Army's gelaat werd bewolkt. "Is dat alles?"

"Vooral," klonk het schalksch van de dunne lippen der grootmoeder,

"wanneer u eenmaal een schoone, geliefde vrouw ter zijde staat."

"Heeft zij dat geschreven?" riep hij haastig en greep, hoog blozend,

hare hand. "Grootmama, wees goed! Zeg mij, meldde zij iets van haar,

van Blanka? Denkt zij, dat Blanka mij ook bemint?"

"Army! mijn God, hoe onbeschaamd! Bedaar toch! Wie spreekt er van

Blanka? Ik heb immers niets gezegd--verstaat gij? In het geheel niets;

wie denkt _dááraan_? Gij zijt pas een-en-twintig jaar!"

Maar Army had de armen om den hals zijner grootmoeder geslagen,

drukte in weêrwil van haar tegenstreven een paar hartelijke kussen

op haar mond, en stormde toen zeer onhoffelijk de kamer uit.

"Orribile!" zeide de oude dame, hare muts terecht zettende; "hij

is zeker al erg verliefd; als tante Stontheim hem nu gezien had,

zou zij zeker niet aan zijn Derenbergs karakter gelooven."

Zij bleef nadenkend staan en het was, alsof haar iets uit het

verleden te binnen schoot, dat veel overeenkomst had met het zoo even

gebeurde. Plotseling herinnerde zij zich, hoe zij, in betere dagen,

als een schoone jonkvrouw in overmaat van geluk de half blinde duenna

om den hals viel en haar vurig kuste. En waarom? Omdat buiten op

het balkon, onder de bloeiende oleanders, in de zoele avondlucht,

een slanke, blonde man in gebroken Italiaansch haar zooveel verhaald

had van een oud, Duitsch slot, omgeven door groene eikenbosschen,

en van een oude, Duitsche vrouw met trouwe, blauwe oogen ... De

trek om haren mond werd zachter, toen zij aan den jubel van haar

jeugdig hart dacht. "Hij heeft toch mijn bloed in de ad'ren," zeide

zij toen, "God geve, dat het leven zijne wenschen beter vervulle, dan

de mijne!" Daarop zette zij zich aan haar schrijftafel en stelde zich

de toekomst voor, die weder rooskleurig voor haar begon te schemeren,

en voor hare oogen stond weder het oude slot in al de betoovering,

die het vroeger omgaf.

Intusschen doorkruiste Army onrustig het park. Eerst had hij

zijne zuster bijna platgedrukt door zijne omhelzing en haar iets

onbegrijpelijks verteld van een nieuw kleed, een blauw, zooals Blanka

droeg. Hij had zijne moeder, die de opgewondenheid van haren zoon niet

begreep, de noodzakelijkheid betoogd, om hare zwakke gezondheid door

een badreis te versterken, was het niet in dit, dan in een volgend

jaar. Daarop was hij met Nelly en den ouden Hendrik in de kamer

geweest, die hij voor Blanka had uitgekozen, en had er allerlei

veranderingen bevolen; zijne zuster had hem haar werktafeltje en

den bloemenstandaard hunner moeder moeten beloven; toen had hij

aanmerking gemaakt op de gordijnen en schilderijen, de laatsten

weggenomen en andere in de plaats gehangen en Nelly meer dan eens

verzekerd, dat hij gordijnen en tapijten uit zijne garnizoensplaats

zou laten komen in de plaats van al dat verkleurde tuig, alsook een

nieuwe livrei voor Hendrik. Eindelijk had hij zijne zuster omhelsd,

en haar gevraagd, of zij niet dacht, dat het Blanka hier wel bevallen

zou, en of zij niet vond dat deze kamer het fraaiste uitzicht had? En

zonder haar antwoord af te wachten, had hij er bijgevoegd: "Wat zult

gij verbaasd staan, zusje, als gij haar ziet!" Toen was hij naar

buiten gegaan, naar het oude park, en liep haastig door de met gras

begroeide paden; bij wenschte het uur zijner afreis te bespoedigen,

ten einde _haar_ te kunnen zeggen, hoe men zich te huis op hare komst

verheugde--eindelijk werd het avond, en wandelde hij in den heerlijken

lentenacht naar het dorpje, om de post op te wachten. Bij het parkhek

plukte hij nog een bloeienden vliertak, een groet uit zijn huis voor

Blanka. En eindelijk, eindelijk blies de postillon en reisde hij af,

vervuld van gelukkige gedachten.

Daarboven echter, in den molen, werd zacht een venster geopend, en een

donker meisjeshoofd boog zich naar buiten en zag met vochtige oogen

naar den straatweg. Zij wist, dat hij heden avond weder vertrekken

zou; hij had het haar immers zelf gezegd, en zij had op hem gewacht,

den ganschen langen dag gewacht, maar hij was niet gekomen; en

hoor! daar klonk nu de posthoorn door den stillen nacht Hoe treurig

klonk dat! Uit het woud kaatste zacht een echo terug, en stil, heel

stil werd het venster weder gesloten.

Zesde Hoofdstuk.

Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met

een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende

appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar

kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in

een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan;

iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep

gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet

gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield,

die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was;

de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen

verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende

oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer

Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn,

en had met de familie het middagmaal gehouden.

Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in

het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het

liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene

uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader

van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das,

had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen

volstrekt niet noodig was; er was gesproken over zijn vader, over

beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat

alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor

de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had

de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve--wat scheelde

haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk

onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd,

en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen

had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren;

ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis

gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve,

toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen

kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den

postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den

bok van het rijtuig, waarmede Army--zoo spoedig weder vertrok.

"Dat het nu ook zulk naar weer is," sprak zij op eens halfluid,

een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende,

"anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen."

Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder

de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets

meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat

in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige

gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd.

"Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?" vroeg zij geheel

buiten adem; "eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en

nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te

helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie

uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die

zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden;

gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de

aspergies te schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te

leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw

is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit,"

viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat

er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken

meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer

uitzag. "Zie eens, hoe uw myrtheboompje in 't water drijft! Daar

schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een

briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;" zij nam het uit haar

zak en gaf het Lise, die het openbrak en las.

"Verbeeld u, tante," riep zij verrast, "zij krijgen bezoek op het

slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka

van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik

haar dan dikwijls zal komen bezoeken.

"Zoo?" vroeg de oude vrouw.

"Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te

vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest

de kamers in orde te brengen."

"Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?" sprak de oude vrouw.

"Och neen," zei Lise, "Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly."

"Is Army weer hier geweest?" vroeg tante, en zag verbaasd naar het

jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; "wanneer dan?"

"Op Nelly's verjaardag," klonk het zacht.

"Ei zoo! en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij

anders toch alles!" en de stem der oude vrouw klonk angstig. "Zeg Lise,

waarom hebt gij dat verzwegen?"

"Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en

voornaam is geworden."

"En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?"

"Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te

komen--anders had hij het zeker gedaan."

Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar

weder te binnen.

"Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas,

dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?"

De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar

hart bezwaard was. "Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army

zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe

kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen

meisje.--Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?"

Lise viel de oude vrouw om den hals. "Och, tante, wees niet

boos!" snikte zij; "het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan

het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het

slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en

het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt

uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly."

De oude vrouw schudde het hoofd. "Kind!" zei zij toen, "och, wist

gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!"

"Kunnen Army en Nelly dat helpen?"

"Neen--maar--"

"Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven."

"Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u

zoo van nabij treft, als--"

"Och, spreek daar niet van, tante!" bad Liesje vriendelijk en zag

haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; "ik zal niet weder

zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu

met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze

zóó braden, als vader ze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit

den tuin gehaald of zal ik het doen?"

Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij

de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten

stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange

zucht ontglipte haar.

"Dat was Lisette's kamer," zeide zij met zekeren nadruk in haar

toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had

immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het

hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken;

doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig

belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over,

dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel

gelooven? Misschien wel, dat zij Army---? Zij kleurde en voleindigde

de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer

ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde

haar met angstige blikken. "Heer in den hemel!" bad zij, "bewaar ons

genadig voor een tweede ongeluk!" Want een ongeluk zou het worden;

van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot

leeft. "Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het

is waar, wat ik zoo even hoorde--zij heeft dien Army lief. Hoe haar

te helpen?--" Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens

Liesje's heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd,

en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende

gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was

ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de

groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes,

met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat

hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine,

zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een

troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkander volgden,

en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van

waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden,

wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week

uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den

dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving

haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: "Ziedaar,

lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens

rusten, en zing een lied voor ons!" En dan zong zij met haar lieve,

zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig

weer naar hare breikous en zeide lachend: "laat mij begaan, Mina! Ik

kan het niet laten." De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder

wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl

Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen

tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren

niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van

den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde.

"Weet gij wel, dominé," vroeg de gastheer, "dat ik nu een zoon van

onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?"

"Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien

eigenlijk gegaan?"

"Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen."

"Zoo, en de jongen zal--?"

"De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude

plan heeft eene papierfabriek--eigenlijk lompenmolen--op te zetten. Hij

is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die

nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een

gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk

karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den

oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde

mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag."

"En waar is hij?"

"Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui;

vanmiddag heeft hij hier gegeten en daarmede basta.--Gij weet, ik

ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring."

De geestelijke knikte. "Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt

Liesje wel van hem?" vroeg hij schertsend aan het jonge meisje.

"Niemendal, oom!" antwoordde zij.

"Dat is al heel weinig," lachte hij. "Maar a propos, daar schiet mij te

binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam;

wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?"

Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar

ook zoo doordringend aan!

"Het hindert mij toch," voer de leeraar voort, "dat hij het niet de

moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem,

dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen--dat is een aardje

naar de oude barones."

"Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt," zeide de

gastvrouw. "Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons."

"Een allerliefst meisje," sprak de predikantsvrouw.

"Precies haar grootvader," riep tante, "_dat_ was een man! Maar wien

de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden."

"Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?" vroeg Rosine.

"O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet

alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij

kommer en zorg berokkend."

"Ja, zij moet dol hebben huisgehouden," sprak de geestelijke:

"tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen."

"Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?" vroeg

de heer des huizes.

"Dat weet de Almachtige!" riep de oude vrouw. "Hoevele tranen heeft

deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld," snikte zij,

terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet.

"Het kan geen kwaad," meende zij, haar kamertje binnentredende,

terwijl zij nog eens nadacht over 't geen haar bekommerde, "het kan

geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan

misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn."

Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en

ontsloot de deur van Lisette's kamer.

Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood

de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene

commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een

gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een

ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op

drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing,

onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een

duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van

donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein

werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans

van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen,

geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare

als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster

had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een

smartelijke herinnering in het hart der oude.

Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en

voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was

haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke

gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar

schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. "Hij

komt, Marie; hij komt--ik heb het licht gezien," had zij toenmaals

dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin,

en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend

paar gezeten, in alle eer en deugd---

En toen?

Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last

des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende

van koortshitte.

"Is het niet genoeg, _éénmaal_ zulk lijden te moeten aanzien? O God,

bewaar mijn lieveling, mijne Lise!" bad zij, de handen in den schoot

gevouwen, met oogen vol tranen.

Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde

zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar

diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: "waarom schreit gij,

tante, zijt gij nog steeds boos op mij?"

De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik,

als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: "Wat komt

gij hier doen, Lise?"

"Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel

over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen,

mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen."

"Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar

praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd;

wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe

erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u--kom,

ga zitten!"

Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij

als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien,

en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te

spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het

jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen

in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachting

naast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel

spoedig vergeten--neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet

verhalen. En toch--als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar

lieveling niet gewaarschuwd!

"Doe eerst het raam open, Lise!" zeide zij: "de lucht is hier

drukkend."

Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de

boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht,

het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje.

"Lise," klonk het halfluid, "Lise, gij--mij dunkt het is beter dat gij

niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat--naderhand, meen ik; later, als

Army weer te huis is, en de nicht," voegde zij er vergoelijkend bij,

toen Liesje haar verrast aanzag. "Zie, het is niet--ik denk--ik--"

zij stamelde en zweeg.

"Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?" vleide

het meisje, bevreesd voor het oude thema.

"Wat ik van Lisette wilde vertellen," riep de oude vrouw heftig,

"dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem

was, en dat zij sterven moest, alleen omdat--omdat---Hoor, Lise, als

ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen;

want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één

geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd--"

Zij zweeg een poos.

"Ga niet meer naar het slot, Lise," voer zij voort; "zie, ik kan u

alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen

komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet

goed, de oude barones--de---"

"Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te

staan?" vroeg het meisje. "Zeg het mij, tante, bid ik u!"

"Ik zeg ja noch neen, Lise," antwoordde zij; "maar dit zeg ik," en

hare stem klonk ernstig, "wij zijn nog niet aan het einde, en ging

het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als

bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt,

brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te

kunnen zeggen, dat zij eene--"

"Tante!" riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt

ophield.

