Zoo heeft zij daar boven gehandeld, om te voorkomen dat Lisette van
den lompenmolenaar in haar trotsche familie zou komen, en--kind--"
de oude vrouw liefkoosde het aan hare voeten gezeten meisje--"gij,
onze eenigste--doe u en ons dat niet aan! Geef haar geene gelegenheid
om weder zulk een duivelswerk uit te voeren! Zij zal het doen--reken
daar zeker op!--Zij haat ons hier in den molen, omdat, sedert Lisette's
dood, haar kwaad geweten haar kwelt. Zie, mijn arm hartediefje, hoe
bitter het mij om u spijt, ik kan u maar één raad geven: vergeet,
wat gij heden hebt ondervonden!"
"Ik kan het niet, tante," viel haar het jonge meisje droevig maar
vastberaden in de rede; zij rees eensklaps op en stond in fiere
houding voor de oude vrouw. "De geschiedenis van tante Lisette is
treurig. Maar ik heb Army de belofte gedaan, dat ik hem redden zal,
en die moet ik houden. En als ik hem de geschiedenis van tante Lisette
verteld zal hebben, dan is hij gewaarschuwd. Heb medelijden, tante,
en tracht mij niet tegen te houden!" voegde zij er bij, opnieuw voor
haar op de knieën vallende,--"wij hebben elkander zoo lief, zoo innig
lief--help ons, om gelukkig te worden! Zeg het vader en moeder, en
spreek met hen--niet waar, gij doet het, liefste, beste tante, niet
waar?" En de vochtige oogen van het ontroerde meisje zagen smeekend
tot haar op, en zij voelde, dat twee teedere handen de hare grepen
en angstig vasthielden.
"Mijn God!" weerklonk het in het hart der oude vrouw, "het heeft niets
geholpen; het is de oude liefde, die nooit wijs wordt dan door eigen
schade. En hij heeft haar toch niet lief; het is niet waar; had ik den
moed maar haar dat te zeggen!--en Frederik zal het nooit toestaan--"
"Wilt gij met mijne ouders spreken, tante?" fluisterde zij weemoedig
en liefkoozend.
"Ja, mijn hartedief! Ik zie het wel, er is niets aan te doen--maar
ga nu rustig slapen! Morgen, morgen--"
"Neen, van avond, nu nog! Morgen komt hij immers," smeekte zij; "vader
kan van nacht overleggen wat hij hem zeggen zal--ik bid u, tante!"
"Gij hebt gelijk mijn kind; het is beter dadelijk," stemde de oude
vrouw toe; "laat mij opstaan! Ik ga naar beneden, slaap gij echter
gerust! Morgen ochtend verneemt gij tijdig genoeg wat zij zeggen,
mijn lieveling!"
"Hoe zou ik kunnen slapen, tante!" riep zij opstaande en legde de
kleine, bevende hand op den schouder der oude vrouw.
Deze antwoordde niet, maar ging haastig de deur uit. Liesje volgde
haar door de donkere voorkamer en boog zich over de trapleuning; daar
ging zij de breede wenteltrap af, maar hoe langzaam liep zij! De oude
voeten konden anders zoo vlug trippelen; nu kwamen zij haast niet van
steê; langzaam--stap voor stap ging het; de trappen kraakten onder
haar zware voetstappen en hare handen hielden zich zoo stijf aan de
leuning vast--nu verdween zij uit het gezicht, en Liesje hoorde haar
slepende schreden in de gang, en nu--dat was de deur der huiskamer;
nu stond zij voor vader en moeder.
"Zou men hen hier boven kunnen verstaan? Wat zouden zij zeggen?"
Ademloos stond zij over de leuning van de trap gebogen; geen geluid
drong tot haar door--alleen hoorde zij een paar maal Doortje's stem,
die zacht een liedje zong, en het rinkelen van borden, lepels en
vorken in de keuken; toen was het weder stil.
"Maar hoor--dat was vader; zou hij boos zijn? Hij sprak zoo luid;
en dat was tante." Liesjes's hart begon geweldig te kloppen. "Hoe te
doen, indien vader eens niet wil toegeven? Maar dat is onmogelijk,
zuiver onmogelijk; zij bemint Army immers."
Welk een verward gepraat is dat nu daar beneden--nu hoort zij tante's
stem, die zoo bedarend klinkt, en nu weder haar vader--duidelijk
drong het tot haar door:
"Neen, neen, duizend maal neen, zeg ik, en al ligt gij allen voor
mij op de knieën, ik weet zelf, wat mij te doen staat."
Een oogenblik staarden de groote, blauwe oogen als wezenloos in
de ledige ruimte; toen vloog zij de trappen af, en stond onverwacht
midden in de kamer; een gloeiend rood en een doodelijk bleek wisselden
elkander op haar gelaat af. "Vader!" smeekte zij.
Hij bleef staan en zag haar aan; op zijn breed, blank voorhoofd
vertoonde zich een kleine, blauwe ader; zij kende het wel, dat teeken
der hoogste opgewondenheid bij hem; zijne oogen vestigden zich als
bliksemstralen op haar. Tante zag diep neerslachtig, toen zij naar
het meisje ging: "Kom, Lise, ga naar boven!"
"Neen, tante, laat mij! Ik wil weten, wat mijn vader zegt."
"Wat uw vader zegt?" beet hij haar nu in het oor; "die zegt, dat gij
een dwaas, dom ding zijt, die te veel haar zin en vrijheid gehad heeft;
maar het verzuimde zal worden ingehaald--dat verzeker ik u!"
"Dat wil zeggen, dat ik niet Army's verloofde zal worden, vader?" Zij
ging vlak voor hem staan en zag hem strak aan.
"Neen, mijn kind, om uw eigen bestwil niet. Ik wil niet, dat mijne
dochter het slachtoffer eener speculatie worde."
"Speculatie?" vroeg Liesje doodsbleek, "ik weet niet, wat gij daarmede
meent, vader! Gij gelooft misschien, dat Army mij niet bemint; het
is mogelijk; maar al heeft hij mij ook niet zóó lief, als ik _hem_,
dat mag bij mij niet in aanmerking komen; ik weet, dat het leven
eerst dan weer waarde voor hem krijgen zal, wanneer hij--"
"Zijne schulden betaald heeft, mijn kind."
