Het was den 6den van Sprokkelmaand in het jaar 1608,--dertien jaren
dus na het in de vorige bladzijden vermelde nachtelijk avontuur,
dat het vorstelijk 's-Gravenhage een feestelijk aanzien had. Vlaggen
wapperden van de meeste gebouwen, drukte en gewoel heerschte alom op
straten en pleinen, rijtuigen en wagens, menschen te voet en te paard
verdrongen elkander en joelden in bonte kleuren dooreen. Hier zag men
staatsiekoetsen, ginds vechtende jongens, elders bevallige maagden
en kloeke jongelingen in feestelijk gewaad gedost, allen naar een
en hetzelfde doel strevende, allen ijverende om een geschikte plaats
te bekomen, ten einde datgene te aanschouwen waarnaar hunne begeerte
zich uitstrekte.
Was het ook al bij sommigen bloote nieuwsgierigheid, om iets
buitengewoons te zien, die hen ter deure had uitgedreven, op de meeste
aangezichten stond evenwel duidelijk een verhevener wensch en een
blijde verwachting voor de toekomst uitgedrukt.
Doch van waar die dringende volksmassa? Van waar die blijdschap, die
drukte, die beweging? Wat stond er te gebeuren? Wat zou er voorvallen?
Ter beantwoording dezer vragen en om zoo mogelijk iets meer
dienaangaande te weten te komen, willen wij ons liefst bij eenige
personen voegen, die in een groep bij elkander stonden.
"Drie pinten brandewijn wil ik tegen ééne verwedden, dat hij een
kop grooter is dan onze Prins," sprak een klein, schraal en slecht
gekleed man.
"Drie pinten tegen eene!" herhaalde hij, uitdagende blikken om zich
heen werpende, terwijl hij eindelijk meer bepaald een jonkman bleef
aanzien, die even te voren het tegendeel beweerd had.
De jonkman die, naar het uitwendige te oordeelen, insgelijks niet
veel te verliezen had, scheen de uitdaging niet zeer gretig aan te
nemen, doch hetzij om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, of wel
om zijne bekendheid met den bedoelden persoon te kennen te geven,
sprak hij na eenig stilzwijgen:
"Ongetwijfeld echter weet ik dat de markgraaf gezetter is dan Maurits,
ik heb...."
"Gelogen!" viel de eerste spreker hem driftig in de rede: "Gelogen
vriend! Spinola is lang en mager, lang als Gerrit Aal uit de Wijnstok,
en mager...."
"En mager, als Sebastiaan Bril, baardschraper uit het Scheerbekken,"
viel een forsche stem den spreker in de rede, welke laatste, op
het hooren noemen van zijn naam, zich verschrikt omwendde en achter
zich de forsche gestalte en het blozende gelaat van den waard uit de
Wijnstok ontdekte.
"Gerrit! Gerrit!" hernam de ontstelde baardschraper, zich herstellende:
"Gij deedt beter, mij in het vervolg niet meer met uw barbaarsche
stem te verschrikken, geloof mij, de Wijnstok zou mij voor 't laatst
gezien hebben."
"Bedaar, maat!" hervatte de dikke waard, die huiverde bij het
denkbeeld, door eigen toedoen een der beste kalanten uit zijn kroeg te
verjagen: "Bedaar! 't was niet kwaad gemeend.--Maar drommels!" ging hij
lachende voort: "Gij bediendet u zoo vrijpostig van mijne lengte, om
mij bij dien Spanjaard te vergelijken, dat mij evenzeer uw dunne beenen
het recht gaven, om de door u aangevangene vergelijking te voltooien."
Op deze aanmerking van Gerrit Aal, richtten zich verscheidene oogen
naar de dunne eenigszins kromme beenen des baardschrapers, welke in
uiterst versleten hozen staken, zoodat zij hier en daar hun natuurlijke
kleur vertoonden.
Een luid gelach was de uitwerking door deze opneming teweeggebracht,
en zeker had Gerrit zijn vertoornden klant voor altoos verloren, had
deze hem niet vertrouwelijk op den schouder geklopt en iets in het oor
gefluisterd, 't welk den kleinen man geheel scheen te bevredigen. Met
een luid: "Fiat, Gerrit!" scheen hij alle beleedigingen vergeten
te hebben, of ten minste geneigd te zijn, er zich niet verder over
te bekommeren.
"'t Zal mij dan eens wonder benieuwen, of die twee malkaar den
dolk niet in de ribben zullen stooten!" sprak een oud wijf met
een taankleurig gelaat, hetwelk in allerlei richtingen met plooien
en rimpels doorploegd was: "'t Was," ging zij krijschende voort:
"de eenige manier, om aan alle ruzie een einde te maken, want
razen en blazen zullen de kemphanen zoolang zij lucht in de longen
hebben. Vrede, ja! bij mijne ziel, vrede zouden ze maken! 't
Heeft wat in, een Spaansch varken schoon te krabben! Kokend
water moet er op! Kokend water, zeg ik, en dan krabben met man en
macht!--Bah!" reutelde zij in zich zelve voort, terwijl zij onze
groep eensklaps verliet: "Bah! ze zullen met zijden lappen een varken
schrapen!"
Ondertusschen was de jonkman, dien wij het eerst met Sebastiaan Bril
in eene woordenwisseling hebben aangetroffen, door een voorbijdringend
maagdeke vriendelijk toegeknikt. "De trein is in aantocht!" had zij
hem toegeroepen, en hem tegelijkertijd bij zijn wambuis grijpende,
met zich voortgetrokken, waaraan hij, geenszins onwillig, niet den
minsten weerstand geboden had.
Werkelijk kondigde een dichte drom van menschen, die allen van de
boschzijde kwamen aanstormen, duidelijk aan dat de zoolang verwachte
personen weldra zouden voorbijkomen.
De jonkman, aan wien in het vervolg door het meisje den naam van
Maarten gegeven werd, had met haar, weinige schreden van de plaats
waar wij hem het eerst aantroffen, op een steenen trap van een fraai
gebouw aan het einde van den Kneuterdijk gelegen, post gevat, en zag
nu, den arm om haar middel geslagen, dartel koutende, met het grootste
geduld de komst van den trein te gemoet.
Wij zullen de jonge lieden voor een oogenblik verlaten, om met onze
Lezers, die uit het op straat verhandelde slechts gedeeltelijk de
ware toedracht der zaak zullen begrepen hebben, zeer beknopt bij
de geschiedenis van dien dag stil te staan, en hun de oorzaak dier
feestelijkheden duidelijk te maken.
Filips III, Koning van Spanje, neigde tot vrede; verscheidene
beweegredenen drongen hem hiertoe, en voorzeker wel het meest
de aanzienlijke geldsommen die het krijgvoeren in de Vereenigde
Nederlandsche Gewesten aan den Spaanschen Staat kostten. Drie millioen,
zesmaal honderdduizend kronen toch werden er minstens jaarlijks
vereischt, om in de behoeften van dezen krijg te blijven voorzien.
Door de ongeloofelijke dapperheid en het kloek beleid van Prins
Maurits, was het den Spaanschen bevelhebber markgraaf Ambrosio
Spinola bijna onmogelijk geweest, over de stroomen tot in het hart
der Vereenigde Gewesten door te dringen, en zeker was het te voorzien,
dat de weinige sterke plaatsen, welke hij genomen had, niet te houden
zouden zijn, wanneer de Staten van Holland, door Frankrijk ondersteund,
opnieuw tot een aanvallenden krijg, die hun vroeger zoo wel gelukt was,
mochten besluiten.
De geschillen van den Staat van Venetië met den Paus, in welke
Filips zich gemengd had, dreigden hem nog bovendien met een krijg in
Italië, welke onmogelijk kon gevoerd worden, zoolang hij niet met de
Nederlanden bevredigd was.
Voorts morden de Portugeezen dat hunne schepen door de Staatschen
genomen, en hunne volkplantingen in de Oost-Indiën vermeesterd werden
zoodat én koophandel én zeevaart ten eenenmale bedorven werden.
Al deze krachtige redenen deden den jongen, in het oorlogen onbedreven
Filips vurig naar vrede verlangen. Reeds in het vorige jaar, 1607,
hadden de onderhandelingen een aanvang genomen, en had de aartshertog
Albertus, daartoe door zijn gemalin Isabella gemachtigd, den Staten
aangeboden, met hen, als met vrije volken, te onderhandelen, waarna,
op den 12den van Grasmaand, een binnenlandsche wapenschorsing gesloten
werd, met eenige bepalingen, en wel voornamelijk: dat de Koning van
Spanje binnen drie maanden de Vereenigde Gewesten insgelijks voor
vrije Landen zou erkennen.
