De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstuk den Blankert
zagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner
bestemming.
Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude
eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven,
voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.
Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.
"De Heilige Maagd zij geloofd!" sprak hij tot Maarten, nadat deze
hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige
woning binnen te dragen: "Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet
zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is
voorzichtigheid noodzakelijk.
Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke
den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot--den
jongen graaf Spinola--een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de
macht van den slaap geketend, was niets in staat geweest hem aan die
banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de
vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen
niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij
niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken;
dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug
schonken.
De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was
gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd
bewoond door Maartens grootvader.
Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn
kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te
leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.
--Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid
zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den
ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist
bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze
en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken
grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde
hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de
hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden
om hals gebracht.
Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het
schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in
stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige,
een schandelijken dood zou moeten ondergaan.
--Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen,
dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht
zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag,
begeef ik mij naar den Oldenburgh, ten einde den graaf van alles
te onderrichten.
Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door
het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even
verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de
wél volbrachte taak.
Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij
aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich
toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur
met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders
had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: "En gij,
oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen,
het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen
tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen
bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien." Na deze woorden
wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende
bereikte hij weldra de stad.
Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van
Bergen naar den Blankert zagen vertrekken, dat een oud man, ademloos
de binnenplaats van het kasteel den Oldenburgh betrad.
De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en
kippen, met zijn: "Tuk tuk tuk!" tot hun ontbijt bijeen te roepen,
terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de
drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste
levensdagen in overdaad door te brengen.
"Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?" riep de
fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: "Gij schijnt haast
te hebben.--Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?--Wacht! jaag
me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.--Kip ik heb je!" riep
Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven
stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een
overdekte mand plaatste: "Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen
waart. Hoe gaat het in 't duin?--Proe! proe! die grijze is een
vlugge rakkert.--Houdt tegen! houdt tegen!--Mis baas! je dacht me
te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar,
zwartje! daar heb je een kameraad!" en de tweede gevangene gleed bij
de eerste in de overdekte mand.
"Maar Burgman," ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had
ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te
zijn: "ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik
bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is
van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen."
"Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger
moeten opstaan," antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het
haantjesvangen "zijn tijd te verbeuzelen" had genoemd: "De graaf is
reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt
mee te deelen,--daar komt de freule, die u misschien te woord zal
willen staan."
Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de
gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: "Kip!--kip!--kip!" zijn
derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de
anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi
te brengen.
"Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd," zeide Adelgonde, die
aandachtig naar den oude geluisterd had: "Ik ben niet bevoegd om u in
dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon
zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten
is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet
veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak
zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?"
De oude man schudde het hoofd. "Hij is zoo gesloten als een pot,
genadige freule!" hernam hij. "Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd,
wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.--Grootvader, was steeds
zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen
hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten
dienst bewijst. Zie, genadige freule, "aan de handen zijner beulen
ontrukt" dat klinkt verdacht. Waarom den naam verzwegen? Wat mij
betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken
uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt
het daglicht niet."
--Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien
grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk
gemaakt, dacht Adelgonde. "Intusschen, oude man," vervolgde zij tot
Esser: "zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak
bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga
u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe
hoeve terug."
Esser schudde nogmaals het hoofd.--Zoo stapt de zorglooze jeugd
met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij:
"De ondervinding leert ons voorzichtigheid," zeide hij luid: "en al
heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten
in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de
genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den
dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en
mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u,
genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar 't duin terug. In
mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar
de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst
van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!"
Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats
zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht
naar zijne woning aan te nemen.
Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling
voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen
Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten
tijd, ook voor haar, veranderd!--O, dacht zij, terwijl een traan
bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en
zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van
dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een
onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en
hij--hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter
niet. En thans--dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend
noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk
mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam
de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.--En gij Alonzo,
o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die
wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb
ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?
Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch,
een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme
ouders nog!--Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat
zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te
doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die
opoffering getroost.--Ach, niets kwam Adelgonde nu wenschelijker
voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij
hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar
waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk
willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige
waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer
dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord;
hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden;
hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode
haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen
kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in
zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.
--Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk
mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet
langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne
afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te
ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?"
Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene
oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.
"Alweer in tranen liefste Gonne?" riep Van Bergen zijne pleegdochter
toe: "ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te
zullen ontvangen.--Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het
goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif."
Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van
Bergen naast Adelgonde plaats.
Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden, man was het
niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen
hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel
was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij
waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen:
Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van
teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen,
doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere
wolken schuilgegaan.
Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen
van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en
hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang
door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den
schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.
Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den
ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader
den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede;
besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins
niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.--Nauwelijks had Adelgonde
geëindigd, of zij bespeurde op het gelaat des graven eene voor haar
onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar
boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn
halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid
des eeuwigen levens had aangekondigd.
Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het
niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de
hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep:
"O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik
u als een vader bemin."
Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der
waarheid.--Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den
aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de
groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten
verzonken, naar hare kamer.
"Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve
freule!" zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel
te gemoet trad: "Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje
voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor,
en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn."
"Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen," zeide Adelgonde, en
de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo's brief, wiens
zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen,
en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.
Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen,
was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God
neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop
der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het,
dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats
moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon
terug erlangen: "O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal
wederzien," bad hij eindelijk: "Geef Gij mij kracht, want zóó--zóó
heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden."
Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen;
besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap
dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser
zou voeren.
Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop
volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin
terugkeerde.
De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat
Maarten hem uit zijn--nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo,
die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard
koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. "Gij zijt een zorgvuldig
wachter!" zeide hij vriendelijk: "Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet
ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats
u voor den ingang uwer woning, en zorg dat niemand er binnen treedt
terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren
en een voegzamer kleeding zullen aantrekken."
Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame
toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn
binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling
was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard,
te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen
verzetten.--Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den
ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de
verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging,
die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge
den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige
hulp doen opdagen.
Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met
bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens
had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed
tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige
schoonheid gadegeslagen.
De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg,
het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het
einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen
aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn
hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.
Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen
de oude pachter zijn heer ontdekte.
"Goddank, genadige graaf!" riep hij in verrukking uit: "Goddank dat
gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en
zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld
worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer," vervolgde
hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: "O, uwe
komst geeft mij waarlijk het leven terug!" en den graaf op die plaats
achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in
de achterwoning op stal te zetten.
Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou,
indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan
werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide
handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te
verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende,
den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet
van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig
gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.
Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de
verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning
verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.
Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid niet
eens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet
het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon,
zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?
Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren
spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld;
ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser
leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig
leven bekend geworden.
En nu--uit een diepen slaap ontwaakt,--uit nacht en banden verlost,
gereinigd,--in een schoone kleeding,--als met een nieuw lichaam
begiftigd,--door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,--zóó
die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat
de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen
te gaan.
En Van Bergen--roerloos en als aan den grond genageld stond
hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde
gelaat! Ja!--ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige
Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van
aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: "Mijn zoon, mijn
kind, hier is uw vader!"
Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door
de leden.
"Gij--God!--mijn hemelsche Vader!?" zeide hij op doffen toon, terwijl
hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en
terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde
hij: "Wil mij verlossen goede God! Amen!"
Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind
aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken,
en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles--wat
het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.