De zalen van 's Prinsen paleis op het Binnenhof waren prachtig
verlicht. Vele pages en ontelbare bedienden liepen in snelle vaart
op en neder, om alles te regelen of ten uitvoer te brengen.
Spaansche en Nederlandsche vlaggen waren smaakvol als tropeeën boven
de openstaande vleugeldeuren bevestigd. Aan het einde der groote
zaal bevond zich een voor die tijden uitmuntend orkest, hetwelk,
eenigszins in de hoogte geplaatst, achter bloeiende heesters en
rijk beladen oranjeboomen verscholen was. De zalen waren meest
alle met goudlederen behangsels bekleed, en sierlijke rustbanken,
met fluweelen zittingen, waren langs de wanden geschikt. Zilveren
drinkbekers en schenkkannen prijkten op groote bladen van hetzelfde
metaal, en bokalen van fijn Venetiaansch glas, waarin de wapens der
Prinsen van Oranje allerkeurigst gesneden waren, stonden in grooten
getale en van onderscheidene grootte, op een marmeren aanrecht,
waarachter in steenen kruiken of groene flesschen de edelste wijnen
voor de komenden gereed stonden.
Het was Prins Maurits, die den Spaanschen gezanten, weinige dagen na
hunne aankomst in 's-Hage, een luisterrijk bal wenschte te geven. Te
dien einde had hij de bloem der natie, voor zooverre zij daar kon
tegenwoordig wezen, ten zijnent genoodigd, en niets gespaard om alles
zoo prachtig mogelijk te maken.
Het uur voor de ontvangst naderde. De bedienden en hoflakeien begaven
zich naar hunne posten. Twee rijen van hellebaardiers stonden,
met lange hellebaarden, in het met marmeren steenen geplaveide
voorportaal. De koetsen rolden. De genoodigden kwamen, en weldra
waren de zalen van het Prinselijk paleis opgevuld met edelen, vrouwen,
jongelingen en maagden, die allen in pracht van kleedertooi schenen
te wedijveren. Zware damasten, zijden en satijnen kleedingstukken
boeiden de oogen der edele vrouwen, niets ontging dienaangaande
zelfs eenigermate hare aandacht. Bekoorlijke jonkvrouwen trokken als
krachtige magneten, de blikken der jonkers, ja zelfs der meer bejaarden
tot zich. Doch ook door háár bleef geen jong edelman onopgemerkt,
en elk dezer jonkvrouwen koos zich reeds met vurig verlangen, den
schoonsten en bevalligsten knaap, om door hem ten dans te worden
geleid. De gesprekken werden aanvankelijk zeer zacht gevoerd, en allen
wachtten op de komst der hooge personages, die de Spaansche gezanten
zouden binnenvoeren.
Eensklaps werden door twee pages de tot dusverre geslotene
vleugeldeuren eener aangrenzende zaal geopend.--Prins Maurits,
in prachtig feestgewaad, trad met zijn jongeren broeder Frederik
Hendrik de groote zaal binnen, vergezeld door de Spaansche gezanten
met hun gevolg benevens den Raad van State, welke eersten hij op de
hoffelijkste wijze aan de aanwezigen voorstelde. De edelen en vrouwen
hadden zich, bij het binnenkomen der Vorsten, allen naar die zijde
gekeerd, de mannen bogen hunne hoofden en de vrouwen neigden met de
meeste bevalligheid. Na vele dergelijke ceremoniën, werd door den
Prins zelf het teeken tot het aanvangnemen van den dans gegeven. Een
liefelijke muziek ruischte door de schoone heesters den aanwezigen
in de ooren. Edelen en vrouwen, jongelingen en jonkvrouwen, mengden
zich nu spoedig dooreen, ieder der mannen koos zich zijne dame, en
zij die door ouderdom of andere oorzaken zich den dans ontzegd zagen,
plaatsten zich op de rustbanken en namen nauwkeurig de voorbijtrekkende
paren in oogenschouw.
