op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad,
"wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna, dat behoeft gij niet te vragen; ik
zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet--het heeft u toch zeker
dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd
te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet
te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd
maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen--dat was
het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden;
die bijten scherp en diep--"
"O misericordia!" riep Sanna en sloeg hare handen met een
hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: "dat heb ik er nu voor,
dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk,
dat zij mij steeds verbood, mij met het _plebaglio_, het _miserabile_,
in te laten."
"Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig," verklaarde tante,
"en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta
ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna,
nu het toeval ons te zamen brengt--ik heb er lang naar verlangd,
het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten,
die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet;
wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor
een jong, bloeiend leven in 't graf moest nederdalen; ik zeg u echter,
en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een
tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten,
en ik--ik, de oude tante uit den papiermolen--ik bid nog iederen
avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw
trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene--"
"Cielo!" krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht,
"het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt,
dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben."
"Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren," hield de oude vol,
"en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het
beter wezen in de wereld."
"_Dat_ zou ik mij hier laten zeggen?" riep Sanna, rood van toorn,
"wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd
hebben? Het was juffer Lisette's eigen schuld, dat zij stierf; wat
behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom
knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft
honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje."
"Wat?" riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat
zij juist had opgenomen, weder neer--"wilt gij den baron Fritz nu
ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij
elkaar"--zij wees naar het slot--"en zoo hij een lichtzinnig mensch
is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft,
onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave
bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta,
zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen,
erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt."
Sanna lachte onbeschoft en spottend.
"Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij
lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats
voor dergelijken."
"Hoogmoed steekt altijd den staart buiten 't nest," antwoordde tante
Marie minachtend; "ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past
niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De
Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet
alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed,
totdat--nu, gij weet, wat ik meen--in het graf zouden zij zich hebben
omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden,
hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven."
"Tante! tante!" riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het
venster.
"Aanstonds, Mientje!" antwoordde zij en nam het koffieblad op;
"ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd,
vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft,
als juffer Sanna en ik," en dit zeggende ging zij in huis, zonder
verder om te zien.
"Maar tante, om Godswil!" sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude
vrouw met een rood gelaat binnen kwam: "wat praat gij toch! Ik werd
wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit--"
"Ik niet, Mientje, ik niet," antwoordde de oude vrouw zegepralend,
"het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop
gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het
gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en
nu vandaag--o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het
valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad,
dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina--"
"Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als
hij u nu hoorde!"
"Ik wil mij niet wreken," sprak de oude vrouw zacht, "want op alle
wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor
mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft,
toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot--"
Zij hield op, want Liesje trad binnen.
"De gravin Stontheim is werkelijk overleden," verhaalde zij. "Nelly's
moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft
geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij
zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld
worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die
ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?"
"Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met
elkander gehad."
Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het
raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom
dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van
de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond,
beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen
tjilpend van tak tot tak.
"Als _hij_ gestorven was?" sprak zij halfluid. "Maar neen--neen--het
is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden--om der wille zijner
moeder en zuster!"
Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig
in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had
haar heldere lach weder geklonken. "Lach maar, mijn liefje!" had de
oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, "God heeft den
blijmoedigen mensch lief." Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het
overwonnen dacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat
voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar
de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch
door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. "Het
zou een uitgelezen paar zijn," sprak zij bij zichzelve.
Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg
met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was;
zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp
naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht:
"Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien."
Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was
telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het
middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer,
toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken,
wie hem vergezelde.
"Goeden morgen, vadertje!" riep zij vroolijk, "wat brengt gij
mede?" Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorf achter hem
stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand
gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. "Tot heden avond dan,
beste Selldorf," hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk,
en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De
statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch
af. "Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken," zeide hij haastig.
"Maar Frederik, de soep!" klonk tantes stem uit de keuken.
"Ja zoo--nu, dan later!" sprak hij. Onder het eten streek hij echter
dikwijls met de hand over het gelaat; dan lachte hij, maar werd op
eens weder ernstig. Eens zag hij Liesje stijf en zóó treurig aan,
dat zij de lepel weglegde en vroeg:
"Vader, wat is u overkomen?" en "Erving, is u iets onaangenaams
bejegend?" vroeg ook zijne vrouw.
"Wel beware, neen!" antwoordde hij vroolijk, alsof er niets bij hem
gaande was.
Dadelijk toen de maaltijd geëindigd was, volgde hij zijne vrouw in de
huiskamer. Liesje wandelde in den tuin op en neer en zag tusschenbeide
angstig naar de ramen der woonkamer; eindelijk ging zij weder in huis,
maar daar ging ook juist tante de kamer binnen en wenkte haar, buiten
te blijven.
Vol bange voorgevoelens zette zij zich op de steenen bank onder het
raam. Daar binnen werd druk gesproken, en eindelijk hoorde zij tante
zeggen: "Neen Frederik, dit moet gij mij beloven, als zij niet _wil_,
overreed haar dan niet, want gedwongen trouw geeft eeuwige rouw!"
"Dat spreekt van zelf," antwoordde haar vader, "maar men kan haar
toch al het voor en tegen onder het oog brengen."
Het jonge meisje daar op de oude steenen bank was plotseling
doodsbleek geworden. Op eenmaal was het haar helder geworden, wat
daar binnen werd besproken; had zij dan in een droom geleefd? Hare
ouders, haar lieve, goede vader--konden die het van zich verkrijgen,
haar te laten heengaan? Zij zou den ouden geliefden molen verlaten
moeten met een vreemden man? Weg van hare moeder, van hare tante, en
alles wat haar lief was? Zij zou niet meer in haar kamertje weenen,
niet meer dagelijks de torens van het oude slot zien? Zij drukte de
handen op hare borst, en had een gevoel, alsof haar hart ophield te
kloppen bij deze gedachten.
"Liesje, kom eens binnen!" klonk nu haars vaders stem. Werktuigelijk
stond zij op en volgde deze aanmaning. Daar stond zij nu in de
woonkamer; op de sofa zat hare moeder, bij het venster tante, en
beiden zagen haar zoo vreemd--zoo teeder aan; ja, het scheen alsof
hare moeder geweend had.
De oude vrouw aan het venster ging naar buiten, zij wilde zich niet
mengen in hetgeen de ouders met hun kind hadden te bespreken; zij ging
stil naar haar kamertje en nam den bijbel van de commode; daarop ging
zij in den leuningstoel zitten en vouwde de handen op het boek. "God
alleen weet wat goed is," fluisterde zij; "moge Hij haar hart leiden,
zoo zal alles ten beste uitkomen." Buiten schenen de zonnestralen
op de bonte asters, en lange, witte draden weefden als 't ware een
zilveren sluier om de half ontbladerde besseboomen. "Als het weder
voorjaar wordt, hoe zal dan alles hier in huis zijn?" Zij dacht aan
haar lieveling, die daar zoo onverwacht de gewichtigste beslissing
in haar leven moest nemen. Hoe zou Liesje de tijding ontvangen? Zou
zij werkelijk niet bemerkt hebben, hoe lief zij den jongen man was
geworden? En zou zij hem niet een klein weinigje--"Och neen!" De oude
vrouw schudde het hoofd; zij wist, hoe het in het jonge hart gesteld
was.--"Neen, zij bemint hem niet, en als zij hem nu toch eens het
jawoord gaf, wanneer zij zich geweld aandeed, omdat hare ouders het
wenschten--zou zij dan _gelukkig_ worden? Och, gedwongen liefde en
geverfde wangen duren niet lang. Het arme kind!" sprak zij bij zich
zelve. "Als zij haar maar niet zoeken over te halen! Mientje zal het
niet doen, maar Frederik, die is geheel door den jongen betooverd!"
Zij opende het oude boek en staarde op de geel geworden bladen,
maar zij kon niet lezen: de letters dansten haar voor de oogen en
hare handen beefden--daar was zij aan de deur--zal nu het gezicht
van een vroolijke, jonge bruid, met een donkeren gloed overgoten,
naar binnen zien? De oude vrouw hield haar adem in; de deur werd
langzaam geopend en het jonge meisje stond op den drempel; was zij
dan gegroeid sedert zooeven? Zij trad rustig de kamer binnen: op het
bleeke gelaat stond diepe ernst te lezen.
"Tante," sprak zij zacht, "ik heb _neen_ gezegd."
Tante antwoordde niet; zij knikte slechts toestemmend met het
hoofd. "Zijt gij hem niet genegen, mijn kind?" vroeg zij toen. "Zie,
wat uw hart gevoelt, dat weet gij zelve het beste."
"Ik kan niemand liefhebben, tante," klonk het dicht aan het oor der
oude vrouw; twee zachte armen omvatten haar hals en een bleek gelaat
verborg zich aan hare borst. Zoo lag zij op de knieën naast de oude,
en deze streek met de hand liefkoozend over de bruine vlechten.
"God zegene u, mijne Lise!" fluisterde zij, "gij hebt goed gehandeld."
In de huiskamer liep Erving driftig heen en weer. Zijne vrouw had
roodgeschreide oogen en bad:
"Als zij hem toch niet liefheeft, Erving?"
"Mina, men kan met eene vrouw niet verstandig over zoo iets spreken,"
zeide hij, voor haar staan blijvende. "Zie den jongen aan! Hij is knap
en verdient achting; hij bemint haar en is van een goede familie;
zijn vader schrijft mij, dat zij het meisje op de handen zullen
dragen--is dat niet alles, wat zij verlangen kan? Maar daar steekt
iets anders achter, dat laat ik mij niet uit het hoofd praten."
"Maar ik vraag u, Erving, wat zou dat dan kunnen zijn?"
"En dan, ik herkende het meisje niet meer; zij die altijd zoo gedwee
en volgzaam was, stond daar, doodsbleek, en zei niets anders dan
'neen' en nog eens 'neen!' God help mij, wie had dat gedacht?"
"Zij is immers uwe dochter, vaderlief," zeide zijn vrouw, opstaande
en naar hem toe komende. "Gij weet wel," voer zij voort, terwijl zij
poogde te glimlachen, "dat uw vader gewild had, dat gij Agnes zoudt
trouwen, en toen hebt gij evengoed 'neen' gezegd en niets meer."
"Nu, dat was toch heel iets anders, ik kende u toen en beminde u
reeds, maar zij--zij komt immers pas in de wereld kijken. God weet
het, zoo zwaar is mij nog niets gevallen, als den jongen van avond
zulk een antwoord te geven." Hij bleef aan het venster staan en zag
verdrietig door de ruiten. Hij keerde zich ook niet om, toen de deur
zachtjes openging en tante binnentrad.
Zij bleef even staan. "Nu, nu, Mientje," sprak zij toen, "gij weent--er
is immers niemand gestorven, en zulk een haast heeft het vrijen ook
niet! Er zijn niet een hand vol, maar een land vol mannen--de rechte
zal wel komen--"
De molenaar aan het venster maakte een heftige beweging, als wilde
hij een scherp antwoord geven; hij zeide echter kalm: "gij spreekt,
naar gij verstand hebt, tante!"
"Wel, ik zou meenen, dat ik in die dingen toch niet zoo dom ben;
ook heb ik wat meer ondervonden dan gij. Lise is zeventien jaar
geworden--nauwelijks zijn de kinderschoenen uitgetrokken; er zullen
nog wel honderd vrijers naar den molen komen; waarom zou zij nu den
eersten den besten nemen? Selldorf is een flinke jongen, ja! maar de
smaken zijn verschillend, en liefde zonder wederliefde, is als een
vraag zonder antwoord, en maakt ongelukkig. En daarom, Frederik,
laat het zóó goed zijn en zie haar niet donker aan; zij is immers
uw éénigste, waarom wilt gij haar dan dwingen! Al uw boosheid helpt
u niets, en uw macht kunt ge in deze zaak niet doen gelden; daarom,
wees tevreden, en verheug u, dat gij uw kind nog behoudt! Heeft zij
eens een man, dan behoort zij u niet meer toe.
"Stil maar, al genoeg!" antwoordde hij ongeduldig en ving zijne
wandeling door de kamer weder aan.
De oude vrouw sprak geen woord meer; zij wist, dat haar doel bereikt,
was; zij nam dan ook haar breiwerk en ging op haar gewone plaats
zitten.
"Hebt gij haar dan gesproken?" vroeg de moeder na een lang stilzwijgen.
"Natuurlijk! Zij kwam bij mij en vertelde mij, hou het er mee gesteld
was, en ten laatste heeft zij mij schreiende gebeden, haar toch te
helpen, dat haar vader weder vriendelijk jegens haar werd."
"Waar is zij dan?" vroeg hij.
"Zij is naar haar kamertje gegaan."
"Zoo," antwoordde hij en liep weer op en neer, tot hij eindelijk de
deur opende en het vertrek verliet.
"Ik weet al, waar hij heengaat," sprak de oude vrouw lachende. "Hij
was zeker heel boos?"
"Het ging nog al, tante, maar ik had hem nooit boos gezien--daardoor
was ik er zoo bang voor."
"Neen, maar zie nu eens, Mina," sprak zij en wees naar den tuin;
daar liep de molenaar langzaam het pad langs, de arm om zijne dochter
geslagen, en zij met haar hoofdje tegen zijn schouder geleund en tot
hem opziende; hij sprak met haar en zij lachte hem toe.
"Mijn beste man! mijn lieve kind!" sprak zacht de vrouw aan het
venster.
Tiende Hoofdstuk.
Op het slot had de tijding van den dood der gravin Stontheim niet veel
droefheid veroorzaakt; de jonge barones en Nelly hadden de gestorvene
in 't geheel niet gekend. Nelly had een krans van immortellen
gevlochten en die met eene betuiging van deelneming naar Blanka
gezonden, daarop hadden de drie dames zich in rouwgewaad gestoken,
om aan den uiterlijken vorm te voldoen, hoofdzakelijk ter wille
van Blanka, die, volgens het schrijven van Army, voor een langdurig
verblijf op Derenberg kon verwacht worden. Army en haar vader zouden
haar vergezellen.
En thans was de dag hunner komst daar. In Blanka's vertrek waren
de ramen wijd open gezet, en de frissche herfstlucht vervulde de
weelderige en gezellige kamer; de zon scheen helder op de bleekgroene,
zijden behangsels, en op de donzige kussens van dezelfde stof; overal
prijkten frisch geplukte herfstbloemen in vazen en mandjes, en Nelly
onderzocht zorgvuldig, of het verwende kind ook aan iets gebrek zou
kunnen hebben. In haar eenvoudig, zwart wollen kleed geleek zij in dit
schitterend boudoir bijna een betooverde prinses, die door het toeval
of door een goede fee weder in de prachtige omgeving geplaatst was,
waarin zij eigenlijk thuis behoorde. Het ovale, rooskleurige gezichtje
kwam bekoorlijk uit bij het zwarte kleed, en de blanke handen, die
uit de krippen manchetten te voorschijn kwamen, waren haast te klein
voor een volwassen meisje.
"Dit is toch een recht lieve kamer, grootmama," sprak zij, tot de
oude dame opziende, die juist op den drempel verscheen.
"Zeker! maar voor u, mio cuore, zou ik blauw veel liever vinden."
"O, voor mij!" lachte zij; "ik en een kamer met zijden behangsels
en kanten gordijnen! Ik zou mij ongelukkig gevoelen in dezen geur
en glans."
"Gij zoudt het wel leeren, mijn kind, u daarin gelukkig te gevoelen."
Het jonge meisje keek op; dat klonk zoo ernstig.
"Als mijn kleine Nelly heel lief is," vervolgde de oude dame, het
verbaasde meisje naderende, "en haar best doet, haar onbeschaafde
manieren af te leggen, dan geef ik haar misschien zulk een prachtig
kamertje tot een Kerstgeschenk."
"Gij, grootmama?" riep de kleine ongeloovig. "O neen, ik zou veel
liever een kamertje hebben zooals Liesje, met wit en blauw gebloemd
katoen--dat ziet er zoo beelderig uit."
De oude barones haalde de schouders op en keerde zich om, want hare
schoondochter trad binnen.
"Daar wordt mij een groot pak japonstoffen en stalen gezonden; hebt
gij dat besteld?" vroeg zij; "ik denk dat het eene vergissing is,
want er zijn zijden meubelstoffen bij, en allerhande dingen, die wij
onmogelijk kunnen gebruiken."
"_Ik_ heb dat besteld, Cornelie," verklaarde de aangesprokene
ongeduldig; "laat die zaken op mijne kamer brengen!"
Nelly vloog heen, om het bevel te volvoeren, en de beide vrouwen
stonden zwijgend tegenover elkander.
"Maar," vroeg eindelijk de jongste, "waartoe is dat noodig?"
"Hebt gij u reeds in den spiegel bezien, Cornelie?" was het bitse
antwoord; "in die plunje kunt gij u ter nauwernood aan onze lieden
vertoonen, nog minder op eene bruiloft."
Zij lachte.
"Ik heb reeds inkoopen gedaan, mama; voor Nelly een wit kleed, en
voor mij een zwart zijden."
"Slechtste kwaliteit, dunne taf, paardrijders zijde, zooals men dat
noemt, ik ken dat," antwoordde de dame spotachtig. "Genoeg, het blijft
er bij; ik koop, wat ik oordeel dat noodig is--"
"Maar, mama!"
"Gij zult zeker vragen, waar komt het geld vandaan? Hoor eens,
Cornelie, die firma heeft vroeger duizenden aan mij verdiend en zal
ook nu nog wel de gravin Derenberg krediet geven--dat is voorloopig
voldoende; laat mij voor het overige zorgen. Of wilt gij misschien,
dat het huwelijk uws zoons plaats hebbe in een ledige zaal, waar de
gordijnen ternauwernood nog aan de stokken blijven hangen, omdat zij
door de mot zijn verteerd, en de overtrekken der meubels vol gaten
zijn, zoo groot als die schotel daar? Uwe schoondochter zou geraakt
den neus optrekken, denkt gij dat ook niet?"
"O, daaraan dacht ik niet," antwoordde de bleeke vrouw zacht, en
sloot de deur, daar een koele tocht de zijden gordijnen ver naar
binnen waaide. "Ik dacht slechts," voegde zij er terugkeerende bij,
terwijl zij tegen den prachtigen salonvleugel leunde, die Blanka
voor den zomer had laten komen, omdat zij, volgens haar zeggen,
op het oude klavier in de woonkamer niet kon spelen, "ik dacht,
omdat wij zoo geheel _en famille_ zijn--"
"Dat is weer een van uw overdreven denkbeelden, Cornelie! Army is geen
weggeloopen knaap, die dáár bruiloft viert, waar hij toevallig een
meisje aantreft; hij stamt af uit een der edelste geslachten des lands
en zijne bruid is onze bloedverwante; daarom zal ik er voor zorgen,
dat deze plechtigheid ten minste naar behooren gevierd worde. Uwe
manier van denken over zulke zaken zou van een lam een tijger maken,
Cornelie!"
De oude dame ging met een hoogrood gelaat hare schoondochter voorbij
en trad aan het venster.
"Ik moet u toch dringend verzoeken, Cornelie," ging zij voort,
"uw burgerlijke denkbeelden in vele zaken te laten varen, wanneer
Blanka hier is; zij zouden een uitstekend middel zijn om haar het
verblijf hier te verbitteren; zij kan die eeuwige kleingeestigheid
en zuinigheid, die zelfs de boter voor iedere boterham afweegt,
evenmin verdragen als ik, en voor alle dingen moeten wij nu zorgen,
haar vast te houden--vast te houden tot elken prijs. Is eenmaal het
'amen' na de inzegening uitgesproken, dan zijn al onze bezwaren uit
den weg geruimd."
Een donker rood had de wangen der schoondochter bedekt, en tranen
kwamen haar in de oogen. Voor wie spaarde zij? Voor wie zorgde
zij? Waarom ging zij zoo slecht gekleed? Opdat die grillige vrouw
dáár zoo weinig mogelijk het drukkende der armoede zou gevoelen, en
al was het ook maar gedeeltelijk, zóó zou kunnen leven als vroeger;
zij zond elken avond Sanna met thee en koudvleesch naar boven terwijl
Nelly en zij zich met een eenvoudige boterham tevreden stelden.
"Nu schreit gij waarschijnlijk ook nog, Cornelie," klonk weder de
stem, die het Duitsch zoo hard en hoekig uitsprak, terwijl zij in
hare moedertaal de zachtheid zelve scheen, "misericordia! wat zijn
die Duitsche vrouwen toch gevoelige schepsels; ik kan mij zelve
haast geen meester blijven, als ik dien tranenvloed zie stroomen;
wat ik u zooeven zeide, was slechts tot ons aller bestwil--als gij
het maar begrijpen wildet!"
Op dit oogenblik kwam Nelly weder binnen. "Het is al vijf uur, mama,
en even na zessen kunnen wij hen verwachten; de tafel is beneden
reeds gedekt, en Hendrik zal zoo dadelijk hier vuur aanleggen en de
vensters sluiten--ik ben zoo nieuwsgierig," ging zij voort, "wat zij
al te vertellen zullen hebben, hoe Blanka de rouw staat en hoe het
testament is uitgevallen." Zij zag bij deze woorden hare moeder aan en
bespeurde de tranen in hare oogen. "Schrei niet, mama!" fluisterde zij,
"zoo aanstonds komt Army, onze lieve Army."
"Het testament?" vroeg de grootmoeder, "mon Dieu, Army de helft,
zij de helft en onderscheidene legaten aan oude bedienden, hospitaal
enz., en misschien ook aan den overste, die wel opgepast zal hebben
ook zijn deel te krijgen."
"Ja, grootmoedertje, maar weet u nog wel, dat Army ons indertijd
vertelde, dat Blanka overal gehouden werd voor de eenige erfgename--?"
"Och kom! Dan staat de zaak nog gunstiger--de man heeft altijd de
beschikking over het vermogen zijner vrouw; trouwens, ik geloof het
niet; tante Stontheim hield te veel van Army."
"Maar, wanneer nu het testament eens vóór dien tijd gemaakt is?"
"Dan heeft zij zeker een codicil er aan toegevoegd," antwoordde de
oude dame ongeduldig.
"Wist ik slechts precies, wanneer zij kwamen!" zeide Nelly; "de
gewone post komt stipt om half acht aan, maar Army schreef, dat zij
met extrapost reisden, en dientengevolge aan het station eerst wat
rusten, en tusschen zeven en acht uur, tegen het middageten, hier
zouden zijn. Geduld, geduld! Zal ik dat nooit leeren? Zie het heerlijke
avondrood, nu wordt het gauw donker; ik verlang zoo naar Army."
Langzamerhand werd slot en park in duisternis gehuld, en aan den
hemel schitterden ster aan ster in fonkelenden glans; in de gezellige
woonkamer was de lamp nog niet opgestoken, slechts het vuur in den
haard wierp een schemerachtig licht in het vertrek. Moeder en dochter
waren alleen: want de oude barones had de kamer verlaten. Het jonge
meisje daar in de diepe vensternis staarde met groote, peinzende
oogen naar het lichtend gewemel daar boven; zij knielde naast den
stoel harer moeder en sloeg den arm om haar heen; de diep bewogen
vrouw hield haar zakdoek voor het gelaat; haar borst ging op en neer
onder een zacht geween.
"Mijn goed moedertje," bad de kleine met zoete stem, "schrei
uw lieve oogen toch niet rood! Wat moet Army denken, als hij
komt? Och! grootmama meent het niet zoo kwaad--"
"Och, Nelly, dat is het niet," antwoordde zacht de weenende vrouw,
"maar reeds den ganschen dag vervolgt mij eene onrust, een angst,
die niet te beschrijven is.--God geve slechts, dat den jongen niets
is overkomen!"
"Maar, mama," troostte de dochter en drukte haar blond kopje stijf
tegen hare borst, "wat zou hem dan overkomen zijn? Hij rijdt op dit
oogenblik zeker in den ouden, gelen postwagen en zit tegenover zijne
Blanka, in de aangenaamste stemming die hij wenschen kan; de overste
vertelt anekdoten, en zij verheugen zich allen in het vooruitzicht
van een warm avondmaal, en van uw vriendelijk gezicht, mijn moedertje."
De barones schrikte opeens. "Wat scheelt u, mama?" vroeg Nelly angstig.
"Ik meende zijn stap te hooren," antwoordde fluisterend de moeder;
"hebt gij niets gehoord, Nelly?"
"Neen, mama; het is immers ook onmogelijk."
Het werd stil in het ruime vertrek; de fluisterende stemmen zwegen;
niets werd gehoord als alleen het knetteren van het vuur in den haard,
en nu en dan een bange zucht uit het beangstigde moederhart. Maar
dáár--dáár--ja, dat was _zijn_ stap in de gang; "Nelly," riep de
jonge barones met half gesmoorde stem, en het jonge meisje vloog op
en naar de deur, die geopend werd--een man trad binnen.
"Army!" jubelde de zuster. "Army!" klonk het ook van de lippen der
moeder, "Army, zijt gij het?"
"Ja, mama," antwoordde hij met doffe stem, als dwong hij zich met
moeite om kalm te schijnen.
"Mijn beste jongen," zeide de moeder teeder, en omhelsde hem. "Army,
lieve Army," vleide Nelly, "maar zeg, waar is Blanka?"
Hij stond bij den haard, nog met mantel en muts, en het flauwe
schijnsel van het uitgaande vuur was niet voldoende om zijne
gelaatstrekken te onderscheiden.
"Army," vroeg nu ook zijne moeder, "waar is uwe bruid?"
"Ik heb geene bruid meer." Zijne stem stokte van smart.
Nelly gaf een gil van schrik, zijne moeder sprak geen woord; dat was
het ongeluk, waarvan zij een voorgevoel had gehad--zij drukte alleen
zijne hand vast in de hare, als konde zij hem daardoor onttrekken
aan een woesten, naren droom.
"Maak mij niet week, mama!" bad hij en drong haar zachtjes naar
een dichtbij staanden stoel, "het helpt niets; hoe kon ik mij
ook verbeelden--" hij lachte bitter--"dat zij--steek het licht op,
Nelly!" sprak hij toen kortaf, "en bereid grootmama voor! Ik heb niet
veel tijd; morgen moet ik weder weg."
Met bevende handen ontstak Nelly de lamp; haar helder licht bescheen
Army's bleeke trekken; hij stond nog op dezelfde plaats en staarde
somber voor zich uit.
"Army, mijn lieve Army!" fluisterde zijne zuster, en sloeg snikkend
hare armen om hem heen.
Hij streek haar gedachtenloos over het haar.
"Daar is grootmama!" riep zij toen en liep de oude dame tegemoet.
"Army," vroeg deze, haastig binnentredende, "wat beteekent dat? Ik
wilde Sanna niet gelooven, die beweerde, dat zij u in de gang
ontmoet had. Waar is Blanka? Waar is de overste? Wat beduidt het,
dat gij alleen--?"
"Dat beteekent," antwoordde hij langzaam, en op elk woord drukkende,
"dat mijne bruid mij heden morgen even voor ons vertrek, genadig heeft
ontslagen; zij heeft mij niet lief, liet zij mij zeggen, als grond
voor haar plotseling besluit, en, die reden is geldig genoeg, bij God!"
Weder lachte hij spotachtig. De oude dame waggelde achteruit, als
van den bliksem getroffen.
"Het is niet mogelijk," stamelde zij doodsbleek.
"Dat zeide ik heden morgen ook, toen de overste mij dit uiteenzette
en verklaarde," voer Army voort, "en ik heb wel honderd keer de hand
aan mijn hoofd gebracht, en mij afgevraagd, of ik ook krankzinnig of
iets dergelijks geworden was. Maar neen, het is een feit, Blanka van
Derenberg is mijne bruid _niet_ meer."
"Army, was er dan niets voorafgegaan? vroeg zijne moeder, die als
verpletterd in haar stoel zat.
"Wat voorafgegaan was?" antwoordde hij op snijdenden toon. "Ja, de
opening van het testament. Blanka van Derenberg is eenige erfgename
van het groote vermogen--dat is alles. Waarom zou zij een man huwen,
dien zij niet bemint? Maar wees gerust, grootmama--" hij naderde de
sidderende vrouw, die zich met beide handen aan een stoel vastklemde,
"zij heeft toch een edel karakter; zij vermoedt, dat mijne verloving
mij onkosten heeft veroorzaakt, en daarom liet zij mij door haar vader
berichten, dat zij bereid was al mijne schulden te betalen. Dat was
toch één troost voor den afgedankten bruidegom, voor den dommen jongen,
die met dwaze liefde aan dit valsche schepsel hing!"
Hij had gedurende het gesprek met een kristallen bokaal gespeeld,
dien hij gedurig ronddraaide; nu wierp hij dien op den grond, dat hij
kletterend uit elkander sprong en de scherven over den vloer rolden.
"Army!" klonk het angstig van de lippen zijner moeder, terwijl zij
hare bevende handen naar den opgewonden jongeling uitstrekte. De
oude barones had zich in hare volle lengte opgericht. "Dat zullen
wij ons niet laten welgevallen," sprak zij toornig. "Blanka erft in
ieder geval slechts onder voorwaarde, dat gij haar echtgenoot wordt;
ik heb nog een brief van tante Stontheim--"
"Denkt gij dan," vroeg Army, die in een oogwenk voor haar stond,
"denkt gij dan, dat ik haar ooit weer zou willen aanzien? Al lag
zij voor mij op de knieën, ik zou haar wegstooten, en al moest ik
verhongeren, en gij allen met mij, geen cent nam ik van haar aan;
eerder een kogel door den kop.--Ja wel, een kogel, dat zou nog
het verstandigste zijn; dat heeft immers mijn vader ook geholpen,
zooals Blanka mij zeide, toen ik haar nog eenmaal dringend verzocht,
met mij hier op Derenberg te wonen; zij was bang--verklaarde zij--in
dit sombere nest, waar de laatste eigenaar zich zelf van het leven
had beroofd; ha, ha! Allemaal redenen, waar een verstandig mensch
niets tegen zeggen kan!" Zijn stem klonk heesch en half krankzinnig;
de felste smart sprak uit zijn ontstelde trekken.
"Mama! mama!" riep het meisje op hartverscheurenden toon, "Army is
ziek, hij weet niet meer wat hij zegt."