"Het is goed," mompelde zij. "Ik zal niets meer zeggen. Maar gij

moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen

overleven, wanneer---O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik

wilde u slechts waarschuwen, Liesje," vervolgde zij en trok het

snikkende meisje aan hare borst.--"Gij zult uwe vriendin niet

verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is,

komen er soms allerlei dwaze gedachten----Liesje, kind," fluisterde

zij angstig, "zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?"

Liesje knikte: "Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar---"

Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren---

Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude

tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine

predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied:

Bij 't graf staat een linde en die welft er zich over;

De vogels en 't windeken fluiten door 't loover,

Er zit aan zijn voet--of het feestavond was--

Een knaap met zijn liefje, in 't donzige gras;

Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend,

De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend,

En beide gelieven, zij worden dra stom,

Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!

"Waar is onze Lise toch," vroeg zij daarop, "zij moet ook eens wat

zingen."

En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het

gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen--zonder zelve te

weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin

twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe

langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond

de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met

de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de

handen afwijzende: "Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij

zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk

aan Lisette, de schoone Lisette en---"

Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op

het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst

duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo

ledig, zoo treurig deed voorkomen.

Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar

binnen.

"Mijn God," fluisterde zij, "ik had wel goed gezien; zij heeft

hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd

hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja--zulk een eerste

liefde maakt immers zoo gelukkig--"

En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de

woorden, bij het afscheid gesproken:

"Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!" sprak de predikant; "het

leven baart vreugde en smart--nu, als wij eens als oude luidjes over

het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als

het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen,

het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u

waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu,

God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag--den

derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje

en tante van ons." Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer

had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude

vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. "Zij slaapt,"

mompelde zij, "God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd

veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het

leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja--voor de meesten!

Zevende Hoofdstuk.

Het was Zaterdag vóór Pinkster. Lachend zond de zon haar gouden

stralen op de aarde neder, kuste in den tuin bij den molen de vele

rozen wakker, keek eventjes door de sneeuwwitte gordijnen in de kamers

en brandde op de steenen bank voor de huisdeur.

Tante Marie stond in den tuin en plukte bloemen in haar voorschoot;

Liesje hielp haar; zij had een grooten, ronden stroohoed op, de handen

gedekt door tuinhandschoenen, en plukte de schoonste bloemen.

Er was een andere uitdrukking op haar gelaat zichtbaar; vooral hare

oogen zagen er anders uit dan vroeger; lang niet zoo vroolijk, als

bij zulk een heerlijken lentedag voegde, en hare tante was teederder

dan ooit jegens haar. Van het dak vlogen twee zwaluwen haar tjilpend

voorbij en verdwenen toen hoog in de blauwe lucht. In huis glom en

blonk reeds alles; zelfs de ramen der ouderwetsche pronkkamer stonden

wijd open, om overal de frissche lucht binnen te laten. Boven in de

werkplaats en de fabriek had reeds vroeg het klapperen en stampen

der machines opgehouden; de arbeiders maakten zich te huis voor het

feest gereed. De heer Erving gaf hun gaarne dien dag vrij af--des te

vlugger ging het werk later weer van de hand.

De boekhouder was, met de twee andere jonge lieden van het kantoor,

reeds vroeg vertrokken om een kleinen Pinkstertoer te maken, alleen

Selldorf was te huis gebleven. Hij wandelde vergenoegd aan den oever

der beek heen en weer, en verlustigde zich in de zonnestralen,

die tot op den bodem van het water doordrongen en in het gewemel

der kleine vischjes, die zoo potsierlijk op die zonnige plek door

elkander schoten; nu en dan wierp hij een zijdelingschen blik in

den tuin, of de groote witte stroohoed met korenblauwe linten ook

weer te voorschijn kwam, en daaronder de liefste, sprekendste oogen,

die hij nog ooit gezien had.

Aan het open raam, dat op den tuin uitzag, zat de huisvrouw en naaide

blauwe strikken op een wit kleed, dat haar Lise op het feest moest

dragen; zij wenkte haren man, die juist binnenkwam, en wees hem de

beide gestalten in den bloementuin.

"Zie, Erving, hoe Marie het meisje liefkoost," zeide zij lachend;

"zij heeft haar altijd vertroeteld, maar in den laatsten tijd is het

veel erger geworden, en sedert een paar dagen, nu Lise wat bleek ziet,

draagt zij haar letterlijk op de handen."

"Laat haar maar begaan, Mina!" antwoordde Erving, "zij is goed bij haar

bewaard; maar gij hebt gelijk, zij ziet wat bleek, en weet gij wel,

wat mij is opgevallen? Zij is in geen week naar het slot geweest,

en Nelly wel driemaal hier."

"Och, dat zijn meisjesgrillen; misschien hebben die beiden wel

gekibbeld; maar zij gaat er morgen heen; ik meende, dat zij het

verteld had."

"Morgen?" vroeg Erving, "hm! dan is immers Selldorf onze gast; wat

zullen wij beiden alleen met hem beginnen?"

"O, zij blijft immers niet lang boven; ze hebben bezoek op het slot;

de nicht van wie Nelly vertelde, en Army; maar Liesje is er tot nu

toe nog altijd geweest om vroolijke feestdagen te wenschen, en kan

het dus nu niet best nalaten."

Hij knikte verstrooid.

"Die Selldorf is een hupsche jongen," sprak hij toen.

Zijne vrouw zag hem lachend aan, en ook hij lachte.

"Nu weet ik, waaraan gij denkt, oudje," riep zij vroolijk.

"Zoo waarlijk, Mina? Nu, zou dat wel zoo slim zijn? Ik moet toch

eenmaal een schoonzoon hebben, die verstand van de zaken heeft,

en hij is een flink mensch; ik heb hem leeren kennen--hetzelfde

degelijke karakter als zijn vader."

"Man," zeide zij, en hare groote, schoone oogen zagen hem bijna

smeekend aan, "ik bid u, maak geene plannen! Zij is immers nog bijna

een kind!"

"Waart gij _ouder_ toen gij mijne vrouw werdt, Mina?"

"Neen, Bernard, maar--"

"En zijn wij samen tot nu toe niet gelukkig geweest, en zullen wij

het niet nog verder zijn?"

"Zoo bedoelde ik het niet," sprak zij, terwijl hij zijn arm om haar

middel sloeg; "maar ik zou haar nog zoo gaarne eenigen tijd alleen

voor mij houden, want wie weet, hoe lang ik--" zij hield op, en poogde

hare tranen te bedwingen. "Laat mij," sprak zij, bemerkende hoe zijn

gelaat betrok, "ik voel mij heden zoo angstig--verlaat mij niet! Zie,

Erving, ik zal mij ook zeer verheugen, als zij een lieven man heeft,

maar dan moet hij even goed en achtenswaardig zijn als gij."

Hij zag haar teeder aan. "De allerbeste moet het zijn," stemde hij toe,

"en gij moogt beslissen."

"Erving," sprak zij toen ernstig, en beschouwde de slanke gestalte,

die met het voorschoot vol bloemen naderde, "Erving, ik moet nu

nauwkeurig letten op uwen Selldorf."

"Doe dat Mina," antwoordde hij en liet hare hand los. "Gij zult een

rechtschapen mensch leeren kennen." En daarmede kuste hij haar op

het voorhoofd en liet haar alleen met hare droomen. Het lichte werk

gleed van haar schoot; hare gedachten verwijlden in de verre toekomst,

en langzamerhand plooide een zachte, gelukkige glimlach hare lippen.

En zoo was nu de Eerste Pinksterdag aangebroken; voor de huisdeur

stonden twee lichtgroene Meiboomen, als kaarsen zoo recht, en van de

bovenste takken waaiden roode linten in den warmen lentewind; de duiven

zaten allen naast elkander op het dak, en kirden en koesterden zich,

en Peter, die van zijne zitplaats de vurige bruinen in toom hield,

had ook een rood lint om zijne zweep gewonden. Frissche berketakken

waren ter zijden in het rijtuig gestoken, en toen nu van beneden uit

het dorpje de kerkklokken luidden, en Mina in haar beste Zondagskleed

(Doortje moest te huis blijven om te koken) langs den wagen ging,

knikte zij Peter in stilte toe. Nu kwam ook de heer des huizes, en

hielp zijne vrouw in den wagen. Liesje en tante volgden. De eerste

zag er in het luchtige, witte kleed met blauwe linten lieftalliger

uit dan ooit; tante droeg een zwart zijden japon en hield, nevens

gezangboek en zakdoek, frissche bloemen in de hand; ook Lise had een

paar rozeknopjes in de hand. Doortje deed het portier dicht.

"Laat de hoenders niet verbranden," vermaande tante.

"Zeker niet," antwoordde zij, en voegde er, het jonge meisje aanziende,

bij: "Bid ook voor mij, juffer!"

Liesje knikte: "Waarom moet ik dat juist doen?" vroeg zij lachend.

"O, omdat de lieve God heden zeker welgevallen in u heeft," zei

Doortje.

De heer Erving lachte.

"Nu, Peter, vooruit;" en de wagen reed naar het dorp, terwijl

de eigenaars moeite hadden alle groeten te beantwoorden, die zij

ontvingen. Aan de pastorie gekomen, vloog Lise een ware bloemregen in

den schoot, en de kleine deugnieten verstopten zich lachend achter de

haag, en riepen haar vroolijk "goeden morgen, tante Liesje!" achterna,

toen de wagen voorbij reed.

Selldorf stond bij de kerkdeur; blozend bood hij Liesje bij het

uitstijgen de hand, en vroeg den heer Erving vergunning in zijne bank

te mogen plaats nemen. Zoo zat hij gedurende de prediking naast haar,

en tante Marie zat naast hare ouders, op de voorste stoelen. Eere, wien

eere toekomt! Juffrouw Erving en de predikantsvrouw knikten elkander

vriendelijk toe, en toen Selldorf de talrijk opgekomen schaar overzag,

verbeeldde hij zich, dat aller blikken op zijne beminnelijke buurvrouw

gevestigd waren. Deze zat intusschen met gebogen hoofd, de handen in

den schoot gevouwen, en hare lippen bewogen zich zacht; haar buurman

meende zelfs eens eene traan op het witte kleed te zien vallen.

Maar neen, dat was immers niet mogelijk; waarom zou zulk een lieftallig

jong wezen tranen storten op zulk een heerlijken Pinksterdag?

En inderdaad, toen de geestelijke den zegen had uitgesproken, en

de gemeente den slotzang aanhief, sloeg zij hare oogen rustig en

vroolijk op.

Bij het naar huis rijden vermaakte Liesje zich met het bonte gewoel op

den weg. Bij den grooten lindeboom moest Peter ophouden, en steeg zij

uit. "Groet Nelly van ons, Lise!" klonk het, en met rassche schreden

vervolgde zij haren weg. Haar hart begon sneller te kloppen, toen

zij de lindenallée intrad; zij zette haar hoed af en ging langzamer;

daar werd reeds het massieve voorportaal zichtbaar, en de beide

steenen beren schenen haar heden bijzonder dreigend aan te zien. Zij

stond stil en legde haar hand op het kloppend hart; het liefst wilde

zij terugkeeren; maar wat zou Nelly denken, Nelly, die zij vroeger

bijna dagelijks bezocht? Men zou misschien denken dat zij bang was

voor de vreemde nicht. Neen, vooruit! Zij liep haastig de laan door,

bleef echter plotseling verrast staan, want op het grasperk, onder de

schaduw der zware boomen, die de opene ruimte voor het slot omgaven,

stond vóór de steenen bank een gedekte tafel, en daaraan zat de

jonge barones in een leunstoel, echter zóó, dat zij het naderende

meisje den rug toekeerde; hare schoonmoeder zat tegenover haar en

las ijverig eene courant. Alles op de tafel toonde duidelijk aan,

dat men hier ontbeten had. Liesje waagde het niet, verder te gaan. De

oude dame sloeg de oogen op en bemerkte haar; zij schrikte zoodanig,

dat zij een sierlijken schotel van de tafel stootte, die kletterend

op den grond viel.

"Hoe onbescheiden, ons zoo te verschrikken!"

"Goeden morgen, Liesje!" sprak hare schoondochter, opstaande, en gaf

het jonge meisje de hand.

"Ik vraag vergeving," zeide Liesje, terwijl zij zich tot de oude

barones wendde; "ik wachtte reeds eenige minuten, voor ik het waagde

uwe opmerkzaamheid te trekken, wijl ik vreesde u te storen," sprak zij

kalm, op den hartstochtelijken uitroep der oude barones. "Ik kom,"

vervolgde zij, "slechts even, om gelukkige feestdagen te wenschen,

zooals ik vroeger altijd deed, en om Nelly te zien."

