"Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden
kan!" sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij
de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een
zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw
edele daad ontvangen!"
"Laat af! laat af!" riep de gravin Van Bergen met stervende stem:
"Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn
Zoon! mijn Walter!--Mijn Walter!" herhaalde zij, nauwelijks
hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was
niet meer.
In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den
rechterstoel des Allerhoogsten.
De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet.
De eerste ging in ter rechterzijde.
De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is
rechtvaardig--maar genadig.