De klokken van het naburig 's-Gravenhage verkondigden het negende uur
na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteel den
Oldenburgh langzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands
komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort,
waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.
Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort
werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met
langzamen doch lichten tred ging zij over de smalle slotbrug, en was
reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand
hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps,
als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug;
schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte
de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel
uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar
voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des
ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper
in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende,
zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: "Ik wachtte u reeds,
dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige
wijze beloonen."
Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.
"Laat af! laat af!" gilde zij, zich verwerende,--doch tevergeefs;
een stevige arm hield haar omkneld. "Help! help!" riep zij nogmaals,
doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een
wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in
de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste,
en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.
In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het
meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en
waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers
te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.
--Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De
stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien
bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?
Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de
ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord
prijkte.
Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard
gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette
den nieuw aangekomene.
"Gij hebt goed doorgereden," zeide zij: "minstens had ik u een half
uur later gewacht.--Doch," ging zij fluisterende voort: "wij zijn
niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand,
die den Blankert gisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd,
en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen
naar Frankrijk op reis te begeven.
Des vreemdelings oogen schitterden:
"'t Is wel," zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde
op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar
hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd
geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed,
't welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht.
De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg
hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke
kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren
gekomen.
Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der
schoone Hagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.
Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij
bij haar vond.
Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter
teleurgesteld.
Behalve een klein rolletje goud--Adelgondes bespaarde
penningen--bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin
het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren
medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.--Is dit dan alles
wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede
bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo
sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te
stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!
Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het
kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende
koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.
"Goedenavond, mijn brave heer," zeide Van Rodenberg spottend, terwijl
hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg:
"Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken
ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft
de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel
diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel
uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak
om Godswil aanspreken!"
"Wij kennen elkander!" sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat
Van Rodenberg den draak met hem stak: "Maar bij het heil mijner
ziel!" vervolgde hij: "hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige
oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik
uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker,
dat de Blankert een prooi der vlammen is geworden?"
"Als ik mij niet vergis," antwoordde Van Rodenberg, "dan was ik bij
die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg
daarvan. De edele gravin is...."
"Leeft de gravin nog?" viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij
zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige
belangstelling zocht te verbergen.
"Stel u gerust," hernam Van Rodenberg glimlachend: "ik heb dezen
middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch
dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij
bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste
liefde van u gesproken.
"De Heer hebbe hare ziel!" zuchtte Rosio.
"Of de duivel!" hernam Van Rodenberg: "Om 't even. Gij weet niet,"
ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel
trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag:
"Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?"
"Uwer moeder?" riep Rosio in de grootste verwarring: "Wie--de
gravin? wie heeft u gezegd....?"
"Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens
opzoeken," zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige
oogenblikken de kamer was binnengekomen: "Ik geloof," vervolgde hij:
"dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende
den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest."
Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare
nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en
gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed
zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het
opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, 't welk
hare belangstelling zoozeer had opgewekt.
--Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald,
dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde:
Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. "Kom hier mijn
duifje! ruik eens," sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met
geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: "dit zal u goed doen."
Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. "Waar
ben ik?" vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin
bevreesd aanzag.
"Bij wie anders dan bij Barbara?" antwoordde de vrouw: "Nu, ik wil
wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent," vervolgde zij:
"want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een
nuchter wicht: 't is heel wat tijd geleden!"
Adelgonde kon zich,--uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk
denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl
herinnerde zij zich Alonzo's brief, waarin deze haar had gemeld,
dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in
de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den
bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk
zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd
was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had
voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen,
dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te
beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar
binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens
besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren
pleegvader haar aan den Oldenburgh had geboeid, maar kinderliefde
en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen
besluiten.--Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van
Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... dit
kon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend
aanziende, zeide zij: "En Alonzo?"
"Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!" was het antwoord:
"Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het
is een mooi knap heer."
Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. "Maar gij?" zeide zij, de
waardin weder vragend beschouwende: "Wie zijt gij?"