Het was een verrukkelijk tooneel die bloeiende paren te zien, en
die tevredene aangezichten, waarop gepaste vroolijkheid te lezen
stond. Wel werden niet al die jonkvrouwen door het voorwerp harer
heimelijke keuze ten dans gevoerd, doch allen schenen voldaan, aller
kout was hartelijk en gul, en niets stoorde haar vreugde.--De paren
werden en colonne gerangschikt: de menuet nam een aanvang.
Prins Maurits zelf opende het bal. De schoonste der schoonen was door
hem tot dat einde uitverkoren: het was de lelieblanke Adelgonde
Van Bergen, algemeen onder den naam van de Hagenlelie bekend,
die in de sierlijkste lichaamswendingen, aan 's Prinsen zijde haar
gevestigden roem als de bevalligste der Hollandsche jonkvrouwen,
op de schitterendste wijze handhaafde.
Aller oogen waren thans op haar gevestigd. Adelgonde was schoon,
te schoon zelfs om haar naar waarde te schetsen, en toch wagen wij
het van dat liefelijke gelaat te spreken, en te vermelden wat ieder
zoozeer aan haar boeide.
Wie had ooit zulke hemelsche oogen gezien? Men vergeve ons deze
uitdrukking, want hemelsch konden zij genoemd worden, de oogen,
welke de spiegels der reinste ziel waren. Schier bovenaardsche
zachtheid straalde uit die helderblauwe kijkers, welke niettemin
vroolijk rondstaarden en voor alle bekenden een vriendelijken blik
veil hadden. Haar neusje was datgene wat de Franschen ten huidigen
dage petit mutin zouden noemen, en wanneer de twee rozeroode lipjes,
die als voor de liefde geschapen schenen, zich tot een liefelijk
lachje plooiden, vertoonde zich op de wangen der Hagenlelie een
donzig kuiltje, hetwelk haar door vrouw Venus zelve zou zijn benijd
geworden. Twee rijen tanden, helder als kristal en witter dan de
sneeuw der Zwitsersche bergen, parelden in haar kleinen mond, en
hare haren die, gedeeltelijk zichtbaar, in sierlijke lokken langs
hare slapen nederhingen, waren van die satijnachtig blonde kleur, op
welke de Hollandsche maagden zich met recht mogen verheffen. Hals en
boezem die, volgens haar gelaat te oordeelen, het albast in schoonheid
verre moesten overtreffen, waren, door de dracht dier tijden, aan
het oog onttrokken. De breede fijn geplooide kraag omgaf den eerste,
terwijl haar ranke leest in een wit satijn keursje gesloten was,
't welk hare houding op het voordeeligst deed uitkomen. Haar kleed,
van dezelfde stoffage, en dat in breede plooien nederhing, was geheel
met een boordsel van wit donzig bont omzet, en liet, in het midden een
weinig opgenomen, het wit zijden onderkleed aanschouwen, hetwelk echter
niet te lang was om nog een paar der fijnste voetjes te laten zien,
die ooit te voren een sterveling gedragen hadden, en welke insgelijks
weder in wit satijnen schoentjes staken, wier rosetten vervangen
werden door een paar flonkerende diamanten van het zuiverste water.
Nog rest ons te zeggen dat haar poezele armen in de eng geslotene
mouwen van het onderkleed werden verborgen, en dat er drie rijen van
de edelste paarlen door haar hoofdtooisel geslingerd waren.
Nooit droeg zij een andere dan een geheel witte kleeding: doch,
blanker dan deze was haar liefelijk gelaat; terwijl weder de blankste,
de reinste ziel in dat bevallige lichaam huisvestte.
Ziedaar de Hagenlelie geschetst; ziedaar de twintigjarige Adelgonde,
zooals wij haar met onze zwakke pen waagden te beschrijven. Geen
ijdel beminnaar van bonte verven gispe hare liefde voor die kleur der
onschuld. O wij smeeken hem, aanschouw haar nogmaals in dat glanzige
gewaad, in die bevallige lichaamswendingen aan 's Prinsen zijde,
en gij zult verrukt zijn over ons ideaal van vrouwelijke schoonheid.