"Ga zitten, Liesje," sprak de jonge barones; "Nelly zal wel aanstonds

hier komen; zij is met Army en Blanka naar het park gegaan, en--maar

daar is zij reeds, ik hoor hare stem."

De oude dame haalde ongeduldig de schouders op, toen Lise bedaard op

de steenen bank plaats nam, en vol deelneming naar de gezondheid der

bleeke vrouw vroeg, wier wangen een oogenblik bedekt waren geweest

met een vluchtigen blos, door de onaardige woorden harer schoonmoeder

daarop te voorschijn geroepen. Men hoorde stemmen naderen, en Lise

onderscheidde duidelijk die van haar vroegeren speelgenoot. Een

benauwend heet gevoel verwarde een oogenblik haar kalm, helder hoofd;

toen drukten hare oogen de hoogste verbazing uit; want aan de zijde

van Army bespeurde zij een jonge dame, wier verschijning haar geheele

aandacht tot zich trok.

Was dat een volwassen dame, of een kind, dat daar zoo bevallig te

paard henen zweefde?

En nu klonk een zachte stem, echter met de uitdrukking van een

bedorven kind:

"Laat los, Army, laat los! Ik wil alléén eenige toeren voor tante

rijden."

Army trad terug, en het paard begon met langzamen, statigen tred haar

te naderen; bij elke beweging van het dier werd de sierlijke gestalte

als 't ware in een wolk gehuld door het luchtige, witte gewaad; de

oogen hield zij neergeslagen, en over het blanke voorhoofd blonk het

overvloedig, prachtig goudkleurig haar in den helderen zonneschijn,

en viel golvend op den rug neder.

"Voortreffelijk, Blanka," riep Army, wiens blik als betooverd aan de

bekoorlijke verschijning hing; "voortreffelijk; Mamsel Elise bij Renz

rijdt niet beter."

De oogen der oude barones fonkelden van vreugde, want zij was vroeger

ook dikwijls bewonderd; en paardrijden is immers een der edelste

liefhebberijen.

"Meraviglia, mijn engel!" riep zij uit, toen de jonge dame stilstond

en op Army steunend, vlug uit den zadel sprong. "Gij houdt uw paard

meesterlijk in bedwang; maar, mia cara, hoe durft gij zonder hoed in

de zon rijden! Ik bid u--uw schoone teint--buiten moet men altijd--"

"Wees onbezorgd, tante, ik verbrand nooit."

Zij liet zich in den schommelstoel vallen, dien Army haar toeschoof,

zonder het jonge meisje te bemerken.

"Mejuffer Elisabeth Erving, Nelly's vriendin!" sprak nu de jonge

barones, haar voorstellende, "en mijne nicht, Blanka van Derenberg!"

Blanka sloeg hare oogleden op, en beantwoordde met een nauw merkbaar

hoofdknikje, zonder eenigszins van houding te veranderen, de bevallige

buiging van het jonge meisje. Hare donkere oogen bleven een oogenblik

verwonderd op haar rusten, daarop greep zij haar waaier, maakte dien

open, om daarachter een kleinen geeuw te verbergen.

Army had beleefd gegroet, en antwoordde op de vraag zijner moeder,

waar Nelly bleef, waar zij waarschijnlijk nog in het park vertoefde. Op

dit oogenblik verscheen Hendrik, om het paard weg te voeren; de oude

man zag er in zijn nieuwe bruine livrei zoo deftig uit, dat Liesje

hem eerst niet herkende en verwonderd aanzag. De jonge dame in den

schommelstoel merkte dit wel op; want een oogenblik vertoonde zich

een spotachtig lachje om den kleinen mond; zij schommelde wat meer,

en hield toen in eens op.

"Wat voert gij hier den ganschen dag zoo wat uit?" vroeg zij, opnieuw

achter haar waaier geeuwende.

"Wij kunnen van middag gaan wandelen," antwoordde Army. "Er zijn hier

prachtige wandelingen."

"Wandelen?"

"Een rijtuig hebben wij niet ter onzer beschikking," merkte de jonge

barones aan.

De oude dame lachte spottend:

"Die opmerking is vrij overbodig, Cornelie."

"Houdt gij van wandelen, cousine Blanka?" vroeg Army, die tegenover

zijne moeder plaats nam.

"Neen," verklaarde zij, zonder de oogen op te slaan.

De jonge officier beet zich op de lippen.

"Zouden wij den burgemeester niet voor een paar uren om zijn rijtuig

kunnen vragen? Wat dunkt u, grootmama?"

"Wat een kluchtig denkbeeld van u, Army! gij begrijpt toch wel,

dat niemand in zulk een aartsvaderlijk ding kan zitten."

"Maar grootmama!--Ik geloof trouwens ook, dat de wagen heden niet

disponibel zou zijn, omdat de familie gewoonlijk Zondags zelve een

toertje maakt."

"Ik zou er toch ook voor bedanken," hernam de oude dame.

"Mag ik u ons rijtuig aanbieden?" vroeg Liesje, "het zal mijn vader

zeker veel genoegen doen--"

"Dat zou eene uitkomst zijn," riep Army uit; "als gij lust hebt,

Blanka, nemen wij het aan. Nietwaar, grootmama?"

"Ik dank," gaf deze ten antwoord.

Blanka zweeg; zij wierp een onderzoekenden, verbaasden blik op het

eenvoudig gekleede meisje--wie was zij toch?

"Nu, besluit gij dan cousine!" zei Army.

"Ja, besluit gij," voegde de grootmoeder er bij, terwijl zij hatelijk

lachte. "Het is niet alle dagen Pinkster; op werkdagen hebben die

paarden geen tijd, omdat zij dan de wagens met lompen moeten aanhalen."

"Vaders rijpaarden zijn geen trekpaarden," sprak Liesje, met bevende

lippen, "zij hebben daar geen tijd voor, omdat zij uitsluitend ten

dienste mijner moeder bestemd zijn, wie het loopen moeielijk valt."

"Ik wil liever van daag niet rijden," verklaarde Blanka, die het woord

"lompen" deed rillen.

"Hebt gij hier vele buren?" vroeg zij.

"O ja," antwoordde Army vriendelijk, "wij verkeeren echter met niemand;

gij begrijpt, zonder equipage----"

"En in den naasten omtrek is geen enkele familie met welke men

fatsoenlijk kan omgaan," vulde de oude barones aan.

"Zoo!" sprak Blanka, terwijl zij achterover in haar stoel leunde,

en haar lange krullen om den vinger wond.

"Ik moet afscheid nemen, zonder Nelly gesproken te hebben."

"Het zal haar spijten, Liesje," sprak de kranke vrouw en reikte haar

de hand; "misschien vindt gij haar nog in het park. Groet uwe ouders

en tante van mij!"

"Ik dank u, genadige vrouw," antwoordde Lise, en na de anderen gegroet

te hebben, vertrok zij.

De donkere oogen der oude dame fonkelden met een onbeschrijfelijke

uitdrukking van haat.

"Goddank!" riep zij, diep ademhalend, "ik weet niet hoe het komt,

maar de tegenwoordigheid van dit meisje brengt mij telkens uit mijn

humeur; welk eene brutaliteit, haar rijtuig aan te bieden! En gij hadt

dat bijna aangenomen, Army! Ons in de equipage van den lompenmolenaar

te vertoonen, die ieder kind kent--onbegrijpelijk van u!"

Op dit oogenblik kwam Nelly haastig uit de allée; de blonde lokken

hingen verward om haar gloeiend gelaat. Het nette, uiterst eenvoudige,

katoenen kleedje liet den voet in een klein, hoewel niet zeer sierlijk

lederen schoentje zien, en de zwart zijden boezelaar droeg duidelijk

blijken, dat de tijd der nieuwheid lang voorbij was.

"Wat is er met Liesje gebeurd?" vroeg zij buiten adem, naderbij

komende. "Zij weende."

"In de eerste plaats moet ik u vragen, Nelly, waar gij geweest zijt;

en u zeggen, dat het zeer onfatsoenlijk voor een jonge dame is,

zoo hard te loopen en in zulk een kleeding!"

"Grootmama!" riep zij, vroolijk lachend, "wat zijt gij koddig! Alsof

ik ooit een ander toilet bezeten heb! Ik kan toch op dezen heerlijken

dag mijn zwart avondmaalskleed niet aandoen!"

Blanka wendde het hoofd om, en beschouwde met een kouden blik het

verachte katoenen kleedje. Haar kamenier zou voor zulk een bedankt

hebben.

Army echter bloosde hevig; hij herinnerde zich het briefje met het

goudstuk er in, het verjaarsgeschenk zijner zuster; waar was het

briefje gebleven?

"Waarom weende Lise?" vroeg Nelly nog eens, ongeduldig; "zij wilde

het mij niet vertellen."

Allen zwegen. "Army! zeg het mij toch," bad zij, terwijl tranen in

hare oogen blonken.

"De kleine schijnt wat heel gevoelig te zijn," verklaarde in zijne

plaats de oude barones; "ik zeide iets in 't algemeen, en daardoor

meende zij beleedigd te zijn; maar het gaat altijd zoo met zulk volk;

zij stellen zich met ons gelijk en kunnen niet verdragen, dat men

hun het verkeerde van zulk een gedrag onder het oog brengt."

Nelly zweeg. Zij had uit den toon, waarop haar grootmoeder "zulk volk"

uitsprak, genoeg begrepen.

"Het wordt mij hier ook te warm," zeide de oude dame; "ik geef

de voorkeur aan mijn koele kamer. Bezoek is mij echter ten allen

tijde welkom," en vriendelijk zag zij naar de jonge dame in den

schommelstoel. Haar donkere oogen konden zoo betooverend liefelijk

schitteren.

"Ik ga met u, mama," sprak hare schoondochter opstaande.

"Nelly, gij wilt nu immers wel hier blijven?"

Het jonge meisje ging naast hare nicht zitten. Zij had zich

deze zoo geheel anders voorgesteld, zich zoo verheugd met haar

recht meisjesachtig te babbelen; en nu was daar gister uit een

extra-postrijtuig een jonge dame gestapt, die haar donkere oogen

onderzoekend en koel over omgeving en personen liet gaan.

Geen enkel hartelijk woord was nog tusschen haar gewisseld. Blanka

sprak meest met hare oogen, en deze donkere sterren schenen te zeggen:

wat is het hier vervelend!

Ook hare grootmama en moeder hadden bij hare komst verrast

opgezien. De eerste had aan Nelly verzekerd, dat zij nooit gedacht

had dat de "kleine roodharige Blanka, het klierachtige kind," zulk

een pikante schoonheid zou worden. Een pikante schoonheid! Nelly

wist ter nauwernood wat de bijvoeging "pikant" beteekende; maar,

dat zij schoon was, hare cousine, ja! dat zag zij ook; vooral op dit

oogenblik, nu de koude oogen met de lange wimpers waren neergeslagen;

het ovaal, bleek gelaat onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen, wier

zwarte kleur zulk een groot contrast vormde met het hoogblonde haar,

was onbeschrijfelijk bekoorlijk om aan te zien. Sprekend geleek zij op

het portret, boven in de zaal; de slanke hals op de teedere schouders,

de houding van het hoofd waren geheel dezelfde; enkele korte lokken

vielen naar de mode op het marmerblanke voorhoofd, en om den kleinen

mond lag een nadenkend lachje. Zij speelde met haar ivoren waaier,

en streek zich telkens met den gladden kant over hare wangen. Army

stond onder den grooten lindeboom, en beschouwde haar vol gedachten.

Daar was zij in zijn voorvaderlijk huis! Met welk een vroolijk,

kloppend hart had hij haar verwacht, en nu had hij een gevoel, alsof

zij het liefst maar weder, als een gevangen vogel, weg wilde vliegen

uit deze stilte, naar het vroolijke, drukke leven. Zij was zoo koel;

zelfs hare zoo keurig ingerichte kamers, die hem zooveel hoofdbreken en

moeite gekost hadden, had zij ter nauwernood een blik waardig gekeurd.

Het was eigenlijk toch vreeselijk lichtzinnig! De kosten bedroegen meer

dan zijn geheele inkomen, gedurende twee jaren. Maar bah!--als hij

maar eerst die kleine hand voor goed in de zijne hield, dan was deze

geheele zaak immers eene kleinigheid! Dat had grootmama ook tegen zijne

moeder gezegd, die met angstige blikken de behangers had aangezien,

evenals de nieuwe livreiën van den ouden Hendrik en den knecht, die

met Blanka's rijpaard en den goudvos gekomen was. Ook was voor deze

dagen eene kookvrouw gehuurd, die nu in de groote slotkeuken de baas

speelde--en dat alles voor het kleine wezen, dat daar zoo onverschillig

tegenover hem zat! Army zuchtte, en wendde den blik naar het groote,

indrukwekkende gebouw, dat door de volle middagzon beschenen werd;

in Blanka's kamer sloot juist hare kamenier de ramen.

