VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig

ter oore gekomen.

Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naar den

Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen.

Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De

linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen.

Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende

puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats

der vergankelijkheid.

--O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich

zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof,

niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en

fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en

heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het

nog weinige uren geleden stond.--Omstreeks twee eeuwen lang hebben

stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe

almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan

stof is het wat daarvan overblijft!

Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat

kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen

zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in

kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder

hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár

was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den

dood was ontrukt.

--Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe

schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende:

Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is

onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij

U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U,

o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het

eeuwig verderf hebt vrijgemaakt.

Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het

kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man,

die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg

te ruimen.

"Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?" kermde de

ongelukkige hovenier: "Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onder

dat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve

dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?"

Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten

verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden.

"Mist gij uwe dochter?" riep de graaf den vruchteloos zoekende toe:

"Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave

Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn."

De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn

arbeid voor een oogenblik gestaakt.

"O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind

te verliezen!" antwoordde hij met een tranenvloed: "Zij was zoo

schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars

levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar

kastijdt?"

Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook

hij was dikwerf en bang beproefd.

"Gods wegen zijn onnaspeurlijk," hernam hij op vertroostenden toon: "De

Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!"

Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs,

en kwam weldra weder aan den linkervleugel.

Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen

op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de

grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was,

bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de

dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of

goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een

volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was.

"Ellendig volk!" riep hij den roofzuchtigen toe: "Slechts op

eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht

ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken,

en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet

langer. "Gij zult niet stelen," zegt de Heer. Ga!--Rijnveld zoekt zijn

kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar,

uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier

zoekt."

De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een

gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de

plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.

"Is de gravin aan het gevaar ontkomen?" vroeg de graaf aan een knaap,

die weinige schreden van hem stond.

"Zij is gered uw genade," antwoordde deze: "doch één oogenblik later,

en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster

in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen,

hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade

in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den

schrik te boven komt."

Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap

te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den

hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen

hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een

ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in

hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs

haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek

binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.

"Ha, zijt gij daar, verrader!" riep zij hem toe: "Gij zijt het,

gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen

hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt

gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd

voor mijn toorn.--Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar

toeft gij, Rosio?" ging zij, strak voor zich uitziende, voort: "Waarom

aarzelt gij: Dien toe;--uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij

kwijnt, zijn einde is nabij.--Hij sterft!--Wraak Van Bergen!--Wraak

over u!--Mijn zoon zal leven!--Mijn zoon, mijn Walter.--Ja, Walter,

ik ben uwe moeder.--O God! gij gelooft het niet.--Gij verstoot mij

omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?--Gij laat mij

aan de vlammen ter prooi--O God! ik brand! Ik verga! Water, water!"

Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met

water ledig.

Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch

zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden

zonder samenhang aan.

"Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij

verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij

verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen

kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.--Wraak voor mijn zoon! Wraak voor

de schande mij aangedaan!"

Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden

door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank

opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of

slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?

"Vrouw! wat zegt gij?" riep hij met een van aandoening verkropte stem:

"Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van

mijn zoon?"

"Ha! daar staat de fiere graaf!" riep de ijlende vrouw, akelig

lachende: "Uw zoon?--Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf

ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien

vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen,

hij mag ons niet ontkomen!"

Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk

deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven

toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke

boosheid niet.

Zijn zoon?--En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aan

zijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille

graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn

binnenste op. "Hemel! zou het mogelijk zijn!?" riep hij uit:

"Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!"

Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde

zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der

deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd

door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag

er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren

met bloed bevlekt.

Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten

aan een brandend graf was ontrukt.

De smart des vaders grensde aan wanhoop.

Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en

zieltogend ter neder!

De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand,

om het spoedig voor altijd te verliezen.

Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen

gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde,

en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.

Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de

reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een

lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets

buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch

hare krachten schoten te kort.

"Wat wilt gij, lief kind?" vroeg Van Bergen, die haar in den arm

genomen en een weinig overeind had gezet.

Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare

lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: "Hij

is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in

mijn keurslijf."

Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen

vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde

der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond

der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem

der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan

hij tot heden onbewust was gebleven.

Zou dat kleine stuk papier, 't welk daar uit haar keursje steekt,

inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?

Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende

hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:

"Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te

bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog

weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker

versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige

zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel

meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad, en zoo gij hier beneden

daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel

ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen

hebt gedaan.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 19 / 82 题