Was het te verwonderen dat ieder haar beschouwde? dat alle jongelingen
zich deze bloem tot gade wenschten, en de jonge Alonzo Spinola,
oudste zoon des markgraven, zijn eigen dame schier vergetende, met
gloeiende wangen dien hemelschen kelk, op kouden bodem gekweekt,
geen oogenblik uit het oog verloor?
De Prins had zijne dame naar eene rustbank gevoerd; twee of drie
paren te gelijk voerden nu beurtelings de menuet uit, en wedijverden
om Adelgonde Van Bergen in bevalligheid te evenaren.
Was het Alonzo geweest, die met zielsverrukking de schoone Adelgonde
had gadegeslagen, thans, nu de edele Spanjaard, aan de zijde van een
andere Hollandsche schoone, zijne gaven ten toon spreidde, bleven
ook hare blikken aan zijn minste bewegingen hangen, en met recht
verdiende de fiere jongeling deze onderscheiding.
Sierlijke bruine haarlokken omgolfden zijn schoon mannelijk gelaat;
donkerbruin waren zijne oogen; zijn neus was, evenals die zijns vaders,
eenigszins gewelfd; twee zwarte knevels zetelden boven den kleinen
mond, en een puntige baard van dezelfde kleur omgaf zijne kin. Zijne
kleeding was allerkeurigst, en behalve den breeden halskraag,
welke in die dagen, helaas! voor sieraad gehouden werd, omsloot een
prachtig wambuis, van lichtrood satijn met zilver doorstikt, zijn
breede borst en bovenlijf tot op het midden. De mouwen waren boven
de ellebogen opgedoft, en gevoerd met witte zijde, 't welk door
langwerpige openingen zichtbaar was. De wijde broek, die tot even
boven de knieën reikte, was van dezelfde stoffage; zijn welgevormde
beenen staken in fijne witte hozen, en zijn schoeisel bestond in
kleine lederen laarsjes, die van binnen met rozerood fluweel waren
gevoerd. Blinkende knoopjes versierden zijn wambuis. Een breede gordel,
met robijnen en andere edele steenen bezaaid, omgaf zijne lenden, en
bevatte nog bovendien een kostbaren staatsiedegen met prachtig gevest.
De menuet liep ten einde, en geurige mokka benevens kostelijke thee
werden den gasten in het fijnste porselein aangeboden. Prins Maurits
had zich met den markgraaf Spinola in een druk gesprek gewikkeld. Aan
het tegenovergestelde einde der zaal stonden verscheidene edelen
bijeen en voerden een geheimzinnig gesprek.
"Het kost mij niet weinig," sprak een kloek edelman die den herfst
zijns levens reeds zeer nabij scheen; "het kost mij waarachtig niet
weinig moeite, die Spaansche bloedhonden van zoo nabij te zien en
hen niet met het blanke zwaard tegemoet te snellen."
"In het bosch moet men met de wolven huilen," zeide een jonkman,
op wiens valsch gelaat men duidelijk de geschiktheid tot het ten
uitvoer brengen van dit door hem aangevoerde argument kon lezen.
"Wat moet je het geven!" vervolgde de eerste spreker, zonder op des
jonkmans woorden acht te slaan: "Zij hebben de schapenvacht gehuisvest,
zonder te bedenken dat er een levende wolf in steekt. Wie anders dan
de Advocaat kan de Staten en Prins Maurits tot dit gevaarlijk spel
hebben overgehaald?" Hij wierp een somberen blik op de veldheeren,
die zich nog steeds druk met elkander onderhielden, en verliet, met
een gelaat waar angstige bezorgdheid op te lezen stond, de edelen
tot wie hij gesproken had.
"De edele Van Bergen heeft gelijk: wij spelen een gewaagd spel,"
zeide de baron Van Doorn tot den Zandheuvel, zoodra Van Bergen hen
verlaten had: "zij willen tijd winnen en slaan daartoe een schijnbare
vredesonderhandeling voor, die nooit tot stand zal komen. Wij vieren
feesten, leggen gastmalen aan, terwijl de vijand zich versterkt,
om ons spoedig uit dien dommeligen slaap wreedaardig te doen ontwaken."
