’t Eerste wat Raffles thans deed was Charly, die nog steeds als een
trouwe wachter aan den grachtkant stond, te waarschuwen.
Hij liep daartoe naar de brug, die bewaakt werd door den huisknecht.
Deze keek verbaasd op toen hij een vreemde zoo gebiedend hoorde
spreken, doch daar hij stom was, stiet hij slechts onverstaanbare
klanken uit.
Raffles keek hem doordringend aan en zeide:
—Indien gij gehoorzaamt, zoo zal u geen leed geschieden, anders schiet
ik je dood.
Meteen nam hij de revolver en hield die den stommen man voor ’t
voorhoofd.
Dit hielp.
De knecht liet de brug neer, wat nogal geraas veroorzaakte in de stilte
van den nacht.
Charly, die ’t gerucht gehoord had, kwam snel aanloopen en toen hij
Raffles’ stem hoorde, riep hij:
—Gelukkig. Ik dacht dat gij gevangen genomen waart.
—Nog niet.
Daarop keerde Raffles zich weer tot den knecht en sprak:
—Luister goed. Van dit oogenblik af ben ik baas hier. Begrepen? Haal de
brug op. Niemand mag er over dan met mijn toestemming.
De stomme knikte slechts.
Hij, gewoon aan zonderlinge dingen, dacht dat zijn meester weg was en
dat deze vreemde heer zijn plaatsvervanger moest zijn.
Raffles en Charly gingen thans vlug naar binnen en Charly werd belast
met de bewaking van La Rougière, die nog steeds wrong om vrij te komen.
Hij was evenwel zóó vastgebonden, dat hij niet eens de kans had gezien
het geknoop van Raffles los te maken.
Charly nam bij hem plaats, terwijl Raffles allereerst het kasteel
verder doorzoeken ging.
Hij zocht de kamers waar de dames zich moesten bevinden en trof
toevallig ’t allereerst de kamer aan waar Charlotte sliep.
Nadat, op Raffles’ tikken, Charlotte „ja” geantwoord had, riep Raffles:
—Mademoiselle!
—Wie is daar dan?
—De u onbekende Pfanstehl,—riep Raffles.
—Onmogelijk!
—Geloof mij. Sta op en overtuig u.
—Vader, laat mij met rust.
—Uw vader is gevangen genomen.
Nu hoorde Raffles iemand opstaan.
—Waarschuw Mademoiselle Rochefort. De derde deur rechts op deze gang.
Wij komen.
Raffles ging naar de kamer van Mademoiselle Rochefort toe en ondervond
ook hier verbazing en ongeloof.
Raffles’ stem was evenwel anders dan die van La Rougière, zoodat men
hem ten slotte geloofde en een kwartier later de beide vrouwen bij
Raffles waren.
Deze vertelde nu kalm en waardig hoe alles gebeurd was en noodigde de
dames uit om mede naar beneden te gaan.
Dit gebeurde.
En toen La Rougière de beide vrouwen zag, ging er een trilling van
woede door zijn leden en werd zijn machteloosheid een reden dat hij
schopte van drift.
Raffles liep op hem toe en greep hem bij de beenen.
Hoewel La Rougière absoluut geen geluid kon voortbrengen, doordat de
prop nog steeds in zijn mond zat, bleek het toch dat de handen van
Raffles hem ontzag inboezemden, want hij bedaarde inderdaad spoedig.
Charlotte keek haar vader verontwaardigd en toch medelijdend aan.
Raffles, die eerst eenige oogenblikken nagedacht had, zeide nu:
—Dames, zooals u ziet heb ik kans gezien u te helpen. Uw gevangenschap
is geëindigd. U kunt heengaan. Wat ik u raden wil is dit: Ge moet zoo
spoedig mogelijk Engeland verlaten en keert er voorloopig niet meer
terug. Deze man hier zal u geen kwaad meer kunnen berokkenen, want de
Staat zal hem gevangen nemen. Maakt u dus gereed. Morgen zal mijn auto
u naar Londen brengen. Reist vandaar naar Dover en ga naar Frankrijk.
Mademoiselle keek Raffles vragend aan.
—U aarzelt?—vroeg Raffles.
—Wij kunnen niet onmiddellijk gaan.
—Waarom niet?
—Om een bepaalde reden.
—U zelf betreffende?
—Ons beiden.
—Reisgeld?—vroeg Raffles, die snel begreep wat de aarzeling betrof.
