TWEEDE HOOFDSTUK.

Het was den 6den van Sprokkelmaand in het jaar 1608,--dertien jaren

dus na het in de vorige bladzijden vermelde nachtelijk avontuur,

dat het vorstelijk 's-Gravenhage een feestelijk aanzien had. Vlaggen

wapperden van de meeste gebouwen, drukte en gewoel heerschte alom op

straten en pleinen, rijtuigen en wagens, menschen te voet en te paard

verdrongen elkander en joelden in bonte kleuren dooreen. Hier zag men

staatsiekoetsen, ginds vechtende jongens, elders bevallige maagden

en kloeke jongelingen in feestelijk gewaad gedost, allen naar een

en hetzelfde doel strevende, allen ijverende om een geschikte plaats

te bekomen, ten einde datgene te aanschouwen waarnaar hunne begeerte

zich uitstrekte.

Was het ook al bij sommigen bloote nieuwsgierigheid, om iets

buitengewoons te zien, die hen ter deure had uitgedreven, op de meeste

aangezichten stond evenwel duidelijk een verhevener wensch en een

blijde verwachting voor de toekomst uitgedrukt.

Doch van waar die dringende volksmassa? Van waar die blijdschap, die

drukte, die beweging? Wat stond er te gebeuren? Wat zou er voorvallen?

Ter beantwoording dezer vragen en om zoo mogelijk iets meer

dienaangaande te weten te komen, willen wij ons liefst bij eenige

personen voegen, die in een groep bij elkander stonden.

"Drie pinten brandewijn wil ik tegen ééne verwedden, dat hij een

kop grooter is dan onze Prins," sprak een klein, schraal en slecht

gekleed man.

"Drie pinten tegen eene!" herhaalde hij, uitdagende blikken om zich

heen werpende, terwijl hij eindelijk meer bepaald een jonkman bleef

aanzien, die even te voren het tegendeel beweerd had.

De jonkman die, naar het uitwendige te oordeelen, insgelijks niet

veel te verliezen had, scheen de uitdaging niet zeer gretig aan te

nemen, doch hetzij om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, of wel

om zijne bekendheid met den bedoelden persoon te kennen te geven,

sprak hij na eenig stilzwijgen:

"Ongetwijfeld echter weet ik dat de markgraaf gezetter is dan Maurits,

ik heb...."

"Gelogen!" viel de eerste spreker hem driftig in de rede: "Gelogen

vriend! Spinola is lang en mager, lang als Gerrit Aal uit de Wijnstok,

en mager...."

"En mager, als Sebastiaan Bril, baardschraper uit het Scheerbekken,"

viel een forsche stem den spreker in de rede, welke laatste, op

het hooren noemen van zijn naam, zich verschrikt omwendde en achter

zich de forsche gestalte en het blozende gelaat van den waard uit de

Wijnstok ontdekte.

"Gerrit! Gerrit!" hernam de ontstelde baardschraper, zich herstellende:

"Gij deedt beter, mij in het vervolg niet meer met uw barbaarsche

stem te verschrikken, geloof mij, de Wijnstok zou mij voor 't laatst

gezien hebben."

"Bedaar, maat!" hervatte de dikke waard, die huiverde bij het

denkbeeld, door eigen toedoen een der beste kalanten uit zijn kroeg te

verjagen: "Bedaar! 't was niet kwaad gemeend.--Maar drommels!" ging hij

lachende voort: "Gij bediendet u zoo vrijpostig van mijne lengte, om

mij bij dien Spanjaard te vergelijken, dat mij evenzeer uw dunne beenen

het recht gaven, om de door u aangevangene vergelijking te voltooien."

Op deze aanmerking van Gerrit Aal, richtten zich verscheidene oogen

naar de dunne eenigszins kromme beenen des baardschrapers, welke in

uiterst versleten hozen staken, zoodat zij hier en daar hun natuurlijke

kleur vertoonden.

Een luid gelach was de uitwerking door deze opneming teweeggebracht,

en zeker had Gerrit zijn vertoornden klant voor altoos verloren, had

deze hem niet vertrouwelijk op den schouder geklopt en iets in het oor

gefluisterd, 't welk den kleinen man geheel scheen te bevredigen. Met

een luid: "Fiat, Gerrit!" scheen hij alle beleedigingen vergeten

te hebben, of ten minste geneigd te zijn, er zich niet verder over

te bekommeren.

