Zij lachte slechts. "Maak u maar niet bezorgd, tante!"

"En de oude barones, kind, hebt gij haar gesproken?"

"Neen, tante, ik geloof dat zij mij niet wil zien."

De oude vrouw stond haastig op, en haar goedig gezicht zag er een

oogenblik onbeschrijfelijk bitter uit; zij had een hard woord op

de lippen, maar een blik op het bleeke meisje vóór haar deed haar

zwijgen. "Hemelsche goedheid," mompelde zij slechts, "en dat alles

zonder liefde!" en weder vulden tranen hare oogen.

Buiten reed juist de wagen dreunend over de brug, om de dames van

het slot te halen; tegelijkertijd werd ook de huisdeur opengedaan,

en vernam men een luid gesprek en daarop Doortjes beklagenden uitroep:

"Och lieve Hemel!"

"Dat is de oude Thomas uit de pastorie," zeide tante en opende de

deur. Het was zoo; daar stond de oude, kromme man, met de van regen

druipende muts in de hand, en Doortje riep tante toe:

"Ach, hoor eens aan, Kareltje van Dominé is gestorven, zoo even;

wat spijt mij dat!"

"Karel?" vroeg Liesje en stond eensklaps nevens den ouden man; "Karel?"

"Ja, juffer, om zes uur is hij ingeslapen; ach, juffer Lise, die arme

moeder en vader! Het was zulk een prachtige jongen; God, wat is dat

een droefheid, daar beneden! Gij kunt het u niet voorstellen!"

Het jonge meisje stond nog met hoed en mantel om. Zonder zich te

bedenken, ging zij naar de voordeur.

"Waar wilt gij heen, kind? In dit weder?"

"Ik wil naar oom, naar de pastorie; tante--laat mij, bid ik u!"

En reeds stond zij weder buiten en kampte tegen den wind, om vooruit

te komen. De kreten der oude vrouw stierven weg in den storm, en over

haar heen bogen zich de takken der elzeboomen aan den ruischenden

molenbeek in wilden strijd. Daar kwam haar een wagen te gemoet; zij

ging ter zijde om hem voorbij te laten, en zette toen schielijker

haar weg voort. Het scheen haar eene weldaad toe, dit stormachtige

weder; het was immers eene kwelling naast hem in een dichte kamer

te zitten; oogenschijnlijk was het een beeld van zoet geluk, en

inderdaad was er geen schaduw van te vinden; hij had haar niet lief;

hij had haar alleen om den wille van haar geld begeerd. Het gevoel

van blijde opoffering, waarmede zij hem hare hand had aangeboden,

maakte plaats voor het vernederende van 't geen zij geleden had;

en hij zelf, die het offer aannam, wat deed hij om die vernedering

te verzachten? Was het dan zoo moeilijk, haar goede kameraad te zijn?

Hoe wild schudde de oude linde hare takken, en hoe jaagden de wolken

aan den donkeren hemel! En daar beneden in het dorp, in de pastorie,

dáár werden tranen geweend, bittere, heete tranen--door wie maar

weenen kon!

Maar zij wilde niet, zij wilde immers niet, dat de menschen haar

medelijdend zouden aanzien, vader en moeder, tante, zelfs Doortje en

Mina--neen, dat was vreeselijk, dat kon zij niet verdragen.

Klonken daar geen haastige schreden achter haar? Ja, en dan de roep

"Liesje! Liesje!" Zij stond stil, dat was _zijne_ stem; o, als zij

hem nu eens te gemoet kon gaan en zich aan zijn arm vastklemmen kon;

als hij nu eens zeide: "Ik maakte mij bezorgd over u, daarom kom ik,"

maar neen, vader heeft hem zeker mij achterna gezonden, of misschien

zou hij ieder ander gevolgd zijn; hij moest immers in zulk een storm

geene dame alleen hebben laten gaan.

"Maar Liesje, ik bid u," klonk nu zijne stem, "hoe kunt gij in zulk

weêr uitgaan! Uwe ouders zijn half dood van angst over u; hier is een

doek van tante voor u, en wacht even, de wagen moet aanstonds hier

zijn; ik heb gezegd, dat hij oogenblikkelijk zou worden nagezonden. Gij

zijt toch nog altijd de kleine goedhartige Lise, wier goed hart in

lichte laaie staat bij het ongeluk van vreemden!" vervolgde hij,

haar den doek omslaande.

Zij lachte bitter. "De pastoriebewoners zijn geene vreemden voor mij;

zij behooren als 't ware tot onze familie."

Hij antwoordde niets op dit bitse gezegde; juist kwam ook de wagen

en hield bij hen stil. "Mag ik met u gaan?" vroeg hij, haar bij het

instijgen helpende, "of wilt gij liever alleen rijden?"

Zij wilde het laatste toestemmend beantwoorden, toen haar blik op

hem viel; hij was slechts in zijn rok, zonder overjas.

"Ik wil niet, dat gij om mijnentwille kou vat," zeide zij zacht,

"ik bid u, ga zitten!"

Na een korten rit hield de wagen stil; Liesje steeg alleen uit en trad

de pastorie binnen; het was donker in de gang en stil; zij bereikte

tastend de deur der woonkamer en klopte aan. Bijna huiveringwekkend

luid klonk het, maar geen vriendelijk "binnen" liet zich hooren. Een

onverklaarbare angst overviel haar hier in het huis des doods; maar

moedig tastte zij verder. Daar was de trap, en hierboven, rechts,

het studeerkamertje; zacht klopte zij aan; weder geen antwoord, maar

door eene reet scheen licht--zij opende de deur en zag naar binnen;

daar zat oom de predikant bij de tafel, het gezicht in de handen

verborgen, en vóór hem lag de opengeslagen bijbel.

"Oom! oom!" riep zij snikkend en legde het hoofd op zijn schouder.

"Lise, gij goed kind! Ja, een zware bezoeking is over ons gekomen,"

sprak hij ernstig, en streek haar over de natte, bruine vlechten;

"en zijt gij in dat weer hier gekomen? Wat zijt gij altijd

medelijdend! Nietwaar--onze Karel, Liesje! onze lieve, flinke

jongen--o, het valt zwaar, niet tegen God te morren. Mijn arme

Rosine! Hij was immers haar trots."

"Ach oom, oom!" snikte zij diep bedroefd; "waarom is het leven toch

zoo treurig, zoo moeilijk!"

"Gij hadt hier niet heen moeten komen, goed kind," werd haar

toegefluisterd, en de kleine vrouw met vochtige, roodgeweende oogen,

die binnengekomen was, hief haar hoofd op en kuste haar. "Het maakt

u van streek, en gij zoudt ziek kunnen worden."

"Mag ik Karel niet nog eens zien? ik bid u tante!" vroeg zij nog

altijd snikkend.

In de kamer daarnaast lag een bleeke knaap op het sneeuwwitte kussen;

zij trad zacht naderbij en staarde op de lieve, welbekende trekken--hoe

dikwijls had die mond "tante Liesje" tegen haar gezegd, hoe vaak

hadden die groote oogen haar lachend aangezien, en nu zoo stil, zoo

stom! De kleine vrouw drukte het gelaat weer in de kussens van het

bedje, en de vader stond aan de andere zijde en staarde op dat, wat

hem was overgebleven van zijne droomen der toekomst. Liesje's tranen

echter hielden op te vloeien; er straalde zulk een wondervolle vrede

van het kinderaangezichtje daar voor haar--hoe schoon moest het zijn,

zoo zacht te slapen, met zulk een gelukkig lachje, zonder de smart

des levens te hebben ondervonden!

"Ween niet, tante! Hij slaapt zoo rustig! hij ziet er zoo gelukkig

uit." Toen keerde zij zich om en ging langzaam heen.

In het kamertje bleef zij staan. "Oom," sprak zij zacht en legde de

kleine hand op zijn arm, "ik heb een vraag op het hart, die ik niet

langer onderdrukken kan."

"O, spreek, mijn Liesje. Heb ik gelijk, als ik meen dat het u en

Army betreft?"

"Ja, oom; o, gij hebt ervan gehoord? Ik kan niet heengaan, zonder

dat gij mij gezegd hebt, hoe ik handelen moet." Zij ging op de kleine

sofa zitten. "Mijn vader weigerde zijne toestemming," vervolgde zij,

"en tante zeide, dat mijne vereeniging met Army een ongeluk was

voor mij, oom, omdat hij niet aan mij, maar alleen aan mijn geld

dacht; vader deed een beroep op mijn meisjestrots.--Eerst voegde

ik mij naar zijn wil; het was zulk een verschrikkelijk gevoel dat

te ondervinden, ik wilde ook sterk zijn, oom, maar toen--toen kwam

zijne moeder en jammerde, hij wilde weg naar Amerika, en toen, oom,

voelde ik mij naar hem toegedreven, en ik bad hem, niet weg te gaan;

ik was half waanzinnig van angst en smart. Hij moest mij beschouwen

als een goede kameraad, heb ik tegen hem gezegd. En toen heeft mijn

vader ingewilligd, omdat ik hem zoo vurig smeekte; op mijne knieën

heb ik gelegen--ik zou immers gestorven zijn, als Army naar Amerika

had moeten gaan, zonder dat ik alles beproefd had om hem te redden;

Army weet niet eens welk een strijd het gekost heeft. En nu valt

het mij zoo onuitsprekelijk zwaar, als ik naast hem sta; bij elke

schrede aan zijne zijde doet mij het hart zoo zeer, en nu komt mijn

trots er tegen op, dat ik wel is waar zijne verloofde ben, maar niet

zijn beminde. Ach, oom, ik ben zoo ongelukkig!"

Zij barstte in tranen uit en verborg haar hoofd in het canapékussen.

"Kindlief," sprak de geestelijke, en streek haar zacht over het rijke,

volle haar, terwijl hij zich naast haar zette en hare hand greep;

"mij schiet een oude spreuk te binnen uit het album mijner Rosine;

haar oude grootmoeder schreef die er in, toen zij als jong meisje het

ouderlijk huis verliet, om in den vreemde als onderwijzeres in haar

levensonderhoud te voorzien. Wanneer gij eens in tweestrijd zijt met

uw gevoel, mijn geliefd kind, en beleediging of gekrenkte ijdelheid

strijden met den lust tot vergeven, tot liefhebben, laat dan de

liefde zegepralen, zelfs al laadt gij den schijn van vernedering op

u! Het heerlijkste, het schoonste, wat eene vrouw vermag te doen,

is te beminnen, altijd te beminnen, al wordt haar ook ongelijk

aangedaan. Heb geduld, kind," vervolgde hij, toen het meisje hem

met oogen vol tranen aanzag, "hij heeft eerst onlangs een bittere

teleurstelling ondervonden, en de bewustheid, dat hij een stap doet,

die in geen enkel opzicht in zijn voordeel kan worden uitgelegd, zal

pijnlijk genoeg voor hem wezen. Hij zal dat overwinnen, en u dankbaar

zijn, dat gij hem van schande en gebrek gered hebt en op zekeren

dag bespeurt gij een vonkje liefde voor u in zijn hart, dat, door

ootmoed en toegevendheid, met onvermoeide voorkomendheid gekoesterd

en aangekweekt, eens tot een heldere vlam opflikkert. Maar wacht u er

voor, dat gij de zwakke vonk niet uitdooft door uwe fijngevoeligheid;

behandel hem als een ziek kind!"

Liesje was opgestaan. "Ik dank u oom!" sprak zij zacht, "en,

nietwaar? gij zult mijne ouders en tante geruststellen, dat ik nog

gelukkig zal worden? Ik wil vriendelijk en voorkomend jegens Army zijn,

en zal mijne gevoeligheid bestrijden. Ach, als vader slechts niet

boos op mij en Army wilde zijn! Hij is zoo somber en droefgeestig."

"Het valt hem moeilijk, niet bezorgd te zijn, mijn kind; gij zijt

zijn eenigste dochter, en gij komt in zulke verwarde omstandigheden,

in een gansch anderen kring. Maak er hem geen verwijt van, dat zijn

voorhoofd zich rimpelt, en evenzoomin uwe tante! De oude vrouw heeft

u zoo lief. Zij zullen weder vroolijk zien, wanneer zij u tevreden

weten aan Army's zijde, en _dat_ ligt in uwe macht--gij bemint hem, en

gij weet: de liefde duldt alles, zij verdraagt alles, zij hoopt alles."

"Dat is het rechte woord, oom," sprak zij met verhelderden blik en

reikte hem de hand; "ik zal het tot waarheid maken. Vaarwel, oom! Ik

kom morgen terug en---ach, lieve oom! Karel is veel smart bespaard!"

Buiten bij de wagentrede stond Army; hij hielp haar instijgen en

nam nevens haar plaats. Weder reden zij zwijgend door den nacht

naar buiten.

"Army," zeide zij eensklaps en legde hare hand op zijn schouder,

"ik was wel ontstemd en onvriendelijk? Vergeef het mij--ik kom zoo

even uit een sterfhuis--"

Hij nam hare hand in de zijne en keerde zich naar haar toe.

"Ik heb een verzoek aan u," ging zij voort, eer hij kon

antwoorden. "Gij weet, mijn vader gaf met een bezwaard gemoed zijne

toestemming tot onze verbintenis. Vergeef hem Army! Ik ben immers zijn

eenig kind--help mij de wolken van zijn voorhoofd verdrijven! Houdt

u slechts een weinig, alsof gij mij liefhebt, en laat hem gelooven,

dat gij gelukkig zijt! Ik zal het ook doen--ik ben het immers ook,"

voegde zij er zacht bij.

Hij zweeg.

"Wilt gij dat doen, Army?" vroeg zij aarzelend.

Reeds rolde de wagen over de molenbrug en het fabrieksgebouw voorbij;

hij reed om de kale linde tot voor de huisdeur. Army hield het hoofd

afgewend en zag naar buiten. Doortje kwam juist met de lantaarn uit

de deur, en liet de wagentrede neer; hij sprong er uit en bood Liesje

de hand om uit te stijgen; een trek van diepe ontroering lag op zijn

gezicht. Hij zou zich houden, _alsof_ hij haar liefhad! En als hij

nu tot haar zei: "mijn hart klopt in waarheid warm voor u, voor u,

beminnenswaardige, met het reinste gemoed; ik voel een adem des vredes

in uwe nabijheid, die mij de wonden van een onzaligen hartstocht zacht

verkoelt,"--zou zij dat gelooven? Dat was immers het ellendigste--hij

had haar vertrouwen verloren--

Hij zag naar haar op--hij wilde haar antwoorden; maar wat? Ja, dat

wist hij op dit oogenblik niet te zeggen, en reeds boog zich bij het

schommelende licht der lantaarn een bekoorlijk hoofd uit den wagen;

de kleine pelsmuts zat eenigszins scheef op de zware, bruine vlechten;

het fijne gezicht was nog rood van het weenen, toch lag er een zacht

beschaamd lachje om den bloeienden mond, dat twee bekoorlijke kuiltjes

nog dieper groefde; de oogen echter staarden, als om antwoord smeekend,

in de zijne en deden hem getroffen achteruit wijken. Waar had hij

ooit zulke oogen gezien? Zij zagen hem zoo smartvol aan, als zochten

zij een verloren geluk.--Bijna ontstuimig trok hij haar tot zich,

en blikte diep in de droeve sterren, die steeds schitterender werden--

De wagen was weggereden, en Doortje liep haastig uit den storm naar

binnen. Het was duister om die beide jonge lieden daar buiten; weder

wilde hij spreken, en weder sloten zich zijne lippen. "Zij zou u toch

niet gelooven," sprak hij bij zich zelven.

En zij waagde het niet, het hem nog eens te vragen, toen hij hare

handen langzaam losliet. "Hij wil niet liegen," dacht zij en trad

over den ouden drempel; "hij wil niets beloven, wat hij niet kan

volbrengen--hij bemint mij immers niet." En het licht in de stralende

oogen verdoofde weder, en zij drukte de beide handen op het hart. "Ach

hij bemint mij immers niet!"

Zeventiende Hoofdstuk.

"En gij zegt, Hendrik, mijne grootmoeder heeft die beiden te zamen

gezien?"

"Francis heeft het mij in vertrouwen verteld, heer luitenant, den

avond vóór haar verdwijnen."

De jonge officier zat in een der groote leunstoelen in zijn kamer en

zag onderzoekend en met kennelijke belangstelling den ouden man aan,

die in eerbiedige houding dicht bij hem stond en in wiens trekken

een lichte verlegenheid zichtbaar was. Army had hem nog laat in

den avond laten roepen; hij wilde weten, welke beweegredenen zijne

grootmoeder had, en waarin de haat wortelde, die zich ook heden

weder geopenbaard had in de minachtende bejegening zijner bruid;

uit een onpartijdigen mond wilde hij hooren, waarop de toespelingen

zijns aanstaanden schoonvaders doelden. Hij had besloten, het met

Hendrik te beproeven, en de oude man was inderdaad op zijne vragen

aarzelend en verlegen begonnen te verhalen van baron Frits, die de

schoone Lisette daar beneden in den molen zoo lief had gehad.

"In dien tijd," voer de oude voort, "kwam baron Frits op een avond

zoo recht vroolijk aanrijden; ik nam hem zijn overjas af, want het

was koud, deed toen het torenkamertje open en maakte vuur in den

haard aan--"

"Het torenkamertje?" viel de jonge officier den verhaler driftig in

de rede.

"Ja, heer luitenant. Baron Frits woonde daar altijd; ik weet ook wel

waarom; hij kon van daar het venster zijner liefste zien--ik maakte

dan vuur aan, haalde hem een flesch madera en hielp hem van kleederen

verwisselen. Hij vroeg naar alles, wat er was voorgevallen, of zijn

broeder reeds weder te huis was; ik antwoordde hem op alles, en zei

dat de meester binnen drie dagen terug werd verwacht; en daarop, hoe

Mevrouw zijne moeder het maakte, benevens zijne schoonzuster en al

zoo wat meer; ondertusschen zocht hij aanhoudend in de schuifladen

van zijn schrijftafel, en vroeg eindelijk angstig: "Hendrik, hebt

gij hier opgeruimd, toen ik onlangs zoo haastig ben vertrokken?"

"Ja, zeker, mijnheer de baron," zeide ik.

"Hebt gij niet een klein gouden hart gevonden?"

"Neen," en hij ging voort met zoeken, en ik zocht mede, maar er werd

niets gevonden; eindelijk hield hij op, maar zag zeer treurig. "Weet

gij, Hendrik!" sprak hij toen, "dat is een groot verlies voor mij;

vijftig daalders geef ik u, als gij mij het hart terug bezorgt; toen

nam hij hoed en stok, want hij droeg altijd burgerkleeding als hij

hier was, en zeide, dat hij nog eene wandeling in het park ging doen,

vóór hij zijne opwachting bij de dames wilde maken; maar ik wist wel,

waar hij heen wilde."

"Mij spookten de vijftig daalders in het hoofd, heer luitenant,

en dus begon ik weder te zoeken, en te zoeken, maar ik vond niets;

daarop nam ik het licht en ging in de aangrenzende slaapkamer, waar

ik nauwelijks binnen was, of ik verbeeldde mij, dat ik de deur heel,

heel zachtjes hoorde openen, en toen ik haastig de woonkamer weder

binnentrad, deinsde ik terug, want daar stond Sanna, die, mij ziende,

van schrik neerviel."

"Weet gij, heer luitenant, ik ben nu oud en kalm geworden, maar

toen kon ik het magere vrouwspersoon, met de koude, grauwe oogen,

het zwarte haar, en de gele kleur niet uitstaan; het was altijd een

valsch schepsel, en daarom stoof ik in drie duivelsnaam op haar toe,

en vroeg, wat zij hier te zoeken had. "De genadige vrouw wil weten,

wanneer baron Frits terugkomt?" Zij noemde mij toen altijd Enrico,

want zij was trotsch op haar Italiaansche afkomst. "Waar is mijnheer

de baron?" vroeg zij nog eens. "Loop naar de koekoek!" riep ik,

"en spioneer hier niet. Ik weet niet, waar hij is;" ik wilde haar

daarmede de deur uitschuiven. "Hoor!" zeide zij, en toen ik luisterde,

hoorden wij beneden in het dorp de doodsklokken luiden; zij begon zich

te bekruisen en een Ave Maria op te zeggen; intusschen schoof ik haar

evenwel naar buiten: "Maak dat maar buiten af! Verstaat gij?" Toen

keerde zij zich bij de deur om, en sprak:

"Weet gij, Enrico, wie er gestorven is? Lompenmolenaars Lisette

is het."

Lompenmolenaars Lisette! Ik beefde van schrik; heilige vader, wat zal

baron Frits zeggen? was mijne eerste gedachte; hij ging zoo vroolijk,

zoo gelukkig naar haar toe en nu dood, dat lieve, jonge wezen! Het was

een prachtstuk, heer, als men dat meisje zag; of men nu lompenmolenaars

Liesje, ik wil zeggen: de bruid van mijnheer den baron aanziet of

hare oudtante Lisette, is precies hetzelfde; Liesje is als uit haar

gezicht gesneden. Terwijl ik daar zoo stond, stak er een storm op,

dat de boomen bogen, de oude muren kraakten, en men allerlei geluiden

hoorde. Baron Frits kwam niet en kwam niet, en onderwijl werd het

weder al erger en erger het scheen alsof de orkaan den toren wilde

omverrukken; het oog kon in de duisternis geen voorwerp onderscheiden,

hoe ik mij ook inspande en het gezicht tegen het venster drukte. De

klok van het slot had reeds tien geslagen, en nog keerde hij niet

terug. Heer, het was een vreeselijke nacht! Op eens vloog de deur

open, en toen ik mij omkeerde, vielen mijn ontstelde oogen op baron

Frits--hij stond reeds midden in de kamer, en voor zijne voeten lag

bleek en bevend de dolle Francis, die de handen angstig smeekend tot

hem opgeheven hield.

"Verzoek mijne schoonzuster, Hendrik," sprak hij met toonlooze

stem, "of zij zich de moeite wil geven, een oogenblik hier te

komen!" Ik vloog naar de deur, heer luitenant; ik wist, er moest

iets verschrikkelijks gebeurd zijn, toen ik de verslagen houding van

het meisje zag, en juist toen ik de deur openrukte, stond mevrouw

de barones--uwe grootmoeder--buiten en wilde naar binnen gaan. Zij

deinsde terug, toen zij haar zwager zag; een oogenblik voer een hevige

schrik haar door de leden. Zij verborg schielijk iets in den zak van

haar kleed en trad toen schijnbaar kalm het vertrek binnen.

Heer luitenant, een schoonere vrouw dan zij, was er niet; zooals zij

daar stond in het lange, witte nachtgewaad, de zwarte lokken half

losgemaakt en met haar groote, donkere oogen in het bleeke gelaat,

als een engel der onschuld, tegenover het arme, kermende schepsel op

den vloer.

"Mio caro amico," riep zij den baron toe, "wat beteekent dat?" en

wees verwondert met de hand naar Francis.

"Kom binnen, schoonzuster!" antwoordde hij ruw. "Ga, Hendrik, en sluit

de deur!"--Toen eerst keerde hij zijn gelaat naar mij toe--mijnheer;

ik was toen een ruwe, wilde borst--maar ik heb gesidderd, zoo zag hij

er uit. De oogen schenen weggezonken; het jonge, bloeiende gelaat was

oud en vervallen van waanzinnige smart, en de mond beefde van hevigen

toorn. Van mijn leven vergeet ik dat gezicht niet, noch den doodsangst,

dien ik gevoelde, toen ik de deur achter de barones sloot; de tanden

klapperden mij van ontsteltenis, en als vastgenageld bleef ik in de

gang staan. Sanna sloop ook naderbij, en zoo stonden wij beiden en

waagden het nauwelijks adem te halen. Eerst was het onverstaanbaar,

wat zij daarbinnen spraken; men hoorde slechts de zachte stem der

barones en het snikken van Francis; toen echter vernamen wij de met

een donderende stem uitgesproken woorden van baron Frits duidelijk;

moordenares noemde hij de barones en vervloekte haar en haar huis;

ik stond stom en stijf, toen de deur plotseling openvloog, de barones

naar buiten stormde, en als een gejaagd ree de gang langs en de

trappen afvloog; verschrikkelijk zag zij er uit, en daar beneden

sloeg zij, als naar een steun reikende, de armen om den pilaar en

gleed bewusteloos ter aarde; ik zie haar nog voor mij, de witte,

ineengezonkene gedaante, en hoe Sanna haar schreiend volgde en

op hare armen wegdroeg. Op hetzelfde oogenblik werd Francis naar

buiten gestooten, en stond de baron in de deur: "Mijn paard!" beval

hij met heesche stem, en terwijl ik naar beneden ijlde liep Francis

het portaal door in donker en stormweer naar buiten. Ik bracht den

baron zijn paard voor; hij wrong er zich op met zijn bleek, ontdaan

gezicht--het arme dier, het steigerde hoog op, zoo drukte hij het de

sporen in de zijden, en weg vloog hij, zoodat ik meende er moest een

ongeluk geschieden. Toen kwam hij op eens terug; ik stond nog in wind

en weder op de trappen van het bordes en luisterde naar het naderbij

komende paardengetrappel. Hij wierp mij een geldstuk toe.

"Hoor eens, Hendrik," zeide hij, "ga gij naar mijn oude moeder en

zeg haar voor mij vaarwel; mij ziet zij nimmer weer--" Het laatste

verstond ik nauwelijks; de wind verwaaide het, òf zijne stem werd

door snikken verbroken, ik weet het niet; hij gaf mij de hand, toen

was hij weg, en is nooit teruggekomen.

Francis zag ik echter nog eens; zij lag daar boven onder de oude boomen

op de knieën, en toen zij hem in den duisteren nacht zag wegrijden,

gaf zij zulk een hartverscheurenden gil, dat ik er heen liep. Dáár,

mijnheer, daar vond ik een arm ongelukkig schepsel, dat van berouw

en smart verging; toen bemerkte ik, dat zij niet zoo slecht was;

ik troostte haar in haar ellende--nu, toen heeft zij mij verhaald,

dat baron Frits en de schoone Lisette gescheiden moesten worden--dat

zij gestorven was, omdat men haar had doen gelooven, dat hij haar

ontrouw was en--dat is alles wat ik weet."

"Meent gij, Hendrik, dat mijne grootmoeder werkelijk--"

De stem van den jongen man klonk dof.

"O, mijnheer, mij voegt het niet iets slechts van mijne meesters te

gelooven; ik heb immers geen bewijs er voor, dat baron Frits reden

had tot zulk een vreeselijke vervloeking; maar dit weet ik zeker, dat

hij met de barones sedert eenigen tijd niet op een goeden voet stond,

omdat--och, hij had zich eens in hare zaken gemengd; daarbij was zij

gruwelijk trotsch; zij had voor geen geld ter wereld lompenmolenaars

Lisette als schoonzuster erkend; en daarom--mijnheer de luitenant--neem

het mij niet kwalijk! ik durf het u immers wel zeggen, ik heb u in

den wieg zien liggen en tot een jonkman zien opgroeien. Duidt het

mij niet euvel--Liesje--"

"Is mijne bruid, Hendrik--"

"Ik weet het, en heb mij verblijd, toen ik u beiden zag, zooals ik

nooit geloofd had, mij ooit weer te zullen verheugen--ach, mijnheer,

houdt uwe bruid in eere, en laat haar niet uit uwe oogen gaan! Men

kan angstig worden voor zulk een jong wezen, hier boven in het slot;

vergeef mij, heer baron! Mijn hart drong mij, u dit te zeggen; zij

gelijkt zooveel op Lisette, vooral dezelfde oogen, even zoo blauw,

diep en helder, en dezelfde uitdrukking er in. Zulke oogen vergeet

men niet. God geve haar enkel vreugdetranen!"

De stem van den oude was ontroerd toen hij weg ging, en het "goeden

nacht" klonk zeer onduidelijk in Army's ooren; hij lette er ook

niet op--voor zijn geest stonden zij ook, die blauwe kinderoogen,

maar zoo smartelijk, zoo bang, en onuitsprekelijk droevig, als hij

ze dezen avond gezien had.

"Dezelfde oogen," herhaalde hij halfluid, "dezelfde uitdrukking!" en

hij zag naar de beeltenis der schoone Agnese Mathilde. Het licht was

diep neergebrand; het flikkerde slechts nu en dan flauw op, en het

roode, volle haar was bijna onzichtbaar in het matte schijnsel; de

twee donkere, droevige oogen echter staarden uit het bleeke gelaat

onafgewend op den jongen man, zoo smartvol, zoo bang, als zochten

zij een verloren geluk. Dat waren de oogen, waaraan hij gedacht had

bij het uitstijgen uit den wagen--de oogen der schoone Agnese Mathilde!

