Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den
dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst
schouwspel op.
De reis--welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn
ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen--was door hem uit de
gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs
portret had ontvangen.
Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging
najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken
omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die
hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht,
te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de
nabijheid van het slot Aduaar zich ter ruste nedergelegd. Het schoone
wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken
droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven
in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings
hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van
den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen,
slechts met het portret der schoone, 't welk hij op zijn tocht steeds
had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw
Barbara's herberg zijn intrek nemen.
Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid
hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van
Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen
aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven.
Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld,
was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig
zien henensnellen, 't welk háár met zich voerde die hij, reeds
sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs
wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te
bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst
had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik,
waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof
en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen,
en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals
de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel
zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was.
Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende
oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende,
en slechts een ledige ruimte ontwaarde.
Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijnd
zenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn,
reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem
aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne
legerstede weder.
Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen
slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van
leven gaf.
Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van
verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den
ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken
en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het
zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak
riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging
van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een
biddende bewaakster van den kranke maakte.--En hij? de kranke, die
daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende,
hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen
had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De
jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn
aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn
lichaam met een spoedig uiteinde.--En zij? Ook zij beminde oprecht;
ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven
allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar
nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met
betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van
dien geliefde; en evenwel--hij begreep hare liefde niet; nog nimmer
had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had
tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den
sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje
moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde
overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder!
Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor
het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te
lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige
droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren
voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje
speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren
in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden
haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid.
"Hoe bevindt gij u Jakob?" vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare
stem: "Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij
stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt
gij u ook iets beter. Is het niet zoo?"
De schilder knikte toestemmend. "Het is voorbij," zeide hij na een
kleine pauze, met zwakke stem: "De nevelen zijn opgeklaard.--Het is
weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijn geest. Het
is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven...."
"Gij zult leven! Ja, dat zult gij!" zeide het meisje met innige
verrukking.
"Leven...., ja, leven.... dáár....," hervatte de jongeling, terwijl
hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. "Hier op aarde was er voor mij
geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik
leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o
rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde
ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder
als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O
God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende
Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij
hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone,
kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U,
die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld,
dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel
eeuwig bij U zou leven!" Deze lange ontboezeming had den zwakken
spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De
ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken
tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had
sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar
zijn lichaam--ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden
der hartstochten daarbinnen--het lichaam gevoelde zich verlaten. Het
was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof
een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam
verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar
zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in
eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats
te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam
geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren.
Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder
niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden
gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans
deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne
dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en--die God zou hem
vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou
hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de
oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij niet alleen
beminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der
stervelingen zijn.
Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling
reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad
het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij
onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan;
hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en
bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming
en een eeuwig zalig leven.
De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden
van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang
der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester
uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist
op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar
die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke
een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn
geneesmiddel--dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend--te
zien, kwam hij nu--den volgenden dag--in zijn voornoemde betrekking
van geneesheer, den patiënt bezoeken.
Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere
waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn
verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte
hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen
aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene
uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren,
dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren.
Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in,
welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met
den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen--ten einde
de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden--den pols, en zag
daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden
blik aan.
"De pols slaat geregeld," zeide hij. "Uw bevinding is zeer juist. De
lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze
zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen
kan dit evenwel geheel voorkomen.--Morgen hoop ik u volkomen hersteld
te vinden," vervolgde hij tot den jongeling: "mijn geneesmiddel en
de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp,
de gezondheid wedergeven."
Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder.
Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte
den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van
innige blijdschap schitterden: "Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft
gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?"
"Buiten twijfel!" hernam de kleine geneesheer: "Een trouw gebruik van
den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien,
morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder
dan te voren!"
Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke
uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven
voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne
zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en
lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God
had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de
banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden
gekluisterd; God zou hem doen leven, leven--om geluk en vrede te
smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had.
En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat
de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.--Doch
Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan
die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien,
die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden
hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar
loopbaan beginnen;--maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich
rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven,
maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die
gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden,
en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van
Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt
binnengevoerd.
De avond begon te vallen.
--De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje
in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?--Hij
ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan
dit geneesmiddel.--Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo
kalm.--Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling
is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn
mond, maar hoorde niets: "Jakob!" sprak zij met een angstige stem:
"Jakob! ontwaak!"
De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje
met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder,
en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was
verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke
met het eeuwige verwisseld.
Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen
naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige
werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had
trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had
bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte
gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan
het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het
schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween
toen--om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden.