De natuur was heerlijk uit haar doodschen winterslaap ontwaakt. De
aarde lachte als een blijde, sierlijk getooide bruid, en heuvelen en
bosschen verkondigden de grootheid des Scheppers.
Wie zal het wagen den indruk te schetsen, het gevoel te malen, dat een
heerlijke lentedag op den sterveling uitoefent? Welke pen vermag den
zuiveren wellust te beschrijven, dien de mensch moet smaken, als hij
de verjongde natuur en haar verrukkelijk schoon gadeslaat? De verven
zijn te gevoelloos; het penseel is te slap; de gloeiende verbeelding
des dichters is te koud, om datgene uit te drukken, wat men slechts
gevoelen maar niet meedeelen kan. Die zoete balsemgeuren van het pas
ontloken groen; dat liefelijk gekweel der vogelen; die koesterende
stralen der vriendelijke zon: alles kan men genieten, al dat schoon
met onverzadelijke graagte genieten; stom van verrukking in aanbidding
vertoeven; nogmaals die lucht inademen; nogmaals de handen dankend
ten hemel heffen, maar spreken.... neen spreken kan de sterveling in
zulke oogenblikken niet.
Ook het kasteel den Oldenburgh lag te midden van dien prachtigen
lentedos. Geheel anders vertoonde het zich thans dan toen wij het
vroeger bezochten. Over het nog jeugdige groen der eikenboomen en
akkermaals-bosschages lag een fijne roodachtige tint verspreid. De
bladeren der beuken- en kastanje-boomen hadden een zacht groene
kleur. De grasperken waren als met madeliefjes en boterbloempjes
bezaaid, en in de weilanden, die zich rondom doch op verderen afstand
van het kasteel uitstrekten, graasden en loeiden de runderen, en
blaatten de schapen, terwijl zij den dorst hunner lammeren leschten. De
ooievaar stapte met statigen tred in hun midden rond, en begaf zich
behoedzaam naar de waterachtige plaatsen, ten einde zich den kwakkenden
kikvorsch ten buit te maken. De muggen gonsden door de lucht, en het
fijne, zilverachtige groen der wilgen was treffend in harmonie met
de warme kleur van den azuurblauwen hemel.
Twee jonge vrouwen wandelden op zulk een schoonen en verkwikkenden
lentedag door de paden en lanen, die het voornoemd kasteel omgaven. De
eene was doodsbleek, en leunde op den arm der andere die hare
dienstbare scheen. Zij was in het wit gekleed, en hield in hare hand
een korfje met voorjaarsbloemen.
"Wij moesten hier even rusten," ving zij met een zwakke stem aan:
"Dit priëel Anne, geeft zulk een mooi uitzicht over de weilanden."
"Dat zou ik u niet raden lieve freule!" antwoordde Adelgondes kamenier:
"de lucht is wel zacht, doch een klein tochtje zou u wellicht zeer
nadeelig zijn."
"O neen!" hernam Adelgonde: "Ik ben immers weer geheel hersteld; de
zoete meilucht zal mij niet schaden. Laat ons hier even gaan zitten,
want ik ben een weinig vermoeid."
"Sla dan ten minste dezen doek om uw hals," zei de bezorgde Anne:
"het is voor de eerste maal dat gij uwe kamer verlaat, en ik zou om
niets ter wereld willen, dat gij door mijne onvoorzichtigheid weder
ziek werdt."
"Dat heeft geen nood," zeide Adelgonde, den doek met een dankend knikje
aannemende: "niets kan mij eer herstellen dan Gods vrije natuur. Dit
is het eerste uur, na dien schrikke.... na den dag dat ik zoo ziek ben
geworden, waarin ik weer verlang te leven. Ja in dezen stond zelfs
ben ik dankbaar dat God mij heeft bewaard, en dat ik zijn schoone
aarde nog eens mag betreden."