"Hoe onverstandig!" riep Blanka uit, en sprong overeind. "Zij weet, dat

ik van warmte houd, en dan nog die ontzettend vochtige lucht in de oude

hooge kamers! Nelly, zeg haar--dat zij de vensters open moet laten."

De kleine liep haastig naar het slot, blijde dat zij aan de drukkende

verveling kon ontkomen.

"Wat zijn eigenlijk mijne kamers, Army? Men kan in dat doolhof van

ramen geen weg vinden," vroeg Blanka.

"Dáár, cousine, op de tweede verdieping; uwe kleedkamer is dicht bij

den toren."

"O, dat is die deur, zoo kunstig onder het groene behang verborgen--ik

kon maar niet gewaar worden of achter de vastgespijkerde plooien een

oude kast of eene deur verborgen was. Maar, waarom heeft men mij de

torenkamer niet gegeven? Daar moet een heerlijk uitzicht zijn!"

"Het spijt mij zeer, Blanka; ik had hetzelfde idee; maar grootmama

schijnt een bijzondere reden--"

"Zoo, spookt het er misschien?" viel zij hem in de rede.

Army lachte. "Dat niet, cousine; ik weet er ten minste niets van;

of het moest de jonker van Streitwitz zijn, die zich eenmaal om uw

bekoorlijk evenbeeld heeft doodgeschoten, zooals de overlevering

luidt."

"Army, ik bid u, maak dat ik de torenkamer krijg!" Hare stem klonk

zacht, als van een vragend kind.

"Ik zal het grootmama nog eens vragen, Blanka."

"Maar spoedig, Army," riep zij, en zag hem lachend aan.

Hij was verrukt. "Zeker, dadelijk!" stamelde hij; want zóó bekoorlijk

had zij er nog niet uitgezien, zoolang zij hier was. "Blanka," liet

hij er op volgen, "ik vrees, dat gij u hier erg verveelt."

"Ik bid u, spreek dat woord niet uit, vertel mij liever wat, neef! tot

ik naar binnen moet om toilet te maken. Voor wie kleedt men zich hier

eigenlijk?" zeide zij, schouder ophalend. "Zeg eens," vervolgde zij, en

schommelde zich weder in haar stoel, "wie is dat meisje, waartegen uwe

grootmoeder--neem het mij niet kwalijk--zoo onuitsprekelijk lomp was?"

"Liesje Erving."

"Dat weet ik; maar wie is haar vader? Zij sprak van haar rijtuig?"

"Haar vader is de rijkste man in den omtrek, Blanka; bezitter eener

papierfabriek--vandaar grootmama's spot over de lompen--eigenaar van

verschillende bosschen waarin wij wandelen kunnen, dewijl zij aan

ons park grenzen."

"En waarom mag tante het meisje niet lijden?"

"Ja, Blanka, wanneer vraagt grootmama naar een _waarom_? Zij heeft

altijd een onverklaarbaren afkeer van het jonge meisje gehad;

buitendien ergert het haar, dat Nelly zoo intiem met haar omgaat;

zij houdt streng vast aan het onderscheid van stand en heeft, om de

waarheid te zeggen, daarin gelijk."

Blanka schudde het hoofd. "Gij schijnt hier nog geheel in de oude

atmosfeer te leven, die daar buiten in de wereld hoe langer zoo meer

vervliegt. O--een brief," viel zij zichzelve in de rede, en greep

haastig naar het sierlijke vierkante couvert, dat de oude Hendrik

haar op een blad aanbood, en die toen, even stil als hij gekomen

was, weer vertrok. "Van Léonie," sprak zij halfluid, terwijl zij het

papier losscheurde.

Een donkerrood bedekte een oogenblik haar gelaat, dat daarop bleek

werd, even wit als het kleed, dat zij droeg; het papier beefde in

haar sidderende handen; toen barstte zij uit in een schaterend gelach.

"Dat is koddig," riep zij uit, en frommelde den brief in elkaar;

"daar komt juist een bewijs voor hetgeen ik zoo even zeide; ziet gij,

Army! zoo exclusief als uwe grootmama denkt de wereld niet meer.--Daar

schrijft Léonie van Hammerstein mij, dat graaf Seebach verloofd is met

eene juffer, de dochter van een opperhoutvester, en dat uit liefde,

zegt Léonie--hoort gij, uit liefde! Zij lachte; hare oogen schoten

vuur, en de kleine handen scheurden het papier in duizend stukken.

"Wat? graaf Seebach, met wien gij den vorigen winter zoo dikwijls

danstet?" vroeg Army; "die u letterlijk met bloemen overstelpte?" Hij

sprak haastig en sloeg een vorschenden blik op het opgewonden gelaat

zijner cousine.

"Heb ik met hem gedanst? Ik herinner het mij niet meer," antwoordde

zij losweg; hare neusvleugels trilden zenuwachtig. "Ja, de wereld gaat

vooruit! Dat een man als Seebach, die altoos over zijn vlekkeloozen

stamboom sprak, dat zoo iemand uit liefde--ha ha, nietwaar? het is

bespottelijk--een burgermeisje tot zijne gemalin neemt!" zij schudde

het hoofd, en weder klonk dat onnatuurlijke, krampachtige lachen

van hare lippen. Toen stond zij haastig op: "ik ben erg vermoeid,"

voegde zij er bij en hield hare hand boven de oogen, alsof de zon haar

hinderde: "ik ben niet gewoon, zoo lang buiten te zitten, en zal wat

rusten moeten, indien ik tegen het eten weer frisch wil zijn. Adio,

cousin!"

Zij knikte hem toe, terwijl zij met een afwijzende beweging der

hand voor zijn geleide bedankte, en ging het voorplein over. Bij de

torendeur keerde zij zich nog eens om, en Army hoorde haar vroolijk

lachen. Welk een verschil met den straks gehoorden toornigen lach,

die hem nog in de ooren klonk! Zij was een raadselachtig wezen;

wanneer zou hij het recht hebben haar te doorgronden?

Bij den maaltijd verscheen de jonge dame in een schitterend toilet. De

bleekgroene zijde scheen zacht door het witte overkleed; het prachtige

haar was met een ivoren kam op het achterhoofd bevestigd, en een

breede matgouden armband omsloot de fijne pols. Het gelaat vertoonde

geen spoor meer van de koelheid en verveling van dien morgen. Blanka

had voor ieder een vriendelijk lachje, en de oude barones zag het

jonge paar, dat tegenover haar zat, met teedere blikken aan.

De parelende wijn blonk weder in de fijne glazen; Hendrik bediende met

zijn gewone deftigheid en liet zijn heldere oogen tusschenbeide gaan

over het kleine gezelschap, en het schoone meisje naast zijn jongen

meester, dat, naar het zeggen harer kamenier, ééns zeker onmetelijk

rijk zou worden, en zoovele minnaars als ringen aan de handen had. De

oude Sanna was overgelukkig; want hare meesteres had haar meer dan

eens te kennen gegeven, waar het om te doen was, en zij zag voor hare

barones nog blijde dagen tegemoet. Het vroolijk lachen der jonge dame

met het goudlokkig hoofdje klonk door het hooge vertrek, en de jonge

officier, aan hare zijde, klopte het hart onstuimig, als zij hem zoo

minzaam aanzag en hij haar adem op zijn gelaat voelde. Maar Nelly, wat

scheelde haar? Nelly, die altijd haar broeder zwijgend gehoorzaamde,

hem altijd gelijk gaf, wat hij ook sprak of deed; die gewoon was

den geringsten wensch in zijne oogen te lezen; Nelly was jegens haar

cousine zoo onverschillig, nam zoo weinig notitie van hare omgeving,

dat het bijna lomp moest heeten. Haar roode mond, die zoo hartelijk

kon lachen, bleef gesloten, en hare blikken rustten somtijds angstig

op het gelukkige gelaat haars broeders, die onuitputtelijk was in

attenties voor zijne buurvrouw. Voor hare oogen stond nog altijd het

bleeke gezichtje, met groote tranen in de blauwe oogen; wat hadden zij

Liesje, haar Liesje, toch gedaan? Neen, zij moest eerst naar haar toe,

en zij moest het haar zeggen, wie haar beleedigd had.

Het was reeds geheel donker, toen Nelly eenige uren later Liesjes kamer

verliet, waar zij in de schemering met hare vriendin had zitten praten.

"Het is niets, Nelly," verzekerde Lise meer dan eens, met een zachte

stem; "het was zeer kinderachtig van mij, dat ik kwalijk nam wat niet

de moeite is om over te spreken; kom, ik zal u tehuis brengen."

En zoo gingen zij samen over de brug, onder de donkere boomen, den

bekenden weg langs. Het was een zoele avond; geen windje bewoog zich;

aan den gezichteinder werd een donkere wolk zichtbaar, een flauw

weerlicht wierp van tijd tot tijd een geelachtig schijnsel op den

omtrek; nachtegalen zongen in het struikgewas, en in de verte klonk het

gezang der jonge knapen, die uit volle borst een avondlied aanhieven.

"Ik weet niet, wat mij scheelt," zeide Liesje, diep ademhalend. "Het

is alsof ik stik! Wat is de lucht drukkend en zwaar! Ik geloof dat

tante gelijk heeft--er broeit een onweder."

Nelly knikte toestemmend.

"Mijne moeder klaagt ook, dat zij zoo benauwd is," voer Lise voort;

"nog nooit ben ik op Pinkster zoo treurig geweest, Nelly! en toch was

alles evenals vroeger. Als er maar niets ergers gebeurt, wanneer het

onweer losbarst!"

Zij waren het park genaderd, en betraden zwijgend de donkere

linden-allée--op eens voelde Liesje haar arm zacht drukken en bleef

Nelly staan.

"Wacht even, Liesje," sprak zij, "was dat Blanka's stem niet?"

Een poos bleef alles stil, toen naderden schreden, en een zachte

heldere stem zeide: "Army, mijn lieve Army!"

Hoe verleidelijk klonk dat! Het jonge meisje daar beneden kreeg een

gevoel, alsof een messteek in hare borst drong; onwillekeurig drukte

zij de hand op het hart. Daarop volgde een zacht gefluister--_dat_ was

zijne stem--hoe gelukkig, dat zij niet verstond, wat hij zeide! Och,

was zij maar niet mee gegaan!

De langzame schreden kwamen nader; zij liet de hand harer vriendin los,

en vluchtte achter een grooten lindeboom, boog zich voorover en daar,

bij een helder weerlicht, zag zij eene slanke, mannelijke gedaante,

en aan zijn arm, als eene fee, zóó teer en licht, de schoone cousine

met de goudblonde lokken; hij bukte zich en kuste haar.

Het duurde slechts een oogenblik; maar dit was voldoende om de angstige

meisjesoogen alles te verraden; zij drukte het hoofd tegen den boom en

sloot de oogen met een gevoel van vurige, nooit gekende smart. Nelly

echter gilde. "Army, Army--"

Bijna beschuldigend klonk het als eene waarschuwing. Hij antwoordde,

en hoe opgewekt was zijne stem: "Zusje, waar zit gij toch? Kom, en

zie wat ik gevonden heb! Kom hier--ga vooruit en zeg aan grootmama,

dat het geluk werkelijk bij ons is teruggekeerd; dat Blanka de mijne

is geworden!"

En een nieuwe lichtstraal flikkerde door de boomen, en bescheen een

meisjesgestalte, die door de laan huiswaarts ijlde.

De kleine Nelly zag haren broeder angstig aan, en toen het weder

donker was, drong een zucht uit hare borst en met gebogen hoofd begaf

zij zich naar het slot, om hare moeder te vertellen, dat Blanka en

Army--haar lieve, goede Army--verloofd waren.

Op de steenen bank voor de deur zat tante Marie op haar lieveling

te wachten; de heer des huizes en zijne vrouw wandelden in den tuin

op en neer, en Selldorf vergezelde hen, van zijn huis en familie

vertellende. De oude vrouw zat in gedachten verdiept, en bij elke

lichtende straal zuchtte zij, "was Lise maar eerst te huis! O wee,

het regent morgen," vervolgde zij bij zich zelve, "dan komt er niets

van de partij in het bosch met de dominé's familie. Nu, dan moeten zij

zich maar in huis zien te vermaken; dat zal een gewoel geven in den

ouden molen--hoeveel krijg ik er dan te eten? Uit de pastorie alleen

acht personen, dan de beide houtvesters en--Goede hemel!" gilde zij,

"Liesje, wat doet gij mij schrikken!" en zij boog zich over het

jonge meisje heen, dat aan hare voeten neerviel en het hoofd in haar

schoot verborg.

"Wat scheelt u toch, mijn kind? Lise, spreek toch! Wat scheelt

u?" vroeg zij, haar liefkoozende. "Mijn God," vervolgde zij, "zijt

gij ziek, mijn hartedief?" Maar geen antwoord.

