden! God vergelde u wat gij aan mij hebt gedaan;
aan mij, de uw heil wenschende en voor uw heil biddende