"Ik bid om verschooning, edele vrouw!" sprak Alonzo, toen hij
het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een
sierlijke buiging naderde: "Ik vraag u zeer om verschooning, dat een
ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht
uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en,
onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt."
"Maak geen complimenten mijnheer!" zeide de dame, met een Fransch
accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette:
"Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn
vriend en trouwen rentmeester Rosio!" vervolgde zij, Alonzo een man
voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek
gelezen had.
"De vermoeiden zijn ons steeds welkom," zeide Ambrosio, mede opstaande
en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene,
van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw.
Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging
der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur,
zonder paard, zoover van de stad verdwaald was.
Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal op den Oldenburgh
mede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf
voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald;
verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken
hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd
was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg
had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners,
in deze veilige haven had binnengevoerd.
"Het is onbegrijpelijk!" sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had,
terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: "onbegrijpelijk! dat
er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt
gewaakt. Den hemel zij echter gedankt," en zij maakte het teeken des
kruises: "dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer
der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom
wezen?" vervolgde zij; "Rosio zal mij wel den dienst willen doen,
een goede flesch te gaan halen."
Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne
gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonken gadesloeg,
bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk
knipoogen beantwoordde.
"Gij kent dus den graaf Van Bergen?" vroeg de dame toen Rosio
vertrokken was.
"Zooals ik u zeide, edele vrouw!" antwoordde Alonzo: "dezen middag
was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij
te leeren kennen."
"Dan is het al zeer toevallig," hernam de gravin: "dat gij uw
middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de
moeder komt zoeken."
"De graaf Van Bergen is uw zoon?" zeide Alonzo verrast, terwijl
hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde:
"Voorwaar mevrouw," ging hij voort: "het geleden ongeval wordt mij
thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen
heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen
graaf Van Bergen."
De douairière glimlachte. "Met recht verdient mijn zoon de eer die
ieder hem toekent," hernam zij: "ook ben ik niet weinig trotsch op hem:
hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne
dochter Adelgonde?" en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare
scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan.
Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: "De freule is inderdaad
zeer schoon," antwoordde hij, zich herstellende: "nooit te voren,
mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe
kleindochter."
"Het is de algemeene opinie," hervatte de gravin: "men kan zeggen,
dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte
haar doet missen...."
"Een onwettige geboorte?" riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk
verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: "Is het dan waarheid
mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht
kon hebben uitgestrooid?"
"Gij hebt het niet geloofd mijnheer?" zeide de gravin, terwijl zij
haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene
kostbare ringen staken: "Inderdaad, het is zonderling," vervolgde zij:
"dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens
behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade."
Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den
indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt
hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden
toon voort: "Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig
zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van
haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen
hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat
zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet
na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteel den
Oldenburgh het zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon
van mijn onvergetelijken echtgenoot in zijn rang en stand staande te
houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen;
ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig,
hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!" en bij deze laatste woorden drukte
zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen
over hare wangen.
"Die schoone bloem!" zeide Alonzo met een diepen zucht: "Zoo hemelsch
schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!...."
"Het eenige middel om haar te redden," hernam de gravin Van Bergen,
"is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare
vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen;
doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht;
de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer
te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een
jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden,
de grootste verplichting heeft.--De jonker Van Rodenberg," vervolgde
zij, Alonzo even aanziende, "heeft hem reeds jaren lang op de
edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze
jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen,
of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke
blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte
en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo
Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren
man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal
deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden,
ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook,
als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk
schuldeischer worden."
Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug,
gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn
en bekers op de tafel plaatste.
"Nu Mechteld dood is," ving de rentmeester aan, "kan men ternauwernood
de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als
alle vrouwen Maria's waren, dan zouden wij mannen, wel Martha's moeten
worden.--Zie hier jonkman!" en hij overhandigde Alonzo een beker wijn.
"Ik dank u mijnheer," zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende,
en ledigde den hem toegereikten beker in één teug.
"Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten
nemen, edele gast!" zeide de gravin weder op minzamen toon: "Het zou
ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop
uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald." Een spotachtige
glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: "maar," vervolgde
zij: "toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en
deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken."
"Het spijt mij inderdaad," zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeen
hij gehoord had, ten eenenmale was geweken, "dat deze moeite voor
mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik."
"Het is te wenschen," hernam de gravin, "dat deze Bourgogne meer genade
in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw
schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen,
dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!" en terwijl
zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met
haar leeftijd zonderling in weerspraak was.
Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren
verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met
onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een
geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost
bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.
Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer
vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij
zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel
bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo
echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had,
liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in
den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.
"Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan," zeide Alonzo
opstaande: "Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te
zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde
gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!"
Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke
vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur
vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een
bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.
"De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven," zeide de
rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: "Van Rodenberg zit reeds
gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.--Treed binnen
jonker!" riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der
kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.
"Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!" zeide hij, zich in
een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. "De
onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te
staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen
ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te
vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit
de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en
waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een
flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald;
toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet
paste den ezel bij adem te laten, mij later in opspraak te brengen,
gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak
zal voorzeker niet uitlekken."
"Met dat al hebt gij niets gewonnen," zeide de gravin: "Uw medeminnaar
leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn
is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den
aanslag hebt gesmeed."
"Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer
bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege
kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak op
den Oldenburgh heeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling
te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem
verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De
vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde
te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad,
en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs
was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou
gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer,
en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje
zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra,
en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom."
"En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben," hernam de gravin
toen Van Rodenberg geëindigd had. "Doch wat vangen wij thans met
Spinola aan?"
"Hij slaapt voorzeker reeds als een roos," zeide Rosio: "Het ware
verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt...."
"Hij moet ongedeerd van hier vertrekken," viel Van Rodenberg hem in
de rede: "Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij
lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene
bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen;
of.... des noods heeft hij een moord begaan!"
Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een
hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als
lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit
aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel
gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich
toen op het groote ledikant.
Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende
droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de
zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in
een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en
saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen
er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch
veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende
slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te
zamen in allerlei vreemde sprongen en met luid misbaar hand aan hand
om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In
't eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief
de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich
voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper
zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote
blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend
geraamte rees uit de groeve omhoog. "Edele heer! edele heer!" riep het
kind angstig smeekend: "edele heer!" riep het nogmaals luider, Alonzo
bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een
schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de
slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende
oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne
legerstede stond. "Edele heer!" zeide zij nogmaals, en schudde den arm
van den jongeling met haar kleine hand: "Ontwaak! In 's hemels naam,
wil mij een oogenblik aanhooren."
"Wat verlangt gij van mij?" vroeg hij, zonderling te moede, en sprong
nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.
"O verschoon mij," bad het meisje: "verschoon mij dat ik uw
slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt
immers een edel en braaf heer?"
"Welnu," zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het
lieve kind aandachtig beschouwde, "spreek, wat verlangt gij van mij,
of wat hebt gij mij te zeggen?"
"Gij zult het straks vernemen," zeide het meisje: "doch volg mij
zonder gedruisch;" en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene
benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar
aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te
loopen, eerst later zullen mededeelen.