"Tante!" wendde Liesje zich opgewonden tot de oude vrouw, "tante,
gelooft gij dat van Army? Toe, spreek dan toch; een enkel woord
slechts!" Zij sprak met zooveel overtuiging, dat de oude vrouw de
tranen in de oogen schoten.
"Kom, kom, mijn Liesje!" fluisterde zij; "vader is boos en opgewonden;
morgen zal hij kalmer zijn."
"Neen, neen, tante, gij moet het mijn vader zeggen, hoe gij er over
denkt; hij hecht zooveel aan uw oordeel."
De oude vrouw stond verlegen; de tranen rolden haar over de gerimpelde
wangen, en hare handen grepen naar haar voorschoot.
"Gelooft gij het ook, tante--?" kreet zij, zonder dat nog een traan
haar oog bevochtigde.
"Vader, ik weet, dat het niet zoo is; het is niet mogelijk neen,
het is niet mogelijk--!"
"Ik begrijp uwe smart, Liesje," sprak hij kalmer; "maar hoe kunt gij
zoo dwaas zijn aan een plotseling ontstane genegenheid te gelooven? Gij
zijt anders zoo'n verstandig meisje; zie, hij kent u reeds lang, en
toch stelde hij eene vreemde boven u; hij heeft er nooit aan gedacht u
te beminnen, of u te trouwen; het waren kinderspelen, die u eens tot
elkander brachten, anders niets; en nu, nu hij geen raad meer weet,
herinnert hij zich het kleine meisje, dat immers rijk is, en vraagt
hij hare hand, om zich te redden, en zij is zoo dwaas, dit voor liefde
te houden. Moet ik mij beroepen op uw gevoel van eigenwaarde, Liesje?"
Zij antwoordde niet, maar zag haar vader bijna vertoornd aan.
"Nelly's moeder is ook het slachtoffer van zulke berekening, mijn
kind! Hebt gij haar ooit beschouwd als iemand, die te benijden
is? Moet het voor haar niet een vernederend gevoel geweest zijn, te
weten, dat haar echtgenoot haar slechts als toegift bij haar vermogen
beschouwde? Omdat hij zijne vrouw niet beminde, leidde hij zulk een
wild, teugelloos leven, en toen haar geld verteerd was, schoot hij
zich dood. Is dat niet vreeselijk? Lise, mijn kind, zoudt gij willen,
dat ik u zoo te gronde liet gaan?"
Liesje liet de gevouwen handen hangen; zij tastten naar de tafel,
bij welke zij stond; haar bleeke lippen bewogen zich tot spreken,
maar zij konden geen geluid voortbrengen. De kopjes op de tafel
rinkelden duidelijk, zoo beefden hare handen.
"Lise, om Godswil!" riep tante, en omvatte haar met hare armen.
"Ik dank u, vader," sprak Liesje op doffen toon, zich losmakende,
"ik--ik zal u gehoorzamen." Zij keerde zich om en ging langzaam naar
de deur; alles draaide voor hare oogen; zij hoorde nog de stem van
tante--toen viel de deur achter haar dicht. Zij wankelde de trap op,
maar moest zich aan de leuning vasthouden; eindelijk, eindelijk was
zij boven, op haar kamertje en viel op de sofa neer.
Haar vader kwam boven, streelde haar de wangen en noemde haar
zijn goed, verstandig kind, dat nog eenmaal heel gelukkig zou
worden. Tante ging naast haar zitten en sprak nu en dan een woord
om haar te troosten. Liesje hoorde het alles aan, alsof het klanken
uit de verte waren; alleen dit ééne weerklonk luid en duidelijk
in hare ziel: "hij bemint mij niet; hij wil niet mij, maar mijn
geld--uit nood." Was het dan werkelijk pas een paar uren geleden,
dat zij onder den ouden lindeboom het hoofd aan zijne borst gelegd
en geluisterd had naar de woorden, die hij haar toefluisterde? Was
het niet reeds eene eeuwigheid geleden en lag er tusschen het _nu_
en _toen_ niet een geheele zee van lijden en wee?
Zij steunde luid en drukte de handen op het hart. Ach, haar
kortstondige zaligheid, haar zoete liefdedroom--voorbij, voorbij
voor eeuwig! Hare wangen gloeiden, toen zij er aan dacht, hoe zij
hem zoo vertrouwelijk bekend had, dat zij hem beminde; het was hem
immers onverschillig, dit moest het hem zijn; hij vroeg niet om hare
liefde, hij vroeg alleen haar geld. Waar zou zij zich voor aller
gezicht verbergen? Zij sloot de oogen en dacht aan het oogenblik,
dat hij komen en haar vader hem afwijzen zou. Dat schoone, trotsche
gelaat, hoe zou het er dan wel uitzien? "En dan zal hij gaan," dacht
zij. In den geest zag zij hem uit haars vaders kamer komen en door
de gang gaan, de hooge gestalte trotsch opgeheven; hij zal zich niet
omkeeren en naar hare vensters zien; hij zal gaan--gaan om elkander
nimmer weder te zien. Nimmer wederzien--een bitter, hard woord,
een woord dat onuitsprekelijke smart in zich sluit!
"Och, tante," steunde zij in haar ellende, en de oude vrouw boog zich
tot haar.
"Schrei maar goed uit, mijn hartediefje! dat zal u verlichten."
"Och, was het maar eerst voorbij!" fluisterde zij.
"Ook de moeilijkste uren gaan voorbij, als men maar bidden kan."
"Ik kan niet bidden, tante, ik kan niet---"
De nacht ging voorbij, en de dag brak aan, waarop hij met haar vader
wilde spreken. Op Liesje's gelaat lag een bijna onnatuurlijke kalmte;
alleen hare oogen gloeiden koortsachtig; zij nam al haar kleine
huishoudelijke plichten waar, ging toen naar hare kamer en nam een
boek; tante Marie kwam boven en begon vriendelijk met haar te praten
over onverschillige zaken; zij luisterde er naar en antwoordde er op;
toen ging de oude vrouw weder aan hare bezigheden. Onmerkbaar gingen
de wijzers der klok vooruit; nu stonden zij op elf uur--plotseling
bedekte een donker rood hare wangen; zij had zijn stap in den gang
herkend, en hoorde nu haars vaders stem. Zij maakte eene beweging,
als wilde zij naar de deur ijlen, maar zij sloeg de oogen weder op
haar boek; de bladeren trilden onder hare hand; zij legde het boek
op de tafel en boog er zich over heen.
