DERTIENDE HOOFDSTUK.

Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den

dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst

schouwspel op.

De reis--welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn

ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen--was door hem uit de

gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs

portret had ontvangen.

Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging

najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken

omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die

hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht,

te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de

nabijheid van het slot Aduaar zich ter ruste nedergelegd. Het schoone

wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken

droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven

in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings

hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van

den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen,

slechts met het portret der schoone, 't welk hij op zijn tocht steeds

had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw

Barbara's herberg zijn intrek nemen.

Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid

hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van

Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen

aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven.

Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld,

was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig

zien henensnellen, 't welk háár met zich voerde die hij, reeds

sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs

wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te

bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst

had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik,

waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof

en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen,

en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals

de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel

zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was.

Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende

oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende,

en slechts een ledige ruimte ontwaarde.

Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijnd

zenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn,

reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem

aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne

legerstede weder.

Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen

slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van

leven gaf.

Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van

verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den

ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken

en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het

zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak

riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging

van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een

biddende bewaakster van den kranke maakte.--En hij? de kranke, die

daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende,

hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen

had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De

jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn

aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn

lichaam met een spoedig uiteinde.--En zij? Ook zij beminde oprecht;

ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven

allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar

nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met

betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van

dien geliefde; en evenwel--hij begreep hare liefde niet; nog nimmer

had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had

tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den

sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje

moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde

overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder!

Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor

het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te

lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige

droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren

voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje

speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren

in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden

haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid.

"Hoe bevindt gij u Jakob?" vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare

stem: "Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij

stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt

gij u ook iets beter. Is het niet zoo?"

De schilder knikte toestemmend. "Het is voorbij," zeide hij na een

kleine pauze, met zwakke stem: "De nevelen zijn opgeklaard.--Het is

weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijn geest. Het

is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven...."

"Gij zult leven! Ja, dat zult gij!" zeide het meisje met innige

verrukking.

"Leven...., ja, leven.... dáár....," hervatte de jongeling, terwijl

hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. "Hier op aarde was er voor mij

geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik

leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o

rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde

ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder

als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O

God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende

Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij

hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone,

kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U,

die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld,

dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel

eeuwig bij U zou leven!" Deze lange ontboezeming had den zwakken

spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De

ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken

tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had

sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar

zijn lichaam--ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden

der hartstochten daarbinnen--het lichaam gevoelde zich verlaten. Het

was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof

een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam

verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar

zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in

eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats

te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam

geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren.

Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder

niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden

gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans

deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne

dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en--die God zou hem

vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou

hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de

oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij niet alleen

beminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der

stervelingen zijn.

Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling

reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad

het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij

onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan;

hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en

bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming

en een eeuwig zalig leven.

De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden

van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang

der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester

uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist

op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar

die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke

een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn

geneesmiddel--dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend--te

zien, kwam hij nu--den volgenden dag--in zijn voornoemde betrekking

van geneesheer, den patiënt bezoeken.

Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere

waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn

verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte

hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen

aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene

uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren,

dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren.

Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in,

welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met

den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen--ten einde

de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden--den pols, en zag

daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden

blik aan.

"De pols slaat geregeld," zeide hij. "Uw bevinding is zeer juist. De

lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze

zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen

kan dit evenwel geheel voorkomen.--Morgen hoop ik u volkomen hersteld

te vinden," vervolgde hij tot den jongeling: "mijn geneesmiddel en

de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp,

de gezondheid wedergeven."

Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder.

Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte

den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van

innige blijdschap schitterden: "Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft

gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?"

"Buiten twijfel!" hernam de kleine geneesheer: "Een trouw gebruik van

den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien,

morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder

dan te voren!"

Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke

uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven

voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne

zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en

lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God

had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de

banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden

gekluisterd; God zou hem doen leven, leven--om geluk en vrede te

smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had.

En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat

de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.--Doch

Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan

die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien,

die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden

hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar

loopbaan beginnen;--maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich

rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven,

maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die

gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden,

en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van

Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt

binnengevoerd.

De avond begon te vallen.

--De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje

in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?--Hij

ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan

dit geneesmiddel.--Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo

kalm.--Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling

is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn

mond, maar hoorde niets: "Jakob!" sprak zij met een angstige stem:

"Jakob! ontwaak!"

De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje

met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder,

en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was

verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke

met het eeuwige verwisseld.

Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen

naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige

werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had

trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had

bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte

gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan

het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het

schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween

toen--om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 17 / 82 题