De douairière Van Bergen tuurde, door een der hooge vensterramen
van haar kasteel, in de met zware wolken bezwangerde lucht, en sloeg
de vurige slangen gade, die door het weerlicht aan den westelijken
gezichteinder werden voortgebracht. Haar gelaat had echter geenszins
de uitdrukking van dat gevoel, waarmee de sterveling de natuurkrachten
nagaat, ten einde door deze tot den Schepper te worden opgevoerd. Neen,
hare oogen zagen wel Gods macht en Zijne wonderen in de Schepping,
doch haar hart werd door dit alles niet tot dien Formeerder heengeleid.
Even snel als de wolken aan het hemelruim elkander opvolgden en
verdrongen, even snel ook zweefden er honderden ijdele wenschen voor
haren geest, en even snel verdrongen zich tallooze voornemens en
plannen in haar binnenste, die, helaas! even zwart, ja nog zwarter
waren dan de donkerste wolken aan het luchtgewelf. Het waren haat,
nijd, afgunst, wraak en geldzucht, die haar het hart tot een moordkuil
maakten. Zij moest, zij zou zegevieren!
Dat geslacht, hetwelk zij haat had gezworen, zou zij vernietigen
en verdelgen! Verdelgen? Neen--de wraak moest voortduren. Hare
slachtoffers moesten leven, moesten onder haar vernietigenden invloed
blijven bestaan!
--Gij hebt mij verstooten, graaf! sprak zij bij zich zelve: Gij hebt
mij verstooten omdat ik de jeugd meer beminde dan uw grijze kruin,
omdat een ander mijn bekoorlijkheden meer waardeerde dan gij. Ik
heb het u voorspeld: uw bloed zou die blaam betalen. Ha! korten tijd
daarna leefdet gij reeds niet meer. En nu.... ik haat het bloed der
Van Bergens. Het zal langzaam verkwijnen, en geheel ten ondergaan! en
hij, om wiens bestaan ik werd verjaagd, hij zal uwe goederen in
erfenis bezitten, slechts weinige jaren na uw dood zal hij reeds in
uwe rechten zijn getreden. Ha! graaf Van Bergen, dat hadt gij niet
gedacht. Kondt gij nu uit uw graf nog eens mijn arbeid beschouwen,
dan zoudt gij zien dat mijne woorden zijn bewaarheid geworden: dat
uw bloed den hoon, mij aangedaan, zou betalen!
De hoefslag van een paard deed zich op de brug hooren.--Dat zal Van
Rodenberg zijn, dacht de gravin: wat voert hem zoo laat herwaarts? Het
opkomende onweder kan hem niet hebben uitgelokt; ongetwijfeld heeft
hij mij iets belangrijks mee te deelen.
Werkelijk trad jonker Walter Van Rodenberg weinige oogenblikken later
het vertrek binnen.
De gravin had hem nu, ondanks de reeds heerschende schemering, aan
zijn tred volkomen herkend.
"Gij hebt mij voorzeker iets bijzonders te zeggen?" voerde zij den
jonker te gemoet: "Reeds zijn er verscheidene weken verloopen sedert
gij op den Blankert zijt geweest. Gij houdt uwe bezoeken wel op prijs,
en dan nog zijt gij steeds een onweersvogel; men ziet u niet dan bij
avond en ontijden, bij stormen en onweders. Intusschen verheugt het
mij u te zien, en gij moogt blijde wezen onder dak te zijn, want die
donkere wolken daarbuiten worden hoe langer hoe dreigender."
"Inderdaad mevrouw," gaf Van Rodenberg--die inmiddels had plaats
genomen, ten antwoord: "het is reeds eenigen tijd geleden dat ik hier
ben geweest, en werkelijk is het iets bijzonders, eene verandering in
mijne omstandigheden, waarvan ik u bij dit bezoek wilde kennis geven."
"Eene verandering in uwe omstandigheden?" hernam de gravin: "Gij
bedoelt uw huwelijk dat wellicht spoedig zal worden voltrokken? Is
de freule eindelijk hersteld? Hare ziekte heeft mij om uwentwil
verontrust. Door een te schielijk uiteinde had mijne hoop kunnen
verijdeld worden. Uwe belangen...."
"Mijne belangen mevrouw, werden door u op een zeer verplichtende
wijze behartigd," viel de jonker haar in de rede. "Zij schenen
echter eenigermate met de uwe verbonden te zijn. Gij hebt mij dat
huwelijk aangeraden, ja, opgedrongen, doch ik wenschte het alleen
om der fortuinswille. Bij dezen kom ik u mijn dank betuigen mevrouw,
voor de inlichtingen, die gij mij aangaande Adelgondes geboorte hebt
gegeven. Ik heb er mijn oogmerk mee bereikt. Mijne bekendheid met hare
afkomst deed den graaf, uw zoon, naar eene verbintenis tusschen ons
verlangen. De freule echter beminde mij evenmin als ik haar. Ik haat
het huwelijk. Gelukkig voor mij was het ook geenszins de echtgenoot,
dien men in mij verlangde; maar mijne stilzwijgendheid moest tot
elken prijs gekocht worden. Daarom alleen moest Adelgonde mijne vrouw
worden. Om kort te gaan, ik deed afstand van hare hand, en liet mij
mijne stilzwijgendheid duur betalen. Ik heb...."
Een heldere bliksemstraal brak eensklaps Van Rodenbergs woorden af, en
terwijl het vertrek door het felle schijnsel verlicht werd, aanschouwde
de jonker op het gelaat der gravin eene uitdrukking van verkropte
woede. Hare lippen waren verbleekt en op elkander geperst. Haar
spraakvermogen scheen als verlamd, en het was in hare oogen te lezen,
dat Van Rodenbergs weinige en oogenschijnlijk onbeduidende woorden,
haar een bittere teleurstelling hadden veroorzaakt.
Het aanhoudende bliksemvuur werd door een ratelenden donderslag
opgevolgd. Het scheen alsof de aarde op hare grondvesten schudde. Het
gebouw dreunde, en de vensterglazen rinkelden in hunne looden
omvatsels.
"Mijne woorden schijnen u meer getroffen te hebben dan de bliksem dit
zou vermogen," hervatte Van Rodenberg: "Ik heb echter in mijn belang
gehandeld. Dit land, en vooral Den Haag met zijn stijve en eentonige
vermaken, verveelt en walgt mij op den duur. In uw vaderland, mevrouw,
vindt men de ware genoegens des levens; gij hebt mij daar dikwerf
van verhaald. Men moet de wereld genieten zoolang men haar genieten
kan. Welnu, ik ga naar Parijs; daar zal ik met mijne fortuin een waar
levensgenot smaken, en mij in de armen van een onbezorgd en altijd
vroolijk leven werpen."
"Hoe!" riep de gravin eensklaps, met een van woede bevende stem: "Gij
wilt u tegen hetgeen ik verlang, tegen mijn wil verzetten? Ha!" zeide
zij akelig lachende: "Ik zeg u neen!--Hetgeen ik bepaald, hetgeen
ik gezworen heb, zult gij doen. Gij zult mijn wreker, gij moet mijn
wreker zijn! Gij kent mij niet, jonker Van Rodenberg!" ging zij in
één adem voort: "Gij weet niet waarom ik u tot mijn vertrouwde heb
gemaakt; ik zou dit nooit op een lossen grond hebben gedaan, nooit,
indien ik zelve daarvan niet de vruchten had willen plukken.--Gij
zult mij gehoorzamen!" vervolgde zij, terwijl zij, opstaande, zich
in een dreigende houding voor den jonker plaatste. "Ik heb macht
over u. Gij zult u aan mijn wil onderwerpen! Nog eens, ik begeer,
ik eisch, dat gij Van Bergens dochter tot uwe vrouw maakt."
"Gij eischt van mij, mevrouw?" riep Van Rodenberg: "Waarachtig! mijne
verwondering grenst aan verbazing. Wie--wát geeft u het recht om zóó
tot mij te spreken? Ben ik niet mijn eigen heer en meester? Wilt
gij den jonker Van Rodenberg, Walter Van Rodenberg, uit een
der aanzienlijkste geslachten gesproten, wilt gij mij de wet
voorschrijven? wilt gij dit doen mevrouw! Gij, die, ondanks den
naam dien gij thans voert, eene.... Ha!" vervolgde hij lachende:
"Dit is te dwaas, mevrouw! Het kan u onmogelijk ernst zijn. Hoe dit
echter ook zijn moge, ik ga mijn gang. Vaarwel, gravin Van Bergen! het
blijft steeds eene eer voor mij, uw onderdanige dienaar te zijn." Na
dit gezegd te hebben, stond Van Rodenberg snel op, en ging naar de
deur; doch de gravin, blakend van inwendige spijt en gramschap, greep
hem bij den arm, en wilde hem beletten het vertrek te verlaten. Van
Rodenberg echter, geenszins gewoon zijn wil aan banden te zien leggen,
dwong de gravin door een hevigen ruk met zijn arm, hem los te laten,
en wierp haar daardoor tevens achterover op den vloer.
