De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig
ter oore gekomen.
Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naar den
Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen.
Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De
linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen.
Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende
puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats
der vergankelijkheid.
--O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich
zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof,
niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en
fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en
heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het
nog weinige uren geleden stond.--Omstreeks twee eeuwen lang hebben
stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe
almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan
stof is het wat daarvan overblijft!
Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat
kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen
zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in
kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder
hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár
was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den
dood was ontrukt.
--Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe
schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende:
Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is
onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij
U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U,
o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het
eeuwig verderf hebt vrijgemaakt.
Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het
kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man,
die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg
te ruimen.
"Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?" kermde de
ongelukkige hovenier: "Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onder
dat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve
dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?"
Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten
verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden.
"Mist gij uwe dochter?" riep de graaf den vruchteloos zoekende toe:
"Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave
Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn."
De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn
arbeid voor een oogenblik gestaakt.
"O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind
te verliezen!" antwoordde hij met een tranenvloed: "Zij was zoo
schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars
levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar
kastijdt?"
Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook
hij was dikwerf en bang beproefd.
"Gods wegen zijn onnaspeurlijk," hernam hij op vertroostenden toon: "De
Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!"
Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs,
en kwam weldra weder aan den linkervleugel.
Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen
op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de
grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was,
bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de
dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of
goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een
volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was.
"Ellendig volk!" riep hij den roofzuchtigen toe: "Slechts op
eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht
ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken,
en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet
langer. "Gij zult niet stelen," zegt de Heer. Ga!--Rijnveld zoekt zijn
kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar,
uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier
zoekt."
De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een
gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de
plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.
"Is de gravin aan het gevaar ontkomen?" vroeg de graaf aan een knaap,
die weinige schreden van hem stond.
"Zij is gered uw genade," antwoordde deze: "doch één oogenblik later,
en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster
in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen,
hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade
in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den
schrik te boven komt."
Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap
te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den
hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen
hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een
ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in
hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs
haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek
binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.
"Ha, zijt gij daar, verrader!" riep zij hem toe: "Gij zijt het,
gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen
hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt
gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd
voor mijn toorn.--Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar
toeft gij, Rosio?" ging zij, strak voor zich uitziende, voort: "Waarom
aarzelt gij: Dien toe;--uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij
kwijnt, zijn einde is nabij.--Hij sterft!--Wraak Van Bergen!--Wraak
over u!--Mijn zoon zal leven!--Mijn zoon, mijn Walter.--Ja, Walter,
ik ben uwe moeder.--O God! gij gelooft het niet.--Gij verstoot mij
omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?--Gij laat mij
aan de vlammen ter prooi--O God! ik brand! Ik verga! Water, water!"
Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met
water ledig.
Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch
zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden
zonder samenhang aan.
"Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij
verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij
verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen
kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.--Wraak voor mijn zoon! Wraak voor
de schande mij aangedaan!"
Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden
door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank
opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of
slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?
"Vrouw! wat zegt gij?" riep hij met een van aandoening verkropte stem:
"Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van
mijn zoon?"
"Ha! daar staat de fiere graaf!" riep de ijlende vrouw, akelig
lachende: "Uw zoon?--Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf
ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien
vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen,
hij mag ons niet ontkomen!"
Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk
deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven
toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke
boosheid niet.
Zijn zoon?--En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aan
zijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille
graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn
binnenste op. "Hemel! zou het mogelijk zijn!?" riep hij uit:
"Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!"
Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde
zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der
deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd
door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag
er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren
met bloed bevlekt.
Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten
aan een brandend graf was ontrukt.
De smart des vaders grensde aan wanhoop.
Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en
zieltogend ter neder!
De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand,
om het spoedig voor altijd te verliezen.
Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen
gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde,
en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.
Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de
reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een
lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets
buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch
hare krachten schoten te kort.
"Wat wilt gij, lief kind?" vroeg Van Bergen, die haar in den arm
genomen en een weinig overeind had gezet.
Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare
lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: "Hij
is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in
mijn keurslijf."
Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen
vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde
der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond
der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem
der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan
hij tot heden onbewust was gebleven.
Zou dat kleine stuk papier, 't welk daar uit haar keursje steekt,
inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?
Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende
hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:
"Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te
bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog
weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker
versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige
zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel
meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad, en zoo gij hier beneden
daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel
ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen
hebt gedaan.