Prins Maurits, hoewel aanvankelijk onwillig om met den vijand
tot vredesonderhandelingen over te gaan, had zich echter door den
schranderen advocaat Johan van Oldenbarneveld, die op goede gronden
voor den vrede ijverde, tot de ontvangst der vreemde gezanten laten
overhalen. Oorlogzuchtig van aard, koesterde de Prins echter den
heimelijken wensch, dat de onderhandelingen weldra door onoverkomelijke
hinderpalen mochten verijdeld en afgebroken worden. Zijn juiste
staatkunde deed hem echter duidelijk inzien, dat hij zich den haat
van vele edelen en burgers op den hals zou halen, indien hij zich
openlijk en met kracht tegen een aangebodene vredesonderhandeling op
billijke voorwaarden verzette.
En nu,--de Spaansche gezanten werden verwacht. Prins Maurits was
reeds een uur geleden, door zijne edelen omringd, de ambassade te
gemoet getogen. De algemeen beruchte markgraaf Ambrosio Spinola was
het hoofd van het gezantschap. Trompetgeschal liet zich in de verte
hooren; de trein naderde, en geenszins was het dus te verwonderen
dat aller oogen eensklaps naar ééne zijde gericht werden en dat alle
gesprekken, van welken aard ook, werden gestaakt, om door een zacht
gemompel te worden vervangen.
"Gij zult wél doen, Anne, een trap hooger te klimmen, als gij over al
die hoofden wilt heen zien," sprak Maarten halfluid tot het meisje,
hetwelk, op zijn arm leunende en zich al meermalen op de teenen
verheffende, getracht had haar hoofd boven de menigte te doen
uitkomen. Deze raad werd opgevolgd, en Maarten, die nu ook zijne
plaats verliet om weder achter haar post te vatten, sloeg den arm
om haar blanken hals, en beiden aanschouwden nu duidelijk, wat wij
onzen lezers zullen mededeelen.
Een korps hoornblazers en tamboers, door eenige hellebaardiers
voorafgegaan, opende den trein; hierop volgde een heraut van wapenen
te paard, en onmiddellijk daarna een prachtige staatsiewagen, met zes
kloeke paarden bespannen, wier blinkende hoofdstellen vroolijk in de
vriendelijke Februari-zon schitterden. De wagen, waarvan de wielen tot
even boven de naven door sierlijk geschilderde raderkassen overdekt
waren, bevatte op de hoeken vier vergulde ijzeren staven, die een
bijna koepelvormigen hemel onderschraagden, welke uit vier paneelen
bestaande, een punt formeerde, op welke eene grafelijke kroon bevestigd
was. Gordijnen van hemelsblauwe zijde, met gouden borduursels omzoomd,
omringden den hemel, en hingen, eenigszins op zijde geschoven, in
sierlijk breede plooien naar beneden. Het inwendige der koets was
geheel met rood fluweel bekleed, insgelijks met gouden boordsels
afgezet, en op de portieren prijkten de wapens van het huis van Oranje.
Vier pages, op het smaakvolst uitgedost, bevonden zich achter op het
rijtuig, hetwelk voorts omringd en gevolgd werd door een aantal edelen
en ridders te paard.
Vóór dat wij echter met onze beschouwingen bij het vervolg van den
trein stilstaan, werpen wij eerst een blik in het rijtuig zelf,
en ontdekken weldra twee personen, die elkander met vele uitwendige
hoffelijke gebaren levendig schijnen te onderhouden.
De een, ter linkerzijde gezeten, was middelmatig van gestalte en
eenigszins zwaarlijvig. De ander, ter rechterzijde, was rijziger, doch
niettemin van krachtigen lichaamsbouw. De eerste had lichtblauwe oogen,
waarin moed en vastberadenheid te lezen waren; gulle openhartigheid
zetelde op zijn eenigszins blozend gelaat, en niet zelden speelde
een ongekunstelde lach om zijne lippen; zijn hoofdhaar was blond en
een breede baard van dezelfde kleur, omgaf zijne kaken. De oogen
des anderen waren donkerbruin, en werden door lange wenkbrauwen
overschaduwd. De groote arendsneus gaf eene buitengewone fierheid
aan het gelaat, dat een meer zuidelijke tint had. Zijn hoofdhaar
was zwart, een kleine puntige baard omringde zijne spitse kin, en
forsche opgestreken knevels bedekten gedeeltelijk een kleinen mond,
die, wanneer hij zich tot een lach vertrok, twee rijen tanden als
van het blankst ivoor vertoonde.