"Blijf, ellendeling!" riep de nederliggende gravin: "toef, monster! en
gij zult vernemen, wie gij...." doch het was haar onmogelijk voort te
spreken, want door de deur, welke Van Rodenberg geopend had, drong
een dikke rookmassa naar binnen; een benauwde brandlucht vervulde
het vertrek, en de kreet van "Brand! Brand!" weergalmde eensklaps
door het kasteel.
Terwijl het beschrevene binnen een der vertrekken aan de westzijde
van het kasteel voorviel, greep daarbuiten, aan den tegenovergestelden
kant, een geheel ander tooneel plaats.
In de schuit, waar de lezer reeds vroeger de kinderen van den
hovenier heeft aangetroffen, bevonden zich op dit oogenblik twee
jonge mannen. De een stuwde met de roeispaan de boot dwars door
de gracht op het kasteel aan, terwijl de ander met een haak in een
tralievenster greep.
"Gij zult moeite hebben, die ijzeren bouten los te krijgen," zeide
de man met de roeispaan.
"Toch niet, edele heer," antwoordde de andere: "die bouten zijn
slechts met eenige verroeste spijkers bevestigd; ik ben van de
noodige breekijzers voorzien; wanneer er slechts één bout uit den
weg is geruimd, wordt de opening reeds wijd genoeg."
Werkelijk week de bedoelde bout zeer spoedig voor breekijzer en
hamerslag; de opening was nu bijna anderhalve voet groot, en het leed
geen twijfel of een mensch zou er gemakkelijk doorheen kunnen glijden.
De man met de roeispaan sprak nu eenige woorden door de opening
naar beneden; eene vrouw deed hem bescheid, en kort daarna lieten
de mannen een stevig koord, waaraan een haak was bevestigd, door het
opengebroken tralievenster naar omlaag.
Met groote krachtsinspanning trokken de mannen weinige oogenblikken
later het koord weder naar boven. Hun arbeid was niet te vergeefs
geweest, want den ongelukkige, dien zij uit een diepen kerker hadden
verlost, legden zij weldra behouden in hunne boot neder.
"Goddank!" riep de eerste spreker in verrukking: "De gevaarlijke
arbeid is verricht. De krachten hebben ons niet begeven. God laat
de ondeugd nimmer zegevieren!" Na deze woorden wendde hij zich nog
eenmaal naar het tralievenster; haalde een toegevouwen papier uit zijn
wambuis te voorschijn en liet het naar binnen vallen. De schuit was
daarna spoedig weder aan wal gevoerd, en nadat de mannen den geredde
er uit hadden gedragen, gingen zij met hem naar een elzenboschje,
waarachter een voertuig hunne terugkomst verbeidde.
Eenige oogenblikken later toen het voertuig, door de twee mannen
te paard vergezeld, zich in beweging zette, vlamde het bliksemvuur
onafgebroken met zijne schichten om de torenspits van het kasteel.
Een dikke rookwolk steeg weldra uit den brandenden toren omhoog,
en spoedig daarna hoorde de kleine aftrekkende stoet, te midden
der rollende donderslagen, den kreet: "Brand! Brand!" door de lucht
weergalmen.
Hevig woedden de vlammen door het oude kasteel; op twee plaatsen was
de bliksem schier gelijktijdig ingeslagen. De leien pannen knapten
in den heeten vuurgloed. De balken kraakten en stortten brandend
neer. Uit de meeste vensters sloegen dikke roode vuurvlammen naar
boven, en teekenden zich hel af tegen de donkere zwarte lucht. Aan
blusschen was niet te denken; de felle brand nam van oogenblik tot
oogenblik in hevigheid toe. Elk was op eigen redding bedacht; elk
greep naar eigen goederen: elk zocht voor zich te behouden wat hem
dierbaar was, doch niet één kwam op het denkbeeld, om de meesteres
te verwittigen van het gevaar waarin zij verkeerde.
"Om Gods wil, red mij!" riep de gravin Van Bergen met heesche stem:
"Om Gods wil, Walter! wilt gij mij hier in een brandend graf doen
omkomen! Walter! waar zijt gij?" riep zij angstig: "Ik zie u niet. Ik
zal in dezen akeligen rookwalm stikken! Redding! help! help!"