Werktuigelijk las zij zacht:
O! laat mij, vóór gij henen gaat
Op 't duist're pad van 't leven,
Vóór gij deez' droeve plek verlaat,
Nog eens mijn dank u geven!
Moog' nooit, in slapeloozen nacht.
't Verleden u bekoren!
De toekomst, die u tegenlacht,
Is reddeloos verloren!
"Is reddeloos verloren," herhaalde zij bijna luid.
"En hoeveel tijd ons hier ook wordt gegeven,
Nooit zullen gij en ik dien samen meer doorleven."
"Nooit meer!" Het boek viel op den vloer. Was het niet verkeerd van
haar, hem het leven door te laten gaan zonder haar steun? Zij had hem
kunnen redden van armoede en schande; het was toch Army, haar oude
speelkameraad; nog is het niet te laat, alles kan _nog_ te recht komen!
Zij verliet de kamer; bij de trap bleef zij staan.
"Ach neen," sprak zij--"ik vergat het immers; hij heeft mij _niet_
lief." Weder moest zij haar eergevoel wakker schudden, dat door
liefde-tonen in slaap gesust was. Wat bleef hij lang bij haar
vader! Hoor, daar ging de deur--was dat Army? Zij boog zich over de
leuning; hij ging juist naar de voordeur--zij zag zijn donkere lokken
onder de muts te voorschijn komen; wat ging hij rechtop! Haar hart
klopte geweldig; de herinnering aan gisteren overweldigde haar in al
haar gloed en zaligheid; en nu, nu had hij de deurkruk in de hand;
wanneer de deur zich achter hem sloot, dan was alles voorbij--voor
altijd--reddeloos verloren. "Army!" riep zij op eens en vloog de
trappen af; maar daar sloeg juist de zware eikenhouten deur dreunend
dicht, zoodat het geluid door de hooge gang klonk. "Army!" herhaalde
zij nog eenmaal zacht en strekte de armen uit; heete tranen ontrolden
aan hare oogen en langzaam ging zij weder naar haar kamertje. Reddeloos
verloren! Hoe ledig, hoe naamloos ledig was de wereld haar geworden!
Vijftiende Hoofdstuk.
De oude barones verbeidde in haar kamer ongeduldig de komst van
haar kleinzoon. Reeds driemaal had Sanna bij de dames beneden naar
hem gevraagd, en telkens was zij met het bericht bij hare meesteres
teruggekeerd, dat de luitenant nog niet van zijne wandeling terug was.
"God sta mij bij!" klaagde de oude dame, "wat zal er van hem, wat van
ons worden? Daar gaat hij in alle kalmte wandelen, zonder er aan te
denken, hoe hij den val van het huis Derenberg kan verhinderen; van
mij heeft hij waarachtig geen droppel bloed in de aderen--_orribille!_"
Zij zag naar buiten, naar het park, dat daar in doodsche, kille
winterpracht voor haar lag; de middagzon glinsterde op den ijzel der
boomen en op den besneeuwden grond. Een doodsche stilte en eenzaamheid
heerschten in het rond. Wijd en zijd geen levend wezen! Hoogstens een
paar hongerige vogels op de kale stammen! En zoo eenzaam en verlaten
was het nu sinds jaren reeds om dit oude slot. Onwillekeurig huiverde
zij. "Waarom?" vroeg zij zich zelve af; zij was er immers aan gewoon,
zoo vergeten te leven. Maar zij had in den laatsten tijd zoo veel
aan vroegere zorgelooze dagen gedacht; en nu zou zij dit zelfde
eentonige, wellicht nog ellendiger leven moeten blijven leiden,
indien de hertog van R. haar wensch niet vervulde! Neen, neen, dat
was immers onmogelijk.
"Als hij niet--" zij balde de kleine vuist. "O die slang, die
Blanka!" fluisterde zij somber. Hare trekken helderden ook niet
op, toen op dit oogenblik het roode deurgordijn openging en Army
binnentrad.
"Zijt gij waarlijk reeds terug van uwe wandeling?" vroeg zij spottend.
"Ik was niet gaan wandelen," antwoordde hij schijnbaar kalm; maar de
oude dame had zijn bitteren toon opgemerkt en zag hem uitvorschend aan.
"Niet? Waar waart gij dan? ik heb reeds drie- of viermaal naar
u laten vragen. Een onderhoud met mij was van vrij wat grooter
noodzakelijkheid dan dat, wat gij van plan waart. Maar het is nu
eenmaal niet anders; gij hebt het karakter uwer moeder; gij zijt ten
uiterste onverschillig."
"Integendeel, grootmama--ik heb juist beproefd een uwer raadgevingen
op te volgen; maar de proef mislukte totaal." Hij streek zich met
den zakdoek over het verhitte gelaat, en wierp zijne muts op de tafel.
"Wat?" vroeg zij, "ik begrijp u niet--een mijner raadgevingen?"
"Zeker, ik wilde--ik heb zooeven gepoogd een rijk huwelijk te doen,
maar zooals ik zeg--"
De barones deed een stap achteruit en staarde hem aan.
"Gij zijt verbaasd, grootmama, dat is natuurlijk--ik verwonderde
mij nog van morgen vroeg, dat gij zelve niet op de gedachte gekomen
waart; nu merk ik trouwens, dat gij aan niets minder kondt denken,
dan aan een huwelijk tusschen mij en Liesje Erving."
"Ik geloof, dat gij gek zijt, Army!"
"Hoe dat zoo? Gij hebt mij zelve geraden, mij door een rijk huwelijk
te redden, en zij heeft geld genoeg, de kleine; naar uwe meening heb
ik niets anders noodig."
"Daartoe geef ik nooit mijne toestemming," riep de oude dame buiten
zich zelve; "hoe komt gij op zulk eene gedachte? Dat onuitstaanbare
ding--uwe vrouw? Het schreit ten Hemel."
"Ik zeide u immers, dat de proefneming mislukt is," stelde hij
gerust, met zijne vingers door zijn zwarten baard spelende. "Ik heb
een korf gekregen, grootmama, een zeer verstaanbare korf; ik verzoek
u nu echter niet meer over onverschilligheid te spreken." Uit zijne
woorden sprak diep gekrenkte eigenwaarde.
"Een korf?" vroeg zij verwonderd en ongeloovig; "een korf zegt gij,
Army?"
"Ja, zeker; mijnheer Erving verklaarde mij ten eerste dat hij voor
zijn kind een man verlangde, die haar liefhad; hij wilde niet, dat
zij als een lastige toegift bij haar geld beschouwd zou worden--dat
was duidelijk niet waar? Ik kan het den man niet kwalijk nemen; ik
gevoelde mij, toen ik voor hem stond, zoo verduiveld verachtelijk,
als nog nooit in mijn leven."
Zijne grootmoeder keerde hem schouderophalend den rug
toe. "Hoogdravende praatjes!" sprak zij. "Van de duizend huwelijken
wordt er nauwelijks één uit een ander inzicht gesloten; ik verwonder
er mij echter over, dat die mijnheer--mijnheer Erving u zulk een
antwoord gaf; dat soort van menschen betaalt gaarne driemaal zooveel
schulden als gij hebt, wanneer de dochter daardoor mevrouw de barones
wordt--daar steekt vast nog iets anders achter." Zij ging bij den
haard zitten en poogde onverschillig in de vlammen te zien.
"Gij hebt volkomen gelijk, grootmama, er steekt nog iets anders
achter. Ik beloofde den vader, Liesje in eere te houden, zooveel
te doen om haar te beschermen en te verzorgen, als een man vermag,
en dat was geen leugen, maar mijn vaste voornemen."
"Is het waar?" vroeg zij spottend.
Hij werd bloedrood. "Waarlijk!" antwoordde hij. "Of denkt gij
misschien, dat ik het meisje, 't welk mij zoo vol vertrouwen hare
hand schenkt, zou laten gevoelen, dat het niet de liefde was, die
mij tot haar bracht? En bovenal, als zulk een oprecht, kinderlijk,
rein hart mij werd geschonken, als het hare?"
"Ei, ei! waar heeft men zulk eene kennis van harten opgedaan?"
"Gij vergeet, grootmama, dat wij te zamen zijn opgegroeid, en dat
ik in den laatsten tijd dikwijls gelegenheid heb gehad, haar gade te
slaan--zij heeft van de herfst mama weken lang verpleegd--"
"Zijt gij misschien op de pleegzuster verliefd? Trouwens, de Duitschers
vinden eene vrouw het bekoorlijkst in de zieken- of kinderkamer. Hoe
het ook zij, het meisje was voor u een sterk contrast met Blanka."
De jonge man fronste het voorhoofd. "Ik bid u, grootmama, spreek daar
niet over," zeide hij. "Het is volstrekt onnoodig hier vergelijkingen
te maken; maar--wij dwalen geheel af. Gij zeidet, daar stak iets
bijzonders achter, dat Liesje's hand mij geweigerd werd; welnu de
reden--gij neemt mij niet kwalijk, dat ik het ronduit zeg--is gelegen
in ervaringen, die men in den molen bij een soortgelijke gelegenheid
vroeger heeft opgedaan; bittere, harde ervaringen die langen tijd
rouw over het oude huis brachten; ik zal trouwens mijn best doen,
die geschiedenis tot klaarheid te brengen."
De jonge officier sprak de laatste woorden langzaam en duidelijk uit,
en zag daarbij zijne grootmama strak aan. Het kwam hem voor of zij
eenigszins verbleekte, maar haar gelaat bleef onveranderd.
"Om het even welke redenen den molenaar bewogen hebben uw aanzoek
af te wijzen," was het scherpe antwoord, "zijne familiekroniek ken
ik niet; iedere reden is mij welkom, want mijne toestemming tot zulk
een waanzinnig voornemen zou ik nimmer gegeven hebben."
"Dan zoudt gij mij gedwongen hebben, zonder deze te huwen," sprak
hij kalm. "Gij begrijpt, dat men met zoo iets niet speelt; _ik_
heb het meisje mijn woord gegeven, _zij_ mij hare toestemming, en
dat is voldoende. 't Zou een ander geval zijn, wanneer zij zelve mij
geweigerd had. Ik ben echter overtuigd, dat ik hare hand verkregen had,
zonder die treurige voorvallen van vroeger; de ouders willen hun kind
niet laten gaan naar het huis, waar hun oude vijandin troont--dat
zijt gij, grootmama!"
"Ik!" De barones sprong driftig overeind. "Bespottelijk!" vervolgde
zij, en liet zich in haar stoel terugvallen. "_Die_ menschen zijn
mij steeds volkomen onverschillig geweest, tot op dezen dag--"
Het bleef een oogenblik stil in het vertrek; de oude dame slaakte
een zucht van verlichting; de angstige trek, die onder de laatste
woorden haars kleinzoons op haar gelaat zichtbaar was, verdween,
en vriendelijk--bijna smeekend zag zij hem aan.
"Ik wilde met u spreken, Army," begon zij ten laatste, "wij moeten
samen overleggen; ik heb den hertog geschreven en ben overtuigd, dat
hij het geld zal zenden, ik ben echter genoodzaakt, een gedeelte er van
voor mij zelve te behouden, de rest is voor u; ik wil hopen dat het
voldoende is, om de meest brullende schuldeischers te voldoen. Maar
wat dan? En in de eerste plaats wat te doen, als de hulp tegen alle
verwachting eens uitblijft?"
"Ik geloof niet aan de bereidwilligheid des hertogs," sprak hij somber;
"maar in het gunstigste geval, zal het nog slechts een druppel water
zijn op een gloeienden steen. Mij blijft niets over dan--Amerika."
Plotseling voelde hij een hand op zijn schouder, en zijne moeder boog
zich over hem heen. "Army," vroeg zij angstig, "wat zegt gij? Wilt
gij weg--weg?"
Hij schrikte en greep hare hand; hij wilde haar geruststellen, maar
de ontstelde, rood geweende oogen zagen hem uitvorschend aan--hij
liet hare hand los en wendde zich af.
"Cornelie, gij weet, dat ik dat onhoorbare, plotselinge binnentreden
niet dulden kan," berispte de oude dame; maar hare schoondochter
hoorde het niet; haar hart stond bijna stil door dat ééne vreeselijke
woord--Amerika.
"Almachtige God! is er dan niemand, die ons helpen kan? Army, ik sterf
immers als gij weggaat!" smeekte zij hem met gevouwen handen. "Dat
is het laatste, het zwaarste!"
"Ween toch niet, maak u niet ongerust, Mama!" sprak hij, zonder haar
aan te zien; "ik, ik blijf--"
"Neen, neen, ik weet wel wat gij doen wilt; gij wilt weggaan, stil,
zonder afscheid te nemen; ik zal eens op een morgen wakker worden,
en geen zoon meer hebben; Army, kunt gij dat doen? Kunt gij weggaan,
als gij weet, dat gij mij nimmer zult weerzien?"
Bitter en hartverscheurend lijden sprak uit deze woorden.
"Het zou immers niet voor altijd zijn," antwoordde hij aarzelend;--"ik
zou eenmaal weer terug komen; wij schrijven elkander; en--"
Op eens voer de jonge man met de handen door zijn haar. "Mijn God,"
riep hij, "ik bid u, mama, maak door uwe klachten de zaak niet nog
zwaarder, dan zij reeds is; bedenk toch, ik heb een massa schulden, dat
is één feit; ik kan ze niet betalen--dat is het tweede. Ik heb al het
mogelijke beproefd, om een uitweg te vinden--het was te vergeefs. Met
Nieuwjaar komt de zaak tot eene uitbarsting; er zijn wisselschulden
onder; de vesting wacht mij--ik kan niet meer dienen--wat blijft mij
anders over? Denkt gij, dat ik daarbij opgeruimd gestemd ben?" Hij
verliet haastig het vertrek en wierp de deur dreunend achter zich
dicht.
Een oogenblik aarzelde hij; hij verbeeldde zich een gil zijner moeder
te hooren; toen haalde hij, verder gaande, een brief uit zijn uniform
te voorschijn en opende hem: "Het is zoo; de dans begint," fluisterde
hij, de regels doorvliegende; somber trad hij zijne kamer binnen,
en wierp zich in den stoel, die bij den haard stond.
Dezen morgen had er voor hem nog een straal van hoop geschenen--Liesje;
de woorden, die zij hem den vorigen avond onder den besneeuwden
lindeboom had toegefluisterd, hadden hem als eene boodschap des vredes
in het oor geklonken; het waren zulke eenvoudige, kinderlijke woorden
geweest, gevloeid uit een zalig, opgeruimd meisjeshart; dat was ware,
echte liefde, die hem tegenblonk! Ware liefde? Neen--die was er bijna
niet meer. Zij gehoorzaamde haar vader immers zoo gewillig, toen deze
zeide: Gij wordt ongelukkig--zie van hem af! Maar hij kon het haar niet
euvel duiden; haar vader zal wel gezegd hebben: hij bemint u niet;
hij wil alleen uw geld. Dat was al genoeg; maar wat zou dat andere
zijn met grootmama? Baron Frits en Lisette! Erving had ze dezen morgen
genoemd, toen hij van de voornaamste reden zijner weigering sprak;
God weet, wat er is voorgevallen; hij was zeer voorzichtig in zijne
uitdrukkingen geweest, maar--er is toch niets meer aan te doen! Hoe
spoedig zal men in zijne garnizoensplaats hooren zeggen: "de luitenant
van Derenberg is op; hij heeft alles verkwist--natuurlijk schulden,
dwaze schulden, dat zit in de familie; zijn vader heeft zich ook
doodgeschoten; dat ziet men dagelijks--het is nauwelijks de moeite
waard er over te spreken."
Lang zat hij zoo en peinsde. Zijne moeder! Hij had haar tot steun
moeten zijn; ja, zij zou zeker sterven, als hij heenging--en Nelly,
die arme kleine--wanneer zij _alleen_ overbleef?--Hij sprong driftig
op, en rukte zijne uniform los; midden in het vertrek bleef hij staan
en staarde naar den wand; dáár had het portret der schoone Agnese
Mathilde gehangen, dat hij uit de familiezaal gehaald had, dewijl het
zoo sprekend op _haar_ geleek: hij had het afgenomen en omgekeerd op
den vloer tegen den muur gezet, toen zij haar woord jegens hem brak;
het stond nog altijd zoo.
Hij ging er heen, nam het op en hing het op zijn plaats; het
wonderschoone gelaat, met de diep treurige oogen, zag hem weder zoo
vertrouwelijk, zoo onwederstaanbaar betooverend aan--hij stond met
over elkaar geslagen armen langen tijd in beschouwing verdiept. Ja,
het was de schuld van dit prachtige, goudkleurige haar, dat hij werd
wat hij nu was, door een dwaze, onzalige hartstocht. Een oogenblik
overviel hem een naamloos verlangen; zou _zij_ een medelijdenden
blik voor hem over hebben, zoo zij wist, hoe ver het met hem gekomen
was? Hij lachte luid. Neen, _die_ koude, heldere oogen, zij konden
niet vriendelijk zien zooals _deze_; het portret geleek niet op
haar, alleen het haar. Een bittere trek vertoonde zich om zijn mond:
"Zijn zij zonder nuk," mompelde hij, "zonder nuk?--geen enkele, niet
ééne!" Hij hoorde niet, hoe zijne kamerdeur zacht en aarzelend geopend
werd, hoe een bleek meisjesgezicht onzekere blikken naar binnen wierp,
hoe een slanke gestalte hem zacht en beschroomd naderde. Midden in het
vertrek stond zij stil; hare oogen staarden stijf op het goudkleurige
vrouwenhoofd, waarop de jonge man nog onbeweeglijk zijne blikken
gevestigd hield; onwillekeurig maakte zij eene beweging om zich te
verwijderen, toen hij zich omkeerde.
"Liesje!" stamelde hij, "Liesje, gij hier?"
Zij zweeg; maar zag hem bedroefd aan.
"Wat wilt gij, Liesje?" zeide hij, "zocht gij Nelly? Zij--ik weet
niet of----"
"Neen," antwoordde zij, "ik kom om u."
"Om mij?" vroeg hij zacht.