De bleeke vrouw stond op van haar stoel, naderde haren zoon en greep
zijne hand; zij wilde spreken, maar hare lippen bewogen zich zonder
geluid voort te brengen; hare oogen zagen hem zoo smartelijk biddend
aan, alsof zij zeggen wilden: heb medelijden met mij, heb ik nog
niet genoeg geleden in mijn leven? Hij zag ze niet, die smeekende
blikken; ongeduldig poogde hij zijn hand uit de hare los te maken:
"het is genoeg, mama! Ik denk niet aan sterven; ik zal leven--voor
u. Hier is overigens een brief van den overste voor de baronesse van
Derenberg," voegde hij er bij, een brief uit zijn borstzak halende
en die op de tafel werpende, "misschien eene verklaring, waarom het
zoo het beste is, en zoo al meer."
Hij streek met beide handen door zijn donker haar, en ging naar het
venster; toen verliet hij haastig het vertrek.
Een oogenblik heerschte er stilte binnen. Het fijne papier van den
geopenden brief knarste in de handen der oude barones.
"Zie hier, Cornelie!" riep zij, "daar staat het; wat heb ik u zoo even
gezegd?" "Een andere grond voor het verzoek mijner dochter aan uwen
kleinzoon," las zij, "om haar de vrijheid terug te geven, is deze, dat
de Derenbergsche betrekkingen haar niet bevallen; het _waarom?_ zult
gij mij wel besparen; waarom zullen wij elkander hatelijkheden zeggen,
nu wij op het punt staan onze betrekking voor het vervolg geheel
af te breken--" "Ziet gij," viel zij zich zelve toornig in de rede,
"dat is het gevolg uwer, het gevolg van Nelly's onhandigheid in den
omgang met het verwende meisje. Daar hebt gij nu de resultaten. Army
heeft aan u, aan u alleen, het verlies van al zijne vooruitzichten
te danken! O, het is vreeselijk, aan zoovele domme denkbeelden,
zulke bekrompen gevoelens geketend te zijn--het ongeluk mijns levens!"
De oude dame balde hare handen en zag met de diepste minachting op
moeder en dochter neer.
"Mij moogt gij beleedigen, grootmama!"--Nelly ging voor hare moeder
staan, als om haar te beschermen--"maar laat mama er buiten! Vergeef
mij dat ik het waag, zóó tot u te spreken! Maar ik kan niet
anders. Mama was altijd vriendelijk jegens Blanka, vriendelijker
dan gij het geweest zijt. _Ik_ heb Blanka trouwens nooit liefgehad,
omdat ik gevoelde, dat zij zich alleen met Army verloofde, omdat tante
het wenschte. En nu zeg ik: Army mag God op zijne knieën danken, dat
alles zoo gegaan is. En daarom bid ik u, grootmama, krenk mama niet
door onverdiende verwijten om der wille van dat valsche, gevoellooze
schepsel, dat zelfs onzen vader nog in het graf belastert, en hem tot
een zelfmoordenaar--Almachtige God!" viel zij zichzelve in de rede,
en was reeds naast hare bewustelooze moeder op den vloer geknield,
om te trachten de onmachtige op te heffen.
"O, cielo, cielo!" mompelde de oude dame, "welk een leven, welk een
afgrijselijk leven!"--
Middernacht had reeds lang geslagen en nog altijd zat Nelly bij
het bed harer koortsige moeder. Zij was de eenige die hare zinnen
bij elkander gehouden had bij den treurigen omkeer der zaken. Zij
had de afgematte, bewustelooze moeder te bed gebracht, en zooveel
mogelijk alle toebereidselen weggenomen, die men gemaakt had om
den vorigen avond de bruid van den eenigen zoon te ontvangen. Zij
was zacht door de gang geslopen en had aan de deur van Army's kamer
geluisterd; de stappen van den rusteloos heen en weer gaande hadden
haar geruststellend in de ooren geklonken. En nu zat zij weder te
luisteren naar de ademhaling der koortsachtige moeder, en drukte
nu en dan een zachten kus op die magere handen, die zij zoo vast op
de snel ademende borst gedrukt hield. De grauwe schemering van den
aanbrekenden dag werd door de gordijnen zichtbaar en kleurde zich
langzamerhand met een mat rooskleurig licht.
Nelly trad aan het venster; daar beneden lag het park; de bladeren
der boomen lagen nat en zwaar op den met rijp bedekten grond; de
roode toppen der sorbeboomen kwamen helder uit het herfstachtig gele
loof te voorschijn, en over het woud zweefde een fijne, witte nevel,
die in de toppen der hooge boomen van het park hing als een lichten,
doorschijnenden sluier, door de opgaande zon zacht gekleurd. Moede
van het nachtwaken, leunde Nelly met het hoofd tegen de ruiten en
sloot de oogen--toen zij op eens het geluid van een verschuivenden
stoel achter zich hoorde.
"Mama," riep zij, toen zij hare moeder met koortsachtige haast het
eene kleedingstuk na het andere zag aantrekken.
"Ik heb zoo lang geslapen, Nelly, en heb niet eens Army getroost;
het is reeds morgen--neen, laat mij, ik moet naar hem toe; hij mag
het geloof aan de menschheid niet geheel verliezen; daar is hij nog
veel te jong voor. Houd mij niet terug, Nelly; hij zal niet slapen;
men slaapt niet gemakkelijk na zulk een leed."
Zij gunde het jonge meisje ter nauwernood den tijd, dat zij haar een
doek omsloeg en ijlde weg. Nelly waagde het niet, haar te volgen;
zij sloop naar de zijdeur en luisterde; daar weerklonk plotseling
een gil. Haastig vloog zij de gang door. De deur van haars broeders
kamer stond open; daar binnen stond hare moeder, zich bevende aan de
tafel vasthoudende.
In een oogwenk overzag zij het vertrek--dáár het oude ledikant,
de kussens omgewoeld, op de tafel een half geledigde flesch wijn,
benevens een glas; boven de sofa het ledige behangsel; het groote
portret, dat daar gehangen had, stond met de voorzijde tegen den
muur; daar lagen zijne epauletten naast den degen op een stoel--maar
Army--waar was Army?
"Hij is weg!" stamelden de bleeke lippen der bevende vrouw; "hij is
weg, Nelly--als hij--als hij evenals zijn vader--?"
"Wat dan, mama? wat dan, om Gods wil?"
"Wanneer hij, Nelly, wanneer hij--o, ik--mijn God!" sprak zij buiten
zich zelve.
"Vlieg, Nelly, zoek hem!" smeekte zij haastig, "ik kan het niet; zeg
hem, dat hij bij mij moet blijven! Eenmaal heb ik het verschrikkelijke
beleefd--eenmaal, dat is genoeg; een tweede maal zou ik het niet
overkomen."
"Mama," vroeg Nelly in doodsangst, "wat bedoelt gij?"
"Gauw, gauw! ga toch, vlieg! Hij mag niet sterven; hij moet leven. Ga,
anders brengen zij mij hem hier ook zoo bleek en bloedend--" zij
huiverde en wees naar de deur. Het beangste kind had hare moeder
begrepen, en als met gieren-klauwen greep de vrees haar hart aan;
zij ijlde weg--waar, waar zou zij het eerste zoeken? Onwillekeurig
liep zij de trappen af, de toren deur stond aan; haastig vloog zij
over het voorplein, de stenen beren langs, de linden-allée op. De
wanhopende gebaren harer moeder, de verschrikkelijke toespeling op
haar vader, dit alles wekte bij haar een akelig vermoeden op. Zij
drukte de handen op hare borst en stond stil. Waar zou Army zijn?
"Army," riep zij, maar het was als bleef het geluid in haar keel
steken. "Army!"--alles was doodstil rondom haar.
Vochtig en nat lagen de verwelkte bladeren aan hare voeten; een paar
kleine vogels fladderden in de takken en keken met nieuwsgierige oogen
naar het beangste, jonge menschenkind daarbeneden; "Army!" stootte
zij nog eenmaal met alle kracht uit, en daarop een lang aangehouden
galm--als een gejubel klonk het; zóó hadden zij elkander als kinderen
altijd geroepen; dat _moest_ hij hooren.
Geen antwoord werd echter vernomen; slechts een gefluister ging door
de oude lindeboomen, als schudden zij ontkennend de hoofden, om te
zeggen: hij is hier niet. Aan den dijk misschien, aan den dijk--dacht
zij, en toen zij zich nu door het dichte geboomte voortspoedde,
greep haar een nooit gevoelde huivering aan in deze stilte, deze
eenzaamheid. Hoe, als zij hem vond? Als hij niet meer hooren kon,
dat zij hem riep? Als hij bleek en bloedend--? Haar hart kromp ineen,
maar toch schreed zij voorwaarts.
Daar lag het kleine donkere water zoo kalm, alsof er storm noch
onweer in de wereld was; waterplanten en verwelkte bladeren dreven
onbeweeglijk op de gladde oppervlakte, en de steenen bank aan den oever
was ledig. Haastig ging zij verder; de omlaag hangende takken sloegen
haar in het gezicht en schudden de dauw in hare blonde haren. De rand
van haar kleed sleepte zwaar en vochtig achter haar aan; verder, altijd
verder! Angstig zag zij rechts en links, en van tijd tot tijd klonk de
naam haars broeders door de morgenlucht. Luister--schreden--! Gejaagd
vloog zij verder; daar was het traliehek, de ééne deur was geopend;
reeds was zij er doorgegaan--het was een arbeider, die, zijne muts
afnemende, haar voorbij ging, de onverwachte verschijning verwonderd
aanstarende; toen bleef hij staan; zij had een beweging gemaakt,
alsof zij iets wilde zeggen; maar daar zij zweeg, vroeg de man:
"Zoekt gij iets, genadige freule?"
"Och neen, neen, ik wilde met mijn broeder eene morgenwandeling
doen--hebt gij hem misschien gezien?"
"Den luitenant, meent gij? Ja, dien ben ik tegengekomen, een eindje
achter den lompenmolen."
"Ik dank u!" snikte zij en sloeg den weg naar den molen in; haastig
schreed zij voorwaarts. Daar zag zij het woonhuis reeds; daar lag
de brug--voorbij, voorbij! Daar in huis sliepen allen nog. Verder
maar! Dáár--almachtige God--daar viel een schot; het klonk haar zoo
duidelijk, zoo vreeselijk in de ooren; zij sloeg, onwillekeurig een
steun zoekende, den arm om den dichtst bijstaanden boom; toen zonk
zij ter aarde. Zij zag niet meer, hoe een oude vrouw, zoo schielijk
als hare beenen haar dragen konden, over den molenbrug kwam aanloopen;
hoe een goed, vriendelijk gezicht, met een witte muts op, zich angstig
over haar heenboog; zij hoorde den hulpkreet niet die over de bevende
lippen kwam:
"O, hemel! Nelly, onze Nelly! wat is er nu weder gebeurd?"
Elfde Hoofdstuk.
In de woonkamer van het slot waren de donkere gordijnen toegeschoven,
en dáár, waar vroeger de groote, ouderwetsche sofa geplaatst was,
stond nu het ziekbed van Nelly's moeder; zij was zeer ziek geworden
op dien ongelukkigen morgen, toen zij haar zoon zocht en niet vond;
het zwakke leven worstelde met den somberen engel, wiens
onheilspellende nabijheid men in het vertrek scheen te bespeuren.
Als in een cirkel draaide hare verbeelding om dien dag, waarop zij
bij het bloedige, verstijfde lichaam haars echtgenoots gestaan had;
nu eens was _hij_ het, dien zij aanzag, dan weder was het den zoon,
en op hartverscheurenden toon bad zij hem, toch niet te sterven, haar
ook niet te verlaten; zij kon zonder hem immers niet leven. Het was
thans stil in het ruime vertrek; een slanke meisjesgestalte, die
telkens angstig luisterde naar de verwarde woorden der kranke, zweefde
met bijna onhoorbare schreden over het oude tapijt, legde met zachte
hand de kussens terecht en boog zich onderzoekend over de zieke heen,
om naar haar zachte ademhaling te luisteren, als zij ingeslapen scheen.
Ja--lompenmolenaars Liesje deed voor de tweede maal dienst als
samaritane op het slot Derenberg, en het was nu al de tiende dag,
dien zij er doorbracht! Het waren lange, bange dagen en nog bangere
nachten geweest; heden was de koorts iets afgenomen, zooals de dokter
zei, en de uitgeputte zieke sluimerde nu.
Liesje nam een boek van de tafel en ging aan het venster zitten,
dat een weinig licht doorliet; zij leunde met het hoofd tegen haar
stoel en sloot de oogen. Hoe vreemd was het toch, dat zij nu weer
hier boven in het slot zat, dat zij gedacht had nooit weer te zullen
betreden! Tante had haar op een morgen met groot geraas gewekt, en in
de huiskamer vond zij Nelly, die doornat van den dauw, bewusteloos
op de sofa lag! Hoe was zij geschrikt! Uren waren verstreken,
vóór men het arme kind weder tot bewustzijn gebracht had; maar vóór
het zoover was gekomen, was de deur der huiskamer in de ouderlijke
woning open gedaan en had _hij_ op den drempel gestaan. Zij had een
gil gegeven van ontsteltenis en schrik; ja van schrik, want hij, die
daar binnentrad met dien diep smartelijken trek om den mond, de oogen
zoo wezenloos op haar gericht--dat was de vroegere Army niet meer,
de vroolijke levenslustige Army, met de trotsche schoone trekken.
"Is mijne zuster hier niet?" had hij gevraagd, en toen zijn blik op
haar viel, zooals zij daar bleek en bewusteloos nederlag, had zijn
gelaat een uitdrukking gekregen van het diepste medelijden.
Wat er verder gebeurde? Tante Marie en hij hadden samen gefluisterd;
Liesje had echter alleen de woorden verstaan: dat zijne moeder zeer
ziek was en hulp noodig had; Sanna was zoo onhandig en grootmama
klaagde over migraine; en nu Nelly ook nog, die arme Nelly!
"Ik ga mede," had Liesje verklaard. En toen was zij met hem zwijgend
meegegaan. Geen woord had hij toen tot haar gesproken, en geen enkel
woord was tot nu toe over zijne lippen gekomen, hoe dikwijls hij ook
zacht de ziekenkamer binnentrad en het bedgordijn opendeed, om zijne
moeder te zien. En Liesje wist, waarom hij zoo somber en stil was. De
blinkende verlovingsring ontbrak aan zijne hand, en de droombeelden der
zieke hadden haar de ongelukkige zaak geheel duidelijk doen kennen. O,
dat schoone, valsche schepsel! Hoe haatte Liesje die trouwelooze! Wel
had Nelly gelijk gehad, toen zij beweerde: "zij heeft hem niet
lief." Maar _hij_, och, kon zij hem maar iets vertroostends zeggen!
Zacht werd de deur der ziekenkamer opengedaan, en Nelly trad binnen.
"Wat slaapt zij gerust!" fluisterde zij, een blik op de zieke werpende,
en ging op een bankje, aan de voeten harer vriendin zitten. "God
zij gedankt! De dokter oordeelt, dat het gevaar voorbij is; ach,
Liesje! wat ben ik gelukkig! Ik gevoel mij nu ook weder sterk, en
gij zult nu van nacht slapen, gij goedhartig schepsel!"