"Het is te laat!" zei Van Rodenberg, in het vertrek terugkeerende,
met een insgelijks door rook en walm benauwde stem: "Het portaal staat
in lichtelaaie. De uitgang langs dien weg is onmogelijk. Wellicht
door deze zijdeur," vervolgde hij, snel daar heengaande. Doch ook
deze uitgang was geheel versperd. Insgelijks woedden de vlammen in
dat aangrenzend vertrek. Wel wilde hij het wagen zich een doortocht
te banen, doch een brandende balk, die met een geweldig gedruisch
voor zijne voeten neerstortte, deed hem ijlings terugkeeren: "Aan
ontkomen is niet te denken," riep hij de kermende gravin toe: "Er
is geen uitweg meer dan alleen door dit venster." Met een krachtige
hand rukte hij het bedoelde kruisraam open: "De gracht is breed en
diep," vervolgde hij: "doch slechts langs dezen kant is nog redding
mogelijk. Vaarwel mevrouw! Vaarwel, voor eeuwig!"
Reeds had hij den voet op de vensterbank gezet, om zich in het
water te werpen, toen de gravin, deze beweging ziende, en eenigszins
hersteld door de lucht, welke thans het vertrek was binnengedrongen,
met een doodsangst op het gelaat, hem bij zijn wambuis terughield:
"Gij zult mij niet verlaten!" riep zij met bevende stem: "Gij zult
mij niet aan de vlammen ter prooi geven. Neen, ik kan, ik wil niet
sterven!--Ik wil leven!--Ik moet leven! en zoo er voor mij geene
redding is dan zult gij met mij vergaan!"
De jonker, alleen op eigen redding bedacht, zocht zich aan de
krampachtige handen te onttrekken, die hem in zijne vlucht belemmerden;
doch zijne pogingen waren vruchteloos.
"Neen, gij moogt mij niet aan een rampzalig lot prijsgeven!" riep de
gravin, terwijl zij met zenuwachtige krachtsinspanning den worstelenden
jonkman staande hield: "Gij kunt, gij zult háár niet doen omkomen,
aan wie gij uw aanzijn verschuldigd zijt. Verneem, Walter, verneem in
dit bange oogenblik, wat ik u nimmer had willen openbaren. Walter,
red mij!--want ik heb u onder het hart gedragen. Walter, gij zijt
mijn zoon! Ja ik ben uwe moeder! Om uwentwil heb ik angst en smart
uitgestaan; voor u heb ik geleefd; voor u wil ik blijven leven; om
uwentwil heb ik wraak gezworen! Red mij--om Gods wil, red mij!--Neen,
gij zult uw moeder niet vermoorden!"
"Wijf! gij zijt razend!" riep Van Rodenberg, terwijl het klamme zweet
op zijn voorhoofd parelde: "Laat mij los zeg ik u!--Laat mij los!" riep
hij heviger, daar de gravin hem hoe langer hoe vaster omklemde:
"Gij liegt!--Ik uw zoon?--Bij God! neen, dat is gelogen!--Gij mijne
moeder?--Ik een kind der schande?--Een basterd?--Wijf, gij hebt
gelogen!" riep hij nogmaals: "Trek uwe woorden in; zeg dat gij
onwaarheid, dat gij lastertaal hebt gesproken; laat mij los en ik
zal u redden!"
"Mijn zoon! Mijn zoon!" riep de gravin smeekend en schier buiten zich
zelve: "Ja, ik wist het, gij zoudt mij niet verstooten!"
"Nogmaals dien naam!" brulde Van Rodenberg: "Weg van mij, verachte
vrouw!" vervolgde hij, zijn uiterste krachten verzamelende: "Weg
van mij met uw ellendige logentaal!" en met een geweldigen ruk
slingerde hij de rampzalige vrouw achter in het vertrek.--Zonder een
oogenblik te dralen, sprong de jonker nu uit de hooge verdieping in
de breede slotgracht, en zwom, in weerwil van zijne kleederen, naar
de overzijde. Een rauwe gil drong hem in de ooren. Een vrouwelijke
gedaante vertoonde zich aan het open venster. Eensklaps verdween
zij in de diepte. Het water plompte onder den val van een lichaam,
en niets meer ontwaarde de jonker dan een witte strook, die nog een
paar malen boven de watervlakte te voorschijn kwam, maar toen ook
voorgoed verdween.