"Ja, ik--de angst dreef mij hierheen, Army. Uwe moeder was bij ons
en vertelde, dat gij wildet--O, ga niet heen, Army; ga niet heen! ik
overleef het niet," kreet zij, en sloeg de handen voor het gloeiende
gelaat.
"Vraagt gij mij dat, Liesje? En toch hebt gij mij dezen morgen laten
gaan?" vroeg hij bitter.
"O, het deed mij zoo oneindig leed, dat gij heengingt, Army; maar
duizendmaal meer grieft het mij, dat gij mij niet liefhebt, dat gij
mij alleen wilt, om---"
"Dat heeft uw vader u gezegd, Liesje!"
"Ja! En is het niet waar, Army? En hoewel ik nog twijfelde--toen
uwe moeder straks bij ons kwam, om hulp te vragen aan mijn vader,
opdat gij niet zoudt behoeven weg te gaan, de wijde wereld in, toen
_moest_ het mij duidelijk worden, _moest_ ik wel gelooven, waartegen
mijn gansche hart zich verzette."
"Heeft zij bij uw vader voor mij gebedeld?" vroeg hij luid en
heftig. "Dat is sterk."
"Zij heeft u zoo lief, Army; en zij wist immers niet, dat gij mij--dat
mijn vader--" zij zag hem angstig, smeekend aan. "Ga niet heen, Army,
ga niet heen--"
Daar stond zij voor hem; bekoorlijk en eenvoudig zag zij er uit in
haar korenblauw kleed; de wimpers diep neergeslagen, in maagdelijke
verwarring; hare borst bewoog zich ontstuimig uit angst voor hem, uit
opgewondenheid over den stap, dien zij gedaan had; een harer lange
vlechten was door het haastige loopen losgegaan en hing over haar
schouder; zij bespeurde het niet; zij strekte de sidderende handen,
gevouwen, smeekend naar hem uit, en hij waagde het niet die te grijpen.
Dat was zij immers, in den liefelijksten vorm voorgesteld: de groote,
alles overwinnende liefde van een vrouwenhart, waaraan hij zoo straks
nog getwijfeld had!
"Wees niet trotsch, Army!" kwam het eindelijk met moeite over hare
lippen, "om den wille uwer moeder en van mij. Ik zou immers mijn
gansche leven lang diep ongelukkig zijn door het bewustzijn, u niet
gered te hebben. Wij zullen goede vrienden zijn, goede vrienden,
zooals vroeger, Army---"
Eene lange pauze volgde; hij zag met afgewend gelaat voor zich,
de armen stijf over de borst gekruist. Zij zag hem vragend aan;
langzamerhand bedekte een gloeiend rood haar gelaat, de gevouwen handen
lieten los en een paar groote tranen rolden over hare wangen. Een
pijnlijk gevoel van schaamte vervulde brandend heet haar gemoed, en
benauwde haar; zij keerde zich om en trad naar de deur. Buiten hoorde
zij voetstappen; vlugge, welbekende voetstappen. Angstig dwaalden
hare oogen door de groote kamer, en bleven op de zijne rusten;
ademloos bleef zij staan. "Tante," fluisterde zij, "zij zoekt mij."
Maar op hetzelfde oogenblik stond Army naast haar en sloeg zijn arm
beschermend om haar heen; verlegen en angstig zonk haar hoofd tegen
zijn schouder; zij dacht, dat men het luide kloppen van haar hart
moest kunnen hooren; daar ging de deur open; onwillekeurig vlijde
zij zich dichter tegen hem aan, in de verwachting, een welbekende
stem toornig en verwijtend te hooren spreken. Maar alles bleef stil;
de oude vrouw op den drempel stond onbeweeglijk, de oogen met een
smartelijke uitdrukking op het tooneel vóór haar gevestigd; dáár in het
hooge, halfdonkere vertrek, juist onder de groote, uit hertenhorens
vervaardigde lichtkroon, stond een jeugdig paar; hij had haar den
arm om de tengere gestalte geslagen en drukte haar vast aan zich;
somber zag hij naar de oude vrouw, als was hij boos op de stoorster;
't was een toonbeeld van het reinste geluk.
"Dus is het toch zoo! Tegen liefde en dood is geen kruid gewassen." Zij
had er een voorgevoel van gehad, toen Liesje zoo haastig het huis
verliet; zij was haar nageijld; maar wie kan met vijf-en-zestig
jaren nog loopen, als een jong lichtvoetig ding; zij kwam te laat! te
laat! Het arme kind was met open armen in haar eigen ongeluk geloopen.
"Liesje!" riep zij op een verwijtenden toon.
Het meisje zag op en maakte zich los uit Army's armen.
"Och, knor niet," smeekte zij zacht, "ik kon niet anders, tante,"
en stak de handen naar haar uit. Zij trachtte daarbij te lachen,
maar het lukte niet--met geweld kwamen de tranen voor den dag;
hartstochtelijk sloeg zij de armen om den hals der oude vrouw, en
snikkend klonk het nogmaals van hare lippen: "Ik kon immers niet
anders, tante--ik kon niet!"
Zestiende Hoofdstuk.
De volgende dag bracht slecht weder; het dooide, en de sneeuw was
in eens verdwenen; de natte, bruine takken strekten zich kaal naar
den grauwen hemel uit; daarbij stormde en raasde het in de lucht;
de elzeboomen aan den molenbeek bogen en zwaaiden in den wind.
Op den molen heerschte een gedrukte stemming; de meiden in de keuken
spraken zacht met elkander, en de koetsier, die zich bij haar gevoegd
had, krabde zich een paar maal met een veelzeggend gelaat achter
de ooren. Uit de woonkamer drong de stem van den heer des huizes
duidelijk tot hier door. De jonge baron was er. Gisteren was hij er
ook al eens geweest, en sedert zag Liesje zoo wit als de muur. Er
_moest_ iets niet in orde zijn; dat was zonneklaar; ook tante zag
zoo zuur als azijn--en dan de meester!
De kamerdeur ging open, en tante klom de trap op, zooals Doortje door
een kier van de deur zien kon.
"Let op, Mina, onze juffer heeft het doorgedreven," fluisterde zij,
"tante haalt haar naar beneden; nu--waarom ook niet? Hij is een knap
en voornaam heer, en lijden mochten zij elkaar al, toen hij nog als
kadet met verlof te huis kwam."
Peter krabde zich weer achter de ooren.
"Nu," meende hij, "als ik mijnheer was, ik zei neen, om de oude van
het slot."
"Pst!" waarschuwde Doortje, "waarlijk, zij komt de trap af; nu gaan
zij in de kamer. Hoezee! een verlovingsfeest--dat zal een pret geven."
Het volgende oogenblik stond zij reeds weder bij de keukentafel,
met hare borden bezig, want zij hoorde tante komen, die een oogenblik
daarna de keuken binnentrad. Het oude gelaat teekende zorg, en aan de
oogen was het te zien, dat zij bitter geweend hadden; zoo dachten de
meiden ten minste. Zij stond een oogenblik als in gedachten verzonken,
toen nam zij haar sleutelbos en ging naar de provisiekamer.
"Glazen, Doortje!" beval zij, toen zij met eenige flesschen wijn
terugkwam, "en doe een schoon voorschoot aan, als gij ze binnenbrengt!"
Zij zette de flesschen op de keukentafel, en ging zich de oogen
afvegende, weder heen.
"Mijn God!" riep het meisje, toen zij met het ledige blad uit de
woonkamer terugkwam, "moet dat eene verloving heeten? Het heele
gezelschap zet een gezicht, als bij een begrafenismaal; onze heer
bijt zich op de lippen, alsof hij zijne tranen wil wegjagen; de vrouw
schreit, alsof Liesje dood was, en de tante ook; mijnheer de baron
zit als een stok naast onze juffer; ik zag juist dat hij haar de
hand kuste, alsof bij eene verloving niet een flinke kus behoort;
en onze Lise ziet er uit--God erbarme zich over haar; als dat een
gelukkige bruid moet wezen!"
Ongeveer een half uur later verliet een jong bruidspaar het oude
huis; aan het venster stond de oude tante het na te zien, en onder
de linde keek het bleeke gezichtje nog eenmaal om naar het venster;
er was niets op te bespeuren van het zoete, zalige geluk, dat een
jonge, kinderlijke bruid gevoelt; om den mond speelde een smartelijke
trek, en de oogen spraken angst en lijden. De bruidegom had haar arm
genomen en in den zijnen gelegd; zwijgend vervolgden zij hun weg;
bij de oude linde gekomen, beefde de hand van het jonge meisje,
en werd haar gelaat voor een oogenblik met een donkeren blos overtogen.
"Zijt gij moede, Liesje? Ik liep te schielijk."
"O neen, maar ik--ik ben zoo bang voor uwe grootmoeder."
Hij beet zich op de lippen, maar zweeg; hij verkeerde zelf in een
angstige spanning, en kende zijne grootmoeder genoeg om te weten, dat
zij tot elke lompheid in staat was. Zij traden nu de linden-allée in;
de wind huilde door de hooge boomen en deed de takken krakend tegen
elkander slaan; het hooge bordes met zijn oude, zandsteenen beren
lag nat en donker voor hen. Onwillekeurig vielen Liesje's oogen op
de poort. "Wat beteekent dat?" vroeg zij op eens op de wapenspreuk
wijzende.
"Nunquam retorsum! Nooit achteruit!" antwoordde hij.
"Dat is goed," sprak zij, diep ademhalend, en versnelde haar tred.
Zoo kwamen zij bij de torendeur; een oogenblik overviel haar een
gevoel van zwakheid. "Zal ik het kunnen verdragen, als zij mij
beleedigt?" vroeg zij zich zelve af, en een onuitsprekelijke angst
voor de trotsche grootmoeder beklemde hare borst; het was haar
alsof zij nog moest terugkeeren, nog vluchten--eer het te laat was;
zij gevoelde zich zoo hulpeloos, zoo verlaten; want _hij_, _hij_
had haar immers niet lief.
"Liesje," riep jubelend een heldere stem, en in tranen uitbarstende,
sloeg Nelly de armen om haar hals. "Liesje! zuster Liesje!"
Zij duldde hare kussen; als een heldere zonnestraal vloog het over
haar gelaat, en daar boven, op den drempel der gezellige woonkamer,
strekten zich een paar armen naar haar uit, en omvatten haar al vaster
en vaster, terwijl haar oor woorden van liefde opving.
"Mijn lieve moeder," fluisterde zij, en boog zich over de tengere hand,
"ik zal u altijd een gehoorzame dochter zijn--en voor Army een trouwe
echtgenoote." Het laatste kwam er aarzelend en zacht uit.
"Een oogenblik geduld, Liesje! Ik wil bij grootmama ons bezoek laten
melden," zeide Army.
Zij knikte toestemmend; hij ging, en keerde spoedig zwijgend
terug. Haar hart klopte onstuimig; onwillekeurig vouwde zij de handen,
terwijl zij beurtelings rood en bleek werd, en op eens stond alles,
wat de trotsche oude vrouw haar had aangedaan, in vlammend schrift voor
haren geest, en voor hare oogen verscheen een liefelijk beeld--oudtante
Lisette en een vroegtijdig graf op het kerkhof daar boven.
"Mevrouw de barones laat zich verontschuldigen; zij heeft hoofdpijn
van daag en kan niemand ontvangen." Met deze woorden deed Sanna het
jonge meisje uit haar koortsachtige gedachten opschrikken.
"Dan laat ik verzoeken, mij morgen een uur te bepalen, waarop ik met
mijne verloofde een bezoek kan brengen," klonk het schijnbaar kalm;
maar Army's oogen zagen de oude meid dreigend aan, wier blik met een
uitdrukking bijna van haat op de jonge bruid rustte. Deze had zich
onwillekeurig hoog opgericht; Nelly greep hare hand en streelde zacht
hare wangen.
"Mama," begon Army en nam op den stoel naast zijne verloofde plaats,
"mijn schoonvader laat u om een onderhoud verzoeken, en het zou zeer
vriendelijk van u zijn, wanneer gij heden avond met Nelly in den
molen kwaamt, ten einde gemeenschappelijk onze--"
"Zeker, Army, zeker! Ik zou heden toch met Nelly gekomen zijn,
ingeval het weder het toelaat."
"Mevrouw de barones kan vooruit geen tijd bepalen, maar verzoekt
mijnheer den luitenant, heden avond een oogenblik bij haar te komen,"
luidde het antwoord dat de terugkeerende oude dienstmaagd nu bracht.