"Neen, dat zult _gij_ doen, Nelly. Geen tegenspraak!" antwoordde
Liesje beslist; "de dokter wil er volstrekt niet van hooren, dat gij
waken zult. Gij slaat een doek om en gaat wat in de frissche lucht;
uw broeder zal u zeker gaarne vergezellen."
Nelly schudde treurig het hoofdje. "O ja, hij zal wel meegaan--maar
Liesje, gij weet niet hoe akelig het is, zoo alléén met hem te
zijn! Hij loopt somber naast mij, en dan begint hij plotseling als in
vertwijfeling vroolijk te fluiten. Bij u ben ik het liefste. Wanneer
gij en uwe tante er niet waart, en uwe goede moeder niet zoo voor
ons gezorgd had, had het hier boven er slecht uitgezien."
"Maar, Nelly!" fluisterde blozend het jonge meisje en lei haar hand
op den mond harer vriendin---
Terwijl de jonge meisjes zulke woorden in de ziekenkamer wisselden,
zat de oude barones peinzend boven in hare kamer. "Eenmaal moet het
toch zijn," sprak zij ten laatste halfluid, "ik moet met hem spreken,
wat er nu dan toch gedaan moet worden." Zij stond op en belde. "Ik
verzoek mijn kleinzoon hier te komen," beval zij Sanna kortaf en
onvriendelijk, en ging weder zitten.
Door de roode gordijnen drong slechts een flauw licht naar binnen,
want buiten was de lucht betrokken en een scherpe herfstwind begon met
kracht de bladeren van de boomen te schudden; in den haard flikkerde
een houtvuur en verlichtte de roode kussens en gordijnen; door dien
weerschijn was het, alsof de verschoten kleuren weder haar ouden gloed
hadden verkregen; somber staarde de barones in de spelende vlammen.
"Binnen!" riep zij, toen een haastig tikken op de deur gehoord werd.
"Ik wilde u juist om een kort onderhoud verzoeken, grootmama," begon
Army, binnentredende met eene buiging en achter den stoel staan
blijvende, die de oude hem met de hand aanwees. "Mama wordt beter;
ik moet vertrekken."
"Zoudt gij in dienst kunnen blijven?" vroeg de oude barones
onverschillig.
Hij zag somber voor zich.--"Ik weet het niet," sprak hij toen,
"voorloopig hangt dit van de stemming mijner schuldeischers
af. Trouwens, zoodra het bericht van mijn verbroken engagement
wereldkundig is, zullen zij wel als een troep jachthonden op mij
afkomen; de zaak komt bij het regiment; de overste zal mij vragen:
'betalen of niet?' Dan komt het slot. Het noodlot zal _mij_
achterhalen, evenals vóór mij reeds zoo menig ander."
De oude dame had even kalm naar hem geluisterd, alsof hij over een
vroolijke partij sprak.
"Hellwig moet raad schaffen," sprak zij op beslisten toon.
"Hellwig? Ja, als hij geld kon maken! Hij heeft nog onlangs
de onmogelijkheid erkend, mij tweehonderd daalder te bezorgen;
eene som, die ik den wagenmaker op een bepaalden tijd moest
betalen. De man wilde geduld hebben, tot ik--nu, tot ultimo October,"
eindigde hij kortaf. "O, zij wilden allen wel wachten; het had geen
haast--beware! Ik was immers de neef van tante Stontheim en op het
punt, hare nicht te huwen--"
"Hoeveel bedragen uw gezamenlijke schulden?" vroeg zijne grootmoeder.
Hij maakte een afwijzende beweging met de hand. "Wat kan dat
schelen? Ze kunnen toch niet betaald worden!"
Een lange stilte ontstond. Army beschouwde schijnbaar zeer aandachtig
een Italiaansch landschap in een vergulde lijst. Buiten was de wind
hevig opgestoken; hij huilde in den schoorsteen, en joeg de vonken
over het oude tapijt tot op het zwarte, wollen kleed der oude dame.
"Army, er is slechts één middel, om u en ons te redden!"
Hij keerde zich langzaam om en zag haar vragend aan.
"Gij zoekt zoo spoedig mogelijk een andere rijke partij."
"Wat bedoelt gij, grootmama?"
"Er zijn meisjes genoeg, rijke, knappe meisjes, die zich een man
koopen, zooals men dat noemt--"
"O, zoo, ik begrijp u," antwoordde hij los weg.
"Bedenk, Army! het betreft hier niet alleen uwe toekomst, het geldt
ons allen."
"Hebt gij mij nog iets anders mee te deelen?" vroeg hij op een toon,
die verstommen deed. "Niets? Dan zult gij mij wel vergunnen afscheid
te nemen; ik wilde graag weten hoe het beneden gaat." Hij boog zich
en ging heen.
Bijna werktuigelijk richtte hij zijne schreden naar de ziekenkamer;
in het voorvertrek bleef hij staan; het was alsof hij daar binnen
hoorde fluisteren; toen ging hij naar het raam en drukte het voorhoofd
tegen de ruiten.
Hetgeen zijne grootmoeder hem zooeven gezegd had, was als een bijtend
vocht in de versche wonde, hem toegebracht. De hevige pijn dreef
hem het bloed naar de wangen, voor zijne oogen zweefde nog steeds
een aanlokkelijk beeld, dat hem steeds vervolgde, al deed hij ook
duizendmaal zijn best het te verbannen; hij zag haar steeds voor zich,
zooals zij er uitzag op dien dag na de opening van het testament,
toen het zoo kalm en rustig geworden was in de prachtige villa;
alle bezoekers waren vertrokken, de overste was in een andere
kamer ingedommeld, en hij bevond zich alleen met haar--voor de
eerste maal sedert langen tijd. Hoe schoon was zij in dat donkere,
met krip gegarneerde rouwgewaad, die gouden vlechten, met zwarte
strikken saamgebonden! Zij lag peinzend in haar stoel, terwijl hij
tot haar sprak; hij sprak van zijne liefde, van zijn verlangen haar
te bezitten, van het zalig gevoel dat zijn hart vervulde. Of zij wel
naar hem geluisterd had? De blik, dien zij op hem vestigde, toen hij
hare hand greep, was hem als koud ijzer op het hart gevallen, en had
hem met een angstig voorgevoel vervuld; in den loop van het gesprek
was zij plotseling opgestaan en achter het deurgordijn verdwenen;
het prachtige, goudkleurige haar zag hij nog even, toen het gordijn
door den tocht van de opengaande deur omhoog waaide; toen was hij
alléén met zijn overvol, bedroefd hart. Zij had hem nooit bemind, liet
zij hem zeggen; zij had zich slechts naar den wensch harer tante met
hem verloofd! En dáár boven, die gele, verdorde, vliegende bladeren
in de lindenlaan, die hadden het gehoord, hoe zij hem trouw zwoer:
hoe zij hem duizendmaal verzekerde, dat zij hem liefhad, liever dan
alles op de wereld, en nu--nu was alles voorbij. Verkoopen zou hij
zich--verkoopen, zooals grootmama hem geraden had!
"Neen, liever nog een kogel--een kogel!"
Hij kreunde en drukte de tanden op elkaar; waar was toch het geluk
gebleven, waaraan hij zoo hoogmoedig geloofd had? De oude spreuk schoot
hem te binnen: "Wanhoop nimmer, 't geluk kan iederen dag komen." Hoe
dwaas, waarom had het geluk hem zoo spoedig verlaten?
Daar klonk een zachte tred achter hem; hij keerde zich om--een
hoogblozend gelaat zag tot hem op. "Uwe moeder vraagt naar u,
luitenant," sprak halfluid een heldere stem. Hij ging Liesje voorbij
naar de ziekenkamer, en zij trad naar het venster, waar hij tot nu
toe gestaan had. Buiten viel een fijne regen, die den omtrek in een
vochtigen sluier hulde; zij staarde naar het huis harer ouders daar
beneden, maar kon het door de dikke lucht niet onderscheiden. "Wat
zouden zij daar nu wel doen,--mijn moedertje, mijn vader en tante
Marie? Zou mijn vader niet op de jacht zijn? Och neen, hij heeft
het zoo druk op het kantoor, sedert de heer Selldorf zoo plotseling
vertrokken is." Weder vloog een donker rood over hare wangen.
In het nevenvertrek was het eerst stil; de deur stond half open;
Army lag geknield bij het bed zijner moeder, en nu klonk het:
"Mijn lief moedertje, dacht gij dat ik doen zou als de jonker van
Streitwitz? Neen, neen, ik heb u immers nog en Nelly." Zijne stem
klonk teeder en vertroostend, en toch was het, alsof met moeite
weerhouden tranen de woorden onverstaanbaar maakten. En daarop de
zwakke stem zijner moeder; Liesje kon de woorden niet verstaan, maar
uit den toon der afgebroken woorden klonk het als een zoet vertroosten,
als een blijde dank, dat zij haar zoon in de armen hield, de gansche
onovertroffen volheid der moederlijke liefde, die helpen, steunen,
raden wilde; zoo kalm, zoo zacht klonk het, alsof het gold een ziek
kind in slaap te sussen.
En daar opeens--was het werkelijk mogelijk? Dat klonk als weenen,
als met geweld onderdrukt gesnik. Zou Army--? Liesje keerde zich
plotseling om en luisterde met verbleekend gelaat--weenen de mannen
dan ook? Zij ijlde naar de deur; zij wilde weg; hij mocht niet weten,
dat zij gehoord had, hoe hij--Daar kwam hij uit de kamer zijner moeder,
ernstig en de lippen op elkander gedrukt; maar de oogen--ja, die waren
nog nat van de tranen, die hij geweend had--om zijn verlorene bruid.
Zij stond vlak voor hem, de handen op de borst gevouwen, als wilde
zij hem om vergeving vragen, dat zij hem zóó gezien had. Ook hij stond
stil; hij zag haar aan en las innig medelijden in haar oogen. Kwam de
herinnering weder bij hem boven aan den tijd, toen het kleine meisje
den wilden knaap zoo dikwijls troostte, als hij bij hunne kinderspelen
zijn geduld verloor en van spijt heete tranen weende?
"Liesje," sprak hij vriendelijk en dankbaar, en reikte haar de hand.
"Army, lieve Army," klonk het door snikken half verstikt terug;
hij voelde een oogenblik haar kleine hand in de zijne; toen was
zij verdwenen.
Twaalfde Hoofdstuk.
In het slot Derenberg was alles weder tot het eentonige leven van
vroeger teruggekeerd. Na Army's vertrek was het zeer stil geworden
in het oude slot. De nood sloop door de groote, ledige zalen en met
hem--de zorgen.
"Gij _moet_ raad schaffen, Hellwig," had de oude barones tegen
den getrouwen raadsman der familie, half biddend, half bevelend
gezegd. "Gij _moet_! Binnen korten tijd moet er geld zijn, opdat het
onweder niet nu boven mijn kleinzoon losbarst! Het verdere schikt
zich later. Komt tijd, komt raad!"
En de oude man had met een bezwaard gemoed de belofte gedaan,
te zullen beproeven "den duivelschen jongen, dien Army, uit den
brand te helpen;" maar tevens had hij er naar gevraagd, op welke
wijze de barones het verdere dacht te schikken? En toen zij op haar
zenuwachtige manier den vriend der familie eenigszins had laten
vermoeden, van waar zij redding hoopte, had hij bijna weemoedig
geglimlacht, en een vragend "nog eens dat gevaarlijke middel?" was
over zijne lippen gekomen. "God geve," had hij er bij gevoegd, "dat
het deze maal beter uitvalt! Voor het overige, mevrouw de barones,
gaat het tegenwoordig zoo gemakkelijk niet meer, als gij denkt; de
wereld is in den laatsten tijd onaangenaam praktisch geworden; vaders,
die zulk een jongen adellijken windbuil met open armen ontvangen en
er eene eer in stellen, zijne kolossale schulden te betalen, worden
steeds zeldzamer--het geld is schaarsch, zeer schaarsch, mevrouw de
barones! Maar wat lichtzinnigheid is het ook, om equipages en zijden
meubels voor mejuffrouw de bruid aan te schaffen! Dat was later vroeg
genoeg; men moet de huid van den beer niet verkoopen, eer hij gevangen
is. Gij, barones, die zooveel ondervonden hebt in uw leven, gij hadt
den jongen bij de ooren moeten krijgen, en hem _mores_ moeten leeren;
hij was vroeger altijd gemakkelijk te leiden."
De oogen der jongere barones hadden zich verwijtend op hare
schoonmoeder, smeekend op den ouden man gericht; de smeekende oogen
hadden hem zoo ver gebracht, dat hij ten minste beloofde, zijn best
te doen---
Liesje was reeds lang naar het ouderlijke huis teruggekeerd, en
had den innigsten dank van Nelly en hare moeder meegenomen. Zij
kwam bijna dagelijks in het slot, en haar vroolijk gekeuvel, haar
vriendelijke verschijning bracht uren van zonneschijn in die stille,
hooge vertrekken; Nelly vergat dan voor een poos hare droefheid,
om zich trouwens later dubbel ellendig te gevoelen.
Hoe goed heeft zij het! dacht zij, wanneer hare vriendin zoo vlug door
de nu geheel ontbladerde lindenlaan, naar huis ging. Zij stelde zich
het aangename "te huis" van Liesje voor, en zag in haar verbeelding,
hoe zij den arm om den heer des huizes heensloeg, en hem haar lief
vadertje noemde, op wien zij zoo trotsch, zoo trotsch kon zijn--en
dan vloeiden weder Nelly's oogen over van bittere tranen.
Zoo was November gekomen, met zijn donkere dagen; de stormen huilden
weder om het oude slot, zooals zij reeds eeuwen gedaan hadden; zwaar
en vochtig dreven de wolken over het landschap, en regen, vermengd
met sneeuw, sloeg kletterend tegen de ruiten. Zulk weder oefent zijn
invloed op elk menschelijk wezen, en vooral op eene zieke, die zoo
zeer behoefte heeft aan opwekking, en onwillekeurig komt de vraag op
de lippen: "Zal voor mij wel ooit de zon weer schijnen? Zullen voor
mij de stormen wel ooit weder zwijgen? Gelukkig de mensch, die hopen
kan, ook in dagen van diepe smart!" Zij fluistert toch nog altijd
vertroostende woorden tot de verslagene ziel, en schildert op den
donkeren achtergrond lichtende arabesken en bekoorlijke bloemkransen,
waartusschen allerhande gelukkige, vurig verlangde beelden der toekomst
doorschijnen; de weenende oogen kunnen dan weder met vertrouwen opzien
en de benauwde borst haalt ruimer adem; alles kan immers nog goed
worden! En de tijd ging voorbij; eentonig en langzaam kropen de dagen
voorbij. Wekelijks kwam er van den ver verwijderden zoon een brief,
dien de moeder met angst en hartkloppingen openbrak; telkens vreesde
zij, er een slechte tijding uit te zullen vernemen! "Bespeurt gij
wel, hoe ongelukkig hij is, zoo verstrooid, zoo geheel anders dan
vroeger?" zuchtte Nelly dan en herlas telkens en telkens weder den
brief, wiens kortheid een diep bedroefd hart scheen te verraden.
"Het gaat hem goed," was de oude barones gewoon minachtend te
zeggen; "hij hoopt het ook van ons; hij heeft veel dienstzaken te
verrichten--_voilà tout!_ Hij is geen man; anders zou hij alle pogingen
in het werk stellen, om het uiterste te voorkomen. Och hemel! dat ik
in zijne plaats ware, zóó jong, en het leven vóór mij! Die onzalige
gevoeligheid, die uit louter droefheid over het verlorene, den moed
niet heeft om naar een nieuw geluk te streven--Orribile! Het is ons
aller ongeluk; ik had nooit gedacht, dat hij ook zoo was."
En bevend van ergernis zette de oude dame zich neder om een brief
aan haar kleinzoon te schrijven, en hem moed in te spreken, en een
anderen aan Hellwig, ten einde hem aan te sporen, de zaak betreffende
de schulden zooveel mogelijk op te houden.
November was ten einde en December kwam met zijn stormen; zij huilden
in de hooge schoorsteenen en deden de roestige weerhanen op de torens
knarsend gieren; zij bogen en schudden de oude boomen in het bosch;
de regen kletterde evenals vroeger tegen de ruiten, en doorweekte de
paden in het park, totdat in een helderen winternacht de felle vorst
gekomen was, die de wegen zoo hard en glad als een rijbaan maakte;
hij bedekte den dijk met een spiegelblanke ijskorst, en de velden en
wegen met de eerste fijne sneeuwvlokjes.
"Het is binnenkort Kerstmis," zeiden de lieden in het dorp en
verheugden er zich over. "Het is spoedig Kerstmis, mama," sprak ook
Nelly tot de sukkelende vrouw, die bij den haard zat te breien,
maar in haar gelaat blonk geene vreugde bij het vooruitzicht van
het heerlijke feest; "of Army ook zal komen?" vervolgde zij vragend,
en hare moeder omhelzende, zeide zij: "lieve mama, ik wil geen enkel
geschenk hebben, als Army maar komt."
"Nu is het spoedig Kerstmis," riep Liesje hare tante juichend tegemoet,
toen zij des morgens alles met sneeuw bedekt zag--het klonk zoo
hartelijk opgeruimd, dat de oude vrouw haar verbaasd aanzag. Was
dat meisje dan in de laatste weken niet geheel veranderd? De oude
dartelheid, die haar zoo bekoorlijk stond, waarmede zij ieders
hart won, blonk weer uit hare groote, blauwe oogen; hare wangen
bloeiden weer even rooskleurig, als vroeger, en dit wonder was
klaarblijkelijk geschied, toen zij--ja, toen zij uit het slot naar
huis teruggekeerd was. Evenals vroeger schertste zij met haar vader,
en voerde allerlei guitenstreken uit, die zelfs hare moeder hartelijk
deden lachen.
En nu was Kerstmis aanstaande. Toen de oude vrouw haar aanzag,
fluisterde de kleine mond dicht aan haar oor, en zij verstond zoo iets
van Christeskindje, van Kerstboomen, en Kerstgeschenken en van iets
zoo heel, heel fraais voor tante, als zij zich niet kon voorstellen.
En al deze vreugde en dit gejubel was in een enkel oogenblik te
voorschijn geroepen: het enkele woord "Liesje!" uitgesproken op een
teederen, dankbaren toon, en een enkele, vluchtige handdruk!--
En eindelijk was de heilige avond aangebroken over de wijde wereld;
hij bracht in elk huis een helderen lichtglans; hij ontstak de kaarsen
aan de groene boomen, in paleizen en hutten; en deze wierpen hun
licht op vroolijke gezichten, op kostbare en eenvoudige geschenken;
de kerkklokken luidden in de stille, koude winterlucht en noodigden de
menschen tot een plechtige, dankbare feestviering; en hoog boven de
verheugde wereld spreidde de hemel zijn donkeren blauwen mantel uit;
in schitterende, fonkelende pracht straalden de sterren naar beneden,
en "Eere zij God in den hoogen," klonk het tot haar naar boven,
"in den menschen een welbehagen en vrede op aarde!"
"Vrede op aarde!" Er waren ook woningen, waar de weldadige gast
geen ingang vond, en harten, zeer vele harten, die geen ruimten voor
feestvreugde hadden, omdat leed en smart hen geheel vervulde! En op
geen dag drukt de zorg zulk een arm menschenkind dieper ter neder,
gevoelt het de smarten meer dan op dien, waarop zich allen verheugen,
waarop de vrede moest nederdalen in alle harten, alléén in het zijne
niet; waarop de bange vraag naar boven rijst; waarom ben ik--waarom
zijn wij uitgesloten van de feestvreugde?
Diezelfde vraag stond ook te lezen in de oogen van het jonge meisje,
dat daar aan het venster stond en in den helderen avond naar buiten
zag. "Daar beneden in den molen zijn de ramen helder verlicht; daar
brandt de Kerstboom," fluisterde zij zacht, en drukte smartelijk de
handen op de borst--welk een verlangen overviel haar naar zijne helder
verlichte en versierde takken! Liesje had haar gevraagd te komen; zij
moest toch ten minste de lichten op den boom zien branden; maar neen,
waartoe zou dat dienen? Wat ging haar des molenaars Kerstboom aan? Het
was de hare toch niet, en waarom zou zij Liesjes gelukkig gelaat
aanschouwen? Hare sombere, stille woning zou baar daarna nog eens
zoo treurig hebben toegeschenen. Zij keerde zich om en ging naar den
stoel harer moeder, om haar wang tegen het lieve gezicht te vlijen. Zij
tastte met de hand, maar vond slechts het ledige kussen. "Mama," riep
zij zacht--het bleef stil. "Nu is ook zij naar grootmama gegaan,"
fluisterde zij en viel in den zachten stoel neder. "Allen verlaten
zij mij, och, dat ze toch terugkwamen! Mama en Army, o ja, Army is
dáár"--dat was toch nog een zoete troost. Morgen zou hij zeker wel
niet meer zooveel met grootmama te spreken hebben over zaken; wat
kunnen zij toch voor belangrijks te verhandelen hebben sedert zijn
aankomst? Zou het nog altijd over Blanka zijn?---
Nelly vergiste zich; hare moeder was niet boven, waar de oude barones
met den jongen officier een onderhoud had over zaken--leelijke, niet
zeer stichtelijke zaken, die niets gemeen hadden met den geest van
het Kerstfeest.
"Tot Nieuwjaar--nog maar acht dagen!" sprak de oude dame, en zag
somber voor zich.
"Tot Nieuwjaar," bevestigde Army, die voor haar stond.
"En gij zegt, Hellwig weet geen raad?"
"Zoo zeide hij--"
"Maar dio mio! Het is toch anders voor een officier niet zoo moeilijk,
geld te krijgen?"
"Anders? Gij vergeet, grootmama, dat onze omstandigheden voldoende
bekend zijn. Geen bankier leent mij geld, met de zekerheid, het te
verliezen, en dan nog zulke sommen! Het eenige, wat ik bewerken kon,
was--uitstel tot Nieuwjaar."
"En hebt gij geene moeite gedaan het middel te beproeven, dat ik u
als de éénige redding aanwees?"
Hij zag haar fier aan. "Neen, mijne schuldeischers gaven mij
werkelijk denzelfden raad en wilden mij er wel behulpzaam in zijn;
maar duizendmaal liever naar Amerika en werken als een knecht, dan
zulk een juk op mij te nemen!"
"Zooals gij wilt!" sprak de oude dame koel, "het is uwe zaak en niet
de mijne."
"Juist zoo!" lachte hij. "Maar laat de geheele historie naar den duivel
loopen! Ik ben hier niet gekomen om u mijn nood te klagen; ik wil
het Kerstfeest met u vieren; het Kerstfeest!" herhaalde hij spottend.
"Goed dan!" klonk de stem der grootmoeder. Dan zal ik raad zien
te schaffen; er zijn nog wel menschen in de wereld, die den naam
Derenberg niet vergeten hebben. Morgen--neen, van avond nog schrijf
ik aan den hertog van R.
Om Army's lippen zweefde een bittere lach. Hij dacht aan het schilderij
boven in de familiezaal, dat zijne grootmoeder voorstelde, hoe zij,
als een schoone, jonge vrouw, den hertog de hand bood als welkomstgroet
in haar gastvrij huis. "Bedelarij!" klonk het verachtelijk in zijn
binnenste; hij voer met de hand over het voorhoofd, en sloeg een
blik op de statige, zwarte vrouw tegenover hem, die zoo onbewegelijk,
met een uitdrukking van vastberadenheid op het gelaat, bij de tafel
stond. Hij had medelijden met haar, de trotsche vrouw; hij wist, dat
het haar onuitsprekelijk zwaar zou vallen, zulk een brief te schrijven.
"Doe dat niet, grootmama!" bad hij vriendelijk, "gij moogt u niet
zoo vernederen--"
"Neen, ik laat het niet," was het antwoord, "want ik zie, dat ik de
eenige ben, die misschien nog uitkomst vinden kan, hoewel ik maar
een oude vrouw ben."
"Maar, grootmama! zal de oude heer zich uwer nog herinneren?"
Zij lachte. "Zult gij ooit het beeld uwer bruid vergeten?" vroeg zij,
en de zwarte oogen schoten stralen uit hun brandenden gloed. "Zeker
niet! Evenmin vergeet de hertog van R. Leonore van Derenberg, want hij
heeft mij liefgehad, Army! van het oogenblik af, dat hij mij voor het
eerste zag. Hij was toen nog erfprins; mijn man stelde mij ten hove
voor; er werd juist een feest gevierd--ik weet niet meer ter eere
van wie; en, toen ik door de bonte menigte, die de helder verlichte
zalen vulde, aan den arm uws grootvaders vooruit trad, dewijl het
hertogelijke paar mij wenschte te zien, en de menschen rechts en links
ter zijde weken en de vreemde, de Italiaansche, aanzagen, terwijl
ik eene buiging maakte voor het hooge echtpaar--toen werd mijn oor
getroffen door een kreet van verrassing, en toen ik mijne oogen ophief,
ontmoetten zij die van een schoon jong man, welke mij bewonderend
aanstaarden. Ik was zeventien jaar, Army, en wat bedwelmt eene vrouw
meer, dan bewonderd te worden en--voorbij, voorbij!" fluisterde zij,
"waartoe het verledene weer te voorschijn te roepen!"
"En"--vervolgde zij peinzend, zonder acht op zijn gloeiend gelaat te
geven, "hij kwam dikwijls naar Derenberg; hij was mijn cavalier bij
elke gelegenheid, tot hij een verre reis ondernam--die goede ouders,
zij waren bezorgd over hem, en mijn echtgenoot was de belachelijkste
Othello, dien de wereld ooit zag; hij haatte den levenslustigen
prins, omdat mijne lippen lachten als hij sprak, en mijne oogen,
schitterden als ik hem zag, iets dat zij reeds bijna verleerd hadden;
alles wat mij omgaf, droeg immers den stempel der verveling, de hemel,
de aarde, de menschen, zelfs de feesten die mijn echtgenoot gaf. Hij
was het, die in overeenstemming met de vorstelijke ouders, den vlinder
verwijderde, die zoo onstuimig om de kaars fladderde--echt burgerlijk,
zooals alles hier te lande! Ik wist het, dat mijn gemaal opmerkzaam
gemaakt was geworden, ik wist, wie hem in den geheel onschuldigen
omgang het ergste deed zien. O, ik heb hem gehaat, mijn zwager, dien--"
"Grootmoeder! en aan dien man wilt gij schrijven? Bij hem bedelen,
omdat hij u eens bewonderde? Bij hem, dien mijn grootvader haatte?"
"Ik ben nu een oude vrouw geworden, mijn kind," antwoordde zij op
hoogen toon, en wierp het nog altijd schoone hoofd in den nek, "en
wat ik doe, heb ik slechts mijzelve te verantwoordden. Toen wij voor
twintig jaar plotseling arm werden, schreef hij mij; hij had de vrouw
niet vergeten, die eenmaal zijn jong hart verrukt had; ik had ons in
eens uit alle drukkende omstandigheden kunnen bevrijden--maar ik wist,
wat ik den naam Derenberg, wat ik mijzelve verschuldigd was." Zij
stond met opgeheven hand voor haar kleinzoon, en haar groote oogen
blonken van edelen trots.
"Meent gij, dat het mij licht valt aan hem te schrijven?" ging zij
voort, "ik doe het om uwentwil, Army, want het weinigje ongeluk, dat u
trof, heeft uwe hand verlamd, en heeft van u gemaakt een weekhartigen
droomer in plaats van een sterken man met een vasten wil; daarom zal
ik in uwe plaats handelen!" Zij ging hem voorbij en verdween in de
naaste kamer; de deur vloog zoo krachtig en snel achter haar dicht,
dat de roode gordijnen omhoog waaiden.
Army stond onbeweeglijk bij den schoorsteen; nu en dan schudde hij
zacht het hoofd, en een bittere lach zweefde om zijn mond. Plotseling
was het, alsof zijn gebogene gestalte zich in zijn volle lengte
oprichtte, als trof hem eene gedachte, een besluit dat hem--
"Army," riep een zachte stem, en het blonde hoofdje zijner zuster
kwam tusschen de plooien van het deurgordijn te voorschijn; "Army,
kom toch beneden! gauw! Mama stuurt mij." Zij was de kamer ingeslopen,
en drukte zich tegen hem aan. "Weet gij wat ik geloof?" fluisterde zij,
"mama heeft zeker een Kerstboom ontstoken; er schijnt zulk een helder
licht onder de deur door."
Hij staarde in de donkere oogen, die zoo kinderlijk blijmoedig tot
hem opzagen.
"Spoedig," smeekte zij, "grootmama gaat toch niet mee; zij mag immers
den Duitschen Kerstboom niet lijden."
"Ja, kom Nelly!" zeide hij, en de arm om zijne zuster heen slaande,
verliet hij ijlings met haar het vertrek.
Dertiende Hoofdstuk.
Het begon reeds te schemeren, toen Liesje boven in haar kamertje een
sierlijk korfje vol kleinigheden pakte; telkens voegde zij er nog
iets fraais bij; eindelijk sloot zij het, en een halfluid: "zie zoo,
het is vol marsepein en chocolade--dat lust zij het liefste," kwam
over hare lippen. Zingend trok zij het met bont gevoerde jakje aan,
dat gisteravond onder den Kerstboom had gelegen, en zette het daarbij
behoorende mutsje van zwart fluweel, met een rand van marter omzoomd,
vluchtig op de bruine vlechten; zij bekeek zich in den spiegel en
begon op eens te lachen.
"Precies een jongen! Tante heeft wel gelijk," sprak zij en zette het
sierlijke hoofddeksel wat vaster en midden op het hoofd. "Nu nog de
mof, en dan spoedig weg; want ik moet tijdig weer terug zijn."
Zij greep mof en mandje en sprong de trappen af. "Ik ga naar Nelly,"
riep zij, de deur der huiskamer even opendoende.
