ZESTIENDE HOOFDSTUK.

De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstuk den Blankert

zagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner

bestemming.

Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude

eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven,

voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.

Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.

"De Heilige Maagd zij geloofd!" sprak hij tot Maarten, nadat deze

hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige

woning binnen te dragen: "Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet

zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is

voorzichtigheid noodzakelijk.

Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke

den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot--den

jongen graaf Spinola--een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de

macht van den slaap geketend, was niets in staat geweest hem aan die

banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de

vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen

niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij

niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken;

dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug

schonken.

De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was

gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd

bewoond door Maartens grootvader.

Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn

kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te

leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.

--Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid

zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den

ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist

bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze

en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken

grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde

hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de

hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden

om hals gebracht.

Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het

schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in

stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige,

een schandelijken dood zou moeten ondergaan.

--Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen,

dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht

zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag,

begeef ik mij naar den Oldenburgh, ten einde den graaf van alles

te onderrichten.

Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door

het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even

verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de

wél volbrachte taak.

Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij

aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich

toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur

met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders

had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: "En gij,

oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen,

het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen

tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen

bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien." Na deze woorden

wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende

bereikte hij weldra de stad.

Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van

Bergen naar den Blankert zagen vertrekken, dat een oud man, ademloos

de binnenplaats van het kasteel den Oldenburgh betrad.

De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en

kippen, met zijn: "Tuk tuk tuk!" tot hun ontbijt bijeen te roepen,

terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de

drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste

levensdagen in overdaad door te brengen.

"Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?" riep de

fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: "Gij schijnt haast

te hebben.--Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?--Wacht! jaag

me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.--Kip ik heb je!" riep

Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven

stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een

overdekte mand plaatste: "Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen

waart. Hoe gaat het in 't duin?--Proe! proe! die grijze is een

vlugge rakkert.--Houdt tegen! houdt tegen!--Mis baas! je dacht me

te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar,

zwartje! daar heb je een kameraad!" en de tweede gevangene gleed bij

de eerste in de overdekte mand.

"Maar Burgman," ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had

ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te

zijn: "ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik

bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is

van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen."

"Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger

moeten opstaan," antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het

haantjesvangen "zijn tijd te verbeuzelen" had genoemd: "De graaf is

reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt

mee te deelen,--daar komt de freule, die u misschien te woord zal

willen staan."

Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de

gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: "Kip!--kip!--kip!" zijn

derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de

anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi

te brengen.

"Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd," zeide Adelgonde, die

aandachtig naar den oude geluisterd had: "Ik ben niet bevoegd om u in

dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon

zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten

is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet

veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak

zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?"

De oude man schudde het hoofd. "Hij is zoo gesloten als een pot,

genadige freule!" hernam hij. "Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd,

wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.--Grootvader, was steeds

zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen

hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten

dienst bewijst. Zie, genadige freule, "aan de handen zijner beulen

ontrukt" dat klinkt verdacht. Waarom den naam verzwegen? Wat mij

betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken

uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt

het daglicht niet."

--Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien

grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk

gemaakt, dacht Adelgonde. "Intusschen, oude man," vervolgde zij tot

Esser: "zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak

bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga

u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe

hoeve terug."

Esser schudde nogmaals het hoofd.--Zoo stapt de zorglooze jeugd

met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij:

"De ondervinding leert ons voorzichtigheid," zeide hij luid: "en al

heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten

in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de

genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den

dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en

mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u,

genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar 't duin terug. In

mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar

de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst

van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!"

Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats

zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht

naar zijne woning aan te nemen.

Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling

voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen

Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten

tijd, ook voor haar, veranderd!--O, dacht zij, terwijl een traan

bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en

zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van

dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een

onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en

hij--hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter

niet. En thans--dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend

noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk

mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam

de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.--En gij Alonzo,

o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die

wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb

ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?

Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch,

een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme

ouders nog!--Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat

zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te

doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die

opoffering getroost.--Ach, niets kwam Adelgonde nu wenschelijker

voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij

hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar

waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk

willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige

waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer

dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord;

hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden;

hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode

haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen

kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in

zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.

--Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk

mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet

langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne

afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te

ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?"

Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene

oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.

"Alweer in tranen liefste Gonne?" riep Van Bergen zijne pleegdochter

toe: "ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te

zullen ontvangen.--Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het

goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif."

Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van

Bergen naast Adelgonde plaats.

Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden, man was het

niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen

hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel

was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij

waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen:

Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van

teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen,

doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere

wolken schuilgegaan.

Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen

van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en

hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang

door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den

schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.

Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den

ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader

den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede;

besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins

niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.--Nauwelijks had Adelgonde

geëindigd, of zij bespeurde op het gelaat des graven eene voor haar

onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar

boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn

halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid

des eeuwigen levens had aangekondigd.

Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het

niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de

hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep:

"O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik

u als een vader bemin."

Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der

waarheid.--Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den

aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de

groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten

verzonken, naar hare kamer.

"Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve

freule!" zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel

te gemoet trad: "Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje

voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor,

en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn."

"Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen," zeide Adelgonde, en

de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo's brief, wiens

zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen,

en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.

Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen,

was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God

neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop

der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het,

dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats

moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon

terug erlangen: "O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal

wederzien," bad hij eindelijk: "Geef Gij mij kracht, want zóó--zóó

heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden."

Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen;

besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap

dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser

zou voeren.

Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop

volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin

terugkeerde.

De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat

Maarten hem uit zijn--nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo,

die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard

koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. "Gij zijt een zorgvuldig

wachter!" zeide hij vriendelijk: "Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet

ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats

u voor den ingang uwer woning, en zorg dat niemand er binnen treedt

terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren

en een voegzamer kleeding zullen aantrekken."

Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame

toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn

binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling

was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard,

te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen

verzetten.--Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den

ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de

verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging,

die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge

den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige

hulp doen opdagen.

Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met

bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens

had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed

tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige

schoonheid gadegeslagen.

De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg,

het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het

einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen

aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn

hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.

Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen

de oude pachter zijn heer ontdekte.

"Goddank, genadige graaf!" riep hij in verrukking uit: "Goddank dat

gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en

zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld

worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer," vervolgde

hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: "O, uwe

komst geeft mij waarlijk het leven terug!" en den graaf op die plaats

achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in

de achterwoning op stal te zetten.

Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou,

indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan

werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide

handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te

verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende,

den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet

van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig

gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.

Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de

verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning

verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.

Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid niet

eens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet

het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon,

zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?

Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren

spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld;

ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser

leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig

leven bekend geworden.

En nu--uit een diepen slaap ontwaakt,--uit nacht en banden verlost,

gereinigd,--in een schoone kleeding,--als met een nieuw lichaam

begiftigd,--door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,--zóó

die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat

de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen

te gaan.

En Van Bergen--roerloos en als aan den grond genageld stond

hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde

gelaat! Ja!--ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige

Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van

aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: "Mijn zoon, mijn

kind, hier is uw vader!"

Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door

de leden.

"Gij--God!--mijn hemelsche Vader!?" zeide hij op doffen toon, terwijl

hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en

terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde

hij: "Wil mij verlossen goede God! Amen!"

Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind

aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken,

en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles--wat

het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 21 / 82 题