Achttiende Hoofdstuk.

Den volgenden morgen ging Army naar den molen; zijn aanstaande

schoonvader wenschte een onderhoud met hem. Liesje zag hij niet; tante,

die uit de keuken kwam, en de kamerdeur voor hem opende, antwoordde

op zijne vragen, dat het jonge meisje nog sliep; een weinig rust zou

wel noodig zijn en goeddoen, als men den geheelen nacht geweend had.

Een donkere schaduw lag op zijn gelaat, toen hij de kamer zijns

schoonvaders binnentrad; hij had verlangd Liesje te zien, na den

vorigen avond, en de gedachte, dat zij den ganschen nacht geweend had,

lag hem zwaar op het hart. Hij moest eenige oogenblikken wachten. De

heer Erving was boven in het kantoor; onwillekeurig sloeg hij zijne

blikken in het rond; het was een gezellig vertrek, met donkere

tapijten, groene meubels en gordijnen; op een groote schrijftafel

stond een portret; het was eene photographie van Liesje uit hare

kinderjaren; het lieve gezichtje zag er recht schalksch uit. Hij hield

de beeltenis omhoog, om het beter te zien, en had het nog in de hand,

toen de heer Erving binnentrad.

Op het gelaat van den statigen man lag eene uitdrukking, die men er

anders niet op vond, van zorg en spanning; hij had zeker dien nacht

weinig geslapen. "Vergeef mij, dat ik u liet wachten!" begon hij het

gesprek en reikte den jonkman zijn hand. "Ga zitten," vervolgde hij,

"en laat ons dadelijk tot onze zaken overgaan!--Ik zal niet veel

onnoodige woorden gebruiken," ging hij voort en schoof een stoel voor

zich bij de tafel. "Vooreerst denk ik, reizen wij te zamen naar uw

garnizoen, om daar de zaken te regelen; dan dient gij uw ontslag uit

den dienst in--Gij kunt het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit zoo

bepaald verlang! zij is mijn eenig kind"--zijne stem beefde bij deze

woorden--"en ik wil haar ten minste in mijne nabijheid, onder mijne

bescherming houden."

Army boog toestemmend, maar het bloed steeg hem gloeiend heet naar

de wangen.

"Ik verlang niets onredelijks," voer de andere voort; "gij weet,

dat mijne familie in vroegere jaren van de uwe een aanzienlijk deel

der omliggende landerijen gekocht heeft. Nu is Liesje ons eenig kind,

en ik heb met mijne vrouw overlegd, dat het het beste zou zijn, dat

gij weder werdt, wat uwe voorouders waren, heer van Derenberg. Ik heb

heden morgen vroeg reeds aan Hellwig geschreven, hoe de zaken staan,

en hem tot eene samenkomst te S. uitgenoodigd, hoofdzakelijk met het

doel, om te beproeven, hoeveel wij van de landerijen van uw erfgoed,

die bovendien niet in goede handen zijn, weder machtig kunnen worden,

om ze dan weder tot één geheel te vereenigen; zooals wij hopen,

zal het met het meerendeel gelukken. Van u verwacht ik daarvoor,

dat gij u---" hij hield plotseling op, trad naar de schrijftafel en

zocht tusschen zijne papieren.

"Ik heb niet lichtvaardig mijne toestemming gegeven," wendde hij zich

weder tot den jongen man, en zijne stem klonk week en zacht, "want ik

vrees, dat mijne dochter vele vernederingen tegemoet gaat; maar zij

wilde niet anders.--Ik ken u eigenlijk alleen uit uw jeugd, want als

jongeling hebt gij mijn huis niet weer betreden, maar het weinige,

dat ik van u weet, is niet van dien aard, om u onvoorwaardelijk mijn

vertrouwen te schenken. Gij hebt tot nu toe getrouw de voetstappen uwer

grootmoeder gevolgd, die in menschen van mijn stand zeer ondergeschikte

wezens ziet; uwe voorouders--ik weet het--dachten anders. Ik heb u

thans het liefste gegeven, dat wij, mijne ziekelijke vrouw en ik,

op de gansche wereld bezitten, en daarvoor eisch ik, dat gij mijn

kind zult beschermen en in eere houden; ik wil niet, dat zij door

uwe grootmoeder zóó behandeld zal worden als uwe ongelukkige moeder;

deze belofte kan ik van u verlangen, en gij zult mij die nu geven;

zoodra ik tranen in het oog mijns kinds zie, stel ik u daarvoor

verantwoordelijk. Kunt gij mij beloven alles te doen, om mijn kind

voor den hoogmoed dier vrouw te behoeden?"

Hij hield hem de hand toe. Het liefst was Army den man om den hals

gevallen; Derenberg zou hem weder toebehooren, zijn schoonste droom

verwezenlijkt worden! En toch lag er een drukkende last op zijne

blijdschap.

"Het zal Liesje nimmer berouwen, dat zij mij van een donkere toekomst

redde," antwoordde hij, toen zijne hand in die van Erving lag;

"ik zal weten haar te beschermen in ieder opzicht--ook voor mijne

grootmoeder; ik moet dadelijk naar haar toe."

Een snelle, onderzoekende blik van Erving gleed over het gelaat

van den jongen man vóór hem; hij scheen kalm, alleen zijne oogen

fonkelden. "Laat u niet door drift vervoeren!" vermaande de oudere man,

en lag de hand op Army's schouder, "zij is en blijft de moeder uws

vaders en den ouderdom moet men eeren. Ik verlang niets anders, dan dat

zij mijn kind geen kwaad doet, voor 't overige mag zij handelen, zooals

zij wil. Dus bedaard, Army, hoort gij wel? Zij is een oude vrouw."

Het was de eerste maal, dat hij den jongen officier bij zijn voornaam

aansprak. Diep geroerd zag deze tot hem op; dàt was de man, van wien

hij eenmaal in dwazen trots gezegd had, dat hij niet onder zijn dak

kon verkeeren, en nu zorgde hij voor hem als een vader! Hem dankte

hij nu alles, alles, zijn geheele toekomst.

"Ga nu, Army!" vermaande hij, toen deze zijn hand greep en zwijgend

drukte, "en heden namiddag vertrekken wij. Ga--en nog eens--bedaard!"

Hij ging als in een droom; boven aan het einde der allée dook reeds

het slot op en het prachtige met wapens getooide bordes. Één oogenblik

rustte zijn blik daarop; hij gevoelde zich heden zoo nietig, zoo

ellendig. Hij richtte het hoofd op, en een trek van vastberadenheid

lag op zijn gelaat, toen hij de trap opging, die naar de kamer zijner

grootmoeder voerde. Daar kwam Nelly hem tegemoet loopen; hare oogen

schitterden als zonneschijn.

"Hoe maakt het Liesje, Army?" vroeg zij, en sloeg de beide armen om

zijn hals. Hij zag haar in het lachende, gelaat.

"Wilt gij mij een genoegen doen, kleine?" vroeg hij, en streek haar

de lokken van het voorhoofd. Zij knikte haastig.

"Ga dan naar haar toe--ja? Maar spoedig, aanstonds, en zeg haar dat

ik haar laat groeten, en zij niet meer moet weenen; ik laat haar dit

dringend verzoeken--hoort gij?" Hij maakte driftig hare handen los

en keerde zich om; toen hij een verbaasde, vragende uitdrukking op

haar gelaat las, riep hij haar toe: "Ga toch spoedig, en blijf wat

bij haar. Ik moet nu met grootmama spreken."

In de gang sloop Sanna hem voorbij, haar groet was eenigszins snibbig.

"Kan ik grootmama nu spreken?" vroeg hij.

"Ik was reeds tweemaal in uw kamer, heer baron," antwoordde zij,

"mevrouw uwe grootmama wacht met ongeduld."

Hij ging haar schielijk voorbij en trad binnen. De oude dame zat op

hare gewone plaats bij den haard: zij knikte vluchtig met het hoofd

en wees op een stoel. "Gij hebt mij lang laten wachten," sprak zij.

"Ik had een noodzakelijk onderhoud met mijn aanstaanden schoonvader,"

antwoordde hij, plaats nemende, "hij was zoo goed, mij de plannen

voor onze toekomst mede te doelen."

"De proef is dus toch gelukt?" vroeg zij, zijn eigene woorden

gebruikende. "Nu, in ieder geval hebt gij nog geene ringen gewisseld;

er kan dus nog over de zaak gesproken worden." Hij maakte een

ongeduldige beweging. "Gij veroorlooft toch, dat ik nog een paar

woorden spreek?" vroeg zij.

Army maakte een lichte buiging en plotseling viel zijn oog op een

brief, dien de tengere vingers zijner grootmoeder vasthielden; hij

kende dat stevige, roomkleurige papier, en op eens vloog het bloed

hem gloeiend heet naar het hart.

"Vooreerst," begon de oude dame en nam van het nevens haar staand

tafeltje een tweeden brief, "is hier een zeer minzaam schrijven

van den hertog; hij wenscht uwe omstandigheden te leeren kennen,

en belooft mij, in ieder opzicht uwe belangen te zullen bevorderen;

dat is eene belofte, waarvan gij den omvang, naar ik hoop, op prijs

zult weten te stellen; uwe plaats als officier is verzekerd, uwe

carrière buiten allen twijfel." Zij zag hem uitvorschend aan. "Mijn

raad is deze, gij maakt een einde aan die belachelijke comedie daar

beneden in den molen en vertrekt dadelijk naar S."

"Grootmama," antwoordde hij bedaard, "dat kan u onmogelijk ernst zijn."

"Dat is het--in waarheid," verzekerde zij, "gij hebt hals over kop de

laagste betrekkingen aangeknoopt, en ik wil u daarvoor andere geven,

meer overeenkomstig uwen stand."

"Meer overeenkomstig mijn stand?" vroeg hij, "dat zal bezwaarlijk zijn;

de betrekkingen, die ik aanvaard, zijn de beste die er zijn."

"Misschien compagnon van mijnheer uw schoonvader--lompenmolenaar

numero twee! nietwaar?"

"Ik bid u, grootmama, laat ons van dat onderwerp afstappen! Ik zal

nimmer mijn woord terugnemen, zelfs niet, wanneer uw voorstel mij kon

verleiden--zoo veel te minder echter, nu ik geen lust gevoel terug

te treden."

"Dan verlaat _ik_ het huis!" riep zij toornig, "nog voordat uwe vrouw

er den voet inzet."

"Dat zou mij spijten, grootmama. Gij kunt met een weinig

vriendelijkheid zooveel goed maken; trouwens wanneer gij--"

"Het is toch beter, dat ik ga, meent gij?" vroeg zij. "Goed, Army,

dat wil ik ook, ziehier, _dit_ is een uitkomst."

Zij hield hem het roomkleurige briefje onder de oogen; hij herkende

de sierlijke hand zijner trouwelooze bruid; onwillekeurig trad hij

terug. "Blanka?" vroeg hij toonloos; "schrijft zij u?"

"Weet gij, wat zij mij schrijft? Zij verzoekt mij, haar op eene

reis naar Italië te begeleiden, omdat de overste door dienstplichten

verhinderd wordt, mede te gaan. Het liefste zou ik haar dit vod met

de vleiendste woorden in het aangezicht smijten, maar onder deze

omstandigheden is er geen anderen uitweg; ik neem haar aanbod aan."

"Gij wilt--gij kunt dat? Kunt gij tot haar gaan, die mij bedrogen

heeft, grootmama?" vroeg de jonge man en greep hare hand.

"Mij blijft niets anders over; ik wil met die lieden daar beneden

geene gemeenschap hebben; ik wil het niet, en ik doe het niet,"

hield zij vol.

"Dan is het zeker beter dat gij gaat," sprak hij zacht en keerde

zich om.

"Dat is dan de dank voor al mijne liefde! Dat is de vervulling

aller verwachtingen, die ik op u gebouwd heb!" bracht zij

uit. "Incredibile! Als ik mij u voorstel, daar beneden in het

kantoor op den stoel uws schoonvaders!" vervolgde zij in één adem,

"schrijvende, of de boeken houdende, gij, die het vooruitzicht op

een schitterende loopbaan zoo onzinnig verwerpt!"

"Ik had tevreden moeten zijn, zoo mijn schoonvader mij den kantoorstoel

had aangewezen, maar hij heeft het beter met mij gemaakt; Liesje

brengt als bruidschat onze oude familiegoederen mede, ik zal weder

heer op Derenberg wezen."

Hij had langzaam gesproken en op ieder woord gedrukt.

Zij keerde zich met één ruk om; haar groote oogen zagen hem verbaasd

aan, als geloofde zij zijne woorden niet. "Duur genoeg betaald!" bracht

zij met moeite uit.

"Hoe zoo?"

"Omdat gij voor uw leven aan eene vrouw geketend zult zijn, die uws

gelijken met den nek zal aanzien, en eindelijk, die gij niet liefhebt,

niet kunt liefhebben!"

"Wie zegt u dat?" vroeg hij, en een fijn lachje speelde om zijn mond,

"zou het laatste zoo onmogelijk zijn? Mij dacht, gij weet het tegendeel

uit ondervinding. Denk slechts aan mijn gestorven oudoom Frits en de

schoone Lisette!--"

De oude dame antwoordde niet; met een driftig gebaar ging zij weder

in den leunstoel zitten, en hare vingers verkreukelden Blanka's brief;

maar haar gelaat was wit geworden, zoo wit, als de strooken harer muts.

"Mijn zwager heeft er nimmer aan gedacht, dat meisje te trouwen," sprak

zij eindelijk, "daarin moet ik hem verdedigen; het was een minnarij,

zooals heeren die bij dozijnen plegen te hebben; de bekendheid met

deze geschiedenis moest u juist van de onzinnige gedachte terughouden,

een meisje uit dat huis tot uwe vrouw te maken!"

"O, toch niet, integendeel! Als iets mij nog in mijn besluit konde

versterken, dan zou het dit zijn, dat ik daarmede een gedeelte

van hetgeen zinnelooze hoogmoed en onedele wraak eens misdeden,

vergoeden zou."

"Deze duistere toespelingen zijn mij geheel onbegrijpelijk," viel zij

hem in de rede, en stond driftig op; "de broeder uws grootvaders was

een mensch, die geene zelfbeheersching bezat, die een los, lichtzinnig

leven leidde--hij is gestorven, God weet waar? Hij was een huichelaar,

die zijn lichtzinnige gedachten, onder het masker van een rechtschapen,

achtenswaardig uiterlijk, voortreffelijk wist te verbergen; het spijt

mij, dat gij u eene legende op den mouw hebt laten spellen, waarin

deze zedeprekende huzaren-officier met die Lisette de rol van heilige

vervult.--Maar juist daarom, wijl reeds eenmaal zulke onpassende

betrekkingen aangeknoopt werden tusschen ons en hen daar beneden,

betrekkingen die--Gode zij dank!--door een verstandige bemoeiing

verbroken werden, juist dáárom, herhaal ik u, zal ik nooit of nimmer

het meisje als uwe bruid beschouwen, nooit of nimmer haar mijne hand

reiken; en volhardt gij bij uw voornemen--goed, dan ga ik--ik weet nu

waarheen--" zij hief Blanka's brief omhoog; "en hoewel het mij zwaar

valt, dezen stap te doen bij haar, die u bedroog, ik verkies dit

boven het vooruitzicht met deze persoon in hetzelfde huis te leven."

Haar lippen beefden, en haar oogen fonkelden van toorn.

"Goed, ga dan, grootmama! Het doet mij leed, dat de zaken zoo

loopen. Maar gij zoudt het volste recht hebben te zeggen, dat ik geen

man ben, slechts een verwijfde droomer, wien het weinigje ongeluk de

armen verlamd heeft--wanneer ik mijn besluit veranderde; als man van

eer _kan_ ik het niet; ik _wil_ het niet, omdat ik niet zoo dwaas

zijn zal, een gansche gelukkige toekomst van mij te werpen."

"Gijzelf beveelt mij dus te gaan?" vroeg de oude dame ademloos.

"O neen, grootmama; het liefste zag ik, dat gij in mijn huis uw

verder leven vreedzaam doorbracht, maar daar gij mij de keuze laat:

gij of zij--zeg ik van ganscher harte: "mijne bruid!""

Hij had luid gesproken, en zijne woorden klonken oprecht gemeend.

"Goed," antwoordde zij, "ik ga; en wanneer gij ook op uwe knieën voor

mij laagt, en gij allen te zamen mij handenwringend smeektet om te

blijven, ik zou toch gaan. Het is schandelijk; het is ongehoord--"

zij trok met bevende haast aan de scheldkoord en begon onderscheiden

laadjes van haar schrijftafel open te trekken: brieven, kistje,

kleine doosjes vlogen er verward door elkander uit.

"Mijne reiskoffers," beval zij der binnentredende Sanna: "pak uw goed

ook. Wij vertrekken."

Op dit oogenblik vloog een klein, blinkend voorwerp over het tapijt

en bleef voor Army's voeten liggen; hij nam het op en beschouwde

het--het was een klein gouden hart, bekrast en dof, waarop de letters

L. E. waren gegraveerd. Hij staarde er langen tijd op; het was hem

onmogelijk een woord te spreken; hij ging naar haar toe, en hield

haar het kleine, gouden hartje voor. Zij vestigde haar oogen er op;

toen greep zij opeens het blad van de tafel, om zich vast te houden;

het rood week uit hare wangen, en een vale bleekheid verspreidde

zich over haar gelaat. Geen geluid verbrak de stilte; alleen de

kleine beeldjes op de schrijftafel stootten zacht tegen elkander,

zóó zwaar leunde de bevende barones er op.

"Ik heb geen recht, u verwijten te doen," sprak hij ten laatste,

en trok de hand, die het kleine voorwerp vasthield, terug. "Gij

zijt de moeder mijns vaders, en--het zou ook nutteloos zijn. Maar ik

zal dubbele moeite doen, aan mijne bruid te vergoeden, wat gij eens

misdaan hebt aan een jong, beminnelijk schepsel; God geve, dat het

mij moge gelukken!" Hij keerde zich om en wilde heengaan.

Daar trad Sanna hem in den weg.

"Wat wilt gij van mijne meesteres?" riep zij, "ik heb het gouden

amulet den baron Frits ontnomen; ik alleen deed het. Mijne signora is

onschuldig. Jaag mij weg, mijnheer, maar ontneem haar niet haar tehuis,

de eenige plaats, waar zij haar hoofd kan nederleggen!" De oude meid

was op den vloer gegleden en strekte smeekend de handen naar hem uit;

in hare koude, grauwe oogen blonk een traan.

"Ik zend uwe gebiedster niet weg," zeide Army, geroerd door de trouw

van het oude, hardvochtige schepsel, "integendeel,--"

"Sta op!" beval de barones toornig, "en doe, wat ik u bevolen heb--geen

woord meer. Ik vertrek nog heden!"

"Misericordia!" snikte de oude in haar doodsangst, en greep de

plooien van het zwarte kleed harer meesteres; "laat mij medegaan,

signora Eleonora! Ik sterf zonder u."

Hij zag droevig naar de gebiedende gestalte, die daar midden in

het vertrek stond, het hoofd trotsch in den nek geworpen; scherp

en vijandig blikten de zwarte oogen hem aan, als stond een vreemde

bedelaar voor haar, dien zij de deur wilde wijzen. Hij had haar altijd

zoo liefgehad, zoo bewonderd, zijne schoone grootmoeder; zelfs thans,

nu de nimbus, met welke zijn hart haar eens omgaf, geweken was,

zelfs nu zegepraalde deze liefde; hij vergat haar heerschzucht, hare

hardheid; hij zag slechts de trotsche, bevelende vrouw, die hem eenmaal

met afgodische teederheid opvoedde. "Grootmama!" smeekte hij, en trad

eene schrede nader, "laat vergeten zijn, wat eens gebeurd is! Ik geef

u de hand er op, niets zal u hier aan het verleden herinneren--"

"Ga!" sprak zij kortaf, en wenkte hem met de hand op hare bevallige

manier ten afscheidsgroet; "ga! Ik wil alleen zijn; ik heb nog veel

te regelen."

Hij trad op haar toe. "Vaarwel!" zeide hij, "en zoo gij ooit heimwee

gevoelt, kom dan! Gij zult--"

"Adieu!" viel zij hem in de rede, en onttrok hem de hand, die hij

aan zijne lippen wilde brengen. "Gij hebt gekozen." Zij keerde hem

den rug toe.

"O, de vloek! de vloek! O, mio dio!" snikte de oude dienstmaagd,

die nog altijd handenwringend op den vloer geknield lag.

"Gekken!" hoorde hij zijne grootmoeder zeggen; toen viel de deur

tusschen hem en haar in het slot.

Negentiende Hoofdstuk.

De laatste dag van het oude jaar, heeft hij niet iets plechtig

weemoedigs? Het is het gevoel van scheiden, dat het menschenhart

vervult, en een angstig terugdenken en vragen: wat gaf ons het oude

jaar, hoeveel ontnam het ons, en wat zal het nieuwe brengen? Vreugde

of smart, geluk of zwaar verlies?

Er is een tijd, waarin men zulke vragen nog niet doet, een tijd, in

welken men gelooft dat de toekomst met ieder dag schooner moet worden,

waarin de tuin onzer droomen trotsche bloesems in overvloed draagt,

en men in zalig ongeduld op het opengaan der bloeiknoppen wacht,

om zich in een waarlijk fabelachtige bloemenpracht te bedwelmen;

maar de tijd snelt heen, knop bij knop valt verdord ter aarde;

slechts enkele bloeien eenzaam en beven, dat ook haar de ruwe hand

zal vernielen, die hare zusters trof. En die eens zulke bloesems zag

vallen, staat met een treurig, vragend hart aan den ingang van een

nieuw jaar, vouwt bezorgd de handen, en vraagt onwillekeurig: wat zal

de toekomst mij brengen? Zullen de bloesems mijner hoop verwelken of

bloeien? Het is treurig, als jonge harten deze vragen reeds moeten

doen, wanneer één vorst in de lente al deze zonnige geluk-belovende

bloesempracht verstoort.

Het was des namiddags tegen vier uur, toen de onrust Liesje naar het

slot dreef; sedert vier dagen was Army reeds weg met haar vader en zij

had nog geen tijding van hem ontvangen. En heden was het oudejaar,

een dag, die vroeger lieve gasten in huis bracht--maar heden? Vader

niet tehuis, moeder zoo stil, tante treurig, oom en tante in de

pastorie in diepe droefheid over hun lieveling. En zij?

Zij ging weder de allée door naar het slot; zij wilde vragen, of

zijne moeder of Nelly misschien tijding van hem hadden? De brief

haars vaders was zoo kort geweest; alles was gebleken veel verwarder

te zijn, dan hij gedacht had, schreef hij; wanneer hij terugkwam,

was nog onbepaald--geen woord voor haar over Army!

Zij moest heden iets van hem hooren.--Zij zag onder het gaan door

de kale takken der boomen en de allée naar het bordes, dat juist

te voorschijn kwam. Aan den hemel hingen zware, grauwe wolken, en

een onaangename, zoele lucht kwam haar tegemoet; bij de spaarzame

verlichting zag het oude slot er recht somber uit; zoo ledig, zoo

verlaten, een waar ongeluksnest, zooals tante zeide. Hoevele jaren

zijn gekomen en heengevaren over deze oude daken, en hoevele zullen

nog komen en gaan, en wat zullen zij brengen? Wat men eens verloren

heeft, keert niet weder, en zij, zij had zoo oneindig veel verloren,

den ganschen wondervollen lentetijd der liefde; van al de schitterende

bloeiknoppen waren alleen de doornen overgebleven, die zich in

haar gewond hart gedrukt hadden; geen zoet geluk aan de zijde des

geliefden mans, slechts een leven van krachtige zelfverloochening,

een smartelijke lach, maar geene liefde voor haar. En daarom ook

geen brief.

Wat zou hij haar ook schrijven? Zij herinnerde zich, hare moeder

eens gezien te hebben, hoe zij met een gelukkig lachje een pakje

oude brieven opende, die in een kistje zorgvuldig bewaard werden. "De

brieven uws vaders," had zij gezegd, toen het jonge meisje haar vroeg,

"uit den tijd, toen wij nog bruid en bruidegom waren." Welk eene

zaligheid straalde daarbij uit de oogen harer moeder! Liesje drukte

de handen op de borst en ging haastig verder.

Nu trad zij uit de allée en richtte hare schreden naar het voorplein;

een wagen stond voor de zijpoort. "Een wagen, hoe komt hier een

wagen? Zou Army--? Maar neen, dan zou vader immers ook gekomen zijn."

Zij schudde het hoofd, toen zij om het rijtuig heen liep; het was

een jammerlijke oude kast, klaarblijkelijk een rijtuig uit het dorp.

Zij trad het slot binnen en bleef opeens in de gang staan; het

scheen haar toe, alsof zij stemmen en voetstappen hoorde. In de lange

gewelfde gang schemerde het reeds, alleen viel op de breede treden

een flauw schijnsel door de trapvensters, die met het groote portaal

in verbinding stonden; aarzelend ging zij verder.

"Gij hebt het immers niet anders gewild," hoorde zij de eenigszins

barsche stem der oude barones zeggen, "tranen vind ik heusch geheel

onnoodig, Cornelie."

Tegelijkertijd vernam Liesje het ruischen van kleederen en lichte

voetstappen; op de bovenste trede verscheen de oude barones, zich

half omkeerende naar hare schoondochter en Nelly. Zij was in een oude

fluweelen pels gewikkeld en het trotsche gelaat kwam even onbewegelijk

als altijd uit de zwarte kanten sjaal, die zij om het hoofd geslagen

had, te voorschijn.

"Het is bezorgdheid voor u, mamaatje," sprak de jonge barones, "in

dit weder! En gij zijt de ongemakken van het reizen niet meer gewoon."

Reizen? Zij ging op reis? Een oogenblik vervulde een gevoel van

blijdschap Liesje's hart.

"De noodzakelijke gevolgen uwer handelwijze, Cornelie," klonk het

terug, "heb intusschen geen zorg! Nog ben ik niet zoo zwak, dat ik---"

"Het is te haastig opgekomen, mama, te schielijk."

"Te haastig? Ik heb met ongeduld de oogenblikken geteld; het liefst

was ik nog op hetzelfde oogenblik vertrokken."

"Het valt mij onuitsprekelijk zwaar, u zonder verzoening te zien

heengaan."

"Ik meen, de verzoening het meest gezocht te hebben, men wilde

mij echter niet verstaan. Denkt gij, dat het mij licht valt,

heen te gaan? In dit oogenblik gevoel ik al het droevige er van,

welke ellendige tijden ik hier ook beleefd heb. Maar blijven onder

de voorwaarden, die de toekomstige heer van Derenberg mij stelde;

blijven om een leven te leiden, zooals hij mij aanbood, om mijne

grondbeginselen aan zijn nieuwe, zeker niet aristocratische begrippen

ten offer te brengen--dat nooit! Ik ben nog uit de oude school:

_Noblesse oblige!_"

"Zij gaat om mij," fluisterde Liesje.

"Ik geloof dat Army vertrok, in de zekere hoop, u nog weder te vinden,

mama," smeekte hare schoondochter.

De oude dame lachte luidkeels. "_Dio mio!_" riep zij. "Hij weet zeer

goed, dat hij mij hier niet meer vindt, en het is zoo goed; ik wil

hem niet weêr zien. Hij wijst een aanbod af, dat hem een schitterende

loopbaan opent---"

"Ik weet het," viel hare schoondochter in de rede, "de hertog--"

"Geen woord meer!" gebood de barones; zij ging de trappen af.

"Blijf gerust, mevrouw de barones!" zeide een bevende stem, en

Liesje boog zich in de schemering voor haar. "Blijf, het is nog niet

te laat; wanneer het zóó gesteld is, dan geef ik Army de vrijheid

terug; ik wist immers niet, dat er zich nog een middel tot zijne

redding had opgedaan---" Zij zweeg, en greep onwillekeurig naar de

gebeeldhouwde leuning der trap. De donkere gestalte der oude dame

voor haar week verschrikt terug; Nelly echter was met één sprong

naast haars broeders bruid.

"Wat zegt gij daar, Liesje?" vroeg zij, "wat wilt gij doen?"

"Dat hadt gij vroeger moeten bedenken, mijn kind," zeide de oude dame

bits, "nu kon uw beter doorzicht te laat komen."

"Ik heb hem willen redden, hem helpen," antwoordde Liesje bedrukt,

"maar nooit wilde ik zijn geluk in den weg staan.--O, het is zeker

nog niet te laat, mevrouw de barones!" riep zij smeekend, toen de

oude dame, het hoofd op hare trotsche, onnavolgbare wijze in den nek

werpend, haar voorbij ging. "Blijf, tot hij komt, genadige vrouw;

zeg hem, dat hij geenerlei verplichting jegens mij heeft! Ik zelf

maak hem vrij, opdat hij elders het geluk vinde, dat ik hem toch niet

geven kan. Hij heeft mij immers niet lief.--O, blijf, blijf!"

De oude dame schudde de kleine bevende handen niet af, welke haar

mantel vasthielden; zij stond als betooverd en staarde op het schoone

gelaat, dat haar zoo ontsteld aanzag in het schemerachtige, sombere

licht van den verdwijnenden winterdag. Hare trekken bleven onveranderd;

geen spoor van medelijden met het beangstigde kind blonk in de schoone

oogen, geen enkel woord kwam over hare lippen.

Daar klonk een haastige, welbekende voetstap door het portaal, en

in het schemerlicht van de gang verscheen een slanke, mannelijke

gedaante. Het jonge meisje zag hem met brandend droge oogen

tegemoet--kwam hij nog? Zou zij hem hier nog ontmoeten? Moest haar

deze ure dan nog zwaarder gemaakt worden? Als wilde zij niets meer

zien, om sterk te blijven, sloeg zij de handen voor het gezicht.

"Wat gebeurt hier?" klonk haar zijne stem haastig en opgewonden in

't oor, "mijne verloofde weent?"

Zijne verloofde! Wat deed dat woord haar onuitsprekelijk zeer--was

zij toch maar weg van hier, duizend mijlen ver, om deze kwelling

te ontvlieden.

"Zij is verstandiger dan gij," antwoordde de oude dame, "nog ééns

staat gij aan den kruisweg, want zij is bereid terug te treden--"

"Omdat gij het haar aannemelijk gemaakt hebt?" vroeg hij morrend.

"Neen, Army," kwam zijne moeder er tusschen, "Liesje hoorde toevallig,

dat grootmama--"

"Wat hebt gij gehoord, Liesje?" vroeg hij, zijn arm om haar heen

slaande en zich tot haar nederbuigende; wat klonk zijne stem opeens

teeder!

Zij antwoordde niet, maar de tranen rolden haar nu uit de oogen over de

teedere vingers, die nog altijd haar gelaat bedekten. Zij zag niet,

hoe angstig hij haar aanschouwde; zij voelde alleen de brandende

smart, dat zij hem toch nog moest laten gaan, dat zelfs een leven

zonder liefde aan zijne zijde nog een paradijs was bij de ledigheid

die haar wachtte, wanneer zij van hem afzag.

"Liesje," smeekte hij, "kondt gij werkelijk zoo--zoo verstandig zijn,

als grootmoeder zooeven beweerde?"

Zij knikte.

"Ja, ja!" snikte zij, al hare zelfbeheersching verzamelende, "ik wist

immers niet, dat de hertog u helpen wilde, anders--och, anders was

ik nooit hier aangekomen, om--ik geloofde--ik, ik alléén kon u redden."

"Dat kunt gij ook," sprak hij zacht, "gij alleen kunt het, anders

geen mensch op de gansche wijde wereld."

Hij nam haar de handen voor het gezicht weg en zag haar in de

betraande oogen.

"Liesje, als gij wist, hoe ongerust ik over u geweest ben--"

Zij schudde het hoofd.

"Mij zweefden," ging hij voort, "onophoudelijk een paar treurige blauwe

oogen voor den geest, en een lang verleden, droevige geschiedenis

van twee even zulke blauwe oogen, die van kommer en harteleed

gestorven zijn; als ik daaraan dacht, greep ontzetting mij aan,

en mijn angst, mijn voorgevoel was niet ongegrond, bijna was ik te

laat gekomen--nietwaar?"

"Neen, neen Army; het is medelijden van u; gij weet niet, wat gij van

u werpt; een schitterend leven, een grootsche loopbaan--laat mij! Nog

is het niet te laat," smeekte zij.

"Dwaas kind! ik weet zeer goed, wàt ik weiger, ik weet echter ook,

wat ik daarvoor win--het beste, het edelste, het reinste, wat de

wereld bezit."

Het was stil geworden op de oude, gewelfde trap, stil en donker;

beneden reed ratelend een wagen over den straatweg.--De laatste dag

des jaars liep ten einde; wat zal het nieuwe brengen?

Twintigste Hoofdstuk.

De aarde stond in volle lentepracht. Het eerste jonge groen tooide boom

en struik; in Ervings tuin bloeiden narcissen en vlier; de goudenregen

boog zich over de haag, en de met roode bloemen prijkende takken van

den hagedoorn hingen zwaar neder onder al hare bloemenpracht. In het

park echter wiegde de zoele wind de jonge bladeren der lindeboomen, en

kuste ieder grassprietje op de smaragdgroene weilanden, als wilde hij

haar vertellen van nieuwen lust en nieuw leven. En nieuwe lust en nieuw

leven verkondigde ook de waterstraal, die uit het oude zandsteenen

bekken kristalhelder omhoog steeg, om ruischend en fonkelend weder

neer te vallen. Evenals in lang verleden tijd, stond het portaal,

met zijne massieve zware vleugeldeuren, wijd open, als wist het, dat

spoedig, binnen weinige weken, de gelukkige slotheer zijn jonge schoone

vrouw over den ouden drempel van zijn voorvaderlijk huis zou leiden;

van de trappen van het bordes was het groene mostapijt verdwenen,

en de beide oude beren zagen verwonderlijk trotsch uit onder een paar

groote eiken kransen, die een schalksche hand hun op de eerwaardige

hoofden gezet had.

De lange reeks van vensters op het slot waren geopend; slechts voor

enkele hingen zware gordijnen; deze vertrekken hadden geen behoefte aan

de voorjaarszon, want hun bewoonster ontbrak; zij was weg, werkelijk

weg. Geen spier in haar trotsch gelaat had getrild, toen zij op dien

oudejaarsavond in het ellendige rijtuig steeg, dat haar wegvoerde van

de plaats, die jaren lang haar tehuis was geweest. Koud en vluchtig

hadden hare lippen op het voorhoofd van hare schoon- en kleindochter

gerust; zij wist wel, dat daar boven in de schemering haar kleinzoon

zich een geluk had verzekerd, bij welks glans al het andere verbleekte,

en dat hare oogen verblindde--aldus besloot deze eenmaal zoo bewonderde

ster hare rol, en toen zij het oude bordes voorbij reed, balde zij de

fijne handen, terwijl Sanna zich snikkend uit den wagen boog--voorbij,

voorbij! Wat zal háár het komende jaar brengen?

En nu werd de jonge heer iederen dag terug verwacht. Hij was tot aan

de overname van het landgoed op de bezittingen van een vriend geweest,

om zonder tijdverlies zich met zijn werkkring bekend te maken. Daar

boven in het kleine torenkamertje stond Nelly met den ouden Hendrik; de

beide ronde vensters waren eveneens geopend; zij zag met een glimlach

van geluk naar buiten over het park, en hare blikken bleven op de in

't zonnelicht fonkelende ramen van den papiermolen rustten, die als

onder bloesems begraven lag.

"Zie, Hendrik," riep zij, "nu weet ik ook, waarom mijn broeder schreef,

dat wij juist deze kamer voor hem gereed moesten maken."

"O ja, hier is een prachtig uitzicht," zeide de oude, met een

beteekenisvol lachje op het gerimpelde gelaat; mijnheer de baron zal

dit vertrek niet weer willen verlaten, wanneer hij er eens in woont."

"Het is hier ook zoo wonderschoon!" riep Nelly, het kleine, ronde

vertrek beschouwende; "hoe gezellig! en dan het uitzicht!"

Hendrik schoof een paar ouderwetsche stoelen, die bij een klein

sofatafeltje stonden, voor de honderste maal te recht; "en nu nog de

eikenkransen buiten om de deur, genadige freule! Dan kan hij komen;

dan is alles gereed, buiten en binnen; ik had toch niet gedacht,

dat ik _dat_ nog beleven zou," eindigde hij en schudde vroolijk het

grijze hoofd; "het gaat wonderlijk op de wereld, genadige freule! ja

wonderlijk."

Op den molen ging alles uiterlijk den ouden gang, alleen ontbrak

sedert vele weken de huisvrouw; zij was met de zieke Bertha van den

meesterknecht naar Italië vertrokken, maar zou spoedig terugkeeren,

zooals het bericht luidde, gezond en sterk.

Tante echter maakte zich bezorgd over haar lieveling; zij was naar

hare meening een te stille bruid. Halve dagen lang, kon het meisje

peinzend en droomend voor zich heen zien; het liefste zat zij alléén in

haar kamertje en liet tante zich aftobben met de zware rollen linnen,

die zij om te knippen en te naaien uit de oude kasten te voorschijn

haalde. "Het is haar alles onverschillig," mompelde zij bedroefd,

toen hare oogen over deze belangrijke schatten van iedere huishouding

gleden. "Zij stelt geen belang in haar uitzet; het arme kind, zij mist

zooveel; zij weet immers niet hoe het is, als iemand zijn schat zoo

hartelijk liefheeft." Iederen avond echter, sedert dien oudejaarsdag,

vouwden zich de oude handen tot een dankgebed, dat de oude barones

weg was.

Weder daalde een geurige, door de maan beschenen Mei-avond op de aarde

neder, en weder zat de oude vrouw aan het venster van het kamertje,

de handen gevouwen, en peinsde. Buiten ruischte weder het water op

de bekende melodie; de oude klok sprak daartusschen haar eentonig

tiktak en uit den hof klonk het gezang der dienstmeiden.