"Zorg, dat gij op tijd weer tehuis komt, Liesje," vermaande hare
moeder; "anders wordt oom de dominé boos en worden de kinderen
ongeduldig. Gij weet, om zeven uur wordt voor hen de Kerstboom
aangestoken--"
"Ja, ja, zeker," riep Liesje, en weg was zij.
Tante Marie zag haar na, toen zij over den molenbrug ging. "Och lieve
hemel!" dacht zij, "hoe zal het er daar op het slot uitzien? Daar
zullen de Kerstgeschenken ook wel niet rijkelijk zijn uitgevallen."
Liesje zat reeds sedert een kwartier naast Nelly bij den haard te
praten; tegen haar over zat Army op zijn gemak in een grooten stoel;
hij was in diep gepeins verzonken, en luisterde slechts nu en dan,
wanneer een der beide meisjes hem met een hartelijken lach uit zijne
mijmering wekte.
"..... En moeder kreeg van vader een pillendoos," vertelde Liesje,
"waarop geschreven stond: 'de beste medicijn', en waarin reisgeld lag,
om naar Italië te gaan.--Gij weet immers, Nelly, de dokter heeft altijd
tegen mama gezegd, dat zij den winter hier niet moest doorbrengen, maar
zij was er altijd tegen; nu echter heeft zij half en half toegegeven--"
"Zij gaat toch niet alleen?" vroeg Nelly.
"Neen, papa gaat in ieder geval meê, en--"
"Nu, en?"
"En ik," voegde Liesje er dralend bij.
"En zijt gij daar niet heel blij om?" riep Nelly opgewonden. "Hè,
naar Italië; hoe mooi moet het daar zijn!"
"Neen, ik blijf liever bij tante tehuis; ik ben immers goed gezond;
en schooner dan hier, zal het dáár wel niet zijn."
"O, Liesje, hoe dwaas!" bestrafte Nelly.
"Ja zie, Nelly! Gij moet mij niet voor zoo dwaas aanzien, maar ik
heb er nog een andere reden voor. Gij moogt mij niet verklappen,
want ik heb er nog niets van tegen vader gezegd. Zie, Bertha van onzen
meesterknecht in den molen lijdt aan eene borstziekte; de dokter zegt,
dat alleen een verblijf in Vevey of Montreux haar kan genezen; zij is
veel zieker dan moeder, en nu zou ik graag zien, dat Bertha in mijne
plaats meeging; ik ben nog jong, misschien kom ik nog wel eens in
"_la bella Italia_", zooals uwe grootmama zegt."
Army stond plotseling op en ging naar het venster. Het jonge
meisje had zachtjes gesproken, maar desniettemin was hem geen woord
ontgaan. Dat was nog altijd de goedhartige Lise van vroeger, die
haar boterham aan arme kinderen en hare blinkende driepenningstukken,
die tante zoo zorgvuldig voor haar verzamelde, aan den eersten den
besten handwerksjongen weggaf; zij schudde nog zoo, half trotsch,
half bedeesd, het hoofdje, wanneer zij beknord werd. En dan rees
een ander beeld voor zijn oog, een kleine, teedere gedaante, met
goudkleurig haar--die terugdeinsde voor bedelaars, en dat "gemeen",
met een wenk harer kleine hand onbarmhartig van haar deur verdreef;
die met minachting haar kleed dicht om zich heen trok, wanneer op de
wandeling een kreupele smeekend zijne handen naar haar uitstak. "Geef
hem niets, Army," had zij gezegd, "ik word er wee van, kom, kom--tante
betaalt overvloedig armengeld." Zóó ging _zij_ den armen natuurgenoot
voorbij, met haar geparfumeerden kanten zakdoek voor den neus.
Buiten lag het park sneeuwwit en kalm; iedere boom stak duidelijk
af op den helderen achtergrond, en daar beneden straalde het licht
uit de vensters van den molen. Dat oude, gezellige huis, wat al
zoete herinneringen waren daaraan voor hem verbonden! Hoe gerust en
aangenaam moest het zijn, dáár te wonen, zonder zorgen, zonder angst
voor de toekomst of aanstaande ellende!
"Uit mijn jeugdig leven,
Uit mijn jeugdig leven,
Klinkt mij steeds een lied in d' ooren;
O, waar is gebleven,
O, waar is gebleven,
Wat mij ééns mocht toebehooren?"
klonk het zacht en teeder achter hem; hij keerde zich om--daar
stond zij bij de oude pianino, de slanke, tenger gebouwde
meisjesgestalte,--het hoofdje wat voorover gebogen, en bij het flauwe
licht, dat de lamp in dien hoek van het vertrok verspreidde, meende
Army te zien, dat een zachte blos zich over Liesjes gelaat vertoonde.
"Toen ik afscheid nam,
Toen ik afscheid nam,--
Lachte mij het leven toe;
Toen ik weder kwam,
Toen ik weder kwam,
Was mij alles droef te moê--"
Liesjes stem klonk diep weemoedig.
"Nu het laatste vers," verzocht Nelly; "mama hoort het zoo graag."
"Ik kan niet meer," antwoordde zij zacht en verwijderde zich van
de piano.
"Och, dat spijt mij, Liesje," sprak Nelly's moeder nu, "ook geen
Kerstlied?"
Aanstonds trad zij weder naar de piano:
"Daarboven fonkelt hel een ster,
Die stil op aarde ziet,
En 't Eng'lenheir, dat zingt van ver
Een jub'lend Kerstnachtlied.
En om de schaam'le kribbe straalt
Een wonderheerlijk licht;
Een kindje ligt op 't harde stroo,
Met godd'lijk aangezicht.
Verblijdt u dan in dezen stond,
Die vrede op aarde geeft!
Zoo klinkt het uit der Eng'len mond,
Nu Jezus Christus leeft!
Knielt neer van verre en van nabij,
Gij menschen groot en kleen,
En dankt den Heer op zijnen troon,
Nu 's werelds licht verscheen!"
Zachtkens stierven de tonen van het oude Kerstlied in het hooge vertrek
weg; geen geluid werd gehoord, bij ieder had dit lied verschillende
herinneringen opgewekt, die echter alle in denzelfden grond hun
oorsprong hadden.
De sukkelende vrouw, in dien grooten stoel, zij herinnerde zich den
tijd, toen zij als jonge moeder haar knaap die woorden leerde, opdat
hij ze voor zijn vader onder den prachtigen Kerstboom zou opzeggen;
zij zag weder den fermen jongen, om wien zij haar arm geslagen had,
voor den knappen man staan; zij was naast het kind neergeknield
en vouwde zijn kleine handjes biddend saam; van de takken des booms
straalde licht; en licht werd teruggekaatst uit de helder schitterende
kinderoogen; hij moest immers wel trotsch zijn op zijn zoon.... "Bid
nu, mijn jongen!" en de heldere kinderstem had zoo roerend, ernstig
geklonken:
"Verblijdt u dan in dezen stond,
Die vrede op aarde geeft!"
Den jongen man stond deze avond niet voor den geest; die was uit zijn
geheugen gewischt; maar hij zag zich met twee kleine meisjes daar
beneden in de kamer van tante. Beiden zaten op bankjes aan de voeten
der oude vrouw, de lieve mondjes wijd geopend, en de oogen ernstig
voor zich uitziende; zij zongen, hoewel niet volgens de regelen der
kunst, toch dapper en gloeiend van Kerstvreugde:
"En om de schaam'le kribbe straalt
Een wonder heerlijk licht,
Een kindje ligt op 't harde stroo--"
"Army zingt niet mede, tante!" had de grootste gezegd en haar vragend
aangezien.
"Dan krijgt hij straks ook geen peperkoeken, als Ruprecht de knecht
komt," was het antwoord geweest.
Toen was de kleine naar hem toegetrippeld. "Army meezingen!" had zij
met tranen in de blauwe oogen gewaagd, en toen hij overmoedig de blauwe
lokken schudde, had zij wanhopig haar gezichtje met de handen bedekt,
Daarop was Ruprecht de knecht gekomen, met een grooten, zwaren pels
om; hij had met de noten in den zak gerammeld en dreigend eene roede
voor den dag gehaald. "Zijn de kinderen zoet, tante?" had hij met
een diepe basstem gevraagd; "kunnen zij ook bidden?"
Ja, de meisjes wel; maar die daar, die jongen, is een kleine stijfkop,
die zijn Kerstlied niet zingen wil; neem dien maar stilletjes mee naar
uw sneeuwhol, heer Ruprecht!" En toen was het kleine meisje, bitter
schreiend en haar angst vergetend, naar den gevreesden man toegeloopen.
"Neen, neen, lieve oom Ruprecht, neem Army niet mee! Hij is niet
stout; ik wil ook geen enkelen peperkoek hebben." En Nelly was ook
gaan schreien, zoodat knecht Ruprecht ten slotte was vertrokken,
zonder een gebed gehoord te hebben, terwijl de troostwoorden van
tante en het geween der meisjes hem achterna klonken. Hij alleen,
die ondeugd, schreide niet; hij lachte, toen de laatste slip van den
pelsmantel verdwenen was; hij hield stijf en stok staande, dat het
niet knecht Ruprecht, maar Peter, de koetsier, geweest was, in den
omgekeerden pelsjas van oom molenaar.
Aan al deze kinderlijke ervaringen dacht Army, en onwillekeurig ontviel
hem de vraag: "Weet gij nog wel?" Toen zweeg hij, verschrikt over
zijne woorden, die zoo duidelijk verstaanbaar door het stille vertrek
klonken; zij waren immers reeds lang voorbij, die kinderdroomen--hij
was een man geworden. Een man? Neen, een verwijfde droomer, dien een
weinig tegenspoed verlamd had! Daarboven zat zij nu, de oude vrouw,
en schreef om hem te redden een brief, die haar moeite kostte, die
haar zwaar viel, en zij deed het, omdat hij geen man was.
"Ik moet naar huis." Liesje nam haar jakje van den stoel.
"Och, blijft gij van avond niet?" vroeg Nelly.
"Ik dank je, ik kan helaas niet," antwoordde zij aarzelend; "de
dominé's-familie komt van avond bij ons, en gij weet wel, Nelly,
dan durf ik niet wegblijven.
"Dat is zoo, maar komt gij spoedig weer?"
"Zeker!"
"Mag ik u te huis brengen," klonk op eens Army's stem.
"O neen, ik dank u," stamelde zij verlegen, "ik--"
"Het is vandaag een feestdag--gij zoudt beschonken lieden kunnen
ontmoeten," sprak hij, haar antwoord afsnijdend, en greep naar muts
en degen.
Het was een wonderschoone winteravond, die daarbuiten over de
Kerstnacht-vierende aarde gedaald was; in ademlooze stilte lag het
landschap in een sneeuwkleed gehuld, overwelfd door een hemel, waaraan
duizenden starren in de heldere, koude lucht fonkelden. Beneden in
het dorp kwamen de verlichte vensters onder de besneeuwde daken te
voorschijn, en hier boven aan den kruisweg, bij de met sneeuw bedekte
zandsteenen bank, daar stond een rijzig paar; hoe verwonderd breidde
de kale lindeboom zijne takken over de jeugdige hoofden uit, als om ze
voor aller oogen te verbergen. Is het nu tijd tot minnekoozen? schijnt
ieder takje te vragen, thans, nu er geen enkele nachtegaal zingt en
geen groen takje een liefdegroet kan fluisteren?
En toch--het meisjeshoofdje rust zoo stil aan zijne borst, en in de
blauwe oogen ligt een oneindige hemel van liefde en geluk.
"Zou ik u kunnen helpen, Army, om uw leven minder somber te maken? Is
het waar?"
"Als gij dat wilt, Liesje," antwoordde hij zacht en kuste haar op
het voorhoofd.
"Of ik het wil?" vroeg zij blozend, en vlijde zich dichter aan hem. "Of
ik gelukkig wil zijn--?"
Hoe was het toch gekomen? Hoe was zij wel te moede, toen zij alléén
het pad naar den molen insloeg? Als in een droom hoorde zij zijn
ernstige woorden, voelde zij den kus op haar voorhoofd branden--en
toch was het de werkelijkheid, zoo even doorleefd, die haar hart zoo
deed kloppen! En morgen--haar kloppend hart stond haast stil, toen
zij de verlichte vensters van haar huis zag--dan zal hij bij haar
vader komen. Zij is verloofd; een gelukkige verloofde, _zijne_ bruid!
Zij bleef staan en zag achterom; daar boven moest hij nu zijn, bij
den eenzamen, ouden linde, die, trots sneeuw en ijs, heden avond
het zoetste geluk zag ontluiken. Zou hij haar liefhebben, waarlijk
lief? Zij schudde het hoofd over dat wonder, dat nooit gehoopte wonder;
zouden vader, moeder en tante het niet aan haar zien, dat zij--? Neen,
neen, nu nog niet; als de gasten vertrokken zijn, wil zij het haren
vader zeggen, dat er morgen iemand komen zal, die--
Zij trad de huisdeur binnen; die oude schel had heden ook zoo
afschuwelijk hard geklonken, en zij wilde graag eerst stil naar haar
kamertje gaan. Neen, dat ging niet, want juist deed tante de deur
der huiskamer open.
"Wel, gij uitblijfster!" klonk vriendelijk de oude stem, "ik wilde
juist Doortje zenden, want ik was bang, dat iemand u onderweg had
meegenomen."
"Goeden avond," antwoordde zij, terwijl haar stem bijna verdween
onder de hevige hartkloppingen, "is het al zóó laat?"
"Nu, dat zou ik denken," sprak de oude vrouw en deed de deur achter
haar dicht. Dáár zat haar vader aan de ronde tafel, en hare moeder
met den predikant op de sofa.
"Zoo, zijt gij daar!" sprak haar vader vriendelijk en trok haar naar
zich toe. "Wat zegt gij daar wel van, Lise? Denk eens, de kinderen
in de pastorie hebben de scharlakenkoorts en kunnen niet komen,
is dat niet treurig?"
"Zeer treurig!" herhaalde zij; maar hare oogen schitterden zoo,
en om haar mond speelde een gelukkig lachje; dat was geheel in
tegenspraak met hare woorden. Vroeger zou zij in luide weeklachten
zijn uitgebarsten, maar vandaag--zij lette ternauwernood op hetgeen
haar werd medegedeeld.
"Een oogenblik slechts--ik zal boven mijn goed afdoen; ik kom dadelijk
terug," en weg was zij.
"Wat scheelt het kind?" vroeg hare moeder angstig.
Het kind echter stond, diep ademhalend, boven in haar kamertje. Haar
jakje en muts werden op een stoel gesmeten, en zij zelve viel voor
haar bed op de knieën, zooals zij elken avond gewoon was te doen; zij
drukte het gloeiend gelaat in de kussens en vouwde hare handen, maar
geen woord kwam over hare lippen; slechts in haar hart vermengde zich
een verward dankgebed met een ongekende vrees en een onuitsprekelijk
gevoel van geluk. Eindelijk sprong zij op, en opende het raam, "daar
boven, daar boven," fluisterde zij, en groette met de hand, alsof hij
haar zien kon. Of hij nu aan haar dacht? Of hij al aan zijne moeder
bekend had, dat hij de kleine Liesje uit den molen omarmd en gekust
had? En Nelly?
"Liesje, Liesje!" riep men van beneden.