Het waren Prins Maurits en Spinola, de twee beroemdste veldheeren
hunner eeuw, welke elkander vroeger nooit anders dan met de wapenen
in de vuist hadden ontmoet, en die thans, naast elkander gezeten, in
heuschheden wedijverden. Zooals wij gezegd hebben, de staatsiekoets
werd omringd en gevolgd door verscheidene Nederlandsche edelen,
in wier midden zich het overige gedeelte des gezantschaps bevond,
waaronder zich ook bevonden Don Juan De Mancicidor, geheimschrijver
des Konings van Spanje, Joan Richardot, Raad van State onder den
Aartshertog en President van den geheimen Raad, benevens de in
's-Hage reeds bekende monniken Neijen en Verreijken.
Op deze schaar van edelen en ridders te paard volgden verscheidene
koetsen met twee paarden bespannen. In de eerste dezer koetsen
bemerkte men, behalve den Pensionaris en den Burgemeester der stad
's-Gravenhage, ook 's Lands Advocaat en 's Prinsen eersten raadsman,
Johan van Oldenbarneveld, Heer van Berkel en Rodenrijs. In de overige
rijtuigen waren de leden van den Raad van State, volgens hun rang
of ouderdom gezeten, terwijl de trein eindelijk gesloten werd door
eenige hellebaardiers in volle wapenrusting.
"Zie, welk een heerlijk ros!" zeide Maarten, toen de edelen en
gezanten te paard de jonge lieden voorbij reden. "Welk een trotsch
dier!" vervolgde hij, terwijl hij met den vinger naar een schimmel
wees, waarop een jong ruiter gezeten was: "Bij mijne ziel, zóó fier
zag ik nooit een paardennek gekromd."
Anne, die op deze aanwijzing het beest vluchtig had opgenomen, scheen
evenwel meer geneigd haar geheele aandacht te wijden aan dengenen die
er op was gezeten, en van het ros op den ruiter springende, zeide zij,
Maartens opmerkingen vervolgende: "En wat golven die kastanje bruine
haarlokken schoon! Welk een edele houding!--hoe jammer dat hij nu
juist het hoofd naar de andere zijde heeft gewend."
Inderdaad, de jonge ruiter, die tot het gevolg des gezantschaps
behoorde, hield zijne oogen op een schoone jonkvrouw gevestigd,
die aan de overzijde der straat op een balkon den voorbijtrekkenden
stoet mede in oogenschouw nam: hare oogen moesten die des ruiters
hebben ontmoet, want een licht blosje verfde haar lelieblank gelaat;
en snel hare blikken naar een meer bejaarden ridder wendende, wuifde
zij dezen met haar zakdoek vriendelijk toe.
Was het een zacht windje of misschien slechts een bloot toeval,
't welk den fijnen linnen zakdoek niet Brusselsche kanten omzet,
aan haar kleine vingeren deed ontglippen? Wij weten het niet;
doch langzaam dwarrelende, kwam de witte doek naar beneden, die
door den jongen ruiter in het voorbijtrekken zeer behendig werd
opgevangen. Nogmaals zag hij naar het balkon; een hoog rood overdekte
de wangen der jonkvrouw; spoedig echter wendde zij zich om, en verdween
door de openstaande balkondeur.
Dit alles, hetwelk in een vluchtig oogenblik had plaats gegrepen, was
noch aan Maarten noch aan zijn liefje ontgaan, en verder zagen beiden
duidelijk, hoe de jonge ruiter eerst den doek nauwkeurig beschouwde,
dien vervolgens in elkander wikkelde, en eindelijk zorgvuldig in zijn
wambuis verborg. De jonge lieden staarden den ruiter na; zagen nog
eenmaal naar het balkon, en Anne, die in de schoone dame hare meesteres
herkend had, verloor zich, toen de trein geheel was voorbijgetrokken,
arm in arm met haar Maarten in de dringende volksmenigte die, naarmate
de stoet al meer en meer de plaats zijner bestemming naderde, ook
steeds grooter en grooter werd.
"Daar kan een slok op staan, Gerrit!" sprak de dunne baardschraper,
die met den waard uit de Wijnstok diens heiligdom was binnengetreden:
"Kom, Klaartje! kom kind, geef me gauw een spatje; je vader onthaalt,
en ik ben zoo koud als een steen geworden."
Nadat Klaartje het gevraagde spatje, hetwelk in een roemer brandewijn
bestond, had overhandigd, traden er nog verscheidene lieden binnen,
die allen--evenals dit ten huldigen dage bij feestelijke intochten
of plechtigheden nog de gewoonte is,--voornemens waren de uitgestane
vermoeienissen met een dronk weg te spoelen.
De waard wierp nieuwe takkenbossen op het vuur, Klaartje bediende
de gasten, en weldra ontstond er een vrij algemeen gesprek, dat
door het genot van het geestrijk vocht, hoe langer hoe levendiger
werd.--Natuurlijk voerden die drinkende en rookende mannen oorlog
en sloten vrede, deden voorspellingen en regeerden met gloeiende
aangezichten het land hunner inwoning, met eene wijsheid, die den
wijzen koning Salomo zou beschaamd hebben.
Sebastianus Bril die insgelijks, doch na den eersten roemer, voor eigen
rekening, lustig had doorgedronken, was geen der minste redenaars. Zijn
overredende en meesterachtige toon van spreken vond doorgaans een
gereeden ingang bij zijn nog minder beschaafde toehoorders, die
trouwens thans door het overmatig gebruik van sterken drank reeds
voor het grootste gedeelte zaten te knikkebollen.
"Ja, mannen! het was in 1604, nu vier jaar geleden, in Ostende andere
kool. Bij dat beleg, dat u allen heugt, heb ik mij niet weinig roem
verworven. Reeds van mijn vroegste jeugd af aan, zag mijne moeder
iets groots in haar eenigen zoon. Sebastianus! Sebastianus! zeide
zij meermalen, als ik 's vaders klanten behendig stond in te zeepen:
Sebastianus! Sebastianus! gij zijt tot iets verhevens geboren;
gij zult uw Vaderland groote diensten bewijzen en in roem en eere
sterven. Ja, waarachtig! zij heeft tot dusverre waarheid gesproken"
vervolgde Bril, terwijl hij zijn roemer tot op den bodem ledigde, die
dadelijk daarop weder door den gedienstigen Gerrit werd volgeschonken:
"zij heeft een voorspellenden geest gehad: luister aandachtig, mijne
heeren! en ik zal u verhalen hoe ik vrijheid en leven voor Land en
Vorst heb in de waagschaal gesteld."
De aangesprokene heeren hadden meest allen oogen en ooren gesloten;
doch Gerrit, die zijn klanten altijd met genoegen een luisterend
oor leende, al had hij hunne verhalen ook reeds twintig malen met
het uiterst geduld aangehoord, plaatste zich naast den spreker,
die dadelijk aldus vervolgde:
"Omtrent vier jaren lang hadden die Spaansche honden ons reeds
geteisterd; met hunne ballen duizenden levenslampen uitgeblazen,
en ons niet zelden kommer en gebrek doen lijden, toen aan Spinola de
verdere belegering der vesting werd toevertrouwd. Van gemeen soldaat
was ik zeer spoedig tot den rang van adsistent-heelmeester overgegaan;
mijne behendigheid in het behandelen van snijdende instrumenten
toch was overal bekend geworden, en mijne voorzichtigheid werd
insgelijks hoog geroemd. Eenmaal slechts in mijn geheele leven heb
ik een forschen knevelbaard, die besnoeid moest worden, zijn linker
neusvleugel weggemaaid!--Van Der Noot, die het bevelhebberschap der
stad later aan Herbaing overdroeg, had van mijn beleid hooren spreken,
en juist een geschikt persoon noodig hebbende om de bewegingen der
Spanjaarden te bespieden, had hij weldra zijne oogen op mij gevestigd
en verkoos mij tot de belangrijke betrekking van spion.--In eene
monnikspij gewikkeld, verliet ik op een donkeren avond de vesting, en
kwam eindelijk, na op verscheidene plaatsen tot over de knieën door
het water gewaad te hebben, in de legerplaats der vijanden.--Eenige
Spaansche woorden kennende, kwam ik gelukkig door de voorposten;
de roepende schildwachten lieten den armen bedelmonnik gereedelijk
door, en maakten het teeken des kruises; doch, weinige schreden
verder gekomen, stuitte ik op eene patrouille, die de ronde deed. Ik
werd aangegrepen en naar het wachtwoord gevraagd. Niet wetende wat
te antwoorden, zeide ik zeer gevat: Memento mori! De heeren, die
er anders allen akelig barsch uitzagen, begonnen te schateren van
lachen. Memento mori! riep ik nogmaals, zoo hard als mijne stem dit
toeliet; doch de heeren schenen zich weinig aan deze aanmaning te
storen, want zij lachten voort; plaatsten mij tusschen twee hunner
soldaten, en brachten mij in eene tent, welke op het prachtigst met
tapijten was behangen en door sierlijke lampen verlicht werd. Aan
het einde eener tamelijk lange tafel, die met boeken en kaarten was
overladen, zat de veldheer zelf. Ja, mijne heeren! het waren Ambrosio
Spinola en Sebastianus Bril, die zich op dat oogenblik in eene en
dezelfde tent, juist tegenover elkander bevonden."
Hier wierp Bril triomfante blikken om zich henen, en Gerrit, die
zeer bezorgd werd dat de keel des sprekers te droog zou worden,
spoorde hem, met een verbaasd gelaat als hadde hij het gesprokene
voor het eerst gehoord, tot het nemen eener teuge aan. Bril voldeed
aan deze allervriendelijkste uitnoodiging, en zijn kromme beentjes
over elkander slaande, ging hij voort: "Met scherpe blikken werd ik
ondervraagd, en 't was geenszins uit vrees voor de pijnbank, maar
alleen uit loutere liefde voor de waarheid en een aangeboren afkeer
van al wat logen was, dat ik haarklein alles vertelde wat mijne
ondervragers weten wilden.--Men prees mijn moed tot het aanvaarden
van zulk een gevaarlijken tocht; doch, toen ik meende aller wenschen
en weetlust bevredigd te hebben en henen wilde gaan, hield men mij
staande, en deden die ondankbaren mij ijzeren boeien aan de handen,
en voerden mij naar een houten loods, die tot bewaarplaats der
krijgsgevangenen was ingericht. Wel is waar ontdekte ik daar veel
brave kennissen, doch het leven was er allertreurigst. Water en brood
was mijn voedsel, en voorzeker ware ik geheel en al uitgeteerd, zoo
de Spanjaarden, die middelerwijl Ostende genomen hadden, mij niet met
mijne lotgenooten, tegen de door ons gemaakte krijgsgevangenen hadden
uitgewisseld.--Nogmaals zag ik echter den dood voor het Vaderland te
gemoet; mijne waarheidsliefde was mij zeer kwalijk genomen; ik werd
veroordeeld om gefusileerd te worden; doch de hemel zij gedankt,
ik had een machtige voorspraak: het was de edele en machtige graaf
Van Bergen, wien ik reeds vroeger in deze stad met mijne wapenen om
de kin had gespeeld, die bij den Prins mijne gratie verwierf. Spoedig
werd ik nu, na al het uitgestane leed, op vrije voeten gesteld, door
dien edelsten der edelen, dien ik bedienen zal tot zijn einde, en
voor wien ik door duizend vuren zou vliegen.--Lang leve Van Bergen! Ja
lang, lang leve die waardige graaf!" besloot in verrukking de kleine
barbier, terwijl hij den beker driemalen boven zijn hoofd rondzwaaide:
"tot roem van zijn geslacht en tot heil van het Vaderland! Lang zal hij
leven!" en bij den laatsten schellen uitroep ledigde hij den roemer,
doch verloor tevens zijn evenwicht, en tuimelde vrij onzacht van zijn
zetel op den steenen vloer.
De waard richtte den ontstelden Bril op, en schonk hem nogmaals den
beker vol. Velen der overige gasten, door het leven ontwaakt, wreven
zich de oogen, en eischten eerst drank en vervolgens dobbelsteenen.
Weldra nam nu het verderfelijke hazardspel een aanvang, dat tot laat
in den nacht voortduurde, en met een bloedige kloppartij eindigde.
De gasten keerden met ledige buidels en verhitte hoofden
huiswaarts. Gerrit Aal liet den inhoud der welgevulde geldlade
glimlachend in een grooten zak overgaan, en begaf zich eindelijk,
vroolijk de handen wrijvende, naar zijne legerstede.