Het was een koude, gure November-nacht in den jare 1595; donkere wolken
bedekten den hemel, en ontlastten zich in vreeselijke plasregens. Aan
de anders zoo liefelijke maan was het niet vergund door dat dichte
floers heen te dringen, en al vertoonde zij zich ook somwijlen,
een zwarte massa wolken beroofde het aardrijk toch spoedig weder
van haren glans, en het was slechts licht geweest, om den nacht nog
nachtelijker te maken.
Hooge populieren, reeds geheel van bladeren ontdaan, verhieven zich
aan weerskanten van den breeden zandweg, die tusschen de steden Leiden
en 's-Gravenhage was gelegen, en vertoonden zich als reusachtige
spooksels, die zich onstuimig heen en weer bewogen.
Het was in dien nacht en op dezen weg, dat eene kar, langzaam uit de
richting van Leiden komende, een kruisweg naderde. De duisternis liet
niet toe het zich daarin bevindende gezelschap te onderscheiden;
bovendien werd het door een linnen huif bedekt, en eenigermate
tegen wind en regen beschut. Na eenig stilzwijgen echter, sprak een
vrouwenstem, ongetwijfeld het woord tot den vooropzittenden voerman
richtende: "Let wel op, Casper! Gij weet dat wij bij het Steenen
kruis, den weg ter rechterzijde moeten inslaan!--Het is nu geen tijd
van slapen," duwde zij den man, hem hevig op den schouder slaande,
toe, daar zij bemerkte dat hij hare woorden niet gehoord had: "Wij
moeten rechts, verstaat gij?"
De aangesprokene, zoo onzacht uit zijne dommeling gewekt, wreef zich
geeuwende de oogen en keek in het rond.--"'t Is helsch donker," riep
hij eindelijk met een forsche stem: "ik zie weg noch steg."--"Dan
zult gij wél doen af te stappen en de plaats nader op te nemen,"
hernam de eerste.
Nadat Casper het paard had doen stilstaan, en het de teugels over den
kop geworpen had, voldeed hij nogmaals geeuwende en schier onwillig
aan het verzoek, dat meer nog naar een bevel geleek.
Behalve de twee sprekende ingevoerde personen moest er zich nog
een derde in het voertuig bevinden, die, wellicht door het luid
gevoerde gesprek, of wel door het plotseling stilhouden der kar,
was ontwaakt. Althans, nauwelijks had Casper den wagen verlaten,
of men hoorde een zacht gekreun, hetwelk door een kind moest worden
voortgebracht. De vrouw maakte een snelle achterwaartsche beweging
en het scheen alsof zij een kleed over den kermende geworpen had,
want, doffer en nauwelijks hoorbaar werd thans het klagend gekreun,
dat trouwens telkens meer en meer door het akelig gefluit van den
feller opstekenden stormwind verdoofd werd.
"De d..... mag weten waar wij zijn!" riep Casper, terugkomende: "ik zie
den zijweg niet. Dat die vervl.... maan er ook niet doorkomt!" ging
hij brommende voort: "men kan geen hand voor oogen zien."--De vrouw,
welke meer met de plaatselijke gesteldheid scheen bekend te zijn,
en met onbenevelde oogen had rond getuurd, stak nu het hoofd uit de
kar, en gebood den nog half slapenden Casper weder op te klimmen:
"Ik zie duidelijk," zeide zij, "dat wij de sloot nog op zijde hebben;
zij stuit tegen den kruisweg; rijd dus voort, en let wél op!"--Casper
gehoorzaamde, zonder te antwoorden, doch noodzaakte het trage paard,
door een: "Kovort, Bles!" hetwelk hij met een duchtigen zweepslag
deed vergezeld gaan, zijn langzamen tred weder aan te nemem.
Ruim tweehonderd schreden verder gekomen, ontdekte hij, zooals de
vrouw gezegd had, dat de sloot werkelijk stuitte. Hier moest hij
dus den gewonen rijweg verlaten en rechts inslaan. De kar verliet
het spoor, het wiel kraste tegen een steen, het voertuig helde naar
de linkerzijde en ware zeker omvergestort, zoo Casper niet een zwaren
slag op het stijve beest had doen nederkomen, dat, daardoor verschrikt,
eenen sprong voorwaarts deed. Door deze snelle beweging had het wiel
den steen verlaten, zoodat het evenwicht hersteld was.
"Bij alle heiligen! dat kruis had ons daar bijna den hals doen
breken!" zeide de vrouw, schijnbaar ontsteld: "Gij moet wat
voorzichtiger zijn," vervolgde zij: "nu, echter, kunnen wij niet
meer dwalen; houd slechts het spoor; binnen een goed half uur zijn
wij aan de Blankert."
Casper antwoordde niet, maar prevelde iets binnensmonds, dat veel
naar eene verwensching geleek. Zeker kon men echter overtuigd zijn
dat hem deze nachtelijke tocht, in zulk een weder, niet beviel.
Niemand sprak verder. De regen viel gestadig bij stroomen neder en had
den weg schier in een modderpoel veranderd. De kar schokte geweldig,
en het arme paard, telkens voortgezweept, scheen bijna niet meer in
staat, zijn vreemde vracht voort te sleepen. Eindelijk werd de stilte
weder afgebroken door het meer dan te voren hoorbare gekreun van
het kind, dat zich nu scheen te bewegen. De vrouw sprak fluisterend
eenige woorden, die alleen door het wezen tot hetwelk ze gericht
waren, konden verstaan worden, en vervolgde toen luid tot Casper:
"Mij dunkt, dat ik in de verte een schijnsel van licht ontdek?"
"Dit zal zeker de Blankert wezen," zeide Casper, die insgelijks het
licht ontwaarde: "Wij worden opgewacht. 't Is goed dat wij naderen,
want Bles zou 't geen tien minuten meer kroppen.--Vort, Bles!" en
het regende weer zweepslagen.
Inderdaad naderde het voertuig de Blankert, en duidelijk ontwaarden de
reizigers nu een persoon, die met een lantaarn op- en nederging. Nog
eenige stappen, nog eenige schokken, en het voertuig bevond zich voor
een opgehaalde brug, welke spoedig, door den persoon, die zich met
de lantaarn aan gene zijde bevond, werd neergelaten. Laatstgenoemde
trad nabij den wagen en lichtte er in.
"'t Bevel!" riep de vrouw uit de kar den onderzoekende toe. Dit scheen
het wachtwoord te zijn; althans eene toestemming tot voortrijden,
dat Casper gold, doch welker uitvoering hem niettemin veel moeite
kostte, volgde op dit gezegde.
Dof dreunende, rolde nu het voorgelichte voertuig over de breede
ophaalbrug, waarna de geleider het paard bij den kop vatte, het eerst
door een holle poort, vervolgens over een breede met steenen geplaveide
ruimte en eindelijk in een donkeren stal of schuur binnen voerde.
"Voor den duivel, dat heet boos weer!" zeide Casper, die bij het
binnenrijden was afgestapt: "geen kat of hond zou men er uitjagen;
doch grof geld weegt zwaar," ging hij in zich zelven voort, terwijl hij
den doorweekten ronden hoed met slappen rand, door heen en weerslaan,
van het water zocht te ontdoen.
De nieuwaangekomene, die hen zoo even ontvangen had, scheen zich echter
niet met hem in een gesprek te willen begeven, maar trad, nadat hij de
lantaarn in het midden van den stal aan een haak had gehangen, op de
kar toe. Wat daar gesproken werd kon men niet duidelijk onderscheiden,
dewijl het gesprek zeer zacht gevoerd werd.
De lantaarn verspreidde een schemerachtig licht door de ruimte of
stalling, doch evenwel helder genoeg, om meer nauwkeurig de personen,
die zich aan deze plaats bevonden, op te nemen, en hunne bewegingen
gade te slaan.