"Aanstonds!" antwoordde zij; haar stem klonk, alsof ze opgeschrikt was;
zij nam het licht en zag in den spiegel; een paar gloeiende, donkere
oogen zagen haar uit het glas aan. "_Zijne_ bruid!" fluisterde zij,
"zijne verloofde!" en een donkere blos vloog over haar gelaat; zij
deed snel het licht uit en ijlde naar beneden.
"Zij zijn al in de eetkamer, juffer," riep Doortje haar toe, en
begon toen op eens hard te schreeuwen: "o Hemel, juffer! er is een
verborgene bruid in huis; zie maar--een, twee, drie lichten!"
Het jonge meisje, dat reeds de kruk der eetkamerdeur in de hand
had, keerde zich hoog blozend om--waarlijk, dáár stond Doortje met
de keukenlamp; hier hing de groen verlakte ganglamp aan den wand,
en tante was juist uit hare kamer gekomen en hield de hand voor de
waskaars, waarvan het volle schijnsel op haar oud, goedig gezicht viel.
"'t Is best mogelijk!" sprak zij, alsof ze boos was.
"Meid, ge zijt gek; dat maakt een leven, alsof ze het hoogste lot
uit de loterij heeft getrokken! Een geheime bruid--domme gans! Gij
zult zelve wel het beste weten, wie het is! Aan de tuindeur staat
immers iederen avond een verliefd paar, niettegenstaande de dikke
sneeuw! Ga binnen, kind! Ik volg u," wendde zij zich tot Liesje,
die nog talmend bij de deur stond te wachten en toen met de oude
vrouw naar binnen ging.
Vader, moeder en oom de predikant waren reeds gezeten; de laatste
deed het tafelgebed en daarna verscheen Doortje met een gebraden gans,
die de gastheer begon voor te snijden.
"En weet gij, dominé" zeide hij, een afgebroken gesprek voortzettende,
terwijl hij zijn mes op het slijpstaal aanzette, "het zou een ware
zegen zijn, als het geschiedde; maar gelooven kan ik het niet; men
heeft het al tien jaar lang gezegd."
"Ja, ik kan u ook niets verder zeggen, Frederik," antwoordde de
geestelijke, "als wat ik onlangs te B. van den architect Leonhardt
hoorde; hij zeide, in het voorjaar zou er eene commissie komen, om de
landerijen te onteigenen, en zoodra dit geschied zal zijn, gaat het
bouwen er op los; 't is mij onverschillig, of er een spoorweg komt
of niet! Ik wenschte maar--" hij streek met de hand over het voorhoofd.
"Maakt gij u bezorgd over de ziekte uwer kinderen, dominé?" vroeg de
huisvrouw deelnemend.
"Nog al," antwoordde hij en zag er waarlijk bezorgd uit; "wij
zijn allen in Gods hand, maar het menschelijke hart wordt zoo
licht moedeloos; die verraderlijke ziekte is dit jaar bijzonder
gevaarlijk, in het dorp zijn huis aan huis de kleinen aangetast;
uit menig huisgezin heb ik er één of soms twee ten grave gebracht,
en bij alle onderwerping aan den wil des Heeren, Mina ... kan men
den angst toch niet weren."
"Om Gods wil, oom, is het zoo erg?" Liesje zag hem verschrikt aan;
zij kwam zichzelve eensklaps hoogst liefdeloos voor, dat zij door
haar geluk zijn angst niet eens bespeurd had. "Zal ik meegaan? Kan
ik helpen?"
"Wel beware, Liesje! het is eene zeer gevaarlijke, besmettelijke
ziekte--voor niets ter wereld!" sprak de geestelijke vriendelijk,
en drukte haar de kleine hand, "neen neen, dat zal mijne Rosine alléén
wel klaren; men mag zich niet lichtzinnig in gevaar begeven. Gij zijt
een eenig kind--gij moet u sparen voor uwe ouders; neen, ik dank u,
Liesje; het zal zich wel schikken. Maar ik moet dadelijk na het eten
weder weg; Rosine heeft mij met geweld de deur uitgejaagd."
"Kom, dominé," zeide de gastheer hartelijk, en hief zijn glas op,
"dat het spoedig bij u aan huis beter worde, en alle angst te vergeefs
geweest zij!"
"God geve het!" Het ernstige gelaat van den leeraar klaarde weder op;
"maar genoeg daarover," sprak hij, zich geweld aandoende, "ik wil uwe
feestvreugde niet bederven. Kom, Liesje! lach eens weder. Gij zaagt
er straks zoo gelukkig uit. Wat hebt gij toch met Nelly uitgevoerd? Uw
gezicht was louter lust en vreugde."
Liesje kleurde als een roode roos.
"Nu, daar boven zal het er wel niet zoo schitterend uitzien," merkte
de heer Erving aan.
"Ach ja, daar hebben ze ook een bitter kruis te dragen--dat is waar,"
zuchtte de predikant; "kleine kinderen, kleine zorgen, groote kinderen,
groote zorgen! Zoo gaat het in de wereld."
"O ja!" sprak de oude vrouw, "een beetje vertrouwen op God behoort
daar ook toe; voor den jongen, voor Army, heb ik geen zorg; zulk een
frisch, jong gemoed laat zich door zoo'n beetje valsche liefde niet
neerdrukken; liefdesmart doet nieuwe liefde ontluiken; die zal wel
spoedig een ander liefje hebben."
"O, dat is bijzaak, tante, maar die andere treurige omstandigheden
nog, en--"
Flap! daar was de deur geopend en het jonge meisje verdwenen; en daar
zaten de achterblijvenden elkander met stomme verbazing aan te zien.
Veertiende Hoofdstuk.
De predikant was vertrokken zonder het meisje te hebben weergezien;
men had haar geroepen, maar geen antwoord ontvangen.
Tante zocht haar Lise overal. In de woonkamer was zij niet, ook niet
in de kamer waar de Kerstboom stond, en nu opende zij voorzichtig
de deur van Liesjes kamertje; het was er donker, maar bij het raam
stond een slanke gedaante, die onbeweeglijk naar buiten staarde.
"Lise!" riep de oude vrouw zacht.
"Tante!" klonk het met een onderdrukte stem.
"Zeg, kind, wat scheelt u toch? Gij hebt toch geen hoofdpijn, gij
zijt toch niet ziek?"
Als eenig antwoord werden twee meisjesarmen om haar heen geslagen;
een gloeiend gelaat verborg zich aan haren hals en deed niets anders
hooren dan een onderdrukt snikken.
"Kind, Liesje, wat scheelt er aan?" vroeg de oude vrouw verschrikt,
"heeft iemand u kwaad gedaan?"
Zij schudde het hoofd.
"Wat is het dan, mijn hartediefje?" en zij trok de wederstrevende
naar de sofa, en ging naast haar zitten.
"Och tante, liefste, beste tante--"
"Wat dan, mijn liefje? Nu? Gij lacht immers al weer, dwaas ding? Wat
moet dat beteekenen?"
"Och, ik zou kunnen lachen en schreien en--ik weet niet wat al,"
fluisterde zij; "doe de oogen toe, tante! ik wil u zeggen waarom--och,
ik ben zoo bang voor u--"
"Bang voor mij? Ja, dat begrijp ik; daar zijt gij juist de rechte voor;
nu--wat hebt gij gedaan?"
"Ik--ik--ben verloofd tante," stamelde zij; "hebt gij dat niet
duidelijk genoeg aan mij kunnen zien?"
"Verloofd? Kind!"
"Ik ben zoo gelukkig, o zoo gelukkig--Army--"
"Army!" zeide de oude vrouw verbaasd en klappertandde van
schrik. "Army? gij zijne verloofde?" herhaalde zij dof, "het is
dus zoo!"
"Tante hebt gij geen vriendelijk woord voor mij? Wij hebben elkander
zoo lief, o zoo lief!"
"Lief? Heeft hij u lief?"
"Maar tante, hoe kunt gij zoo iets vragen? Zou hij mij dan tot zijne
bruid willen maken?"
"Barmhartige Hemel!" kreet het in de ziel der oude vrouw; "dat arme,
dwaze kind! Zij waant zich bemind, en hij--hij wil alleen haar geld,
om zich te redden." En in stillen angst drukte zij Liesjes brandend
heete hand in hare ijskoude; was het niet eveneens, als toen Lisette
haar hare eerste liefde toevertrouwde?
"Bedenk eens, tante, ik kan zijn leven weder opvroolijken; om
mijnentwille zal hij het weer leeren liefhebben! Is dat niet
heerlijk? En _ik_ zou dat kunnen, tante; zou dat werkelijk waar
zijn? O, tante! daar buiten, onder den ouden, besneeuwden lindeboom,
waar ik voor drie jaar afscheid van hem nam, daar heeft hij mij
gevraagd. En--nietwaar, gij zult het vader en moeder zeggen? Ik
bestierf het van--ja van schaamte, als ik hun bekennen moest, dat ik
een vreemden man liefheb; ik kan het niet--toe, doe gij het toch! Ik
had het u nooit durven zeggen; als het hier niet zoo donker geweest
was--tante, spreek toch, en geef mij een enkelen kus--"
"Lisette--Lisette--waart gij het dan niet, die daareven fluisterde? Is
dit het geluk, dat ik elken morgen en avond voor dat kind van God heb
afgebeden? Heeft zij niet iets duizendmaal beters verdiend, dan dit
lot?" Eenige oogenblikken zat zij, stom van smart. "Liesje," sprak
zij eindelijk somber, "gij weet niet, wat gij gedaan hebt; gij weet
niet, wat u wacht, als deze onzalige--wees niet boos, maar ik _moet_
zoo spreken--als deze onzalige verloving tot stand komt. Gij kent de
oude barones niet, zooals ik haar ken; zij is erger dan een duivel. Zij
zal u ongelukkig maken, evenals mijn arme Lisette, wier dood zij op
haar geweten heeft; en ik zou mij zelf beschuldigen, zoo ik u niet
gewaarschuwd had, nu het nog tijd is, en niemand van uwe liefde weet,
dan gij beiden en ik. Houd u stil!" vermaande zij, toen Lise poogde
haar in de rede te vallen--"doe het, ter wille van uw oude tante en
van u zelve! Wat ik u vertellen wil, smaakt bitter, maar het is een
geneesmiddel, en God geve, dat gij het inneemt en het u geneze!--Het is
Lisettes geschiedenis, die ik u moet vertellen.--Gij weet nog wel, dat
ik het van 't voorjaar wilde doen, omdat ik uwe liefde zag aankomen,
maar het wilde mij toen niet over de lippen--had ik het maar gedaan!"
Het jonge meisje zette zich zwijgend aan hare voeten neder; geen woord
liet vermoeden, welk eene huivering haar jeugdig hart doortrilde,
alsof plotseling een ijskoude wind de lachende lente had ontbladerd.
"Baron Frits dan," begon de oude vrouw met doffe stem, "de broeder
van Army's en Nelly's grootvader, was Lisettes verloofde; zij hadden
elkander in stilte het jawoord gegeven, niemand buiten mij wist er
iets van. Baron Frits wilde eerst na zijne meerderjarigheid aanzoek
doen bij Lisettes ouders, en met zijn broeder spreken; dan zouden
zij een landgoed koopen. Het was een schoon en gelukkig paar, Lise;
en zij hadden elkander zoo innig lief, dat het een lust was hen samen
te zien daar beneden, in het oude zomerhuisje aan het water. Baron
Frits lag als huzaren-officier in een naburig stadje in garnizoen;
hij kwam dikwijls over en tegen den tijd, dat hij komen moest,
stond Lisette boven in haar kamertje aan het raam, en zag naar den
toren aan den overkant, en dan brandde daar al spoedig een licht ten
teeken dat hij kwam. Dan juichte zij van blijdschap, sloeg de handen
samen en ging hem een eind in het bosch tegemoet. En vervolgens--'t
was een zomeravond--deed de schoone vrouw van zijn broeder, Nelly's
grootmoeder, hare intrede in het oude slot. Lisette en ik waren
heengegaan om haar te zien; het geheele slot was verlicht en de
dienstboden wachtten met groote fakkels onder aan den voet van het
bordes; ook baron Frits stond daar met zijn oude moeder, toen het
jonge paar aankwam. Nu, dat moet gezegd worden: schoon was de jonge
vrouw; maar trots sprak uit haar houding, uit het bleeke gelaat, en
blonk uit de groote, zwarte oogen. Lisette was doodsbleek geworden,
toen zij haar aanzag.
"Die wordt nooit mijne vriendin, Marie," sprak zij tot mij.
En zij sprak waarheid. God weet, waar de jonge vrouw vernomen had,
dat baron Frits Lisette liefhad, en wie haar het duivelsche plan heeft
ingeblazen, die twee van elkander te scheiden. Ik weet alleen dit,
dat het haar gelukte. En hoe--ja, hoe is het haar gelukt!
Het was herfst en in den jachttijd; het slot was vol gasten; men
kon duidelijk het jachtgeschreeuw door de bosschen hooren weergalmen;
telken avond waren de vensters van het slot helder verlicht; daar boven
begon het wilde leven, dat de burchtvrouw zoo beminde en waardoor
zij de geheele familie tot den bedelstaf bracht. Baron Frits nam
afscheid van Lisette; hij zou in langen tijd niet wederkomen en zij
gaf hem een klein gouden hartje, dat zij altijd op hare borst droeg;
ik hoor haar nog zeggen: "dáár, mijn schat! doe mijn haarlok er in en
denk aan mij!" Zie Liesje, dit gouden hart was Lisettes dood. Maar
luister verder! Baron Frits vertrok en er verliepen veertien dagen;
schrijven konden de beide gelieven elkander niet, want dan was
alles aan het licht gekomen; in dien tijd deed men ook niet zooveel
aan het schrijven als tegenwoordig; zij dachten echter des te meer
aan elkaar; dat zou nu wel eens omgekeerd het geval kunnen zijn. Nu
dan, Frits was vertrokken en Lisette stond elken avond uit gewoonte
aan het venster naar het torenkamertje te zien, want dáár logeerde
Frits altijd, als hij tehuis was. Maar het bleef elken avond duister;
het kon immers ook niet anders, want hij kon niet dan na verloop van
vier weken terugkomen, en daarvan waren nog slechts veertien dagen
verloopen. Daar op een avond, terwijl ik met mijn breikous wat bij
haar zit te praten, vliegt zij in eens op mij toe en roept: "Daar
is hij; er is licht in den toren;" en waarlijk, het boogvenster aan
den overkant was verlicht. Zij sloeg niet eens een doek om, toen zij
naar buiten vloog. Na eenigen tijd keerde zij terug. "Hij kwam niet,"
zei zij, "wat zou dat beduiden?" Ik schudde het hoofd. "Nu, wacht
Lisette! Ik zal het Christiaan morgen vragen." Maar wie niet kwam,
was Christiaan, en des middags bracht een jongen mij de boodschap,
dat ik niet op hem moest wachten, want dat hij voor zijn heer op reis
was gegaan, om een nieuw paard voor mevrouw de barones te halen.
