De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven
gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een
overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen
die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle
onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: "van hun
buik," zooals zijn Verlosser gezegd had: "hun afgod maakten."--Het
waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen
verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen,
een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen
besluit, en toch, toch kon en mocht hij niet anders handelen.
Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn
legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken,
het raam openstiet.
Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke
Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van
buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn
gloeiende wangen aangenaam verfrischte.
"God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!" riep de
graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder
de zon uit de kimmen zag verrijzen. "Ja, groot en goedertieren waart
Gij, o God! toen op uw machtig woord: "Daar zij licht!" de prachtige
hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot
en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou
Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en
warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch,
waart Gij toen reeds een goedertieren en zorgend Vader, hoeveel te meer
zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden,
nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....--Ja,
genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!--Aan Uw gevallen zondig
schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren
Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat
niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten
bloed eeuwig zalig zou worden.--O, dank daarvoor, oneindig groot
en barmhartig Opperwezen!" ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne
handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: "Maar
dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken,
ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden,
dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt
willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot
zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem
nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben
ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O,
geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, 't welk ons bezield
heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden
gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts
alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te
schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze
vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin,
naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven,
gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben."
Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam
weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe
Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig
geledigd had.--Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen,
toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke
taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert.
Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar
Burgman binnen.
"Goeden morgen uwe genade!" zeide deze: "dat heet ik vroeg opstaan. Om
halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht
is gesloten en de vijand is uit het veld."
"Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben," zeide Van
Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden:
"Het ontbijt moet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule
doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer
wensch te spreken."
"Zeer wel uwe genade!" antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten
uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn
heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen
zoo stug en afgetrokken was.
Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de
vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad
Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen.
"Hebt gij wel geslapen, lieve vader?" vroeg zij, terwijl zij den
graaf een hartelijken zoen gaf: "Ik heb mij gehaast aan uw verzoek
te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?" en
tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond.
"Ja lieve Gonne," antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen
blik beschouwende: "ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te
deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over
zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren
aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen
slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat
ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne
raadgevingen naar vermogen te ondersteunen."
"Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!" zeide Adelgonde,
die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen:
"Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief,
altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans,
in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te
slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij
schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met
één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken."
"Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!" hervatte
Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek
te vervolgen: "Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik
dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm
aanhooren." Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne,
en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: "Achttien jaren reeds
mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn
oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk
zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en
ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u
niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen;
ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar
thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor
te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om
zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt
u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins
waardig echtgenoot voor u zijn."
Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds
wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat
denkbeeld, en de vraag: "Hoe is zijn naam?" bestierf haar op de lippen.
"Ruim drie en twintig jaren geleden," ging Van Bergen voort;
"stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van
Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs
had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond
veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikken
stond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter
voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den
naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen
strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam
Van Rodenberg?"
Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf.
De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging
toen voort: "Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore
gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou
het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een
Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid
wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand
heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof
verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo
ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog
tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij
u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde
een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is."
Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine
pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd
afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare
liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel
had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van
haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch
zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de
ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden,
om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim
te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van
dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden,
dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten.
Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene
nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche,
doch thans natbekretene oogen aanzag: "Is het dan zonde lieve vader,
een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne
vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik
een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den
terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel
mij niet."
Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij
op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter
neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig
wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom
thans verzwegen, 't geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn
medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand
gebood hem te spreken.
"En zoo het voor uwe eer," ging Van Bergen voort: "voor uwe en mijne
rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwe wenschen liet varen,
en Van Rodenberg zocht te beminnen....?"
"Voor uw geluk, voor uwe rust!" viel Adelgonde hem snel in de rede:
"dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil
hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een
toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou
kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?"
"Luister dan, goede Gonne!" hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden
op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: "Luister
aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis
mededeelen.--Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes
en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar
blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in
den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra
vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij
waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er
steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des
huwelijks lief en leed...." Van Bergen hield eenige oogenblikken stil
en staarde strak voor zich neder.
"Ga voort lieve vader!" zei Adelgonde: "Gij hebt mij nog nooit van
mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit
heb mogen kennen."
Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: "Drie
jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs
om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk
werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde,
van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer
bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk
te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik
kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle
oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken,
en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken,
aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken
keerde ik op den Oldenburgh terug. De luiken waren gesloten. Sidderend
vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was
voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik
vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel
doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik
een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg
een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.--Waar is mijn
kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek
was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind
dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde,
die met rouwfloers was bekleed: "Helaas, uwe genade! zeide zij: het
lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het
met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het
zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!"
Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen:
"Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats;
drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij
nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden
van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen;
de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn
zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij
in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het
verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige
gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer
min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare
moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der
Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde
ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees
geslingerd op den Oldenburgh aan; doch, gerechte hemel! ook nu weder
waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij,
en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.--Wat is hier
voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij
daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter
ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken...."
Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik
hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn
leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest
lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem
vertroostend aanziende, zeide zij zacht:
"Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en
die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat
gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ..."
"Houd op! houd op!" riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: "O mijn
God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals
mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!"--riep hij nogmaals,
en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open
deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg.
"Gonne, liefste Gonne!" smeekte Van Bergen, door dit toeval tot
zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel
plaatste: "Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid
niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch
eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan,
wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit,
eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden
schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg--door
wien weet de hemel--achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw
naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare
Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds
een liefderijk vader!
Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld:
Een vreeselijke storm had over de teedere Hagenlelie gewoed!