"Wilt gij bekennen, nietswaardige deerne!" riep hij en hief zijn
rijzweep, die hij in de hand hield, op, om haar te slaan.
"Sla toe, heer," riep zij, "ik verdien het, maar bij den eeuwigen
God! ik heb het niet gestolen! Men heeft het mij gegeven, zoo waar
als ik hier lig; ik zou het nooit voor de grap om gedaan hebben,
had ik geweten, waar het op uit loopen zou."
Baron Frits liet den opgeheven arm zinken. "Weg met u!" en hij wees
haar de deur; "gij moogt wel het allerminste de rust hier in het
klaaghuis storen; ik zal u vinden."
Zij stond op. "Erbarming, heer!" smeekte zij, "vergeef mij; ik ben
een dom, ijdel ding, maar slecht ben ik niet--och! mijnheer de baron,
ik zou gaarne willen sterven, als ik Lisette weder in het leven kon
terugroepen."
Zij zag er zoo jammerlijk, zoo terneergeslagen uit, zooals zij voor
hem stond, met de roodgeweende, donkere oogen en gevouwen handen, dat
onze jongeheer baron Frits verzocht: "vraag haar, wie haar gelastte,
het kleine hart voor de grap om te hangen! Misschien zegt zij het."
"Wie heeft u bevolen, het gouden hart om te hangen?" herhaalde de
baron werktuigelijk, en in zijne oogen blonk het op eens als een
voorgevoel van iets vreeselijks.
"Zeg het, Francis," sprak onze jongeheer haar zacht toe, "als gij wilt,
dat wij gelooven zullen, dat gij werkelijk niets kwaads in den zin had,
toen gij--"
"Neen, waarachtig!" kreet zij, "ik heb niets kwaads bedoeld; ik
wilde alleen maar Lisette eens ergeren, omdat zij altijd zoo trotsch
jegens mij was; ik kon haar geen kwaad er mede doen, en daarom was
ik aanstonds bereid, toen zij mij zeide, ik moest--Neen, ik verraad
het niet; ik durf het niet doen--"
Haar gansche lichaam beefde.
"Ga!" zeide baron Frits plotseling, "nu wil ik het niet meer weten; er
is een schurkenstreek uitgevoerd, een duivelachtigen schurkenstreek."
Hij wees naar buiten, en het meisje ging snikkend heen in den
donkeren nacht; ik trad voor de deur, om haar na te zien, ik kon
nog even hare gestalte op den weg onderscheiden; toen verdween zij
in de duisternis. Het was een sombere nacht geworden, het huilde en
gierde door de lucht de hemel was betrokken, geen enkele ster was er
meer te zien en de takken der oude linden kraakten en bogen onder de
harde windvlagen; het was recht huiveringwekkend daarbuiten, en toch
bleef ik staan. Als er zoo plotseling een storm opkomt--zegt men bij
ons te lande--dan heeft een radeloos menschenkind zich zelven het
leven benomen en men bidt voor de arme ziel, hoewel men niet weet,
wie het is; ik vouwde ook mijne handen tot een gebed, toen het mij
als lood op 't hart viel. Heer in den hemel! als Francis eens--? Op
het eerste oogenblik wilde ik haar achterna; toen bleef ik staan--waar
zou ik haar zoeken?
Binnen in de kamer was de molenaar zijne rustelooze wandeling weder
begonnen; daar tusschen klonk weder het snikken der moeder en de
troostende woorden van den zoon, maar waar was baron Frits? Nog
altijd bij het bed der doode? Boven in het dorp sloeg het tien uur;
ik hoorde schreden de trappen afkomen, langzaam en slepend, als van
een oud man. Ik zag in de gang--daar stond hij tegen de trapleuning;
doodsbleek en nauwelijks herkenbaar was het schoone, levenslustige
gelaat. Hij zag nog eens naar boven en wendde zijne schreden toen
naar de deur der woonkamer; toen hij er vóór stond, kromp hij ineen,
keerde zich haastig om en ging mij voorbij, zonder mij te zien; hij
ging naar buiten in den duisteren nacht, als een arm, geheel verslagen
man. Het was de laatste maal dat ik hem zag; hij moet daarna een
woest, dolzinnig leven geleid hebben--hoe zou hij daar ginder bij die
menschen hebben kunnen treuren! Op Derenberg is hij nooit meer geweest;
nu zal hij wel lang dood zijn. Moge God hem een zachte rust schenken!
De wilde Francis was ook verdwenen; niemand wist waar zij gebleven
was. Op het slot en in het dorp zeiden zij, de jonge baron was met
haar weggeloopen, en toen heb ik nog eenmaal getwijfeld aan zijne
trouw. Maar toen Lisette begraven was, ging ik tegen den avond met
mijn Christiaan naar het kerkhof, en toen ik bij het versche graf
stond te weenen en al de kransen terecht schikte, die de menschen
er opgelegd hadden, sprak Christiaan: "Zie Marie, het is alsof daar
een brief ligt;" en jawel, er was een steentje opgelegd, om het
wegwaaien te voorkomen; toen ik hem opende, stond er met groote,
ongeregelde letters:
"Het is niet waar, wat zij zeggen; hij heeft mij zelfs nooit
aangezien; ik weet niet waar hij is, en hij niet waar ik
ben. Mij ziet niemand uwer ooit weer--denk niet te slecht
over mij! Het gouden hart had ik omgehangen, dewijl mijne
meesteres het mij bevolen had; zij zeide mij, dat het slechts
eene grap met Lisette was. Sanna was er bij--gij kunt het
haar navragen. God moge het mij vergeven; ik heb zoo iets
kwaads nooit willen doen.