"Maar waarom zoudt ge daar ook niet recht blijde om zijn, lieve
freule?" vroeg Anne: "Kijk, het kleine muschje, dat daar zoo tjilpend
van den eenen tak op den anderen springt, toont zijne blijdschap wel,
en zoudt gij dan op uw leeftijd--zooverre boven velen bevoorrecht--niet
heel dankbaar zijn dat gij gespaard werdt, om, zoo wij hopen, nog
vele jaren recht gelukkig en in vreugde te leven?"
"Gelukkig!" zeide Adelgonde zuchtend: "het vogeltje mag zich gelukkig
gevoelen en vrij rondfladderen; maar ik, helaas!" en weder slaakte
zij een diepen zucht.
"Wanneer uwe krachten geheel zijn teruggekomen, dan zult gij wel anders
spreken," hernam de kamenier: "Zulke zenuwkoortsen ondermijnen het
gestel, en mijnheer Bril, de barbier van den genadigen graaf, heeft
mij voor een paar dagen nog gezegd, dat als het lichaam van streek
is, de ziel ook van streek is, en dat ook de ziel weder in haar oude
doen komt als het lichaam sterker wordt. Wij zullen den tijd eens
afwachten freuletje-lief! De tijd baart rozen, zegt Maarten altijd;
en hoewel ik dat in vele dingen, en ook voor ú wel geloof, zoo kan ik
toch niet zeggen, dat hij voor Maarten heel veel mooie roosjes baart,
want de goede jongen werkt wel altijd ijverig en trouw, maar heel
veel verdienen doet hij niet."
"Is het reeds lang geleden dat uw minnaar hier was?" vroeg Adelgonde,
door de woorden van Anne op andere gedachten gebracht.
"Nog gisteravond," antwoordde het meisje: "maar drommels en
drommels! wat ben ik toch schrikkelijk dom en stoffelachtig!" vervolgde
zij, zich eensklaps bezinnende: "Nu hebt gij reden om mij dapper
te beknorren. Hij heeft mij iets voor u meegebracht!" Dit zeggende
haalde zij een briefje van onder haar rozerood jakje te voorschijn:
"Kijk freule, neem het mij toch niet kwalijk.... Wat ben ik toch
schrikkelijk vergeetachtig!"
Adelgonde zag dadelijk dat het opschrift aan haar gericht en door
Alonzo Spinola geschreven was; een licht blosje verspreidde zich
over haar gelaat, en terwijl zij, niet zonder eenige verwarring, de
dierbare letteren uit de hand van Anne overnam, om die met gretige
aandacht te doorlezen, sprong de bescheidene kamenier vlug van hare
zitplaats op, en ging een schoonen gelen vlinder najagen, die van
bloem tot bloem, nu eens her- en dan weder derwaarts in verschillende
richtingen rondfladderde.
Het briefje, dat Adelgonde geheel bezig hield, luidde als volgt:
"Dierbare jonkvrouw!