"Zoudt gij dan waarlijk van meening zijn dat Spanjes Koning niet
werkelijk den vrede wenscht?" sprak de jonker Van Wolkensteijn,
den laatsten spreker vragend aanziende.
"'t Kan zijn," hervatte deze, de schouders ophalende: "doch nimmer
zal ik gelooven, dat Spanje vrede zou sluiten met een gewest,
't welk hem de vaart op de Oost-Indiën zoo duchtig betwist."
Gedurende dit gesprek, hetwelk in dier voege nog eenigen tijd werd
voortgezet, viel er in een belendende zaal, een ander tooneel voor,
hetwelk aan onze Lezeressen wellicht meer belang zal inboezemen.
Alonzo Spinola, die de schoone Adelgonde, nadat de dans geëindigd was,
geen oogenblik uit het oog had verloren, naderde met een hoogen blos
doch ongedwongen houding, de beminnelijke jonkvrouw, en sprak haar,
in vrij goed Nederlandsch, met een sierlijke buiging, in dezer voege
aan: "Schoone jonkvrouw! voor weinige dagen deed het geluk mij een
wezen ontmoeten, hetwelk men, eenmaal gezien hebbende, nimmer kan
vergeten. Neen, ik bedroog mij niet toen ik, voor weinige oogenblikken,
in het gelaat der bekoorlijke danseres aan 's Vorsten Maurits zijde,
dezelfde hemelsche oogen zag schitteren die reeds eenmaal, door
een driewerf gezegend toeval, op mij gericht waren.--Zeker zou ik
u niet onaangemeld hebben genaderd," vervolgde hij met een bevallig
glimlachen: "doch dat zelfde gezegende toeval scheen mij daartoe het
recht te geven.--Deze fijne doek toch," ging hij voort, terwijl hij
den ons reeds bekenden zakdoek uit zijn wambuis te voorschijn trok:
"behoort aan niemand anders dan aan de bevallige jonkvrouw Van Bergen."
Adelgonde, die bij het naderen van den Spanjaard, insgelijks met
een sterken blos zijne komst had te gemoet gezien, had zich echter
weldra hersteld en, even opgestaan zijnde, met een lichte neiging
des jonkmans eerste woorden beantwoord.
"O!" sprak zij eindelijk, nadat zij den doek uit zijne hand had
aangenomen, met eene stem die Alonzo onbeschrijfelijk zoet en
welluidend in de ooren klonk: "O waarlijk, edele heer, gij zijt al
te verplichtend; een kleine onoplettendheid deed den doek aan mijne
vingeren ontglippen toen ik mijn vader, die zich in uw midden bevond,
van het balkon toewuifde.--Ik dank u zeer voor uwe behendigheid,"
vervolgde zij, niet zonder eenige verwarring, ziende dat de jongeling
haar zonder te antwoorden, met een vreemdsoortige uitdrukking, waarin
bijna aanbidding te lezen was, bleef aanstaren: "en ik reken mij
insgelijks gelukkig," voer zij, geheel in verwarring gerakende, voort:
"door dit toeval.... u... mij.... in de gelegenheid te zien gesteld,
eene kennismaking aan te knoopen, die...."
"Die slechts door den dood zal worden afgebroken!" sprak de jongeling
in vervoering; doch zich eensklaps bezinnende en heimelijk een
rondheid verwenschende, die hem schier altijd de gedachten op de
tong legde, ging hij langzamer en met verschuldigden eerbied voort:
"Verschooning edele jonkvrouw, verschooning voor het uiten van een
wensch, welke, zoo onstuimig ontboezemd, uw kiesch gevoel wellicht
kwetst, en mij voor altoos zou verstoken laten van een vriendschap,
die zoo vurig door mij wordt begeerd."