"Waar is Liesje toch!" vroeg zij bij zich zelve. "Of hij ook geschreven

heeft, wanneer hij komt?" Zij stond op en dribbelde uit de kamer;

de stralen der maan dansten over het goede, oude gezicht en de

sneeuwwitte muts. "Liesje! riep zij in de woonkamer--geen antwoord;

zij keerde terug door de donkere gang, de trappen op. "Zij zal toch

niet schreien?" dacht zij,--zij zag in het gezellige meisjeskamertje

rond, nergens een spoor van de gezochte. Hoofdschuddend keerde zij

zich om en richtte onwillekeurig hare schreden naar een andere deur;

zacht opende zij deze; het maanlicht vervulde de kleine ruimte met

een wit helder schijnsel, en in dit zilveren licht stond onbeweeglijk

de liefelijke gestalte van het meisje, en zag door het venster naar

buiten. Als vastgenageld bleef de oude vrouw staan, en staarde de

zoo goed bekende verschijning aan: was het dan weder de tijd harer

jeugd? Was het Lisette die daar stond?

"Hij komt," jubelde een zachte stem, "hij komt. Ik heb het licht

gezien." En vlug was Liesje de oude vrouw voorbijgeslopen, en toen

als een liefelijke fee verdwenen.

Waarlijk, daarboven flikkerde een licht in het torenkamertje;

de oude vrouw hield zich vast aan het tafeltje bij het raam en

tuurde naar de overzijde; de droom harer jeugd was weer ontwaakt;

"Almachtige God!" zeide zij zacht en sloeg de handen in elkander,

"droom ik dan, droom ik?"

En toen moest zij naar beneden. Met aarzelende schreden verliet zij

het huis; de tuin lag in het heldere maanlicht, een bedwelmende

bloemengeur woei haar tegen; evenals in den lang, lang verleden

tijd harer jeugd wandelde zij verder; de nachtegalen sloegen zoo

vertrouwelijk, en van de overzijde van den weg klonk in bevende

klanken het eentonig gezang der kikvorschen. Nu kwam zij aan het

grindpad voor het priëel--waarlijk, daar binnen werd gefluisterd;

zacht sloop zij naderbij, en boog de takken terug--daar zaten zij

naast elkander op de bank; zij had den arm om zijn hals geslagen,

terwijl zij haar gelaat aan zijne borst verborg, en hij kuste telkens

en telkens. Nu hief zij het hoofd op, en in het heldere maanlicht,

dat haar bestraalde, zag de oude vrouw een paar groote, blauwe oogen,

die met de uitdrukking van het reinste geluk aan zijn gelaat hingen

dat zich over haar heen boog.

Behoedzaam liet zij de takken vallen en trad terug--zij had genoeg

gezien. Zacht, zeer zacht ging zij het pad weder langs, en wischte nu

en dan de oogen af met haar voorschoot. Onder de lindeboomen voor de

huisdeur was het donker; zij zette zich op de zandsteenen bank neder

en zag naar den tuin met gevouwen handen; en hare lippen prevelden

een vurige dankzegging; wat zij nauwelijks had durven hopen, was

waarheid geworden.

Van de overzijde des waters klonk een heldere meisjesstem tusschen al

de melodieën der lente door; een licht gewaad blonk in het maanlicht;

al nader en nader kwam het gezang, en duidelijk klonk ieder woord in

de ooren der oude vrouw:

"Stil naakt de liefde--als Lente doet,

Wen zij 't gebied herovert,--

Terwijl zij rozen, vol van gloed,

Aan dorre twijgen toovert.

Zij wekt de schoonste melodij

In 't hart, dat nog zoo even

Geen enk'le roos, geen schoone Mei

Meer had gehoopt in 't leven.

"Liesje! Army!" riep zij luide in den tuin, toen zij onder de

lindeboomen stond, "waar zijt gij?"

Geen antwoord--alleen de nachtegalen vervolgden hun gezang.

"Laat hen, Nelly," sprak een oude stem naast haar, en eene hand trok

haar op de bank neder, "laat hen de lente genieten! Er waren reeds

zoovele stormen, vóór hunne rozen konden bloeien."

En het maanlicht trilde op de toppen der boomen; het water ruischte,

en "God beware hun de rozen en de lente!" fluisterde de mond der oude

vrouw, "de rozen en de lente!"

J. F. VAN DRUTEN te SNEEK, geeft mede uit:

_Wilhelmina Heimburg_, UIT HET LEVEN MIJNER OUDE VRIENDIN, uit het

Hoogduitsch door Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo,

f 2,80.

_Wilhelmina Heimburg_, HAAR EENIGE BROEDER, uit het Hoogduitsch door

Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo., f 3,00.

_Wilhelmina Heimburg_, WOUDBLOEMEN, uit het Hoogduitsch door Mevrouw

_Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo, f 3,00.

_Wilhelmina Heimburg_, VOORHEEN. Een viertal novellen, met kort

Levensbericht en Portret van de Schrijfster, uit het Hoogduitsch door

Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo f 2,75.

_Wilhelmina Heimburg_, EEN ARM MEISJE, uit het Hoogduitsch door

Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo, f 2,80.

't Is een eenvoudige geschiedenis, maar de kennisneming

ten volle waardig en voor onze huiselijke leeskringen een

welkome aanwinst.

Hier geene onmogelijke of buitensporige karakters of verdachte

toestanden, maar menschen en omstandigheden, zooals men ze in

't leven veelvuldig aantreft en in wier deugden en zwakheden we

ons zelven en onze vrienden herkennen en uit wier geschiedenis

we levenswijsheid kunnen leeren, terwijl de lezing ons een

aangename verpoozing schenkt.

.... Hoe dit alles ten einde loopt en onze heldin ten slotte

het geluk vindt, dat ze zoozeer waardig is, mogen we den

aanstaanden lezer niet verraden. Dat mocht te kort doen aan

het genoegen, dat we hem of haar bij de lezing met volle

vrijmoedigheid durven voorspellen.

_Tijdspiegel._

Dit werk kunnen wij voor leesgezelschappen niet genoeg

aanbevelen; ieder zal met voorliefde dit werk van Wilhelmina

Heimburg ter lezing vragen. De spanning wijkt onder het lezen

geen oogenblik, zonder dat daartoe eenig kunstmiddel behoeft

dienst te doen. De schrijfster weet zóó aardig te vertellen,

dat de roman in den smaak moet vallen bij elken minnaar van

romanliteratuur.

_Rotterd. Nieuwsblad._

Het werk is ten eenemale vrij van gezochtheid, terwijl het zich

ook door kiesheid van vorm en uitdrukking gunstig onderscheidt.

_Leeswijzer._

Wilhelmina Heimburg is eene der liefelijkste schrijfsters van

onzen tijd, en de wijze, waarop zij het vrouwenkarakter weet

te schilderen, geeft een bijzondere waarde aan hare verhalen.

_Kerkel. Courant._

Wilhelmina Heimburg wordt een geduchte concurrente voor

Marlitt, Werner en andere populaire Duitsche schrijfsters. Wij

voorspellen aan "Een arm meisje", vele lezers en vooral

lezeressen. De schrijfster gebruikt geen nieuwe motieven,

maar schrijft goed en met gevoel.

_Vaderland._

"Wilhelmina Heimburg heeft de gave zóó te vertellen, dat

men alles om zich heen vergeet. .... Zonder kunstmiddelen

weet zij de belangstelling te wekken en gaande te houden;

de toestanden waarin zij den lezer verplaatst, zijn altijd

_waar_ en _natuurlijk_."

_Portefeuille._

_Josephine Bouberg Wilson-Giese_, DE KRING DER VAN DUIJVESTEINS. 2

deelen in gr. 8vo, f 5,80.

_Fayr Madoc_, DOKTER TRIAMOND. 2 deelen in gr. 8vo, f 5,20.

_Felix Dahn_, DE KRUISVAARDERS. Eene vertelling uit de 13de eeuw,

uit het Hoogduitsch door _J. Van Loenen Martinet_. 2 deelen in gr. 8vo

f 4,90.

Aanbeveling behoeft het boek niet. De naam van schrijver en

vertaler doen reeds iets goeds verwachten, en die verwachting

wordt niet beschaamd. Ook hier zal men, de gemakkelijke

dialoog, de kernachtige karakter-beschrijving, de sobere,

schoone zinsbouw en de dichterlijke vlucht, waaraan Dahn

zijne lezers gewend heeft, terugvinden.

_Ind. Mercuur._

De vertelling--waarom niet roman--speelt in de vijfde

kruistocht, ondernomen door Frederik II met de hulp der

ridders van de Duitsche Orde. Freytag koos ook dat tijdvak

in een deel zijner _Voorouders_. Felix Dahn verplaatst ons,

met zijn groot talent, in het _Heilige Land_ en in _Tyrol_ en

voert daar personen ten tooneele, die ware portretten vormen

uit den zonderling bewogen tijd. Wij hebben met genot kennis

gemaakt met dit _aantrekkelijke_ en _onderhoudende_ boek.

_Kerkel. Courant._

_George Taylor_, CLYTIA. Historische Roman uit de 16e eeuw, uit het

Hoogduitsch door _J. Van Loenen Martinet_. Twee deelen, post 8vo,

f 4,50. Geb. in twee prachtbanden f 5,80.

"Een der _degelijkste_, _krachtigste_, in meer dan één opzicht

_keurigste_ romans van den jongsten tijd, is het door den heer

J. Van Loenen Martinet in het Nederl. vertaalde werk "Clytia"

van George Taylor (Prof. D. Hausrath te Heidelberg). Ieder

ontwikkeld lezer zal erkennen hier te doen te hebben met

een _rijken inhoud_, die beheerscht wordt door een ernstigen

geest, een gelukkigen tact van groepeeren en een aangename

manier van vertellen."

_Hoofdartikel Zondagsbl. N. v. d. D._

Liesje van den Lompenmolen · 第 9 / 10 题