Alleen werden twee armen om haar hals geslagen en gloeiende, sidderende

lippen drukten de hare--toen was het meisje verdwenen, en de oude

vrouw hoorde, hoe zij de trap opging en hare kamerdeur sloot.

"Een wonderlijk kind!" mompelde zij en schudde het hoofd. Zij zag

echter niet, hoe haar lieveling daar boven rusteloos op en neder liep;

hoe eindelijk het moede hoofdje op het van tranen natte kussen zonk

en de kleine handen zich vouwden tot een gebed voor Army, met wien

zij eenmaal als kind gespeeld had en wien zij nu niets meer aanging,

och, niets, niets meer!

Achtste Hoofdstuk.

Boven in het slot kwam men nog in lang niet tot rust. De jonge

verloofde had zich wel is waar in hare vertrekken teruggetrokken;

het was alles zoo haastig, zoo onverwacht gekomen. Zij liet zich

trouwens de vleierijen der oude barones welgevallen, en luisterde naar

de vriendelijke woorden van Army's moeder; toen werd zij zoo moede

en sloot zich op in haar kamer. De liefelijke lach verdween van het

schoone gelaat, en Sophie, hare kamenier, had een zeer ongemakkelijke

gebiedster te bedienen.

Eindelijk zat zij in haar nachtgewaad aan haar schrijftafel, en

vloog de pen over het papier, terwijl de trekken om den mond bitter

verdriet teekenden.

In het woonvertrek beneden sloeg Army's moeder hare armen om zijn

hals en staarde in zijne van geluk stralende oogen.

"Mijn lieve, beste jongen," fluisterde zij, "moogt gij gelukkig

worden! Het is zoo snel gegaan, en gij zijt nog zoo jong, God

zegene u!"

De oude barones stond vóór haar, juist toen de jonge man zijne lippen

op den mond zijner moeder drukte.

"Army," begon zij, blijkbaar geërgerd over dit betoon van

hartelijkheid, "gij weet, wat gij nu het eerst te doen hebt. Gij

reist naar tante Stontheim en vraagt formeel om Blanka's hand, en

dan zal al het andere, hoop ik, zich vanzelf schikken. Aan Blanka's

vader schrijft gij slechts; met dien mensch zullen wij, hoop ik,

in ieder geval niet in aanraking komen."

"Zeker, grootmama," viel hij haar met zachte stem in de rede. Hij

naderde Nelly, die in een grooten leunstoel gehurkt, de handen voor

de oogen hield; "kleine," sprak hij zacht, "hebt gij geen vriendelijk

woord voor mij?"

"Och, Army," snikte zij, "ik--ik schrikte zoo, toen ik u samen zag,

en het bedroeft mij zoo, dat--"

"Maar, Nelly, het is toch voor ons allen zeer gelukkig, dat het zoo

ver gekomen is, en ik heb Blanka zoo lief--"

"Heeft zij u ook lief?" vroeg zij ernstig, zijne hand vattende,

"weet gij dat zeker?"

"Maar, kindlief! denkt gij, dat zij mij zonder dat zou willen

trouwen? Zij, die zoo schoon en gevierd is?"

Nelly schudde het hoofd en zag haar broeder met betraande oogen aan.

"Ik stelde mij alles zoo geheel anders voor," fluisterde zij.

"Kleine gekkin!" sprak hij, en streek haar zacht liefkoozend over

hare lokken. "Maar, nietwaar Nelly, het is toch heerlijk, dat ik zoo

gelukkig ben?"

Zij lachte door hare tranen heen en verliet toen schielijk het

vertrek. Buiten klonk het eerste rollen des donders van het naderende

onweer in den zwoelen nacht.

"Nelly is ziek, vrees ik," sprak hare moeder bezorgd, "hare handen

waren gloeiend heet."

"Och kom, zij is in een kwaden luim; zij mokt, omdat haar Liesje,

naar hare meening, vandaag niet vriendelijk genoeg bejegend is,"

verklaarde de oude barones wrevelig. "Ik wed, dat zij reeds naar den

molen geweest is, en het onnoozele kind om verschooning gevraagd heeft;

het is waarlijk ongehoord."

"Zij scheen er vandaan te komen, toen zij ons zoo onverwacht ontmoette;

overigens, moet ik bekennen, en Blanka vindt het ook, grootmama! dat

gij veel te lomp jegens het meisje waart."

Op dit oogenblik doorkliefde een helle bliksemstraal de lucht,

gevolgd door een zwaren donderslag.

"Misericordia, welk een weer!" riep bevend de oude dame, op wier

lippen het scherpe antwoord door den schrik bestierf, "zou Blanka

ook bang zijn?"

Daar vloog de deur open en in het ruime, witte cachemiren kleed stond

de jonge dame plotseling midden in het vertrek; zij hield de handen

voor de ooren en zag angstig in het rond.

"Ik ben zoo bang," sprak zij huiverend, en liet zich in den stoel

vallen, dien Nelly zooeven verlaten had.

Army ijlde naar haar toe; hij zag haar bleek gelaat en vatte hare

koude, kleine hand.

"Ik zou om niets ter wereld altijd hier willen wonen!" vervolgde zij,

en stampte met haar klein voetje heftig op den grond.

"Waar wilt gij _dan_ wonen, mijn kind?" vroeg de oude barones

verwonderd.

"_Dan_ wonen?" herhaalde verbaasd de jonge dame, die voor een oogenblik

haar angst totaal vergeten scheen te zijn. "Wel, lieve grootmama, meent

gij dan, dat Army en ik ons hier zullen begraven? Neen, nietwaar,

Army? Wij gaan eerst reizen en wat van de wereld zien; ik ken nog

geen der groote badplaatsen, Ems, Baden-Baden, dan Zwitserland,

Italië--verbeeld u eens Italië, waar gij mij gister nog zooveel van

verteld hebt, en dan, als wij dat alles gezien hebben, zoeken wij

een plekje uit, waar het ons bevalt om te wonen." Zij zweeg opeens,

want een nieuwe bliksemstraal en donderslag deden het oude slot op

zijne grondvesten schudden.

Army hield de hand zijner verloofde vast; hij stond rechtop naast

haar en luisterde naar den wegstervenden donder; de oude dame naderde

echter het jonge paar met een gelaat, waarop de hoogste verbazing

te lezen stond, terwijl hare schoondochter angstig luisterde naar

hetgeen die kleine mond zei, als iets dat van zelf sprak.

"Wij zullen wel dáár moeten wonen, Blanka," sprak nu de jonge man kalm,

"waar tante Stontheim het verkiest."

"Neen, nooit!" antwoordde zij driftig, "ik wil hier in dit oude slot

niet eens begraven worden; ik ben nog jong, en wil het leven genieten;

Army! gij zult mij gelijk geven. Hier wonen? Nooit of nimmer! Tante

is te verstandig, zij zal dit niet van mij vergen; neen, zeker niet,"

voegde zij er bevestigend bij.

"Zeker, Blanka, wij zullen reizen; maar onze vaste woonplaats heeft

tante te bepalen."

"En wanneer zij Derenberg kiest, dan--dan ga ik niet mede; ik verzeker

u, ik ga niet mee; het is hier veel te stil; ik zou sterven in deze

eenzaamheid."

"En zoudt gij mij hier alléén willen laten?" vroeg Army zacht en bukte

zich om haar aan te zien. De toon was schertsend, maar klonk toch

eenigszins angstig; "en gij hebt mij straks in den tuin nog verzekerd,

dat gij slechts gelukkig zoudt zijn, waar--"

Zijne stem daalde tot zacht fluisteren.

Een heftig hoofdschudden was het antwoord. "Neen, neen," riep zij

daarop; "zoo meende ik het niet, Army! Mijn weinigje vrijheid laat

ik mij niet ontnemen, het zou mijn dood zijn, als ik dagelijks door

de koude, hooge gangen loopen en in het donkere park uitzien moest."

"Als echter uw aanstaande echtgenoot wenscht, dat gij hier

blijft?" vroeg de oude dame met ingehouden adem; hare handen grepen

krampachtig de plooien van haar kleed.

"Hij _zal_ het niet wenschen," riep zij hartstochtelijk en sprong

overeind; haar lief gelaat had een dreigende uitdrukking aangenomen

en haar voet stampte hevig op het tapijt; geen spoor was er meer van

de minzaamheid van dien avond. De eigenzinnigheid vertoonde zich op

eens in hare hatelijkste gedaante, en haar stem klonk scherp en ruw.

"Het is belachelijk, inderdaad belachelijk," ging zij voort, "de

vrouw als eene slavin te behandelen en tegen haar te zeggen, dáár,

waar uw man zich gelukkig gevoelt, moet gij het u noodwendig ook

doen, en doet gij het niet, dan is het uwe zaak te zien hoe gij u

redt! Army kan en zal mij zoo niet behandelen; ik heb hem mijn woord

gegeven de zijne te worden, het ligt aan hem, mij gelukkig te maken,

maar hier _kan_ en _wil_ ik niet wonen."

"Blanka," riep hij, en zijne groote oogen zagen verschrikt het jonge

meisje aan, dat straks onder duizend liefdesbetuigingen zijne verloofde

geworden was.

"Blanka! ik bid u, houd op! gij zijt opgewonden van angst en

schrik." Hij schelde en bracht haar naar haar stoel terug. "Een glas

water," beval hij Hendrik, die binnentrad.

De oude dame zag als versteend naar de verloofde van haren

kleinzoon. Zou dit kleine wezen al haar kostelijke plannen in duigen

werpen? Zou zij evenals vroeger hier eenzaam leven? Zou zij van dien

schitterenden rijkdom niet genieten? Zich niet koesteren in de stralen,

die een frisch, vroolijk leven hier zou verspreiden? Ontsteld viel

zij op een stoel en sloeg een donkeren blik op den jongen officier,

die juist het glas water uit Hendriks hand aannam en het zijne

verloofde toereikte.

Plotseling klonk een flauwe kreet uit het belendend vertrek. "Nelly,"

riep de jonge barones ontsteld, en verdween door de kamerdeur. "Kind,

wat scheelt u toch?" vroeg zij angstig, terwijl zij zich over het

op de sofa liggende meisje heenboog en de hand op haar brandend

voorhoofd legde.

"Och, zij is vreeselijk mama, zij is vreeselijk!" snikte het kind;

"mijn Army, mijn lieve, goede Army! Zij heeft hem niet lief, mama,

geloof mij."

"Heb maar geen zorg, liefje!" troostte de moeder zacht; "zij is

slechts wat nukkig; alles zal nog wel terecht komen."

"Neen, neen, mama! O, toen ik haar aanzag, schoot mij de oude kroniek

te binnen, en het vers over het roode haar. Och! dat zij weer wegging,

van avond nog, en maar nooit, nooit weerkwam!"

Liefkoozend poogde de moeder het opgewonden meisje tot bedaren te

brengen; haar hart was zelf zoo vol angst! De bleeke vrouw boog het

hoofd en hare oogen vulden zich met tranen. Nelly sliep onder de

troostredenen harer moeder in. Het was een onrustige, koortsachtige

slaap, maar toch liet de bezorgde, bleeke vrouw haar dochtertje

alleen. Zij had immers nog een kind, haar Army. Voorzichtig zag zij

om den hoek van de deur; de oude dame en de schoone verloofde waren

verdwenen; maar dáár, in de diepe vensternis, stond _hij_ nog, haar

lieveling, en staarde naar buiten. Zij naderde hem, en de hand op

zijn schouder leggende, sprak zij zacht: "Army!" Hij keerde zich om

en zag haar vragend aan. Zij zweeg, maar hare oogen bleven met een

angstig onderzoekenden blik op het schoone, trotsche gelaat gevestigd.

"Wees gerust, mama!" zeide hij haastig, hoewel met eenigszins onvaste

stem, "zij is een bedorven kind, een zeer bedorven kind, maar zij

heeft mij lief--zeker, ik weet het; zij zal zich veranderen; het

spijt haar immers al, dat zij zoo driftig werd."

De moeder onderdrukte met geweld hare tranen en streek zacht over

zijn voorhoofd. "Goeden nacht, Army," fluisterde zij.

"Goeden nacht, mama," antwoordde hij, haar teeder kussende, "wees

voor mij niet bezorgd."

Sedert waren veertien dagen verstreken. Storm en regen hadden al de

frissche bloesems van boomen en heesters geschud en ze als versche

sneeuw over den grond gestrooid, maar in plaats daarvan bloeiden in

den tuin des molenaars de rozen allerprachtigst en de lindeboom in

het slotpark stond in vollen bloei. Zeer dikwijls was Liesje in den

laatsten tijd dien weg gegaan, welken zij gemeend had niet zoo spoedig

weer te zullen betreden. Maar Nelly was erg ziek geweest, en de oude

Hendrik had op haar verlangen hare vriendin bij haar ziekbed moeten

halen. Uren aaneen had Liesje daar gezeten, in het hooge schemerachtige

vertrek, en de kleine, van koorts gloeiende hand in de hare gehouden.