Lisette verkeerde in een onbeschrijfelijke onrust. Zoodra het begon
te schemeren, stond zij aan het venster, en weder zag men het licht
daarboven. Nogmaals ging zij naar buiten, en kwam bleek terug; weenend
wierp zij zich op de sofa. God weet, zij had zeker al een voorgevoel
van wat haar wachtte, want zij wilde naar geen troost luisteren. "Hij
is tehuis en komt niet, hij bemint mij niet meer," snikte zij, "o,
ik sterf, als dat waar is."
Op den derden avond dezelfde geschiedenis; Lisette zag zoo wit als
de muur. Daarna bleef het donker in het torenkamertje.--Ongeveer vier
dagen later zaten wij, Lisette en ik, voor de huisdeur ons te koesteren
in de middagzon en plukten lijsters; zij zag de veertjes na, die in de
lucht opvlogen, en zuchtte telkens. Daar kwam een meisje aan langs het
molenpad; eerst herkenden wij haar niet, want haar nieuwe roode rok
met zwarte streepen verblindde ons de oogen; eindelijk zei Lisette:
"dat is immers de wilde Francis, wat moet die hier?" Ja, zij was het,
en zij kwam regelrecht naar ons toehuppelen op haar sierlijke voetjes,
die in kleine, lage schoenen met kruisbanden en sneeuwwitte kousen
staken. Zij droeg een zwart jakje, en twee lange, zwarte vlechten
hingen haar op den rug; het kind met de vlammende oogen en den kleinen
neus, zag met geveinsde vriendelijkheid Lisette aan. Nu moet gij weten,
Lise, dat Francis met ons tegelijk was aangenomen; een wilder kind
was er niet. Zigeuners hadden haar eens op het kerkhof laten liggen,
toen zij pas acht dagen oud was; zij werd in het armenhuis groot
gebracht. Zij was altijd een lui, lichtzinnig schepsel, tot ergernis
van het geheele dorp; zij viel echter in den smaak der barones, toen
zij eens met een korfje aardbeien op het slot kwam. "Zij herinnerde
haar aan haar vaderland," meende de barones; zoo kwam Francis in
dienst bij de genadige vrouw, en ging sedert zoo opgeschikt gekleed,
alsof zij alleen in de wereld was om zich op te drillen.
Wij hoorden echter al spoedig, dat zij nog altijd de wilde Francis
was; er kwamen veel vreemde heeren op het slot en schoon was Francis,
veel te schoon; zeker had zij wel een braven man gevonden, die
haar in alle eer en deugd had mogen kussen, maar zij was bovenmate
lichtzinnig en--Goddank! tucht en eerbaarheid worden bij ons nog in
waarde gehouden.
Zij naderde ons; in de kleine ooren hingen groote, gouden ringen;
ook had zij een ring aan de hand, waarmede zij zoo in 't oogloopend
over haar sneeuwwitte voorschoot streek.
"Goeden dag!" riep zij ons tegen, waarop Lisette antwoordde: "goeden
dag! wat hebt gij ons te vertellen, Francis?"
"Wel, ik zag de juffer hier zitten en wilde eens zien hoe het u
ging. Gij behoeft u voor mij niet te schamen; wij zijn immers te
zamen als lidmaten bevestigd--of zijt gij misschien trotsch geworden?"
"Neen," antwoordde Lisette, "ik ben niet trotsch, maar gij komt hier
nooit zonder bedoeling--zeg mij dus wat gij wilt!"
"Niets, mijn beste!" zeide zij en toonde zich beleedigd; "gij behoeft
u voor mij niet te schamen; bedelen doe ik niet meer; ik heb alles
in overvloed;" zij lachte daarbij zoo, dat haar witte tanden te zien
kwamen, en draaide in de rondte, dat de roode rok en de vlechten
omhoog vlogen. "Gij ziet zoo bleek," zeide zij opeens en zag Lisette
strak aan, "hebt gij verdriet van uw liefste, zeg?"
Lisette werd bloedrood. "Wat gaat het u aan, hoe ik er
uitzie?" antwoordde zij kortaf en stond zóó snel op, dat de fijne
veeren uit haar voorschoot in de rondte stoven. Eensklaps zag ik, dat
hare oogen op iets staarden; dat zij doodsbleek met de hand naar haar
hart voelde en op de bank nederviel; en toen mijne blikken de hare
volgden, toen vielen zij op een klein gouden hart, dat uit Francis'
halsdoek te voorschijn kwam.
"Almachtige God!" riep Lisette, en stond met één sprong naast Francis;
zij greep haar bij den schouder en vroeg met eene stem, die mij door
merg en been ging--zoo veel zielsangst lag er in--"waar hebt gij dat
hart van daan, Francis?"
Liesje hing in gespannen verwachting, bijna ademloos, aan de lippen
der verhaalster.
"Een oogenblik van stilte volgde," ging tante na een korte pauze voort;
"gij hadt het moeten hooren. Lise, hoe angstig Lisette herhaalde:
"Waar hebt gij dat gouden hart van daan, Francis?" Het was alsof zij
Francis de woorden uit de keel wilde halen; deze zag haar, het hoofd
in den nek, met fonkelende oogen aan; zij stond met de armen over
elkander geslagen, ter wijl een spotachtige lach om haar mond zweefde.
"Wat kan u dat schelen?" vroeg zij, en wilde zich losrukken.
"Wat mij dat schelen kan? Heilige God, zij vraagt dat nog! Marie,
help mij toch!" riep Lisette, "ik moet het weer hebben; het is het
mijne immers--neen, het zijne, ik heb het hem immers gegeven."
Ik naderde, stijf van schrik. "Geef dat ding hier, Francis," zeide
ik. "Zeg, hebt gij het gevonden?"
"Wat meent gij wel?" riep zij, en schudde Liesjes hand af, die zwaar op
haar schouder lag; "het verwondert mij, dat gij niet zegt, dat ik het
gestolen heb. Het is mijn eigendom; ik laat het mij slechts ontnemen
door hem, die het mij gegeven heeft; en nu, raak mij niet aan! Het
is u zeker nog niet ontgaan, dat ik krabben kan." Zij trad terug en
balde hare vuisten; toen draaide zij zich om en wilde heengaan.
"Halt!" riep Lisette, en vatte haar weder bij den arm, "ik vraag u,
in 's Hemels naam: _Wie_ gaf u dat hart?" Zij stond recht op voor
het meisje en hield haar als bezwerend de hand voor--zij sidderde
heftig. _Dat_ oogenblik vergeet ik nooit, Lise. Ik wilde naar haar toe
om haar te steunen, maar ik moest staan blijven om haar aan te zien,
zóó schoon was zij; door de ontbladerde takken van den lindeboom viel
een zonnestraal op haar bruine lokken en omgaf haar hoofd als met den
stralenkrans eener heilige; als een heiligen-beeld stond zij daar;
als een engel voor eene verlorene.
Francis was doodsbleek geworden, toen zij de oogen van Lisette
ontmoette; op eens rukte zij zich los en vroeg: "Waarom wilt gij dat
weten? Heb ik u ooit gevraagd, wie u dien gouden ring gaf, dien gij
daar straks in den tuin zoo vurig gekust hebt? Ja, ja, ik heb het
wel gezien," lachte zij, "kan ik ook niet in 't geheim een liefste
hebben? Denkt gij, omdat gij de schoone Lisette van den lompenmolenaar
zijt, dat niemand zin heeft aan de wilde Francis? Vaarwel, Lisette,
en sta niet zoo verwonderd te kijken! Ik zeg niets meer, hoor!"--Zij
lachte spotachtig, en vloog zoo hard het pad langs, dat we bijna
niets zagen dan haar roode rok. Lisette stond bleek en stijf haar na
te staren en toen ik haar naderde en troosten wilde, stiet zij mij
driftig terug en ijlde naar haar kamer. Ik wist niet wat te doen, kind;
of ik haar volgen zou of niet; het hart klopte mij, of het barsten
moest en terwijl ik daar nog stond, kwam Lisettes moeder, die mij
eene boodschap opdroeg, en knorde omdat de veeren zoo verspreid over
den grond lagen. Ik deed wat zij mij beval, maar de tranen kwamen mij
telkens in de oogen om de arme Lisette en haar verdriet--wie zou dat
gedacht hebben? Zou het werkelijk waar zijn, dat hij het aandenken van
zijne liefste aan die lichtvaardige deerne geschonken had? Maar, hoe
zou zij er anders aan komen? En daarbij, het licht had drie avonden
achter elkander gebrand in de torenkamer! Och Heer! dacht ik, wat
zal er nu gebeuren? Zoodra ik kon, liep ik naar boven naar Lisette;
zij stond aan het raam en keek naar de overzijde, naar het slot; en
toen ik mijn arm om haar heen wilde slaan, sprak zij heel zacht: "Het
is genoeg, Marietje! Waarmede zoudt gij mij ook kunnen troosten? Ga
maar naar beneden, ga maar! ik zal mij wel alleen redden."
Ik ging hoofdschuddend weg; ik kon door mijn tranen niet spreken, maar
juist toen ik de deur wilde dicht doen, gaf zij een vreeselijken gil,
zoodat ik verschrikt terug liep; al hare leden beefden als van hevige
kramp; toen zonk zij ineen op den vloer. Ik wilde haar optillen,
maar zij lag zwaar als een doode in mijne armen; en daar kwam haar
moeder ook reeds de trappen op, en--
Wat er volgde, kind, hoe zal ik het u schetsen? Het is mij zelf nog als
een sombere, nare droom. Lisette was zwaar ziek geworden; de dokter
gaf alle hoop op; dag en nacht zat ik aan haar bed te luisteren
naar de angstige fantasieën, waarin zij zich zoo gemoedelijk met
den geliefde onderhield, dat mij het hart bijna brak van smart en
weemoed; hare moeder vernam eerst door het koortsachtige ijlen het
geluk en de smart van haar kind--ik moest haar alles vertellen. Zij
wierp een langen, bekommerden blik op het liefelijke wezen, dat zoo
ruw uit haar hemel werd gesleurd; haar vader vloekte den meineedige,
maar haar broeder zeide:
"Daar steekt een duivelsch schelmstuk achter; ik ken Frits; er is
geen valsch haar aan hem."
"Och kind, wat is hier in dat kleine kamertje al gebeden en geweend in
die dagen! Wij hebben ons de handen stuk gewrongen om dat jonge leven;
maar de lieve God laat zich door geen menschen zijn tijd bepalen;
en op den negenden dag, juist toen het avondrood gloeiend wegstierf,
viel het schijnsel op een bleek gelaat en de blauwe oogen waren voor
altijd gesloten.--Zij lag daar zoo vreedzaam, zoo stil, zoo geheel
bevrijd van alle harteleed; maar ik heb daarboven gejammerd van
overgroote smart en droefheid--"
De oude vrouw zweeg en droogde hare oogen af. Liesje had het hoofd
in den schoot harer tante verborgen, ook zij snikte zacht.
"Dienzelfden avond," vervolgde Marie eindelijk, "dat Lisette gestorven
was, liep ik in den tuin, juist toen in het dorp de doodsklok voor
haar luidde; want ik had nergens rust noch duur; en terwijl ik daar
zoo stond, flikkerde op eens een licht in den toren. Ik verschrikte;
eensklaps vloeiden mijne tranen opnieuw, want zij, die daar nu
zoo stil ter neder lag, kon het niet meer zien--ik leunde tegen
den muur en weende bitter. Van binnen in de woonkamer hoorde ik
den molenaar rusteloos heen en weer loopen--daartusschen het bange
snikken der moeder en de troostende woorden des zoons; dan was alles
weer doodstil. Ieder geluid zweeg; de molenraderen stonden reeds den
geheelen dag stil, en knechten en meiden liepen en fluisterden zoo
zacht, alsof zij bang waren Lisettes rust te storen.
Op eens hoorde ik iemand van boven afkomen, een vaste mannelijke
tred--mijn Christiaan, dacht ik; maar op hetzelfde oogenblik begon
op het molenpad een flinke stem een zacht lied te zingen--het ging
mij door merg en been--Heer in den hemel! dat was de stem van baron
Frits! En vóór ik er om dacht, want ik stond versteend van schrik, was
hij reeds in huis gegaan, en toen ik hem naliep, had hij de kamerdeur
reeds geopend en stond tegenover den molenaar; zijn gelukkig gezicht
en zijn fonkelende oogen zochten in alle hoeken naar Lisette.
De vrouw viel met een gil op haar stoel achterover, toen zij hem
gewaar werd; de molenaar echter wierp zich op hem, en met den
uitroep: "Vervloekte schurk, komt gij mij nog in mijne droefheid
bespotten?" trok hij hem de kamer binnen.
De molenaar was een driftig man; maar Lisettes broeder kwam
tusschenbeiden en sprak:
"Vraag hem eerst, of hij schuldig is, vader!"
De oude man ging voor hem staan en riep:
"Lisette! gij zoekt zeker Lisette, mijnheer de baron? Boven ligt zij;
ga daar heen en zie haar aan!"
Toen, door smart overstelpt, bedekte hij zijn gelaat met de handen.
"Kom Frits!" sprak onze jongeheer, en voerde den verschrikte in de
andere kamer, "kom mede! Ik zal u alles vertellen; al de droefheid
die over ons gekomen is." Hij sloot de deur, en ik bleef alleen bij
de treurende ouders.
In de andere kamer hoorde men niets, dan een smartelijk gekreun--dat
was alles; in eindeloozen angst gingen de minuten voorbij. Ik zat
voor het raam en keek in het donker; op eens ontstelde ik vreeselijk,
want daar buiten vertoonde zich dicht tegen de ruiten een gezicht,
dat met twee groote, donkere oogen, waaruit angst en ontzetting
spraken, naar binnen keek; toen wenkte mij een hand en het gezicht
was verdwenen. Ik had het herkend--het was de wilde Francis.
"God behoede ons!" dacht ik, "wat wil die nu weer?" Ik ging echter
zacht naar buiten; daar stond zij en klemde zich met beide handen
vast aan de posten der huisdeur; het flauwe licht viel door het
venster der woonkamer op een door angst verwrongen gelaat, terwijl het
loshangende zwarte haar het verschrikkelijke harer verschijning nog
vermeerderde. Zij beefde zóó, dat zij haast niet staan kon blijven,
en toen ik haar vragend en verwonderd aanzag, bewogen zich hare bleeke
lippen, zonder eenig geluid te geven.
"Lisette--" vroeg zij toen, met doffe stem, "is het waar, wat de
menschen zeggen, dat er straks voor haar geluid is?"
"Zij ligt boven, in den eeuwigen slaap," antwoordde ik.
"Heilige God!" gilde het meisje, "is het waar, is het werkelijk waar?"
Op dit oogenblik kwam baron Frits door de zijdeur; onze jongeheer,
die het licht droeg, volgde hem. Hij was bleek als de dood; zijne
oogen gloeiden hem in het hoofd; hij was blijkbaar voornemens naar
boven te gaan, waar de doode lag. Zijn blik viel op de ter aarde
gebogen gestalte, en haar herkennende bleef hij staan.
"_Háár_ zou ik het aandenken mijner bruid gegeven hebben?" sprak hij
schrikbarend kalm, terwijl zijne oogen diepe verachting uitdrukten;
"gelooft gij dat, Frederik? Spreek, schepsel," vervolgde hij met
bevende stem. "Gij hebt het gouden hart gestolen, dat ik even voor
mijn vertrek vermiste!"