"'t Zal mij dan eens wonder benieuwen, of die twee malkaar den

dolk niet in de ribben zullen stooten!" sprak een oud wijf met

een taankleurig gelaat, hetwelk in allerlei richtingen met plooien

en rimpels doorploegd was: "'t Was," ging zij krijschende voort:

"de eenige manier, om aan alle ruzie een einde te maken, want

razen en blazen zullen de kemphanen zoolang zij lucht in de longen

hebben. Vrede, ja! bij mijne ziel, vrede zouden ze maken! 't

Heeft wat in, een Spaansch varken schoon te krabben! Kokend

water moet er op! Kokend water, zeg ik, en dan krabben met man en

macht!--Bah!" reutelde zij in zich zelve voort, terwijl zij onze

groep eensklaps verliet: "Bah! ze zullen met zijden lappen een varken

schrapen!"

Ondertusschen was de jonkman, dien wij het eerst met Sebastiaan Bril

in eene woordenwisseling hebben aangetroffen, door een voorbijdringend

maagdeke vriendelijk toegeknikt. "De trein is in aantocht!" had zij

hem toegeroepen, en hem tegelijkertijd bij zijn wambuis grijpende,

met zich voortgetrokken, waaraan hij, geenszins onwillig, niet den

minsten weerstand geboden had.

Werkelijk kondigde een dichte drom van menschen, die allen van de

boschzijde kwamen aanstormen, duidelijk aan dat de zoolang verwachte

personen weldra zouden voorbijkomen.

De jonkman, aan wien in het vervolg door het meisje den naam van

Maarten gegeven werd, had met haar, weinige schreden van de plaats

waar wij hem het eerst aantroffen, op een steenen trap van een fraai

gebouw aan het einde van den Kneuterdijk gelegen, post gevat, en zag

nu, den arm om haar middel geslagen, dartel koutende, met het grootste

geduld de komst van den trein te gemoet.

Wij zullen de jonge lieden voor een oogenblik verlaten, om met onze

Lezers, die uit het op straat verhandelde slechts gedeeltelijk de

ware toedracht der zaak zullen begrepen hebben, zeer beknopt bij

de geschiedenis van dien dag stil te staan, en hun de oorzaak dier

feestelijkheden duidelijk te maken.

Filips III, Koning van Spanje, neigde tot vrede; verscheidene

beweegredenen drongen hem hiertoe, en voorzeker wel het meest

de aanzienlijke geldsommen die het krijgvoeren in de Vereenigde

Nederlandsche Gewesten aan den Spaanschen Staat kostten. Drie millioen,

zesmaal honderdduizend kronen toch werden er minstens jaarlijks

vereischt, om in de behoeften van dezen krijg te blijven voorzien.

Door de ongeloofelijke dapperheid en het kloek beleid van Prins

Maurits, was het den Spaanschen bevelhebber markgraaf Ambrosio

Spinola bijna onmogelijk geweest, over de stroomen tot in het hart

der Vereenigde Gewesten door te dringen, en zeker was het te voorzien,

dat de weinige sterke plaatsen, welke hij genomen had, niet te houden

zouden zijn, wanneer de Staten van Holland, door Frankrijk ondersteund,

opnieuw tot een aanvallenden krijg, die hun vroeger zoo wel gelukt was,

mochten besluiten.

De geschillen van den Staat van Venetië met den Paus, in welke

Filips zich gemengd had, dreigden hem nog bovendien met een krijg in

Italië, welke onmogelijk kon gevoerd worden, zoolang hij niet met de

Nederlanden bevredigd was.

Voorts morden de Portugeezen dat hunne schepen door de Staatschen

genomen, en hunne volkplantingen in de Oost-Indiën vermeesterd werden

zoodat én koophandel én zeevaart ten eenenmale bedorven werden.

Al deze krachtige redenen deden den jongen, in het oorlogen onbedreven

Filips vurig naar vrede verlangen. Reeds in het vorige jaar, 1607,

hadden de onderhandelingen een aanvang genomen, en had de aartshertog

Albertus, daartoe door zijn gemalin Isabella gemachtigd, den Staten

aangeboden, met hen, als met vrije volken, te onderhandelen, waarna,

op den 12den van Grasmaand, een binnenlandsche wapenschorsing gesloten

werd, met eenige bepalingen, en wel voornamelijk: dat de Koning van

Spanje binnen drie maanden de Vereenigde Gewesten insgelijks voor

vrije Landen zou erkennen.

Prins Maurits, hoewel aanvankelijk onwillig om met den vijand

tot vredesonderhandelingen over te gaan, had zich echter door den

schranderen advocaat Johan van Oldenbarneveld, die op goede gronden

voor den vrede ijverde, tot de ontvangst der vreemde gezanten laten

overhalen. Oorlogzuchtig van aard, koesterde de Prins echter den

heimelijken wensch, dat de onderhandelingen weldra door onoverkomelijke

hinderpalen mochten verijdeld en afgebroken worden. Zijn juiste

staatkunde deed hem echter duidelijk inzien, dat hij zich den haat

van vele edelen en burgers op den hals zou halen, indien hij zich

openlijk en met kracht tegen een aangebodene vredesonderhandeling op

billijke voorwaarden verzette.

En nu,--de Spaansche gezanten werden verwacht. Prins Maurits was

reeds een uur geleden, door zijne edelen omringd, de ambassade te

gemoet getogen. De algemeen beruchte markgraaf Ambrosio Spinola was

het hoofd van het gezantschap. Trompetgeschal liet zich in de verte

hooren; de trein naderde, en geenszins was het dus te verwonderen

dat aller oogen eensklaps naar ééne zijde gericht werden en dat alle

gesprekken, van welken aard ook, werden gestaakt, om door een zacht

gemompel te worden vervangen.

"Gij zult wél doen, Anne, een trap hooger te klimmen, als gij over al

die hoofden wilt heen zien," sprak Maarten halfluid tot het meisje,

hetwelk, op zijn arm leunende en zich al meermalen op de teenen

verheffende, getracht had haar hoofd boven de menigte te doen

uitkomen. Deze raad werd opgevolgd, en Maarten, die nu ook zijne

plaats verliet om weder achter haar post te vatten, sloeg den arm

om haar blanken hals, en beiden aanschouwden nu duidelijk, wat wij

onzen lezers zullen mededeelen.

Een korps hoornblazers en tamboers, door eenige hellebaardiers

voorafgegaan, opende den trein; hierop volgde een heraut van wapenen

te paard, en onmiddellijk daarna een prachtige staatsiewagen, met zes

kloeke paarden bespannen, wier blinkende hoofdstellen vroolijk in de

vriendelijke Februari-zon schitterden. De wagen, waarvan de wielen tot

even boven de naven door sierlijk geschilderde raderkassen overdekt

waren, bevatte op de hoeken vier vergulde ijzeren staven, die een

bijna koepelvormigen hemel onderschraagden, welke uit vier paneelen

bestaande, een punt formeerde, op welke eene grafelijke kroon bevestigd

was. Gordijnen van hemelsblauwe zijde, met gouden borduursels omzoomd,

omringden den hemel, en hingen, eenigszins op zijde geschoven, in

sierlijk breede plooien naar beneden. Het inwendige der koets was

geheel met rood fluweel bekleed, insgelijks met gouden boordsels

afgezet, en op de portieren prijkten de wapens van het huis van Oranje.

Vier pages, op het smaakvolst uitgedost, bevonden zich achter op het

rijtuig, hetwelk voorts omringd en gevolgd werd door een aantal edelen

en ridders te paard.

Vóór dat wij echter met onze beschouwingen bij het vervolg van den

trein stilstaan, werpen wij eerst een blik in het rijtuig zelf,

en ontdekken weldra twee personen, die elkander met vele uitwendige

hoffelijke gebaren levendig schijnen te onderhouden.

De een, ter linkerzijde gezeten, was middelmatig van gestalte en

eenigszins zwaarlijvig. De ander, ter rechterzijde, was rijziger, doch

niettemin van krachtigen lichaamsbouw. De eerste had lichtblauwe oogen,

waarin moed en vastberadenheid te lezen waren; gulle openhartigheid

zetelde op zijn eenigszins blozend gelaat, en niet zelden speelde

een ongekunstelde lach om zijne lippen; zijn hoofdhaar was blond en

een breede baard van dezelfde kleur, omgaf zijne kaken. De oogen

des anderen waren donkerbruin, en werden door lange wenkbrauwen

overschaduwd. De groote arendsneus gaf eene buitengewone fierheid

aan het gelaat, dat een meer zuidelijke tint had. Zijn hoofdhaar

was zwart, een kleine puntige baard omringde zijne spitse kin, en

forsche opgestreken knevels bedekten gedeeltelijk een kleinen mond,

die, wanneer hij zich tot een lach vertrok, twee rijen tanden als

van het blankst ivoor vertoonde.

Het waren Prins Maurits en Spinola, de twee beroemdste veldheeren

hunner eeuw, welke elkander vroeger nooit anders dan met de wapenen

in de vuist hadden ontmoet, en die thans, naast elkander gezeten, in

heuschheden wedijverden. Zooals wij gezegd hebben, de staatsiekoets

werd omringd en gevolgd door verscheidene Nederlandsche edelen,

in wier midden zich het overige gedeelte des gezantschaps bevond,

waaronder zich ook bevonden Don Juan De Mancicidor, geheimschrijver

des Konings van Spanje, Joan Richardot, Raad van State onder den

Aartshertog en President van den geheimen Raad, benevens de in

's-Hage reeds bekende monniken Neijen en Verreijken.

Op deze schaar van edelen en ridders te paard volgden verscheidene

koetsen met twee paarden bespannen. In de eerste dezer koetsen

bemerkte men, behalve den Pensionaris en den Burgemeester der stad

's-Gravenhage, ook 's Lands Advocaat en 's Prinsen eersten raadsman,

Johan van Oldenbarneveld, Heer van Berkel en Rodenrijs. In de overige

rijtuigen waren de leden van den Raad van State, volgens hun rang

of ouderdom gezeten, terwijl de trein eindelijk gesloten werd door

eenige hellebaardiers in volle wapenrusting.

"Zie, welk een heerlijk ros!" zeide Maarten, toen de edelen en

gezanten te paard de jonge lieden voorbij reden. "Welk een trotsch

dier!" vervolgde hij, terwijl hij met den vinger naar een schimmel

wees, waarop een jong ruiter gezeten was: "Bij mijne ziel, zóó fier

zag ik nooit een paardennek gekromd."

Anne, die op deze aanwijzing het beest vluchtig had opgenomen, scheen

evenwel meer geneigd haar geheele aandacht te wijden aan dengenen die

er op was gezeten, en van het ros op den ruiter springende, zeide zij,

Maartens opmerkingen vervolgende: "En wat golven die kastanje bruine

haarlokken schoon! Welk een edele houding!--hoe jammer dat hij nu

juist het hoofd naar de andere zijde heeft gewend."

Inderdaad, de jonge ruiter, die tot het gevolg des gezantschaps

behoorde, hield zijne oogen op een schoone jonkvrouw gevestigd,

die aan de overzijde der straat op een balkon den voorbijtrekkenden

stoet mede in oogenschouw nam: hare oogen moesten die des ruiters

hebben ontmoet, want een licht blosje verfde haar lelieblank gelaat;

en snel hare blikken naar een meer bejaarden ridder wendende, wuifde

zij dezen met haar zakdoek vriendelijk toe.

Was het een zacht windje of misschien slechts een bloot toeval,

't welk den fijnen linnen zakdoek niet Brusselsche kanten omzet,

aan haar kleine vingeren deed ontglippen? Wij weten het niet;

doch langzaam dwarrelende, kwam de witte doek naar beneden, die

door den jongen ruiter in het voorbijtrekken zeer behendig werd

opgevangen. Nogmaals zag hij naar het balkon; een hoog rood overdekte

de wangen der jonkvrouw; spoedig echter wendde zij zich om, en verdween

door de openstaande balkondeur.

Dit alles, hetwelk in een vluchtig oogenblik had plaats gegrepen, was

noch aan Maarten noch aan zijn liefje ontgaan, en verder zagen beiden

duidelijk, hoe de jonge ruiter eerst den doek nauwkeurig beschouwde,

dien vervolgens in elkander wikkelde, en eindelijk zorgvuldig in zijn

wambuis verborg. De jonge lieden staarden den ruiter na; zagen nog

eenmaal naar het balkon, en Anne, die in de schoone dame hare meesteres

herkend had, verloor zich, toen de trein geheel was voorbijgetrokken,

arm in arm met haar Maarten in de dringende volksmenigte die, naarmate

de stoet al meer en meer de plaats zijner bestemming naderde, ook

steeds grooter en grooter werd.

"Daar kan een slok op staan, Gerrit!" sprak de dunne baardschraper,

die met den waard uit de Wijnstok diens heiligdom was binnengetreden:

"Kom, Klaartje! kom kind, geef me gauw een spatje; je vader onthaalt,

en ik ben zoo koud als een steen geworden."

Nadat Klaartje het gevraagde spatje, hetwelk in een roemer brandewijn

bestond, had overhandigd, traden er nog verscheidene lieden binnen,

die allen--evenals dit ten huldigen dage bij feestelijke intochten

of plechtigheden nog de gewoonte is,--voornemens waren de uitgestane

vermoeienissen met een dronk weg te spoelen.

De waard wierp nieuwe takkenbossen op het vuur, Klaartje bediende

de gasten, en weldra ontstond er een vrij algemeen gesprek, dat

door het genot van het geestrijk vocht, hoe langer hoe levendiger

werd.--Natuurlijk voerden die drinkende en rookende mannen oorlog

en sloten vrede, deden voorspellingen en regeerden met gloeiende

aangezichten het land hunner inwoning, met eene wijsheid, die den

wijzen koning Salomo zou beschaamd hebben.

Sebastianus Bril die insgelijks, doch na den eersten roemer, voor eigen

rekening, lustig had doorgedronken, was geen der minste redenaars. Zijn

overredende en meesterachtige toon van spreken vond doorgaans een

gereeden ingang bij zijn nog minder beschaafde toehoorders, die

trouwens thans door het overmatig gebruik van sterken drank reeds

voor het grootste gedeelte zaten te knikkebollen.

"Ja, mannen! het was in 1604, nu vier jaar geleden, in Ostende andere

kool. Bij dat beleg, dat u allen heugt, heb ik mij niet weinig roem

verworven. Reeds van mijn vroegste jeugd af aan, zag mijne moeder

iets groots in haar eenigen zoon. Sebastianus! Sebastianus! zeide

zij meermalen, als ik 's vaders klanten behendig stond in te zeepen:

Sebastianus! Sebastianus! gij zijt tot iets verhevens geboren;

gij zult uw Vaderland groote diensten bewijzen en in roem en eere

sterven. Ja, waarachtig! zij heeft tot dusverre waarheid gesproken"

vervolgde Bril, terwijl hij zijn roemer tot op den bodem ledigde, die

dadelijk daarop weder door den gedienstigen Gerrit werd volgeschonken:

"zij heeft een voorspellenden geest gehad: luister aandachtig, mijne

heeren! en ik zal u verhalen hoe ik vrijheid en leven voor Land en

Vorst heb in de waagschaal gesteld."

De aangesprokene heeren hadden meest allen oogen en ooren gesloten;

doch Gerrit, die zijn klanten altijd met genoegen een luisterend

oor leende, al had hij hunne verhalen ook reeds twintig malen met

het uiterst geduld aangehoord, plaatste zich naast den spreker,

die dadelijk aldus vervolgde:

"Omtrent vier jaren lang hadden die Spaansche honden ons reeds

geteisterd; met hunne ballen duizenden levenslampen uitgeblazen,

en ons niet zelden kommer en gebrek doen lijden, toen aan Spinola de

verdere belegering der vesting werd toevertrouwd. Van gemeen soldaat

was ik zeer spoedig tot den rang van adsistent-heelmeester overgegaan;

mijne behendigheid in het behandelen van snijdende instrumenten

toch was overal bekend geworden, en mijne voorzichtigheid werd

insgelijks hoog geroemd. Eenmaal slechts in mijn geheele leven heb

ik een forschen knevelbaard, die besnoeid moest worden, zijn linker

neusvleugel weggemaaid!--Van Der Noot, die het bevelhebberschap der

stad later aan Herbaing overdroeg, had van mijn beleid hooren spreken,

en juist een geschikt persoon noodig hebbende om de bewegingen der

Spanjaarden te bespieden, had hij weldra zijne oogen op mij gevestigd

en verkoos mij tot de belangrijke betrekking van spion.--In eene

monnikspij gewikkeld, verliet ik op een donkeren avond de vesting, en

kwam eindelijk, na op verscheidene plaatsen tot over de knieën door

het water gewaad te hebben, in de legerplaats der vijanden.--Eenige

Spaansche woorden kennende, kwam ik gelukkig door de voorposten;

de roepende schildwachten lieten den armen bedelmonnik gereedelijk

door, en maakten het teeken des kruises; doch, weinige schreden

verder gekomen, stuitte ik op eene patrouille, die de ronde deed. Ik

werd aangegrepen en naar het wachtwoord gevraagd. Niet wetende wat

te antwoorden, zeide ik zeer gevat: Memento mori! De heeren, die

er anders allen akelig barsch uitzagen, begonnen te schateren van

lachen. Memento mori! riep ik nogmaals, zoo hard als mijne stem dit

toeliet; doch de heeren schenen zich weinig aan deze aanmaning te

storen, want zij lachten voort; plaatsten mij tusschen twee hunner

soldaten, en brachten mij in eene tent, welke op het prachtigst met

tapijten was behangen en door sierlijke lampen verlicht werd. Aan

het einde eener tamelijk lange tafel, die met boeken en kaarten was

overladen, zat de veldheer zelf. Ja, mijne heeren! het waren Ambrosio

Spinola en Sebastianus Bril, die zich op dat oogenblik in eene en

dezelfde tent, juist tegenover elkander bevonden."

Hier wierp Bril triomfante blikken om zich henen, en Gerrit, die

zeer bezorgd werd dat de keel des sprekers te droog zou worden,

spoorde hem, met een verbaasd gelaat als hadde hij het gesprokene

voor het eerst gehoord, tot het nemen eener teuge aan. Bril voldeed

aan deze allervriendelijkste uitnoodiging, en zijn kromme beentjes

over elkander slaande, ging hij voort: "Met scherpe blikken werd ik

ondervraagd, en 't was geenszins uit vrees voor de pijnbank, maar

alleen uit loutere liefde voor de waarheid en een aangeboren afkeer

van al wat logen was, dat ik haarklein alles vertelde wat mijne

ondervragers weten wilden.--Men prees mijn moed tot het aanvaarden

van zulk een gevaarlijken tocht; doch, toen ik meende aller wenschen

en weetlust bevredigd te hebben en henen wilde gaan, hield men mij

staande, en deden die ondankbaren mij ijzeren boeien aan de handen,

en voerden mij naar een houten loods, die tot bewaarplaats der

krijgsgevangenen was ingericht. Wel is waar ontdekte ik daar veel

brave kennissen, doch het leven was er allertreurigst. Water en brood

was mijn voedsel, en voorzeker ware ik geheel en al uitgeteerd, zoo

de Spanjaarden, die middelerwijl Ostende genomen hadden, mij niet met

mijne lotgenooten, tegen de door ons gemaakte krijgsgevangenen hadden

uitgewisseld.--Nogmaals zag ik echter den dood voor het Vaderland te

gemoet; mijne waarheidsliefde was mij zeer kwalijk genomen; ik werd

veroordeeld om gefusileerd te worden; doch de hemel zij gedankt,

ik had een machtige voorspraak: het was de edele en machtige graaf

Van Bergen, wien ik reeds vroeger in deze stad met mijne wapenen om

de kin had gespeeld, die bij den Prins mijne gratie verwierf. Spoedig

werd ik nu, na al het uitgestane leed, op vrije voeten gesteld, door

dien edelsten der edelen, dien ik bedienen zal tot zijn einde, en

voor wien ik door duizend vuren zou vliegen.--Lang leve Van Bergen! Ja

lang, lang leve die waardige graaf!" besloot in verrukking de kleine

barbier, terwijl hij den beker driemalen boven zijn hoofd rondzwaaide:

"tot roem van zijn geslacht en tot heil van het Vaderland! Lang zal hij

leven!" en bij den laatsten schellen uitroep ledigde hij den roemer,

doch verloor tevens zijn evenwicht, en tuimelde vrij onzacht van zijn

zetel op den steenen vloer.

De waard richtte den ontstelden Bril op, en schonk hem nogmaals den

beker vol. Velen der overige gasten, door het leven ontwaakt, wreven

zich de oogen, en eischten eerst drank en vervolgens dobbelsteenen.

Weldra nam nu het verderfelijke hazardspel een aanvang, dat tot laat

in den nacht voortduurde, en met een bloedige kloppartij eindigde.

De gasten keerden met ledige buidels en verhitte hoofden

huiswaarts. Gerrit Aal liet den inhoud der welgevulde geldlade

glimlachend in een grooten zak overgaan, en begaf zich eindelijk,

vroolijk de handen wrijvende, naar zijne legerstede.

De lelie van 's-Gravenhage · 第 5 / 82 题