De boodschap, die Lise op het slot riep, was juist gekomen midden in

het gewoel, waarover tante Marie gesproken had. De predikant met vrouw

en kinderen, alsook de houtvester, waren op hun tijd verschenen, en

Liesje had al hare vermogens moeten inspannen, om evenals vroeger

de kinderen bezig te houden, waarbij zij gelukkig in den heer

Selldorf een goeden steun vond. Op eens was Hendrik binnengekomen

met zijne boodschap, en Lise had zich slechts even opgehouden om

de toestemming harer ouders te vragen, die zij natuurlijk aanstonds

verkreeg, hoe ongaarne men haar juist heden ook miste in den blijden

kring. "Tante Liesje, kom gauw weer; dag tante Liesje!" hadden de

vroolijke kinderstemmen haar nageroepen, terwijl achter de gordijnen

een blonde, jonge man had gestaan, en twee trouwe, heldere oogen de

slanke gedaante nastaarden, die juist in het bosch verdween, terwijl

een mismoedige trek op zijn gelaat zichtbaar werd. Wat was er van

dien zoo vurig verlangden Tweeden Pinksterdag geworden! In plaats van

eene partij in het bosch--regen; in stede van vriendelijke blikken

uit blauwe oogen--de plagerijen der wilde jongens, door wie Selldorf

reeds tot oom was gepromoveerd. Op het slot was in die veertien dagen

veel gebeurd.

Army had van een kort bezoek bij tante Stontheim, hare toestemming

en een keurig equipage voor zijne verloofde meegebracht en in een

vriendelijk schrijven had Blanka's vader de jongelieden zijn zegen

gegeven. Zij was weder de beminnelijkheid zelve en had uit eigen

beweging verklaard, dat het haar leed deed, zoo heftig te zijn geweest

op den avond harer verloving, maar een onweder maakte haar altijd erg

zenuwachtig; Army was overgelukkig, ten minste zoo scheen het Liesje

toe. Hij bezocht de donkere ziekenkamer dikwijls, om naar zijne zuster

te zien en zijn gelaat straalde altijd, als hij zich over haar heenboog

en een groet bracht van zijne bruid. De laatste was slechts ééns aan

het ziekbed verschenen; maar hare vluchtige vragen, hoe of het ging en

of Nelly haast weer kon opstaan, gevoegd bij de drukke verhalen van

al hare uitstapjes en plannen bij haar huwelijk, maakten het jonge

meisje zóó zenuwachtig, dat zij bij haar vertrek in tranen uitbarstte.

"Laat haar toch niet weerkomen," klaagde zij, "ik word zoo angstig in

haar nabijheid, en hare parfumerieën geven mij hoofdpijn." Van Lise had

Blanka geen notitie genomen, hoewel zij bij het bed stond. Grootmama

kwam nooit in de ziekenkamer, zoolang zij wist dat Liesje er was;

en Sanna mompelde zoo iets van eigenzinnigheid, en dat zij even goed

eene zieke kon verplegen als dat nietige ding, daar uit den molen;

"dat was weer zoo'n idée van de jonge barones."

Eindelijk was de ziekte geweken; de donkere gordijnen in de

ziekenkamer waren opgehaald, de ramen geopend en Nelly lag op de sofa

met welgevallen de frissche boschlucht in te ademen, die het vertrek

binnendrong, terwijl Liesje naast haar zat en met haar praatte. Zij

waren alleen. Blanka's vader was gekomen om, zooals Nelly fluisterde,

met grootmama en Army te spreken op last van tante Stontheim. "Ik

ben heel blij," voegde zij er bij, "dat ik weg mocht blijven, want

van het oogenblik af dat de brief kwam, die ooms komst meldde, ziet

grootmama boos. Maar zeg eens, Liesje, wat ziet gij bleek! gij hebt

u zeker te veel overspannen, door mij op te passen."

Het jonge meisje ontkende blozend. Stemmen en paardengetrappel werden

buiten hoorbaar, "O! daar komen zij van hun rit terug," sprak Nelly;

"kom, dat moeten wij zien."

Zij stond langzaam op en trad aan het venster. Op het voorplein was

de geheele familie vergaderd; Blanka zat nog te paard in haar zwart

rijkleed, het kleine hoedje met de lange zwarte veder op het weelderige

haar, dat op het achterhoofd was vastgestoken, inplaats van, zooals

gewoonlijk, in lange krullen op den rug te hangen. Army was reeds

van zijn paard gesprongen, gereed haar bij het afstijgen te helpen,

en zag opmerkzaam naar haar vader, die langzaam tusschen de beide

baronessen naderde. Het was een klein, gezet heer, die zeer ijverig

eene meening scheen te verdedigen; hij gesticuleerde ten minste hevig.

Nelly's moeder zag naar het venster, waar de beide meisjes stonden. Zij

knikte haar vriendelijk toe, en de oogen der haar vergezellenden

volgden dien groet. De oude barones zag onverschillig voor zich,

terwijl de overste staan bleef, zijn hoed afnam en glimlachte. Toen

hoorden zij, hoe hij naar Liesje vroeg; het antwoord konden zij

niet verstaan.

Ondertusschen was Blanka afgestegen en had Liesje hare vriendin weder

naar de sofa gebracht; spoedig daarop verkondigde een luid gesprek,

dat het gezelschap de kamer daarnaast binnentrad. Liesje nam haar

boek weer op en wilde hare lectuur weder beginnen, toen stoelen werden

bijgeschoven en zij plotseling den ouden heer duidelijk hoorden zeggen:

"Het spijt mij, genadige vrouw, dat de zaak zoo weinig in uw smaak

schijnt te vallen, intusschen--"

"Schijnt zij het des te meer in den uwen te doen, heer overste,"

viel de oude barones hem in de rede.

"Pardon, ik kom slechts als afgevaardigde der barones Stontheim, en

heb reeds eenmaal verzekerd, dat ik mij volstrekt niet in de regeling

der zaak wil mengen; echter wil ik niet ontkennen, dat het mij _zoo_

het verstandigste voorkomt;" zijne stem verried eenige geraaktheid.

"Meeningen, lieve Derenberg!"

"Gij zult toch zelve toegeven, dat Army nog te jong, te onervaren

is, om de verwarring--vergeef mij het woord, barones--te ontknoopen,

in welke trouwens alle Derenbergsche zaken verkeeren. Er behoort een

ervaren landhuishoudkundige toe, om de verwaarloosde goederen weder in

orde te brengen, verondersteld, dat wij ze terug kunnen bekomen; het

bosch bij voorbeeld,--gravin Stontheim sprak er met den justitieraad

Hellwig over--het bosch is zoo goed als verloren; de tegenwoordige

bezitter--hoe heet hij ook? gij zult hem wel kennen, een fabrikant

hier in de buurt--zal onder geen beding het weder willen afstaan;

het bosch is derhalve voor immer verloren en wat beteekent zulk eene

bezitting zonder bosschen?"

"Erving zou het niet weer willen verkoopen?" viel de oude dame in:

"ha, ha, dan kent gij hem niet; het komt er bij zulke lieden slechts

op aan, hoeveel men biedt; voor een kleine winst verkoopt zulk volk

zijne zaligheid. Neen, neen, beste overste, dat is een belachelijk

denkbeeld, dat ik van u niet verwacht had. Ik wil om alles met u

wedden: bied hem zoo en zooveel meer, en het bosch is 't uwe."

"Gij zoudt de weddingschap verliezen, genadige vrouw, want Hellwig

heeft er, op last van vrouwe van Stontheim, naar vernomen en een

bepaalde weigering ontvangen. Voor het overige--"

De oude dame viel hem luid lachende in de rede.

"Gij zoudt toch wel gelijk kunnen hebben, Derenberg," sprak zij,

"want deze parvenu haat, evenals al zijns gelijken, den adel, en

ons in het bijzonder. Plebaglio!" voegde zij er verachtelijk bij in

hare moedertaal.

"Voor het overige," zeide de overste met verheffing van stem--"pardon,

barones," vervolgde hij beleefd, toen zij zweeg, "ik stel er volstrekt

geen belang in te weten, op welken voet gij met dien man staat;

dat verandert niets aan de zaak; ik wilde er slechts bijvoegen,

dat, wat de goederen betreft, die deerlijk in de war zijn. Het is

verschrikkelijk--joden, makelaars, koopbrieven, eerste, tweede,

derde en vierde hypotheek--en wat niet al meer; kort en goed,

gravin Stontheim verkiest niet zich er mede te bemoeien, omdat de

zaak slechts met enorme opofferingen te schikken is; zij wenscht,

zooals ik van morgen vroeg reeds de eer had u mee te deelen, dat Army,

ook nog na zijn bruiloft, die tegen den herfst bepaald is, in dienst

zal blijven; zij zal het jonge paar ruim van middelen voorzien, en is

voornemens, wanneer Army later zin in de landhuishoudkunde heeft, hun

een landgoed te koopen, dat geheel onbezwaard is. Het slot Derenberg

is nog altijd een prachtig zomerverblijf voor het jonge paar, en het

voorvaderlijke slot blijft Army's eigendom. Nietwaar, Army, gij wilt

nog wel een tijdlang den bonten rok dragen?"

"Zeker, ik moet mij onderwerpen, oom!" sprak de jonge man, "maar

ik beken dat het mij zwaar valt, er van af te zien op Derenberg te

wonen--het was altijd mijn lievelings-idée."

"Maar de mijne niet," viel Blanka haastig in; "ik ben het volkomen

met tante Stontheim eens, dat heb ik vroeger ook al verklaard."

"Gij weet niet, Blanka," hernam Army, en zijne stem beefde; "gij weet

niet, welk eene bekoorlijkheid zulk een erfgoed heeft! Gij _kunt_

het niet weten, want gij hebt nooit het trotsche gevoel gekend, den

voet op eigen grond te zetten. U hebben geen oude muren, geen ledige

vertrekken, geen eeuwenoude boomen verhaald van lang verloopen tijden,

toen onze voorouders hier leefden en werkten. Het was mijn liefste

droom hier te wonen, waar een lange reeks van voorvaderen leefden

en stierven, en het zal mij zeer smartelijk vallen, dien droom niet

vervuld te zien; geloof mij."

"Om 's hemels wil!" riep de jonge dame uit, "nu wordt hij waarlijk

sentimenteel! Mij komt de kleinste villa aan den meest bezochten

wandelweg onzer residentie duizendmaal aanlokkelijker voor, dan dit

vervelend, verlaten--"

"Stil, kinderen!" viel de overste sussend in, "laat ieder zijn

gevoelen voor zich houden! Gij, Blanka, hangt even goed van tante

Stontheim af, als Army! Wat zij verkiest, geschiedt; daar is niet aan

te veranderen, en mij dunkt, wij moesten de zaak laten rusten en er

niet over twisten."

"Zeer verstandig aangemerkt, overste," mengde zich nu de oude dame in

het gesprek; "maar, hoe zwaar zulk een afhankelijkheid te dragen valt,

kan alleen hij gevoelen, die gewoon is geweest vrij te gebieden. _Gij_

gevoelt dat niet; gij hebt nooit op eigen grond gestaan; gij zijt,

om zoo te spreken, in afhankelijkheid groot geworden, en dan valt het

gemakkelijk anderen ondergeschiktheid te prediken. Ik vind het vreemd

van tante Stontheim; zij _heeft_ de middelen en wil niet helpen; Army

moet officier blijven om de bespottelijke reden, dat hij te jong is;

alsof geen oudere krachten hem radend en helpend ter zijde stonden?"

"Gij misschien, genadige vrouw?" sprak de overste lachend. "Voorwaar

niet kwaad bedacht! finantiëele talenten kan men u niet betwisten--dat

gij ongelukkig zijt geweest in uwe speculaties--wie kan dat helpen?"

"Gij zijt nog even ondeugend, als vroeger, overste! toen ik het

geluk had u hier eenige malen te ontmoeten; in dit geval echter

zijn uwe verwijten ongegrond, want het was werkelijk het ongeluk,

dat ons vervolgde."

"Onverdiend ongeluk!" verbeterde de overste spotachtig.

"Oom, ik bid u, zwijg daarvan! Het maakt mama zenuwachtig," bad Army.

"En, mijn jongen," vervolgde deze onbevangen en met nadruk, "het is

juist om nog eens zulk een onverdiend ongeluk te vermijden, dat gravin

Stontheim hoofdzakelijk wenscht, dat gij niet hier--versta mij wel:

niet _hier_--de eerste jaren van uw huwelijk zult doorleven. Vergeef

mij, dat ik zoo duidelijk moest spreken! Ik had het gaarne vermeden--"

"Ik begrijp u," zeide de oude dame koel; "gravin Stontheim heeft

nog het ongelukkige idée, dat ik de oorzaak ben van den ondergang

der familie; zij heeft mij dit meer dan eens grof en onverbloemd

verweten, als wij in nood en kommer verkeerden; iemand moest toch de

schuld dragen," vervolgde zij, met een bitteren lach: "en daar men

mij van den beginne af als een indringster beschouwde en de vreemde,

de Italiaansche, niet uitstaan kon, was het gemakkelijk haar ook die

schuld te verwijten. Va, bene! Gij vertelt mij niets nieuws overste;

het spijt mij, dat iemand zoo--zoo--" zij hield op; blijkbaar zweefde

haar een scherpe uitdrukking op de lippen.

De overste zweeg.

"Oom," vroeg Army driftig, "wat beduidt dat? Tante kan toch onmogelijk

meenen, dat grootmama--"

"Zwijg," riep de oude dame, en tegelijk hoorde men haar stoel over

den vloer rollen.

Liesje en Nelly zaten bijna ademloos hand in hand naast elkaar. Toen

de eerste haar vaders naam hoorde noemen, was zij opgesprongen, en

had rondgezien, of er geen andere uitweg was dan door het vertrek,

waarin men zoo hatelijk zijn goeden naam bevlekte.

"Waar kan ik heen?" fluisterde zij hare vriendin toe.

"Blijf hier, Liesje," smeekte Nelly en trok haar tot zich; "zij

weten niet, dat wij hier alles kunnen verstaan; och, schrei toch niet

zoo! O, dat ik gezond ware, en een man als Army; ik zou antwoorden,

als zij u beschimpten!"

Daar binnen hoorde men de oude dame op en neder loopen en telkens,

als zij de deur naderde, zag Liesje angstig de kamer rond, of zij

ook eene plek vond om zich te verschuilen.

Op eens vernamen zij Blanka's stem, vriendelijk en welluidend als

immer.

"Grootmoedertje," vleide zij, "ik heb een verzoek aan u; ik had het

Army opgedragen, maar hij heeft het zeker vergeten, die ondeugd. Ja,

ja, zie mij maar niet zoo verwonderd aan, gij--" ging zij schalksch

voort, "nietwaar, grootmama? dat heeft uw bruidegom zeker nooit gedaan;

die las zeker al uwe wenschen in uwe oogen."

De laatste woorden waren duidelijker dan het begin van haar verzoek;

blijkbaar stond zij naast de oude dame bij de deur.

"Nu slaat zij hare armen om grootmama's hals, net als een katje,"

fluisterde Nelly; "o, gij weet niet, hoe zij kan vleien."

"Nu?" klonk de stem der oude barones.

"Ik had Army verzocht u te vragen, mij toe te staan in het

torenkamertje te wonen, dat aan mijn kamer grenst; o, ik bid u,

grootmamaatje, amatissima mia!"

"Het was zeer verstandig van Army, dat hij het mij niet vroeg; ik

had het hem reeds eenmaal geweigerd en kan het ook u niet toestaan."

"Waarom niet?" vroeg Blanka verwonderd.

"Gij zult mij wel toestaan, dat ik de reden voor mij zelve houd."

"Vraag niet verder, Blanka," liet zich de overste hooren; "oude

kasteelen hebben hunne geheimen, en daaronder zijn er, die men liefst

laat rusten."

De deur werd heftig opengerukt en de oude dame stond onverwacht voor

de beide meisjes.

Lise was opgesprongen, zij deed geen moeite meer te ontvlieden,

maar bleef onbewegelijk staan.

De ondergaande zon wierp hare stralen door het venster en overgoot

het meisje, als het ware, met een rooskleurig licht. De oude barones

week terug, alsof zij een spook zag, en stak verschrikt de handen uit.

"Dio mio! Het is ongehoord," riep zij stampvoetend uit. "Zijt gij

dan altijd hier om mij een schrik aan te jagen?"

"Het doet mij leed, barones, dat ik altijd het ongeluk heb--"

"Wel, dat is vreemd, voor zulk een liefelijke verschijning te

verschrikken!" sprak de overste, een blik van bewondering op het

jonge meisje werpende. "Mag ik u verzoeken, genadige vrouw, mij aan

de jonge dame voor te stellen?"

De aangesprokene trok de schouders op, terwijl zij den ouden heer

meewarig aanzag en trad naar het venster.

"Nu, dan zal ik mijzelf moeten voorstellen; overste Derenberg!" zeide

hij vriendelijk.

"Dit is mijne vriendin, oom, Liesje Erving," voleindigde Nelly de

voorstelling.

Het jonge meisje maakte een lichte buiging.

"Erving?" herhaalde de oude heer vragend.

"De dochter van den tegenwoordigen bezitter der Derenbergsche bosschen,

oom," bevestigde Nelly, hare oogen op zijn ietwat blozend gelaat

vestigende.

"Ah zoo," antwoordde hij. "Daarom kwam mij den naam ook al zoo

bekend voor; uw vader is waarschijnlijk een liefhebber van het edele

jachtvermaak?"

"Ja, heer overste, en buitendien verbruikt hij veel hout in zijne

papierfabriek."

"Uw vader bezit dus eene papierfabriek? Maar hout--ik meende dat het

beste papier uitsluitend van lompen vervaardigd werd?"

Om Liesjes mond speelde een schalksche glimlach.

"Zeker, overste. Daarom heet onze fabriek in den ganschen omtrek de

lompenmolen, mijn vader de lompenmolenaar en ik lompemolenaars Liesje."

"Lompemolenaars Liesje?" herhaalde de overste lachende, en zag haar

vroolijk aan. "Dat is toch een naam, die mij voor u minder gepast

voorkomt."

"Ik draag hem toch gaarne," zeide zij, "ieder kind noemt mij zoo;

altijd hebben de dochters uit ons huis dezen bijnaam gehad; 't zij

lompenmolenaars Grietje, of Mina, of Lisette--"

Zij ontstelde, toen zij dezen naam zoo onnadenkend uitsprak, en zag

beschroomd naar de oude dame, die nog altijd aan het raam stond,

en zich nu ook opeens omkeerde, als had haar een adder gebeten.

"Lisette?" herhaalde zij. "Op dien naam behoeft gij u niet zoo trotsch

te beroemen; die Lisette was een lichtzinnig schepsel, dat hare ouders

veel verdriet heeft aangedaan--"

"De nagedachtenis van tante Lisette is mij heilig," antwoordde het

jonge meisje, uiterlijk kalm; "zij was niet lichtzinnig; zij was

slechts zeer ongelukkig, maar, zooals men mij verzekerd heeft, niet

door eigen schuld, barones."

Hare lippen beefden van aandoening bij het uiten dezer woorden,

en in hare stem was het kloppen van haar hart hoorbaar.

"Wat is dat voor eene Lisette? Wie was zij?" vroeg Blanka levendig,

die juist binnentrad. "Wie beleedigt haar, en wat heeft zij toch

misdaan?" Zij stond nu tusschen Liesje en de grootmoeder, en zag

beiden beurtelings aan.

"Wees niet zoo vreeselijk nieuwsgierig, mijn kind!" vermaande de

overste, "ik zeide u immers reeds, dat oude sloten hunne geheimen

hebben, en--"

"Wie zegt u dan, overste, dat het slot iets met deze zaak te maken

heeft?" De oude dame was doodsbleek geworden.

"Nu ja," antwoordde hij bedachtzaam, en zag haar scherp aan, "ik

combineer gaarne--"

"Het is zeer jammer, overste, dat gij geen romanschrijver geworden

zijt. Gij hebt uwe carrière gemist."

"Vaarwel, Nelly," fluisterde Liesje, terwijl zij haar een kus op de

wang drukte; zij boog voor de aanwezenden en verliet het vertrek;

zij vloog letterlijk de gang door en het voorplein over. In de

linden-allée stond zij plotseling voor--Army.

"Juffer Erving--" zij zag naar hem op; zijn gelaat stond ernstig.

"Juffer Erving--" herhaalde hij, "hebt gij gehoord, wat in onze

huiskamer gesproken werd?"

"Ja," antwoordde zij bedaard.

"Het is juist niet zeer--hoe zal ik het noemen?--zeer bescheiden,

te luisteren, wanneer er familie-aangelegenheden besproken worden--"

"Ik heb niet geluisterd, heer baron!" riep zij trotsch, "was er een

andere uitgang aan de kamer geweest, ik zou die gaarne verlaten hebben,

voor altijd gaarne, maar--"

"Gij hadt door de huiskamer kunnen gaan--"

"Neen, uwe moeder zelve heeft mij verzocht uwe grootmama uit den weg

te blijven, want zij kan mij niet uitstaan; ik ben immers de dochter

uit een huis, waarmede men niet fatsoenlijk verkeeren kan, heer

luitenant--dat weet gij toch; ik was dus wel gedwongen te blijven;

het liefst was ik uit het raam gesprongen." Bij deze woorden kwam

een bittere trek om haar kleinen mond.

"Nu, hoe het ook zij, ik bid u, niet over het gehoorde te spreken. 't

Is geen gemakkelijke taak, te voldoen aan het verzoek om deze

openbaringen niet verder te verspreiden--ik geloof het gaarne--onze

familie bood reeds van vroeger altijd stof genoeg tot praatjes in

den omtrek; maar ik vertrouw, dat gij u dat offer van geheimhouding

wel getroosten wilt, als ik u er aan herinner, dat wij vroeger trouwe

vrienden waren--nietwaar, Liesje?"

Hij stak haar de hand toe, maar het meisje trad eene schrede terug

en kruiste de armen op de borst.

"Eene belofte zal wel niet noodig zijn," antwoordde zij somber; "ik

zou toch gezwegen hebben, want uwe gesprekken beleedigden gedeeltelijk

mijn vader--mijn vader, in wiens huis gij zoo gaarne kwaamt, ook in

dien tijd, dat wij nog 'trouwe vrienden' waren, zooals gij zegt."

Hij deed ontsteld een stap achterwaarts.

"Wat? Ik heb geen woord over uw vader gesproken."

"Maar aangehoord, dat men hem een parvenu noemde--dat men hem

beschuldigde den adel en de familie Derenberg in het bijzonder te

haten en dat hij op wraak zon--en het kalm aanhooren van lasteringen,

terwijl men van de onwaarheid ten volle overtuigd is, staat gelijk

met eene bevestiging daarvan. Uw gevoel van recht schijnt onder zekere

omstandigheden te kort te schieten, heer luitenant!"

Een gevoel van bitterheid, vermengd met diepe smart van hopelooze

liefde, vervulde haar. Eerst toen zij, met een koele buiging hem den

rug toekeerende, zonder om te zien haastig een eind weg was, vulden

hare oogen zich met tranen. Zij zag het niet hoe hij haar nog lang

nastaarde, en eerst, toen zij verdwenen was, met een somber gelaat

langzaam naar het slot ging.

Toen Army binnentrad, scheen er eenige rust na den storm gekomen te

zijn; allen zwegen ten minste. De overste had een sigaar opgestoken en

lag oogenschijnlijk zeer tevreden in een der ouderwetsche leunstoelen,

terwijl de oude barones recht als een kaars op de sofa zat, en

zenuwachtig haar dunne witte vingers bewoog. Blanka stond voor het

raam en staarde naar buiten in het park; de lange sleep van haar

donkerblauw rijkleed lag onbewegelijk achter haar over den vloer,

en zij verroerde zich zelfs niet, toen haar verloofde naast haar

kwam staan. Hij verstond de knorrige vraag der oude dame niet, die

hem toeriep, waar zijne moeder was en of zij ook haast kwam. Hij zag

alleen het bekoorlijke wezen naast hem, dat er in haar rijkleed nog

sierlijker en kinderlijker uitzag dan anders; hij nam zacht een harer

goudkleurige vlechten, die los op den rug hingen, en drukte zijne

lippen er op. De jonge dame schudde, zonder om te zien, heftig het

hoofd, en trok met haar kleine handen het haar over den schouder.

"Blanka," zeide hij verwijtend, en boog zich voorover om haar in het

gelaat te zien. Zij wendde het hoofd af en staarde schijnbaar met

belangstelling naar buiten.

"Heb ik u beleedigd, Blanka?" vroeg hij zacht. "Zijt gij boos op mij?"

Zij hield haar beide handen voor de ooren.

"Neen, neen, om Godswil, neen!" riep zij hartstochtelijk, zich

opeens omkeerend; "ik bid u, Armand, vraag toch zulke bespottelijke

dingen niet! Gij ziet immers, dat ik op 't oogenblik geen lust heb,

uw verliefd gefluister en uwe liefkoozingen aan te hooren; ieder

ander zou het dadelijk begrepen hebben, en gij vraagt, of ik boos

ben en al zulken onzin meer." Zij trapte kregel met den voet.

Army's gezicht werd donkerrood. "Vergeef mij," sprak hij en ging naar

de pianino. Hij opende die en sloeg een paar accoorden aan.

"Ik bid u, speel niet!" riep Blanka, en hield weder de handen voor

de ooren.