Mademoiselle Rochefort bloosde hevig. Zij schaamde zich. En eindelijk
barstte zij in tranen uit en riep snikkende:
—Nooit!... heb ik hier mijn salaris gekregen. Wij bezitten niets!
—Morgen—hernam Raffles met waardige stem—hebt u en lady Charlotte
reisgeld, èn middelen om de eerste jaren op uw gemak te komen. Denkt
daarover niet na, want ik zal zorgen dat het geld er komt.
Ondanks alles grijnsde de man die dit alles teweeg had gebracht.
Hij keek den een na de ander aan en men zag ’t hem aan dat hij meende
toch zeker te zijn van zijn zaak.
De dames gingen heen, blijde met de verzekering van Raffles, en
Charlotte keurde haren vader—hoe was dat ook mogelijk geweest?—zelfs
geen blik waardig.
Zoodra Raffles met Charly en La Rougière alleen waren, ging hij naar
den wand toe en betastte deze zorgvuldig.
La Rougière volgde hem met een zekeren angst in ’t oog.
Raffles vond het contact, duwde er op en de paneelen weken van
elkander, zoodat zich een kast vertoonde.
Onbeschrijfelijk was thans de woede van La Rougière.
Charly had moeite hem in bedwang, te houden en niet dan nadat Raffles
La Rougière met stevige touwen, welke in de kast lagen, vastgebonden
had aan een stoel, kon Raffles ongestoord verder gaan met de kast te
doorzoeken.
Dit was een openbaring.
Nadat Raffles de geldkist met een „looper” zeer handig had geopend,
vond hij daarin alle mogelijke bankbiljetten van verschillende landen,
evenzoo goud en zilvergeld.
’t Geleek wel een internationale spaarpot, die buitengewoon gevuld was,
want verscheidene duizenden, zelfs tienduizenden guldens waren daar
bijeen gebracht.
Maar boven dit alles waren er onschatbare bewijzen voorhanden dat hier
de zetel was van de Nihilisten, die hun werkzaamheden brachten overal
waar vorsten waren.
Uren bracht Raffles zoek met het doorlezen van al die plannen, waarbij
die menschen streefden naar een wereldheerschappij, waarvan La Rougière
de ziel, het denkende hoofd was.
Daarenboven waren er lijsten met adressen vermeldende naam en toenaam
van de leden van den Nihilistenbond, en Raffles, die toch werkelijk
niet gauw ontsteld was, werd nu eigenaardig gestemd, omdat hij zooveel
namen zag van families die hij allerminst gedacht had te vinden bij een
zoo gruwzamen bond.
Wel waren dit geen werkende leden, maar hun geld stelden zij toch
disponibel voor het doel dat door de nihilisten beoogd werd.
Raffles pakte alles zorgvuldig bijeen en toen hij gansch en al gereed
was, was de morgen reeds lang aangebroken.
Daarbuiten bemerkte niemand wat op „Bartram-Haugh” voorgevallen was,
want alles lag nog even doodsch en verlaten daar... als iederen dag...
Charly ging ’s morgens naar Derbyshire terug en haalde daar zonder
eenig vertoon, dat misschien de nieuwsgierigheid der menschen opwekken
zou, de auto, waarmede hij naar het slot kwam gereden.
Mademoiselle en Charlotte waren gereed.
Raffles zat in een kamer, en tegenover hem zaten de twee dames.
—Mijn vriend zal u wegbrengen naar Londen—zoo sprak Raffles.—Gedraag u
nu geheel volgens mijne aanwijzingen, want u begrijpt dat de politie,
die zich heden met deze zaak zal bezighouden, u zou aanhouden wanneer
men wist dat u hier geruimen tijd gewoond had. Ik heb van La Rougière
een zeer groot bedrag ontvangen dat ik in uw handen stellen zal. Leef
er beter van dan hij tot heden toe gedaan heeft.
—U is al te goed—lispelde Charlotte.
—Pardon. ’t Is geen goedheid. Wanneer u wist wie u hielp dan zoudt ge
misschien vreemd opzien. Want indien u nadenkt zoudt u toch wel moeten
vragen, hoe of het mogelijk is dat een politie-ambtenaar zóó optreed.
Het geld immers dat ik u geef behoort aan menschen, die allen
strafwaardig zijn. ’t Gevolg is dus dat dit geld aan den Staat gegeven
zou moeten worden.
—Dat is zoo!—antwoordde Mademoiselle.—Maar waarom doet u dan zoo?