"Het doet mij leed, Sanna, maar ik ben heden avond, zooals te
begrijpen is, niet vrij, daar wij beneden in den molen onze verloving
vieren--hoort gij Sanna, in den molen beneden! Het spijt mij voorts,
Sanna, dat de barones hoofdpijn heeft, en wij dus hare tegenwoordigheid
bij het feest moeten missen; voor het overige bevelen wij, verloofden,
ons aan en wenschen beterschap."
"Si, Signor!" siste de oude en verdween.
Het bleef stil; Army ging in de kamer op en neer; zijne moeder had
het jonge meisje naast zich op de sofa getrokken, en hield hare handen
stijf vast.
Vreeselijk zwaar had de boodschap Liesje in de ooren geklonken. Het
gevoel van haar pijnlijken toestand drukte haar met zijn geheele
zwaarte; zij meende te zullen bezwijken, wanneer haar vader vernam,
dat de grootmoeder van haar verloofde haar niet eens had willen zien;
en dan nog tante! Maar zij had niet anders gewild; zij zou nooit
klagen, had zij beloofd. Ja, als hij haar ten minste beminde, dan--
"Ik moet naar huis," sprak zij opstaande; zij had een gevoel alsof
zij stikken zoude.
"Waarom zoo spoedig?" vroeg Army.
"Ik--ik wil te huis bericht brengen, dat mama en Nelly komen," stamelde
zij. Hij nam zijne muts. "Blijf toch hier!" verzocht zij angstig;
"ik kan zeer goed alleen gaan; kom dan later met uwe moeder!"
Hij haalde ongeduldig de schouders op. "Adieu, mama, tot weerziens;
adieu, Nelly!" riep hij, terwijl Liesje, haar sluier voordoende,
met afgewend gelaat haar de hand reikte.
Buiten gierde nog altijd de storm, en weder gingen zij zwijgend
naast elkander.
"Gij zijt te dun gekleed," sprak Army, en deed zijn mantel af om haar
dien over de schouders te hangen.
"Neen, ik ben niet koud, wezenlijk ik dank u." Hij nam den mantel
over den arm en wandelde naast haar voort.
"De weg lijkt een moeras," begon hij na een poos; "wij moeten trouwens
haast aan de plek komen, waar de molenbeek buiten hare oevers is
getreden--wacht! Daar zijn wij er reeds; ik zal zien of er niet een
pad door het bosch te vinden is."
Zij zag in de schemering zijn slanke gestalte, die zoekende den weg
langs ging; toen kwam hij terug.
"Het gaat niet; het water komt aan beide kanten over de schoenen;
ik zal u er over dragen."
"Neen," riep zij achteruit tredende, "dat nooit."
"Waarom niet?"
"Omdat ik niet wil, dat gij u om mijnentwille de geringste moeite
geeft; mij hinderen natte voeten niet, zeker niet; wij zijn immers
dadelijk te huis."
Hij antwoordde niet, en de duisternis verborg zijn gloeienden blos;
zij voelde zich echter eensklaps door sterke armen opgetild en
overgedragen.
"Gij moet mij dit ten goede houden," klonk het haar koel en bitter
in de ooren, toen zij weer op vasten grond stond. "Eene dame kan deze
plek onmogelijk zonder hulp voorbij komen."
Het overige van den weg werd zwijgend afgelegd. Toen zij de huisdeur
binnentraden, gluurden nieuwsgierige gezichten der meiden uit de
keuken, en kwam tante hun te gemoet: "Wat is dat een weer!" sprak
zij vriendelijk, en opende hun de deur der woonkamer.
"Goeden avond, tante," zeide Army en wilde hare hand vatten, maar de
oude vrouw trok ze haastig terug.
"Ga gij maar eerst naar binnen, mijnheer de baron!" antwoordde zij
koel, "Liesje zal wel volgen; ik heb haar eerst nog wat te zeggen, en
gij zult ook nog velerlei met uw schoonvader te bespreken hebben." Zij
trok het jonge meisje aan de hand mede naar haar kamertje.
"Wij krijgen bezoek, tante," sprak deze; "Peter moet Army's moeder
en Nelly met den wagen halen."
"Goed, ik zal het zeggen."
De oude vrouw ging heen, en toen zij weder binnentrad, viel het
flikkerende licht der lamp, die zij droeg op een beschreid gelaat,
't welk te voren door de schemering onzichtbaar was.
"Gij hebt geweend, tante?" vroeg Liesje en boog zich tot haar over.
"Nu ja, kind, dat gaat zoo--laat dat maar! Ik wilde dezen avond een
paar woorden tot u spreken, daar het uw verlovingsdag is." Zij zette
de lamp op de tafel en trad op het jonge meisje toe. "Zie, Liesje,
ik heb altijd gemeend, dat een dag als deze vroolijker zou zijn,
en gij een minder bleeke bruid zoudt wezen. Het is uw eigen wil,
kind; gij zegt immers ook, dat gij gelukkig zijt en hebt uw ouders
hunne toestemming op de knieën afgesmeekt; maar mij, Liesje, mij
kunt gij niet misleiden; ik weet zeer nauwkeurig hoe het er in dat
arme kleine hartje uitziet, en dat doet mij zoo jammerlijk zeer;
ik zou haast vergaan van harteleed."
Zij keerde zich om, ging naar de commode, trok het kleedje, dat er
over lag, wat terecht, en deed de laden open en dicht, waarbij haar
de tranen uit de oogen op de oude handen vielen; Liesje stond nog
zwijgend midden in het vertrek.
"Dat gij zoo stil zijt en zoo strak, kind," zeide de oude en droogde
zich de oogen af, "dat kan mij zoo angstig maken; spreek toch mijn
hartedief! Dat verlicht altijd."
"Wat zal ik zeggen, tante? Ik heb niets, waarover ik graag wil
spreken," antwoordde zij.
"Kom eens bij mij, Lise!" smeekte de oude vrouw, "beloof mij één
ding! Als hij ooit vergeten mocht, wat gij voor hem deedt, als hij
ooit onvriendelijk jegens u is, en ik leef nog, kind, kom dan bij
mij! Dan zal ik met hem spreken, en ten tweeden male zal hij het niet
weer wagen."