Adelgonde sprak niet, maar sloeg hare oogen naar beneden; de stem des
jonkmans had, wel verre van haar te kwetsen, de fijnste snaar harer
ziel doen trillen; een ongekend gevoel doortintelde hare aderen, en
toen zij, den blik weder opslaande, den jongeling zwijgend in de oogen
zag, scheen deze door haar vriendelijk lachje geheel gerustgesteld:
hij plaatste zich aan hare zijde, en vervolgde nu, door dat zelfde
lachje aangemoedigd, terwijl zijne rechterhand met de fraaie halsketen
die op zijne borst hing, doelloos speelde: "O Adelgonde!--verschoon
mij, dat ik u zoo ongevraagd bij dien schoonen naam durf noemen?--uw
eerste aanblik vervulde mij met duizend zoete droomen. Hoe dikwijls
brandde ik in die weinige dagen niet reeds van verlangen om háár
weder te zien die, van dat gezegende oogenblik af aan, mijn geheele
ziel beheerschte.--Rusteloos hield mijn geest zich met u bezig;
gestadig hield ik mijne oogen op den doek gevestigd, die mij door
een goeden geest, uit uwe handen was tegemoet gevoerd. Hoe brandde
ik van verlangen naar dit oogenblik, om u te zeggen, dat gij uit al
de oorden door mij bezocht, van al de maagden door mij aanschouwd,
de schoonste, de edelste en reinste zijt bevonden: dat gij alleen...."
"Houd op edele graaf," viel Adelgonde den vurigen jongeling schielijk
in de rede, die, zich zelven in zijne vervoering geheel vergetende,
haar bij de fraaie hand had willen vatten: "Matig uwe opgewondenheid,"
ging zij weder blozende voort: "gij kent mij niet; slechts weinige
oogenblikken hebt gij u in mijne nabijheid bevonden; slechts weinige
woorden nog heb ik u toegesproken, en reeds spreekt gij van mijne
deugden, van...."
"Alsof uw gelaat, uw oog bovenal, niet het toonbeeld, den spiegel
uwer reine ziel ware," voerde Alonzo, op Adelgondes laatste woorden,
haar overredend tegemoet: "Geloof mij edele jonkvrouw, waarachtige
liefde woont in mijne borst. O, geef mij slechts eenige hoop; laat
slechts één zoet woordeke uw rozemond ontglippen. O, zeg mij bovenal,
dat geen voorwerp nog uwe keuze heeft bepaald; dat ik u niet geheel
onverschillig, niet geheel...."
Hier hield Alonzo op met spreken; pijnlijk vragend staarde hij op het
blanke gelaat van de Hagenlelie; en Adelgonde, verrast en op zulk een
tooneel niet voorbereid, zag zwijgend voor zich neder; een traan, aan
het overrompeld vrouwelijk gemoed ontweld, parelde in haar hemelsblauw
oog. Doch zich als 't ware eensklaps bezinnende, stond zij schielijk
op: "Wij zullen elkander wederzien, edele graaf!" sprak zij halfluid,
maakte toen een bevallige neiging, en zich daarna snel verwijderende,
liet zij den jongen Spinola aan zich zelven over, die, alsof hij uit
een droom ontwaakte, haar met teedere oogen nastaarde. Het ontging
echter zijner aandacht niet, dat weinige schreden van die plaats,
een jong edelman haar tegemoet trad, die, na eene korte toespraak
haar den arm bood; hem een vluchtigen blik toewierp, en zich eindelijk
met de schoone Adelgonde onder de overige gasten mengde.
--Zou het inderdaad slechts een schoone droom zijn geweest,
dacht Alonzo bij zich zelven; zou dat bekoorlijk schepsel
slechts een baatzuchtige coquette zijn, die eerst met schijnbare
belangstelling mijn waarachtige liefdesontboezemingen aanhoorde,
om dat voorwerp, hetwelk haar meer dan zich zelven bemint, te
zekerder aan haar triomfwagen te hechten, alleen met het doel om
het getal harer aanbidders te vergrooten?--Maar neen! ging hij
in zich zelven voort, terwijl hij een hem aangeboden roemer met
kostbaren Rijnwijn van een zilveren schenkblad nam: neen! dat is
niet mogelijk; dat engelengelaat kan zóó niet huichelen. Neen:
Wij zullen elkander wederzien, heeft zij gezegd; ja, dat heeft zij
duidelijk gezegd; en 't was toch niet geveinsd, dat in haar oog, den
azuren hemel gelijk, die traan opwelde.--Maar toch.... zij verliet mij
eensklaps.... eensklaps.... juist in dat zoozeer gewenschte oogenblik,
toen ik een woord van liefde uit haren mond dacht te vernemen; en,
zich verwijderende, ijlt zij een ander tegemoet, dien zij wellicht
meer hare liefde waardig keurt, doch die haar nooit kan beminnen
zooals ik haar bemin!
