Baxter sprong op.
—Ziet! De ezel heeft mij ten slotte toch noodig. Wee die journalist.
Hij zal zijn beleedigende woorden van a tot z herroepen. Vooruit,
„vlootje”, we moeten direct weg.
—Neemt u geen agenten mee?
—Nog niet.
—Maar......
—Zwijg. Gehoorzaam. Bestel vlug een auto.
Een uur later tufte Baxter, vergezeld van „de vloo”, naar Derbyshire.
Intusschen had Raffles, die de schrijver was van het courantenbericht
en ook van het briefje aan Baxter, alle maatregelen genomen welke
noodig waren voor een volledig justitioneel onderzoek.
Hij had de documenten opgezonden naar Londen, er bij meldende dat La
Rougière gevangen genomen was en verblijf hield op zijn eigen slot
„Bartram-Haugh”.
Tevens voegde hij er een adreslijst bij van de leden van dezen bond,
opdat de justitie onmiddellijk zou kunnen beginnen met doorzending naar
de regeeringen der landen waar zij verblijf hielden.
In alles wilde hij Baxter voor zijn en ’t was dan ook uitsluitend
Raffles’ bedoeling, den inspecteur, dien hij in zoo langen tijd niet
gezien had, weer eens te foppen.
Hij gunde hem wel eens een lesje en nu deze gelegenheid zich voordeed,
wilde hij er ook een dankbaar gebruik van maken.
La Rougière zat in de vroegere kelders van „Bartram-Haugh”.
Raffles had die maatregelen genomen, die het hem doodeenvoudig
onmogelijk maakten om tot een vlucht te geraken. Hij zat diep onder ’t
kasteel op een plaats die hij zelf niet eens kende.
Raffles had als een echte speurder gezocht naar den geheimen uitgang en
was tot de ontdekking gekomen dat een breede, doch ondiepe gang liep
van het kasteel naar de rotsen, waar men onmiddellijk zee kon kiezen.
Het vermoeden lag dus voor de hand, dat de leden van den nihilistenbond
hier met hun schip aankwamen en zoo met den leider van ’t geheel
voeling hielden.
Meteen had Raffles zich eigen gemaakt met de reglementen en
voorschriften omtrent het optreden tegenover medeleden en had de
verschillende teekens geleerd die voor wettige herkenning dienden.
Hij wist nu, dat, als het eens voor mocht komen, hij zeer zeker meer
succes zou bereiken dan wie ook.
Alzoo toegerust wachtte hij den loop der gebeurtenissen af.
—Zoo, is u Pfanstehl. U hebt iets zeer doms gedaan, mijnheer!—aldus
begroette Baxter verwaand Raffles.
—Hoe bedoelt u?—vroeg deze.
—Het was toch veel beter geweest, om mij vooraf te waarschuwen?
—Dit kon niet gebeuren.
—En waarom niet?
—Omdat ik een vermoeden had, doch dit niet kon bevestigen.
—Ah! Dus feitelijk weet je nog niets?
—Niets definitiefs.
—Dan zal ik eens beginnen.
—Ga uw gang.
Baxter vroeg daarop aan Raffles hoe hij de ontdekking had gedaan,
waarop deze hem in geuren en kleuren vertelde hoe de zaken door de
inwoners van Derbyshire medegedeeld werden.
—Dat heb ik—vervolgde Pfanstehl, alias Raffles—gecombineerd en ben nu
tot de conclusie gekomen dat het niet anders kan of de zaak moet met de
nihilisten in verband staan.
Baxter neeg zijn hoofd zeer gewichtig op en neer en vroeg, als baarde
hem dàt de grootste belangstelling:
—Bloedhonden, zegt u?
—Men vertelt het.
—Is het slot ontoegankelijk?
—Tot hedenmorgen wel.
—Is het dan nu niet meer verboden?
—De brug is neer!
—Dan zijn ze weg!—riep „de vloo”.
—Dat kan niet.
—Waarom zegt u dat?—vroeg Baxter.
—Doodeenvoudig. Alle wegen heb ik laten afzetten.
—Prachtig. Wij gaan er heen.
Met hun drieën gingen zij naar „Bartram-Haugh”.
Bij de nu neergelaten brug en openstaande poort gekomen, zette Baxter
een geweldig gezicht en zeide zeer luid:
—Heidaar!
Niemand gaf antwoord. Alleen de stomme huisknecht kwam te voorschijn en
naderde tot waar Baxter stond.
Raffles had dit alles van te voren al ruimschoots geregeld.
—Wie ben jij?—vroeg Baxter op gestrengen toon.
De man stiet een onverstaanbaar geluid uit en gesticuleerde hevig.
—Gekkenhuis!—bromde Baxter, terwijl hij Raffles aankeek.
—Is de weg veilig?—klonk nu weer de vraag van Baxter.
De stomme knikte van ja.
—Vooruit dan maar—gebood Raffles, die reeds vooruit liep.
Aarzelend volgde Baxter met „de vloo”.
Binnen gekomen deed Raffles precies alsof hij er voor de eerste maal
kwam.
Men doorzocht de gansche omgeving en kwam ten slotte in de kamer waar
Raffles La Rougière gevangen had gehouden.
Hier had Raffles overal papieren neergelegd, waarop stond: