ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

De klokken van het naburig 's-Gravenhage verkondigden het negende uur

na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteel den

Oldenburgh langzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands

komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort,

waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.

Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort

werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met

langzamen doch lichten tred ging zij over de smalle slotbrug, en was

reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand

hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps,

als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug;

schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte

de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel

uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar

voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des

ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper

in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende,

zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: "Ik wachtte u reeds,

dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige

wijze beloonen."

Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.

"Laat af! laat af!" gilde zij, zich verwerende,--doch tevergeefs;

een stevige arm hield haar omkneld. "Help! help!" riep zij nogmaals,

doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een

wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in

de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste,

en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.

In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het

meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en

waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers

te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.

--Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De

stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien

bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?

Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de

ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord

prijkte.

Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard

gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette

den nieuw aangekomene.

"Gij hebt goed doorgereden," zeide zij: "minstens had ik u een half

uur later gewacht.--Doch," ging zij fluisterende voort: "wij zijn

niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand,

die den Blankert gisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd,

en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen

naar Frankrijk op reis te begeven.

Des vreemdelings oogen schitterden:

"'t Is wel," zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde

op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar

hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd

geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed,

't welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht.

De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg

hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke

kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren

gekomen.

Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der

schoone Hagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.

Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij

bij haar vond.

Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter

teleurgesteld.

Behalve een klein rolletje goud--Adelgondes bespaarde

penningen--bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin

het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren

medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.--Is dit dan alles

wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede

bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo

sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te

stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!

Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het

kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende

koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.

"Goedenavond, mijn brave heer," zeide Van Rodenberg spottend, terwijl

hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg:

"Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken

ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft

de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel

diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel

uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak

om Godswil aanspreken!"

"Wij kennen elkander!" sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat

Van Rodenberg den draak met hem stak: "Maar bij het heil mijner

ziel!" vervolgde hij: "hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige

oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik

uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker,

dat de Blankert een prooi der vlammen is geworden?"

"Als ik mij niet vergis," antwoordde Van Rodenberg, "dan was ik bij

die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg

daarvan. De edele gravin is...."

"Leeft de gravin nog?" viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij

zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige

belangstelling zocht te verbergen.

"Stel u gerust," hernam Van Rodenberg glimlachend: "ik heb dezen

middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch

dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij

bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste

liefde van u gesproken.

"De Heer hebbe hare ziel!" zuchtte Rosio.

"Of de duivel!" hernam Van Rodenberg: "Om 't even. Gij weet niet,"

ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel

trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag:

"Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?"

"Uwer moeder?" riep Rosio in de grootste verwarring: "Wie--de

gravin? wie heeft u gezegd....?"

"Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens

opzoeken," zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige

oogenblikken de kamer was binnengekomen: "Ik geloof," vervolgde hij:

"dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende

den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest."

Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare

nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en

gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed

zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het

opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, 't welk

hare belangstelling zoozeer had opgewekt.

--Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald,

dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde:

Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. "Kom hier mijn

duifje! ruik eens," sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met

geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: "dit zal u goed doen."

Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. "Waar

ben ik?" vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin

bevreesd aanzag.

"Bij wie anders dan bij Barbara?" antwoordde de vrouw: "Nu, ik wil

wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent," vervolgde zij:

"want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een

nuchter wicht: 't is heel wat tijd geleden!"

Adelgonde kon zich,--uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk

denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl

herinnerde zij zich Alonzo's brief, waarin deze haar had gemeld,

dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in

de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den

bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk

zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd

was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had

voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen,

dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te

beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar

binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens

besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren

pleegvader haar aan den Oldenburgh had geboeid, maar kinderliefde

en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen

besluiten.--Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van

Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... dit

kon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend

aanziende, zeide zij: "En Alonzo?"

"Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!" was het antwoord:

"Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het

is een mooi knap heer."

Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. "Maar gij?" zeide zij, de

waardin weder vragend beschouwende: "Wie zijt gij?"

"Wie ik ben?" hervatte vrouw Barbara: "Wel, wie ben ik anders dan uwe

moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste

voedsel aan mijne borst genoten hebt?--Maar zie, toen waart gij pas zóó

groot," vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om

hetgeen zij hoorde te gelooven: "en op dien leeftijd zien de oogen nog

niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat

eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend."

Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind,

en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het

kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de

groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.

--Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe

gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche

dagen schier als een heilige had voorgesteld!

Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar

zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die

haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?

--O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij

voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een

valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van

mij worden!

Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide

eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem

van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er

bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen

twist met een ander was geraakt.

Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht

nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen

zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten

van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden

gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich

te paard van de woning verwijderde.

Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den

aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig

de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen,

zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten

tafel stond.

Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene

hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met

zoete melk gevuld.

"Zie zoo mijn duifje!" riep zij Adelgonde toe: "zoo is het goed,

nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens

naar hartelust, het is u volkomen gegund."

Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte

haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank

zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten,

zich ter rust te kunnen begeven.

"Allerbest mijn hartje!" zeide Barbara: "Gij zijt hier zoo vrij als

op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola,

wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb

hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof

ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje,

ik wensch u een goeden nacht," en het onaangeroerde brood weder met

zich nemende, verliet de waardin het vertrek.

Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste

gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven

dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang

zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des

geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel

te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven,

en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom

haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij

het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had

ontvreemd.

Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en

schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in

zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder

was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat

stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over

dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze

ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig

besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle

dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug

te keeren.

Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te

overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer

aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te

hebben begeven.

Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar

fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat

vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte

zij gelukkig haar doel.

Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de

schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten,

doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster,

waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken

grond verheven was.

--God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede

bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven,

gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen

zal opnemen.

Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps

hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken

en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een

oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend,

en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door

het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde

zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.

"Vrees niet!" sprak de man op fluisterenden toon: "Gij behoeft voor

mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw

vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal

u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken."

Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest

denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees

te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer

dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond

lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd

onschuldig meisje.

"En waarvoor zou ik vreezen?" zeide Adelgonde, terwijl het haar was

aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden

in tegenspraak was. "Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier,

mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig, hier, in de woning

mijner ouders."

"En evenwel hebt gij dat venster geopend?" hernam de vreemdeling:

"Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op

mij, schoone jonkvrouw," vervolgde hij, haar langzaam naderende:

"ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de

netten welke u gespreid worden."

"Mensch! wat wilt gij van mij?" riep Adelgonde met bevende stem,

terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: "Wie geeft u

het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier,

zoo gij het wél met mij meent."

"Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen," hernam

de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: "Is mijn gelaat

dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u," ging hij voort, terwijl hij

de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde:

"ik versta die angstige bezorgdheid: "Een Spaansch edelman wordt

door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het

venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den

knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der

liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moet ik door

dat vuur verkwijnen terwijl een ander...."

"Laat af,--laat af!" riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich

met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken,

dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: "Heilige

Vader! sta mij bij!" gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch,

haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio's ijzeren

arm hield haar omkneld, en grinnikend lachte het onmensch, toen

hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord,

en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.

Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de

sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende

hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet,

dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet

hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan

het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij

dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan

terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt,

zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne

schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien

laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij

nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad,

't welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt

hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe:

de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren

rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk

als de gasten op een bruiloftsfeest.

God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in

Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.

Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen

men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven,

onverwachte hulp en redding.

De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd

eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de

hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.

Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine

vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over

den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu

zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende

wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.

Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan

den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De

geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige

oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God

had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met

stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het

lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.

"Ik ben vergeven! vergeven!" brulde Rosio, terwijl hij zich

wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: "Is er dan geen

tegengift? Melk! melk!" kermde hij: "Een monster verscheurt mij

van binnen."

"Doe uw vijand wél!" sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam

aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij de nog schier gevulde

kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne

teug ledigde.

Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara's komst vermoeden. Nog

een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in

die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die

vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven,

toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong

uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in

het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?--God zij

mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het

opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de

andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.

Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de

vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid,

had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den

viersprong bij het meergemelde Steenen kruis voerde.

Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield

zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten

te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de

ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend

vermaande om terug te keeren.

Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer,

en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 22 / 82 题