Zeker zou Alonzo zijne bespiegelingen hebben voortgezet, en door zijn
driftig gestel nog langer tusschen hoop en vrees zijn geslingerd
geworden, ware de jonge edelman, die Adelgonde even te voren
was tegemoet gaan, en in wien wij de trekken van hem herkennen,
die in het vroeger met Van Bergen gevoerde gesprek, ons reeds zijn
huichelachtigen aard ontdekte, hem niet met een schijnbaar vriendelijk
gelaat ware genaderd, en, hem in zijne overpeinzingen storende,
vragend had aangesproken.
"Is het den edelen Alonzo Spinola vergund, met somberen blik een
luisterrijk bal bij te wonen, 't welk Maurits mede ter zijner eere
heeft aangelegd? Mag de edele graaf, wellicht treurende om eene
in zuidelijker streken verlaten geliefde, de ook niet te verwerpen
Hollandsche schoonen naar zich laten smachten, terwijl de muziek der
liefelijke fandango hem in de ooren klinkt?--Kom," vervolgde hij,
terwijl hij een zijdelings loerenden blik op Alonzo wierp: "kom! zij
zal u niet vergeten. Spoedig keert gij tot haar terug, en het zal haar
goed zijn te vernemen, dat gij, te midden der Nederlandsche maagden,
alleen aan háár dacht, die uw geheele hart schijnt te beheerschen."
Alonzo, die den onbescheiden vrager met eene buiging had begroet,
scheen niet geneigd zijne geheimen voor hem bloot te leggen. "'t Is
waar," sprak hij: "de fandango is een schoone dans, en zeer geliefd
in mijn vaderland, ik dacht niet dat die hier reeds bekend was."
Jonker Walter Van Rodenberg scheen niet voldaan met dit
antwoord. Gemeenzaam, als waren zij oude bekenden, nam hij Alonzo
onder den arm, en met hem de groote zaal binnenstappende, ging hij
fluisterende voort: "Gij zult mij toch moeten bekennen, dat zich hier
lieve schepseltjes in overvloed bevinden.--Zie," zeide hij, even met
den vinger wijzende: "ziet gij die lieve brunette, in rood satijnen
kleeding? zij is waarachtig niet slecht; of dat kleine zwarte ding
daar, wier levenslust haar uit de oogen straalt? Of misschien staat
u die lieve blondine daar beter aan?" vervolgde hij, op Adelgonde
wijzende, die juist aan de overzijde der zaal, aan den arm van Van
Wolkensteijn op en neder wandelde: "Nu, waarachtig, dan zou uwe keus
niet slecht te noemen zijn, het is de freule Van Bergen; de kwade
tongen betwisten haar wel is waar dien oud-adellijken naam, doch,"
ging hij voort, terwijl hij ter sluiks een blik wierp op Alonzo,
die bij deze laatste woorden zoo bleek als een doode geworden was:
"doch wat raakt der liefde naam of geboorte; eene vrouw blijft eene
vrouw; het genot van haar bezit blijft hetzelfde. De schoone zal mij
reeds verwachten," zeide hij, zien eensklaps verwijderende, en naar
Adelgonde toetredende, nam hij haar van den jonker Van Wolkensteijn
over, en voegde zich met haar bij de dansende paren.
Alonzo stond als aan den grond genageld. Wel had hij de vuile tong
des jonkers willen bestraffen, doch de macht had hem daartoe ten
eenenmale ontbroken. Roerloos stond hij daar; honderden gewaarwordingen
doorwoelden zijne borst, en--dankbaar zegende hij den volgenden morgen
de liefelijke droomen, die aan zijn overspannen geest, rust en kalmte
hadden teruggegeven.