—Omdat ik het wil! Omdat ik u beloonen wil voor al dien tijd dat gij
hier leefde als in een graf. Bovendien, de Staat is rijk genoeg en
later, u zult de geschiedenis in de dagbladen wel volgen, zult u
begrijpen waarom ik zóó deed. Goede reis nu. Hier is de portefeuille
met geld. Er zit van allerlei munt in. Bovenop ’t Engelsche, wat ge
noodig hebt. Vaartwel nu.
Voordat de beide vrouwen hem konden danken was hij weg en hoorden zij
Charly vragen:
—Willen de dames mij volgen? ’t Is hoog tijd.
Vier uren later waren zij in Londen.
Den anderen morgen vroeg kwamen zij doodmoe, doch zeer gelukkig te
Parijs aan.
Mr. Baxter, ’t hoofd van het beroemde Politie-Bureau „Scotland Yard”
genaamd, zat in zijn bureaustoel en sliep—’t was in het warmste
middaguur—den slaap des rechtvaardigen.
Opeens werd de deur open geworpen en mr. Marholm, Baxter’s secretaris,
die door de collega’s steeds „de vloo” werd genoemd, kwam binnen.
—Hé! Wat is dat voor een leven?—brulde Baxter ineens woedend, dat hij
zoo gewelddadig uit zijn middagslaapje werd gehaald.
—Wie slaapt er nu?—vroeg „de vloo” brutaal.
—Wat zeg je, vlegel?
—Ik zèg—bromde „de vloo”—dat ’t weer wat moois is!
—Wat?—bulderde Baxter.—Ik zal het je na nòg eens zeggen. Ik verkies
niet, dat mijn ondergeschikten een dergelijken toon tegen mij aanslaan.
Begrepen?
—Maar, chef! daar heb ik het heelemaal niet over,—antwoordde „de vloo”
lakoniek.
—Waar dan over?
—Over dit bericht in de middageditie.
—Wat is dat voor een prul?
—Iets wat ons corps beleedigt.
—Zeker Raffles weer—bromde Baxter!—Neen, kereltje, dan moet je vroeger
opstaan. Ik ken die kunsten.
—’t Is niet van Raffles.
—Van wie dan?
—Leest u zelf maar.
—Jij bent m’n secretaris. Lees!—gebood Baxter.
„De vloo” las:
Men meldt ons:
De meening, die dezer dagen werd geopperd, in verband met den
koningsmoord in Serbina, dat de hoofdzetel dier schurkenbende in
Frankrijk of Engeland huisde, is gisteren bewaarheid geworden.
Eerst wierp men het denkbeeld, als zoude hier in ons koningsgezinde
land de hoofdzetel der nihilisten verblijf houden, verre van zich.
Ons ijverig politiecorps, met aan ’t hoofd Mr. Baxter, den chef van
„Scotland Yard”, zou er immers wel voor zorgen dat zoo iets
onmogelijk gebeuren kon in Engeland.
Helaas, het schijnt toch wel zoo te wezen. Een Amerikaansch
detective, Pfanstehl genaamd, heeft op een allereigenaardigste
manier een ontdekking gedaan, die wellicht leiden zal tot de
ontknooping van al die geheimzinnigheden waarmede de nihilisten
zich omgeven.
Het is wel zeer vreemd dat men hier te Londen bij de politie niets
van het bestaan weet dier bende. En zeer zeker is het jammer dat
een buitenlandsch politieambtenaar hier de sporen verdient die aan
onze mannen moesten toekomen.
Doch als men den tijd verbeuzelt, komt men er niet.
Baxter had met stijgende verbazing het bericht aangehoord.
—Nihilisten?... Nihilisten zeg je? ... Maar dat is... dat is......
—Onze schuld—meende „de vloo” openhartig.
Ontzet staarde Baxter hem aan.
Was ’t waar? Was het de schuld van hèm, van Baxter, dat dit gebeurd
was?
Misschien was het nog goed te maken.
Weer ging de deur open en een agent bracht een gewone dienstenveloppe
binnen.
Baxter, die den brief aannam, scheurde de enveloppe open en las het
volgende, nadat hij den brief had opengevouwen:
In verband met een zeer eigenaardige ontdekking, die ik heden deed,
in bijzijn—helaas!—van een journalist, verzoek ik u beleefd zoo
spoedig mogelijk naar Derbyshire te komen.
Ik meen een nihilisten-complot op ’t spoor te zijn.