"Hoe dikwijls ziet men, helaas! dat er zich voor onze dierbaarste
wenschen onoverkomelijke hinderpalen in den weg plaatsen; hoe dikwerf
worden wij in onze schoonste vooruitzichten droevig teleurgesteld,
en zien wij den straks nog helderen horizont onzes levens zich
weldra in donkere nevelen hullen. Zoo is het ook mij gegaan, schoone
Adelgonde! Met verrukking herdenk ik gedurig den dag toen ik dacht uwe
liefde te bezitten; toen ik besloot mij die liefde waardig te maken;
toen ik mij den grootsten monarch te rijk waande, en geen sterveling
mij zoo gelukkig en zoo zalig toescheen. Maar nogmaals, helaas! ik
heb mij niet lang met dat zoete denkbeeld mogen verkwikken. Reeds
spoedig wierpen zich ook voor mijne wenschen groote hinderpalen in
den weg. Ik mag en kan er niet meer aan denken, dat gij eenmaal
nog de mijne zoudt kunnen worden. Vele redenen bestaan er voor
de gegrondheid van deze vernietigde hoop. En de voornaamste dier
oorzaken is: dat de hand der schoone Hagenlelie reeds aan een ander
is toegezegd. En zult gij met hem gelukkig zijn? Zal die echtgenoot
u liefhebben zooals ik u zou hebben liefgehad? O Adelgonde! mijn
horizont staat beneveld, maar ook het verschiet van uw huwelijksleven
dreigt door zwarte wolken verduisterd te worden. Luister naar den
raad van hem, die het oogenblik nooit zal vergeten toen hij voor
de eerste en wellicht ook voor de laatste maal de woorden: "Ik min
u!" van uwe lippen hoorde vloeien. Dierbare Adelgonde, beproef hem
die uw echtgenoot zal worden. Sla hem gade, overweeg nauwkeurig
eer gij den onherroepelijken stap doet, die voor uw geheele leven
beslist. Onderzoek of hij uwe liefde en achting waardig is. Beter
ware het dat gij op jeugdigen leeftijd als maagd moest sterven,
dan dat gij te laat u een ongelukkigen stap zoudt beklagen. Nogmaals,
onvergetelijke Adelgonde! nogmaals: onderzoek en beproef uw aanstaanden
echtgenoot. Ik ken hem, ik ken het karakter van Van Rodenberg, hij
is uwer onwaardig. Geen laster, door vuige jaloezie opgewekt, doet
mij dit ternederschrijven. Beproef hem, en stort u niet in het ongeluk.
"Behalve dezen raad, dien ik mij verplicht rekende u te geven, drong
mij nog een andere reden u te schrijven. Reeds vroeger had ik dit
gedaan, doch de treurige mare van uwe ernstige ongesteldheid hield
mij tot heden daarvan terug. Goddank! ik heb vernomen dat gij zoogoed
als hersteld zijt. Mijne gebeden voor uw herstel werden iederen dag
hemelwaarts gezonden. Doch nu, schoone Adelgonde! er is nóg iets,
't welk ik verplicht ben u mede te deelen. Ik ben de deelgenoot
geworden van een belangrijk geheim. Het zou mij niet mogelijk zijn
dit in zijn geheel ter neder te schrijven, en, wellicht vertrekken wij
reeds spoedig uit deze streken. Adelgonde! ik moet u kenbaar maken wat
mij is ter oore gekomen. Wil mij mijne bede niet weigeren! Ik wensch
u alleen te spreken. Gij zelve kunt bepalen waar ons onderhoud zal
plaats hebben, en dan--dan zal ik u voor het laatst zien, voor het
laatst spreken, en u tevens voor altijd vaarwel zeggen!
"O schenk slechts eenige regelen ten antwoord aan hem, die u dringend
smeekt zijn verzoek niet te weigeren, en die zich noemt:
Uw heilzoekende en heilwenschende vriend,
Alonzo.
Nog staarden de vochtige oogen van Adelgonde op het papier, nog herlas
zij de woorden, die zoozeer van des Spanjaards innige deelneming in
haar lot getuigden, toen Anne weder kwam aanhuppelen en tusschen hare
vingeren den gevangen vlinder omhoog hield: "Kijk eens freule!" riep
zij Adelgonde reeds uit de verte toe: "Kijk eens, welk een fraai
diertje, geel als citroen, en zoo vlug als een ree!"
"Foei, Anne!" zeide Adelgonde op bestraffenden toon: "moet gij dat
onschuldige vlindertje zijn vrijheid benemen? Gij weet niet wat het
zegt die te moeten missen. Geef het beestje zijn vrijheid terug!"
"Welnu, trek dan in vrede!" zeide Anne, en het diertje loslatende,
zag zij het vroolijk en snel henenvliegen.