"Wie ik ben?" hervatte vrouw Barbara: "Wel, wie ben ik anders dan uwe
moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste
voedsel aan mijne borst genoten hebt?--Maar zie, toen waart gij pas zóó
groot," vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om
hetgeen zij hoorde te gelooven: "en op dien leeftijd zien de oogen nog
niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat
eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend."
Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind,
en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het
kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de
groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.
--Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe
gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche
dagen schier als een heilige had voorgesteld!
Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar
zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die
haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?
--O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij
voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een
valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van
mij worden!
Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide
eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem
van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er
bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen
twist met een ander was geraakt.
Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht
nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen
zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten
van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden
gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich
te paard van de woning verwijderde.
Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den
aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig
de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen,
zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten
tafel stond.
Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene
hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met
zoete melk gevuld.
"Zie zoo mijn duifje!" riep zij Adelgonde toe: "zoo is het goed,
nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens
naar hartelust, het is u volkomen gegund."
Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte
haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank
zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten,
zich ter rust te kunnen begeven.
"Allerbest mijn hartje!" zeide Barbara: "Gij zijt hier zoo vrij als
op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola,
wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb
hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof
ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje,
ik wensch u een goeden nacht," en het onaangeroerde brood weder met
zich nemende, verliet de waardin het vertrek.
Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste
gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven
dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang
zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des
geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel
te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven,
en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom
haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij
het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had
ontvreemd.
Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en
schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in
zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder
was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat
stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over
dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze
ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig
besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle
dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug
te keeren.
Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te
overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer
aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te
hebben begeven.
Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar
fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat
vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte
zij gelukkig haar doel.
Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de
schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten,
doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster,
waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken
grond verheven was.
--God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede
bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven,
gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen
zal opnemen.
Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps
hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken
en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een
oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend,
en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door
het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde
zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.
"Vrees niet!" sprak de man op fluisterenden toon: "Gij behoeft voor
mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw
vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal
u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken."
Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest
denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees
te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer
dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond
lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd
onschuldig meisje.
"En waarvoor zou ik vreezen?" zeide Adelgonde, terwijl het haar was
aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden
in tegenspraak was. "Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier,
mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig, hier, in de woning
mijner ouders."
"En evenwel hebt gij dat venster geopend?" hernam de vreemdeling:
"Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op
mij, schoone jonkvrouw," vervolgde hij, haar langzaam naderende:
"ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de
netten welke u gespreid worden."
"Mensch! wat wilt gij van mij?" riep Adelgonde met bevende stem,
terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: "Wie geeft u
het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier,
zoo gij het wél met mij meent."
"Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen," hernam
de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: "Is mijn gelaat
dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u," ging hij voort, terwijl hij
de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde:
"ik versta die angstige bezorgdheid: "Een Spaansch edelman wordt
door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het
venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den
knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der
liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moet ik door
dat vuur verkwijnen terwijl een ander...."
"Laat af,--laat af!" riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich
met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken,
dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: "Heilige
Vader! sta mij bij!" gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch,
haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio's ijzeren
arm hield haar omkneld, en grinnikend lachte het onmensch, toen
hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord,
en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.
Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de
sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende
hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet,
dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet
hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan
het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij
dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan
terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt,
zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne
schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien
laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij
nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad,
't welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt
hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe:
de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren
rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk
als de gasten op een bruiloftsfeest.
God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in
Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.
Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen
men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven,
onverwachte hulp en redding.
De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd
eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de
hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.
Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine
vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over
den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu
zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende
wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.
Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan
den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De
geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige
oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God
had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met
stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het
lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.
"Ik ben vergeven! vergeven!" brulde Rosio, terwijl hij zich
wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: "Is er dan geen
tegengift? Melk! melk!" kermde hij: "Een monster verscheurt mij
van binnen."
"Doe uw vijand wél!" sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam
aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij de nog schier gevulde
kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne
teug ledigde.
Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara's komst vermoeden. Nog
een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in
die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die
vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven,
toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong
uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in
het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?--God zij
mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het
opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de
andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.
Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de
vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid,
had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den
viersprong bij het meergemelde Steenen kruis voerde.
Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield
zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten
te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de
ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend
vermaande om terug te keeren.
Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer,
en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.