Hij stond op. "Speel gij dan iets!" vroeg hij, "ik zou zoo gaarne

wat muziek hooren; dat heeft voor mij altijd iets kalmeerends,

iets verzoenends."

"Ja, speel wat, mijn lieve!" sprak nu ook de overste, die van de

gansche woordenwisseling slechts het laatste gehoord had, en wien

het aangenaam zou zijn, hierdoor de pijnlijke spanning tusschen hem

en de oude dame te kunnen verbergen.

"Op _dat_ instrument _dáár_?" vroeg zij. "Neen, dáárop kan

ik niet spelen; ik mag die rammelende tonen zelfs niet gaarne

hooren. Buitendien ben ik ook te vermoeid van den verren rit," voegde

zij er bij.

Een oogenblik zag Army toornig; toen ging hij naar het oude, versmaadde

instrument, sloot het en naderde weder zijne verloofde; zij had haar

kleine rijzweep in de hand genomen en speelde met den zilveren knop,

terwijl de oude dame opstond en het vertrek verliet.

"Ik wil gelooven, dat gij werkelijk vermoeid zijn, anders was het meer

dan een bloote luim, dat gij op mijn verzoek weigerdet te spelen,"

merkte hij met gedwongen houding aan.

"Geloof het, mijn lieve jongen; geloof het," sprak lachend de oude

heer en sloeg hem op den schouder; "men komt zóó het verste; ik merk

wel, gij zult het best met haar vinden."

Army beet zich op de lippen.

"Mag ik u naar uwe kamer brengen?" vroeg hij aan zijne verloofde,

"als gij wat uitgerust zijt, hoor ik na het eten misschien nog wel

iets van u, nietwaar?"

"Ik geloof het niet," antwoordde zij; "want ik heb hoofdpijn en zal

heden mijne kamer houden."

De overste lachte. "Nu, goeden nacht dan, en goede _beterschap_,"

en daarmede ging hij, nog lachend, terwijl hij zijn neef toeknikte,

uit de kamer.

Blanka nam de sleep van haar rijkleed over den arm en volgde hem;

zij ging zonder een woord te spreken Army voorbij.

"Blanka," vroeg hij zacht en versperde haar den weg, "wilt gij mij

niet goeden nacht zeggen?"

"Gij behandelt mij als een ondeugend kind," riep zij driftig: "het

verwondert mij, dat gij nog niet eischt, dat ik u om vergeving zal

vragen; het kan u niet schelen of ik hoofdpijn heb of niet."

"Het een zoo min als het ander. Ik verlang noch een verzoek om

vergeving, noch weiger ik u mijne deelneming in uw hoofdpijn; maar mij

is het onmogelijk, zoo zonder 'goeden nacht' van u te gaan. Nietwaar,

Blanka? dat is ook niet aangenaam. Wanneer twee menschen elkander

zoo liefhebben als wij, dan is het verlangen naar eene opheldering,

naar een goed begrijpen van elkaar zoo natuurlijk."

Hij was haar bij deze woorden genaderd en wilde haar tot zich trekken,

maar zij ontweek hem met een ongeduldige beweging en vertrok haar

mond een oogenblik tot een spotachtigen lach.

"Indien gij mij werkelijk liefhadt, zoudt gij mij zulke dwaze

zedepreeken niet houden, daar gij immers weet dat ik vermoeid ben. Het

is verschrikkelijk," vervolgde zij, "welke opvatting gij schijnt te

hebben van onze onderlinge verhouding; die eeuwige stijve manieren; dat

voegen van den een naar den ander, zonder een eigene meening te durven

uiten; dat opgaan in elkander--het is een knellende, ontzettende keten,

maar geen geluk! Ik wil vrij zijn--hoort gij? vrij zijn!" herhaalde

zij nog eens, en dreunend viel de zware deur achter haar dicht.

Hij stond als versteend en staarde op de deur door welke zij verdwenen

was.

Het was stil geworden in de groote kamer; het avondrood wierp zijn

gloeiend schijnsel door de vensters en vervulde het vertrek met

een rooskleurige schemering. Langzamerhand verbleekte de purperen

gloed en daalde de grauwe sluier van den avond op de aarde neder. De

jonge man trad naar het venster en staarde onafgewend naar buiten,

de lippen wrevelig op elkander gedrukt; plotseling kromp hij ineen;

klanken van boven troffen zijn oor. Haastig opende hij het venster

en nu vernam hij duidelijk de heerlijke tonen eener wals uit den

Faust, zoo maatvast en opwekkend gespeeld, als zij alleen het kon;

als parelsnoeren rolden de passages over de piano en daartusschendoor

verhief zich, met meesterlijke kracht, de melodie.

"Zij speelt," mompelde hij, en zijn gebalde vuist viel toornig op

de harde vensterbank. "Is zij zonder luim of nuk, 't is voorwaar een

groot geluk," lachte hij bitter; toen verliet hij de kamer.

Buiten omgaf hem een zachte, zoele avondlucht. Hij richtte zijne

schreden onwillekeurig langs de slotgracht, waaruit de vlier

zijn uitgebloeide takken naar boven stak, en bleef toen onder haar

venster staan. Dicht bij hem verhief zich de oude toren, en de witte

klimrozen, wier ranken er tegen opklommen, blonken hem helder toe in

de duisternis--daarboven was het spel opgehouden. Maar neen, daar begon

het opnieuw--een sombere, zwaarmoedige melodie; hij kende den tekst:

"Daar staat ook een mensch en ziet naar boven.

En wringt zich de handen in bittere smart,"

Hoe meesterlijk werd dat voorgedragen! Plotseling verstomde de

muziek met een schrillen wanklank. Army haalde ruimer adem. Hij,

die zoo trouw en vurig beminde, poogde te vergeefs het gemoed zijner

bruid te ontraadselen; met geweld drong zich heden avond de bange

vraag bij hem op: als zij u eens niet liefhad? "Liever sterven,

dan van haar afstand doen!" mompelde hij, zijn weg vervolgende, en

dacht onwillekeurig aan de schoone Agnese Mathilde en den jonker van

Streitwitz, die hier in den tuin begraven moest liggen. Ontstemd trad

hij de naaste laan in. De verloopen namiddag met al zijn onaangename

ondervindingen kwamen hem weder voor den geest; tegenstrijdige

gevoelens maakten zich van hem meester; de herinnering aan het

gesprek van oom met grootmama, en de vele hatelijke toespelingen op

het verledene; Blanka's halsstarrige weigering om hier te wonen en dan

de bestraffende woorden, hem door Liesje daar in de allée toegevoegd,

toen hij haar verzocht, het gehoorde niet te verraden! Zij hadden hem

diep beschaamd, die eenvoudige woorden en die smartelijk verwijtende

blik; hij had den braven man daar in den molen laten belasteren, zonder

een woord ter zijner verdediging te zeggen--uit gedachteloosheid;

in gespannen oplettendheid was hij den woordenstrijd gevolgd, die

zijn lievelingswensch zoo ruw verijdelde, den wensch, met Blanka

in het voorvaderlijke slot te wonen. Maar Liesje moest wel meenen,

dat hij juist zoo dacht als--"o neen, neen, zeker niet; haar vader

is een eerlijke, brave man." Dat was bij slot van rekening dan ook

vrij onverschillig--neen, het laatst gebeurde, dat had den angel het

diepst in zijn borst gedrukt. De bittere woorden zijner bruid klonken

hem weder in de ooren: "Welke opvatting hebt gij toch wel van onze

wederzijdsche verhouding?" en dan: "een keten is het, een drukkende

keten, maar geen geluk."

"Een _keten_!" herhaalde hij halfluid, terwijl hij staan bleef;

snel voegde hij er echter bij:

"Bah! Meisjesgrillen, anders niets! Zij is ook te schoon, te

trotsch--zij heeft een te eigenaardig karakter, om zich binnen de

enge grenzen te beperken, die om eene vrouw getrokken zijn." Hij

had dat moeten bedenken, meende hij; hij moest niet altijd en altijd

weder trachten, haar tot _zijne_ denkbeelden over te halen, dat was

vernederend voor haar; zij had gelijk ontstemd te zijn, zijne schoone,

trotsche verloofde. En zij had hem immers lief; dat had zij hem zoo

dikwijls op zijn dringende vragen verzekerd. In den herfst, had oom

Derenberg gezegd, in den herfst zou zij de zijne, onherroepelijk

de zijne worden. En moest voor dit zalig vooruitzicht niet alle

tegenwoordig leed wijken?

De nachtwind was opgestoken; boven het hoofd van den jongen man boog

hij de takken te zamen tot een zacht geruisch, en krulde de oppervlakte

van den donkeren vijver aan Army's voeten; hij voerde alle droevige

gedachten naar de verste verte en bracht verzoenende liefde en zoet

verlangen door den stillen, zoelen zomernacht. "In den herfst,"

sprak Army nog eens zacht, "in den herfst, dan komt het geluk!"

Negende Hoofdstuk.

De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen

bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de

aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde

bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en

dahlia's in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten

gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der

ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen

naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden.

In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die

zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van

de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen

verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers

allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de

keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou

komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat

de heer Selldorf en "onze Lise" een paar zouden worden. De flinke,

blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke,

heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk

en hartelijk om, en geen zijner collega's ontving zulke vriendelijke

blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hem steeds

zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken

werd, zeide zij altijd: "een flink mensch, die Selldorf!"

Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd

vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de

groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht,

dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de

liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen,

welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven.

"Zij houdt zich maar zoo," meende de laatste, "dat is zoo de mode

bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar,

tante?"

"Die veel praten, liegen veel!" had deze geantwoord; "bekommer u niet

om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel

eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God

alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond

over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over,

dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed:

"Bij vrijen, als bij paarden koopen,

Meisje, doe uw oogen open!"

De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt.

Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het

eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed,

dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren,

wie gelijk had.

Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad

in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles

helpen, "want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaande huishouding,"

zeide de oude vrouw.

Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en

getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een

groot laken gespreid lag; Peter en Christoffel sloegen met lange

stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen

en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen.

Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen

verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het

huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit

tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van

de bank en op de tafel gezet had.

"Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?" vroeg Liesje.

"Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek," antwoordde zij;

en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar

te halen. "Zoo vlijtig?" vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een

korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken.

"Een huwelijksgeschenk voor Army!" antwoordde zij vriendelijk.

"Lieve God, hij is toch nog erg jong," sprak de oude vrouw, terwijl

zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam. "Het heugt mij nog

als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje."

Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder

het water helder en haastig heenliep.

"Wie is daar binnen bij vader?" vroeg zij met een bedrukte stem,

alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd

lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het

venster zichtbaar werd.

"Een vreemd heer,--ik ken hem niet," antwoordde tante; daarop zette

zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag

daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. "Heilige

God," zeide zij, "was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen

liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen--ik heb haar in

langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij,

waarlijk zij is het," en zij wees op de groote vrouw, die met het,

donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam.

"Sanna!" riep Nelly, en sprong op, "mijn God, wat is er toch gebeurd?"

"Mevrouw de barones laat vragen," klonk het met een vreemd accent

uit den mond der oude dienstbode, "of de freule niet dadelijk bij

haar wil komen."

"Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?" vroeg het jonge

meisje haastig, haar werk opbergende. "Moet ik bij mama komen of

bij grootmama?"

"Natuurlijk bij grootmama," antwoordde de oude, zonder Liesje of

hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een

blik te verwaardigen. "Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te

huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen,

omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen

gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar

de post brengen."

"Zeg het toch, Sanna!" bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan,

"is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?"

"De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen,"

antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere

blikken aan.

"Om Godswil!" riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; "het is Army toch

niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel--zeg het toch! Ik bid u,"

en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen.

Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof

hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde

zij met wijd geopende oogen op de groep.

"Ik weet het niet," antwoordde schouderophalend de oude dienstbode,

terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend

uitriep:

"Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!"

"Wees gerust, Nelly," troostte tante haar nu, en sloot het weenende

meisje in hare armen. "Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet

zoo rustig staan--ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet."

"Och, tante!" snikte zij, "ik kan van angst niet op mijn beenen staan."

"Schrei niet, genadige freule!" zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de

benaming "genadige freule" drukkende; "gravin Stontheim is overleden,

maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken,

daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier--" zij hield het overige

voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd

naast het weenende meisje stond.

"Nu," merkte deze aan, "gij moogt het wel voor u houden, juffer

Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom

behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw

doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam."

"Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij

beveelt," antwoordde de oude dienstbode minachtend.

"O ja! dat weet ik nog van vroeger," sprak tante, wie eensklaps het

bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan.

"Ik ga een eind met uw mede, Nelly," riep Liesje, als uit een droom

ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond

genageld, staan bleef.

"Wat bedoelt gij toch?" vroeg zij, en zag tante met een blik aan,

vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was

het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete

weder ontbrandde.

Liesje van den Lompenmolen · 第 5 / 10 题