A. V. B."

Zorgvuldig verzegelde zij nu den brief en schreef het adres erop.

"Gij zult de bezorging van deze letteren op u nemen," zeide zij tot

haar kamermeisje, die zich met eenig vrouwelijk handwerk had onledig

gehouden.

"Volgaarne lieve freule!" antwoordde deze: "Maarten komt niet voor

Zaterdag, dus moet mijnheer Bril er zich mede belasten. Nu, hij is

ook in mijn dienst, en brengt mij schier iederen morgen de groete

van Maarten over. De brief moet in het logement van Gooswijn Meurkens

bezorgd worden, nietwaar?"

"Ja!" zeide Adelgonde, licht blozende: "hij moet dien persoonlijk

aan den jongen graaf Spinola overhandigen."

Anne nam den brief aan, verborg dien in haar keursje, en weldra

verscheen Burgman, om op de ziekenkamer de tafel voor het middagmaal

in gereedheid te brengen.

Het maal was spoedig ten einde geloopen, en de graaf, die heden

bijzonder opgeruimd was, schikte zijn stoel wel voldaan naast dien

zijner pleegdochter.

"Na lijden komt verblijden, lieve Gonne!" ving hij aan: "na regen

komt zonneschijn; na een strengen winter een verkwikkende lente. Ik

heb God om uitkomst gebeden; ik heb Hem gesmeekt u te bewaren, te

bewaren voor mij, uw teederminnenden vader."

Adelgonde zag haar pleegvader dankend aan, doch zuchtte diep.

"Maar ik wenschte uw beterschap niet," vervolgde hij, zeer wel

de oorzaak van dien zucht kennende: "ik wenschte die niet om u

neerslachtig en ongelukkig te zien; neen, dat zij verre, maar om u

evenals voorheen, vroolijk en opgeruimd te ontmoeten; om, evenals

vroeger, door uw aanhoudend en vriendelijk gesnap mij dat treurige

gedeelte uit mijn levensgeschiedenis te doen vergeten; om daardoor

mijn voorhoofd effen te houden, waarop zich anders maar al te dikwerf,

bij de sombere herinneringen, diepe groeven vertoonen...."

"En zal dat mogelijk zijn?" vroeg Adelgonde.

"Deze dag moet en zal voor u in alle deelen schoon zijn, dierbaar

kind!" hervatte de graaf, haar met innige liefde aanziende: "Geen

zwaar en moeielijk juk zal u drukken. Gij hebt uwe gezondheid en

tevens uwe vrijheid terug."

"Wat bedoelt gij?" vroeg Adelgonde verrast.

"Luister!" hernam Van Bergen: "Ik heb den aard en het karakter van

Walter leeren kennen. Zijn eerste bedreiging had mij reeds een slechten

indruk gegeven. Geldzucht is de drijfveer zijner keuze. Van Rodenberg

zal uw echtgenoot niet worden."

"Niet!" riep Adelgonde met een gemengd gevoel van dankbaarheid en

verrukking tevens. "Maar," vervolgde zij langzaam: "maar zijne

bedreiging? Zal hij mij niet aan de minachting der hardvochtige

wereld prijs geven, indien hij bekend maakt dat mijn brave gestorvene

ouders slechts arme geringe lieden waren? Zal zijne boosheid niet,

uit teleurgestelde winzucht, vlekken op uw naam werpen, mij wellicht

voor een kind.... der.... schande." zij zeide deze woorden schier

onhoorbaar: "laten doorgaan; en zal de booze wereld daar geen geloof

aan hechten?"

"Geen vrees!" antwoordde de graaf: "Zijn geldzucht is bevredigd; hij

zwijgt, en niemand ter wereld zal buiten ons weten, dat de schoone

Hagenlelie niet volgens de wetten van het bloed mijne dochter

is. Luister: Toen de crisis uwer ziekte gekomen was, en allen

voor uw behoud vreesden, toen kwam Van Rodenberg naar uw welstand

vernemen. Zijne teleurstelling was zichtbaar, doch ik rekende het

oogenblik gekomen dat ik hem moest mededeelen, dat gij gedurig reeds,

zoo wel in ijlende droomen als in helderder oogenblikken, uw tegenzin

in een huwelijk met hem hadt te kennen gegeven, en dat, zoo gij

hersteldet, gij toch nimmer zijne gemalin zoudt kunnen worden. Zijn

gelaat nam een wreedaardige plooi aan. Het kind van lage geboorte

versmaadt mijn naam? sprak hij scherp. O lieve Gonne! vergeef mij,

dat ik u zijne woorden herhaal, maar immers gij moet hem kennen,

nietwaar? Welnu, ging hij voort: dan zal de wereld ook weten wie de

dochter van den graaf Van Bergen is."

"Ik vreesde dit!" zeide Adelgonde met nedergeslagene oogen.

"Gij kunt begrijpen dat ik moeite had mijne bedaardheid te bewaren,"

hernam Van Bergen: "vooral daar hij het was, dien ik van zijne jeugd

af aan, steeds met weldaden heb overladen. Doch, het was de zoon

van mijn besten vriend Robbert! Ik hield mij in, en deed mij voor als

doorgrondde ik de laagheid zijner woorden niet. Dit zou u weinig baten,

antwoordde ik hem: Oneer is het niet. Ik zag hem glimlachen. Maar,

vervolgde ik: Gij weet Walter, wat ik steeds voor u geweest ben. Ik

gevoel dat gij een teleurstelling ondervindt. Van jongs af aan dacht

gij Adelgonde tot vrouw, en met haar mijne nalatenschap te bekomen. Dit

is een bittere teleurstelling; doch welk heil zou u een huwelijk

aanbrengen met eene vrouw, die u niet genegen is? Laat Adelgonde in

het bezit van haar naam: doe afstand van uw wensch, en zij schenkt

u de helft van het vermogen, dat zij na mijn dood zal bezitten."

"Gij zoudt....?" riep Adelgonde.

"Heb ik niet wél gedaan, lieve Gonne?" hernam Van Bergen. "Voorzeker

heb ik wat ruim over het uwe beschikt, doch thans blijft en zijt gij

mijne lieve dochter."

"Uwe liefde, uwe goedheid!" riep Adelgonde, hem om den hals vallende:

"o! die kan u alleen hiernamaals vergolden worden."

"Zoo is het mij goed," sprak de graaf: "gij zijt tevreden. Welnu Gonne,

zult gij nu weder gelukkig zijn?"

Adelgonde zweeg een oogenblik; zij beschouwde het vriendelijk

goedhartig gelaat van haar pleegvader, en zeide op vastberaden toon:

"Ja, ik zal, voor u levende, door uw wil te doen, door u in alles te

gehoorzamen, recht tevreden en ook gelukkig zijn."

"Amen!" zeide Van Bergen; ledigde toen zijn roemer, drukte het schoone

meisje een kus op de lippen, en verwijderde zich.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 14 / 82 题