Het gelaat van Casper vertoonde die ruwheid van karakter, welke men
reeds eenigszins uit de weinige door hem gesprokene woorden heeft
kunnen opmaken. Zijne oogen waren klein, zijn neus die alle kenmerken
van 's mans neiging tot sterken drank droeg, was middelmatig, zijn
mond was groot en met breede lippen voorzien, terwijl rosachtig
haar zijn schedel bedekte 't welk thans, doornat van den regen, in
pieken nederhing. Zijne kleeding bestond uit een blauw linnen kiel,
een korte grijze broek, een paar wollen kousen en groote beslijkte
holsblokken. Nadat het gesprek bij de kar eenige oogenblikken geduurd
had, werd door de vrouw aan den vermoedelijken portier, een groot
pak overhandigd dat zeer zwaar scheen. Wat dit pak bevatte liet zich
weldra gissen. Dat klagend geluid, hetwelk wij reeds in den wagen
gehoord hebben, deed zich ook nu weder hooren. De portier nam het
hem toegereikte met beide handen vrij voorzichtig aan, en verdween
er mede door een tot dus verre onopgemerkte zijdeur.
De vrouw had hare plaats hernomen, en hoewel men haar door de
schemering niet duidelijk kon opnemen, zoo zag men toch een paar
glinsterende oogen, in de diepe kassen verscholen, van onder een paar
donkere wenkbrauwen uitkomen. Zij scheen van middelbaren leeftijd,
en was geheel in een bruinen mantel gehuld, waaraan eene kap was
bevestigd, die mede voor het grootste gedeelte haar hoofd en aangezicht
verborgen hield.
Een aanhoudend geprevel, dat na verloop van ongeveer acht seconden,
door een snelle beweging met de handen werd afgewisseld, gaf duidelijk
te kennen dat zij een hoogst plechtig werk verrichtte, en zou voorzeker
nog langer hebben voortgeduurd, zoo niet de portier ware teruggekomen
en Casper, die het hongerige paard inmiddels den voederzak aan den kop
had gebonden, een kelk met brandewijn had aangeboden, welke eerst door
dezen tot op een vierde geledigd, en vervolgens met een hoofdschuddend:
"Bah!" aan de prevelende werd toegereikt.
De portier, die den kelk weder aangenomen had, sprak opnieuw eenige
onverstaanbare woorden met de vrouw; overhandigde haar iets hetwelk
men niet onderscheiden kon, en Casper vervolgens vier kronen in de
hand stoppende, opende hij de groote dubbele deur, die hij bij het
binnenrijden achter het voertuig had dichtgeslagen.
"Gij zult spoed dienen te maken, om vóór het aanbreken van den dag
weder te huis te zijn," sprak hij eindelijk: "Voor zulk een tocht
en met zulke wegen hadt gij voor dien armzaligen knol wel wat beters
kunnen nemen!"
Om der vier kronen wille, vond Casper het geraden deze laatste
aanmerking des portiers niet te beantwoorden. "Vóór zessen zijn wij
reeds aan de Roemer," zeide hij; maakte toen den voederzak los; deed
het paard het bit in den bek, en dwong, met een: "Terug, Bles!" het
reeds zoozeer vermoeide beest eenige stappen achteruit te doen.
Buiten den stal gekomen, wendde hij den wagen naar de andere zijde:
nam de touwen leidsels in de hand, en beklom weder het voertuig.
De portier nam de lantaarn uit den haak; vatte het paard bij den kop,
en leidde alzoo het voertuig opnieuw over de ruimte, door de holle
poort, wier gewelven het geluid van den rollenden wagen weerkaatsten,
tot vóór de gemelde ophaalbrug.
Dof dreunde het voertuig over de eikenhouten planken; een wederzijdsch:
"Vaarwel," werd gewisseld, de portier haalde de klep der brug naar
boven, en de hand voor het schijnsel der lantaarn houdende, zag hij
de witte huif der kar langzaam in het nachtelijk duister verdwijnen.