"Geef mij nu uw arm en laat ons huiswaarts keeren!" zeide de freule. De
kleine kamerjuffer gehoorzaamde terstond, en beiden wandelden nu
weder door de lange zijlaan, stapten de brug, die aan de achterzijde
van het park uitkwam, over, en traden vervolgens het kasteel door de
kleine achterpoort binnen.
"Wel foei Gonne! gij zijt recht ondeugend," zeide de graaf Van Bergen
lachende, die juist de breede trappen afkwam toen de vrouwen de gang
inkwamen: "zoo te ontsnappen, zonder verlof te vragen! Ik had gehoopt u
de eerste maal dat gij de buitenlucht zoudt genieten, te vergezellen,
doch ik zal u daarvoor straffen, en kom mij daarom dezen middag bij
u als gast opdringen."
"Gij zult mij hartelijk welkom zijn," antwoordde Adelgonde: "Wat de
wandeling betreft, het liefste had ik die in uw gezelschap gedaan,
doch ik was bevreesd dat uwe bezigheden u met zouden toelaten...."
"Nu nu, spaar die verontschuldigingen maar," viel haar de graaf in
de rede: "Gij ziet er zeer goed uit, lieve kind! de lucht heeft u,
dunkt mij, veel goed gedaan. Over een uur ben ik bij u." Hij gaf haar
bij deze woorden een kus op het voorhoofd, en ging, terwijl zij zich
naar hare kamer begaf, zijne paarden en honden in de stallen opzoeken.
Nauwelijks was Gonne in haar grooten ziekenstoel gezeten of zij
haalde Alonzo's letteren weder te voorschijn, las deze nogmaals,
en besloot, daar zij, zooals wij vroeger reeds gezien hebben, vrij
goed schrijven kon, onmiddellijk aan het verlangen van den edelen
jongeling te voldoen. Zij beantwoordde zijn brief met deze woorden:
"Geachte vriend!
Zoo toch mag en durf ik u noemen, daar gij toont een waar belang in
mijn lot te stellen. Uwe letteren heb ik in een vrij goeden welstand
ontvangen, en las die, toen ik voor de eerste maal na mijne ziekte
weder onder Gods vrijen hemel mocht ademhalen.--Gij hebt gelijk, wij
worden van elkander gescheiden. Gij hebt hinderpalen zien verrijzen,
die uwe wenschen in den weg traden, en voor mij, gij weet het, is de
droom onzer liefde eveneens in rook verdwenen.--Wat er ook van Van
Rodenberg zijn moge, hij zij dan edel of slecht, reeds zijn aanblik
hindert mij. Verdenk echter den liefderijksten en achtenswaardigsten
der vaders niet van hardheid; geloof niet dat hij mij dwingen zal
mijne keuze naar zijn wil te bepalen. Alles wat hij doet, beschouwt
hij in mijn belang.--Doch een treurige waarheid doet mij met groote
zelfopoffering besluiten zooveel mogelijk naar zijn begeerte te
handelen. Mijn geheele leven zal ik u dankbaar zijn voor uw warme
deelneming; doch, edele vriend! met de grootste moeielijkheid zal ik uw
laatste verzoek kunnen inwilligen. Mijne gezondheid laat mij niet toe
u des avonds ergens te ontmoeten. In mijne woning is dit onmogelijk,
en waar zou ik u dan kunnen zien?--Vertrouw aan het papier uw geheim,
doch zoo u dit niet doenlijk is, welnu, dan zal er wellicht in het
aangevangen warme seizoen nog wel een gelegenheid voor mij komen om
u aan te hooren en u vaarwel te zeggen."--Hier liet Adelgonde een
traan op het papier vallen, dien zij echter zorgvuldig zocht weg te
wisschen.--"Gods beste zegen vergezelle u op al uwe paden. Vergeet,
als gij in uw vaderland zult zijn teruggekeerd, dat er in deze streken
een hart voor u klopte. Vergeet den droom der moerassen, en haar die
zich noemt: