Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen
waren, op den grooten weg uitliep. Door het dennenbosch daarboven
voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de
weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede
takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen
bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn.
"Wijl ik van u scheiden moet,
Bied ik u den afscheidsgroet!
Meisjelief, adé,
't Scheiden doet wee!"
zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje
uit het dennenbosch te voorschijn.
Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood
bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe
oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk
nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor
zich twee kuiltjes in de wangen vormden.
"O, Nelly," riep zij, "hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army,"
voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, "gaat
gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest
te zijn?"
De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem
gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij
kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken;
zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje,
dat hem vragend en verwijtend aanstaarde.
"Army moet heel onverwacht vertrekken," zeide Nelly, "anders--"
zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te
bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar
broeder smeekend aan.
Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. "Goede
Army," zeide zij gerustgesteld, "ik had u al beschuldigd, dat gij niet
meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,"--zij
lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen--"om te vragen
of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden
zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag
of morgen _toch_ gekomen zijn," voegde zij er trouwhartig bij.
Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. "Wat zijt gij groot
geworden!" zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was
werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig
uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij
bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd:
"Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten,
Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb." Zij
stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare;
hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu
weder te voorschijn.
"De laatste, Army," riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder
en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde
hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar "de laatste" weer te geven,
zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot
verliet;--zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter
zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij
zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen;
hij moest zich immers haasten.
Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen
vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was,
fluisterde een zacht "vaarwel!"
Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp
verdween, vroeg zij angstig: "Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op
Army?" Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje
en ging zwijgend nevens hare vriendin verder.
Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof
geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen
er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren
droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij
het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger,
en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden
niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: "goeden nacht!"
Derde Hoofdstuk.
De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen
omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het
ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan
op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw
en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten
voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde;
de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen,
en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit
huis "tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving
en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin." De oude drakenkoppen
aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater
uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de
twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der
familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen
omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en
vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder
toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke
appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg
gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid
en grootte.
Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de
oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs
kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over
de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke,
heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en
was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende
huisdeur kon ontvangen met een "God zegene u! wat zal dat Mina"--dat
was de huisvrouw--of: "wat zal dat Frederik"--zoo heette de heer des
huizes--"genoegen doen!" en dan trippelde zij vooruit om den gast in
de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van
haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer.
De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was
eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had
het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de
speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door
trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld
en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk
geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid
jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de
linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls
zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek.
Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier
handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige
werkzaamheid in zich vereenigden. Het "bid en werk" was van oudsher
de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den
kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen:
op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en
dochters. "Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde," was een
compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe
oogen der molenaarskinderen hadden reeds sinds jaren menigeen kommer en
hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel
levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid.
Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren
verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander
achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs
de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den
lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek.
Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van
1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer
bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen.
Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het
meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide
met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als
godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar
eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw
Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen
speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond,
die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant,
hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op
het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den
blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan
het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine
Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke
slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen
in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert
lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de
bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de
jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog
altijd gaarne in het oude huis terug, om den vriend te bezoeken. De
kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid;
zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in
de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw
waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien,
dat zij zijn hart won.
Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de
huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek
daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen
wel lief _moest_ krijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met
"juffer" en "u" aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het
vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij
hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren.
En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin
kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen
dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het
betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette.
Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder
het rijmpje gehoord:
"Gelijk goed, gelijk bloed,
Gelijke jaren, geeft de beste paren,"
maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich
om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde
voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend
gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even
ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw
en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone
vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander,
dat het eene aan zijne wonden bezweek--Lisette sloot haar wonderschoone
blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd.
Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken,
en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner
schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte
zij dikwijls bij zich zelve: "zij komt immers uit het lichtzinnige
Italië--hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als
het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit."
Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den
molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij
de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de
familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen,
de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden,
want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde
hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede,
en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge
paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de
jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen:
"Daar, tante!"--zoo noemde hij haar steeds--"heb haar ook een weinig
lief en wees ons beider moeder!"
Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later
een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote
blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het
gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar
beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje.
Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor,
die ook de harten in den molen diep schokte--de plotselinge dood
van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en
dacht "hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren." Toen nu eens haar
lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond
meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd door
een beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die
verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam
het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of
zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind
bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje
bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel
als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje
eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met
glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen
zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder
zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende,
drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met
tranen in de oogen: "Van avond moeten wij den lieven God hartelijk
daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt,
zie die beide kinderen daar, _die_ hebben _geen_ vader meer, en zij
missen bovendien nog zóóveel!" Van toen af dagteekende de vriendschap
tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg.
Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje
groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden
en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar
peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken
en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem
de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen
vochtig: "precies Lisette!" zeide zij halfluid in zich zelve.
Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht,
verwonderde de oude vrouw niet. "'t Is grootmoeders bloed," zeide
zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was,
dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had;
zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij
trof de jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op
het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest
onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu
weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon,
sprak zij: "Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch
is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op
reis moest;--ik wist het wel.
"Zoo?" vroeg de oude vrouw.
"Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij--" zeide
zij pruilend.
"Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen," antwoordde
deze. "Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?"
"Ja, en Nelly jokt niet."
"Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt;
zij heeft de trekken en 't gemoed der Derenbergs, dat waren door en
door brave lieden die Derenbergs, totdat---" Zij zweeg.
"Wat bedoelt gij, tante?"
"Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een
engel voor."
"Wat zegt gij?"
"Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar
Zondag van den kansel verkondigd heeft: 'Onze God is een rechtvaardig
God,' dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk
liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene
appels."
Vierde Hoofdstuk.
Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was
op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een
bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de
jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de
maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig
vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de
vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat,
en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen
in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd
er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een
oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet
alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten
deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone,
lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer,
na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was
alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen
lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd
dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als
de wereld daar buiten.
Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op
een schilderijtje boven de commode rusten dat in het heldere maanlicht
de silhouette van een man vertoonde.
"Ja, ja, mijn Christiaan," fluisterde zij zacht, "wij hebben elkander
liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest,
vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat
het ook zoo met u moest gaan--zoo treurig! Lieve hemelsche vader,
wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de
mensch een paar jaar gelukkig,--of daar komt de smart; een lading
vol--mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes,
mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld
heerlijk! daar ving het treuren aan.
"Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!" Zij schudde treurig het
hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte
grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof.
Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in
den schoot.
"Ha, wacht! Dat doet Lise," zeide zij, en een schalkachtige
trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat
onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd
een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor
het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen.
"Zij is hier niet!" sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van
schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje
met den vliertak over het verblufte gelaat.
"Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!"
"Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?" vroeg de oude;
"wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?"
Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: "Zijn vader en moeder
reeds terug uit de stad?"
"Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik
blijf immers wacht houden."
"Maar, tante! wat denkt gij wel?" riep het jonge meisje. Op dezen
wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk
de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in
den tuin is."
"Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk
weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht--blijf
gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond."
"Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen
zijn, voor niets ter wereld niet."
"Nu, kom dan, gij dwaas kind!"
Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de
kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad
gekleed, trad binnen.
"Daar ben ik, tante!" riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje
aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en
bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot
de oude vrouw opzagen. "Tante," sprak zij toen zacht, "vertel mij
heden avond iets, bid ik--"
"Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?"
"O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante."
"Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?"
"Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij--toen
gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?"
"Wel gij--nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te
weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?"
"Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds
een bruidegom, en--"
"Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel
graag een hebben,--ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal--"
"Doe dat maar, tante!" riep het jonge meisje, lachend. "Moeder heeft
mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles
voor uw uitzet, Lise."
"Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?"
"Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde
voor het eerst gezien hebt?"
De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote,
vochtige oogen vol verwachting tot haar op.
Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk
met eentonige melodieën uit de verte.
"Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!"
zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin.
"Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af."
Tante schudde het hoofd. "Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen,
zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet
dwingen."
"Och, ruitertje, och, ruitertje!
Blijf van mijn bloemen af;
Die moet mijn schat, mij allerliefst,
Zelf plukken van mijn graf."
"Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was,"
zeide tante; "ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met
Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon--maar
gij wildet immers weten," viel zij zich zelve plotseling in de rede,
"wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond,
zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer,
ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong:
"Hij is geen keizer, bij is geen koning;
Hij is soldaat, hij is soldaat."
"Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en
vroeg: 'Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?' waardoor ik zóó
schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij
echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik
stilstond en hem aanzag. Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een
paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde;
wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht
was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly,
die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls
gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik
bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch
moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug
de hand en zeide hij: 'goeden nacht, Marie!' Wij spraken niet meer,
maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo
hard ik kon over de brug naar huis liep."
"Hoe waart gij toen te moede, tante?"
"Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise," zeide de oude
vrouw; "ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit
zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer
zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was
toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: 'goeden nacht,
Marie!' klonken mij onophoudelijk in de ooren."
De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. "Zeg
mij eens, Lise, wat scheelt u toch?"
"Och, niets, tante!" antwoordde zij. "Weet gij wat, ik ga nog even
naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden
nacht, tante!"
"Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij
morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft
laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het
mij ook valt. Goeden nacht!"
En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het
venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar
de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer,
zoodat zij die niet meer onderscheiden kon; maar zij wist immers
nauwkeurig, hoe hij er uitzag.
"Ja, zoo was het," fluisterde zij, "dáár buiten bij de molenbrug,
daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het
mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is
Lise's schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?"---
Lise was buiten onder den lindeboom gaan zitten; het water van de
molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg,
die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven,
achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche,
door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel,
zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen--hoe
kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was?
De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het
priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te
lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend
zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop
had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk "juffer Lise"
genoemd. "Juffer Lise!" Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen;
hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en
statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het
laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche
mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de
avond van Nelly's verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne
kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk,
zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde
gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij
waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug,
evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne
jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan.
"Goeden nacht, juffer Lise!" Zij had er weder om moeten lachen;
"goeden nacht, mijnheer Army!" had zij willen zeggen, maar het kwam
niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij
als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich
over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als
zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude
linden--'t was alsof zij droomde.
"Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?" vroeg zij bij zich zelve
en zag naar het slot. "Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen
het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen," dacht
zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval.
En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht,
en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar
niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers,
die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen---
Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer
der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar
handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot.
"En gij zegt, Army!" sprak zij vragend tot den jongen officier,
die tegenover haar zat, "tante Stontheim heeft zelve den wensch te
kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?"
"Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd," antwoordde deze:
"tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk
nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van
den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer
bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande,
aanstonds onze gastvrijheid aanbood."
"Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit
ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een
genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij een moeielijke zaak
toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen
en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen,
hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen." De oude dame
lachte bitter.
Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde.
"Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?" vroeg de
grootmoeder, na eenig stilzwijgen.
Army's gelaat verhelderde zich. "Hoe zal ik u haar beschrijven,
grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone
verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste
maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan
zich boeit."
"Dat is de taal eens verliefden," sprak de oude dame koel; "zooveel
ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden."
Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte
oogen.
"Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets--"
"Genoeg!" viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; "zeg mij
liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en
wat heeft deze te hopen?"
"Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid
heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het
Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet
kunnen bespeuren."
De barones haalde minachtend de schouders op.
"Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek
reeds medegedeeld?"
"Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen--de kleine
uit den molen was bij haar."
"Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht
van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande
is zij de eerste en de laatste bij uwe moeder en zuster, die in haar
een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld
zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?"
"Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer
zou tot zitkamer kunnen worden ingericht."
"De torenkamer? Nooit!" riep de oude dame vertoornd uit; haar
buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna
spookachtig aanzien.
Army zag haar verschrikt aan.
"Zooals gij wilt, grootmama!"
"Schik dat met uwe moeder!" liet zij er haastig op volgen, "laat
Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang
ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader."
Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen
de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten
marmeren vloer.
"Nog altijd het oude liedje," mompelde hij; "wat heeft dat nu weer
te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld,
het voor Blanka in te richten--"
"Voor Blanka!" Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen
terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge
spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de
tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu
zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend,
en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar
buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien
winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend
met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk
voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: "Vertrouw
gerust op God, geluk is dan uw lot." Was het geluk hem reeds ten deel
gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hoop er op. In
den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon.
Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen
doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter
verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem
werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling
beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een
meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar
verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed
van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar
werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig
haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij
was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning
zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia's
op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante.
"Agnese!" klonk het in zijn binnenste; "de schoone Agnese Mathilde
uit de familiezaal 't huis!"
"Is het reeds zóó laat?" vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op
de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij:
"Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de
feestdagen onze gast zijn zal!"
De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op
hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders;
voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo
uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer
links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven,
als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig
toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden,
was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka
gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret
in de familiezaal hing, dat haar sprekend geleek, en waarvoor hij als
knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te
kunnen verzadigen.
Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef
te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer
inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep
treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die
onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was
zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!--Hij volgde haar
met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een
goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij
kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk,
die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den
heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was,
en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen.
Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er
minder bekoorlijk had uitgezien--zeker niet; de gouden sluier lag
zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den
Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach,
die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige
Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka's zwarte oogen.
Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij
vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig
terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij
een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was
zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht
vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend,
opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was,
dat op het portret in de familiezaal, of het hare.
Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek;
hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwde in het
maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een
blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen,
en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag
zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast
hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen,
en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame
voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw
vroolijk leven aankondigende.
Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts
een droom; en de werkelijkheid?--Army huiverde; zij stelde hem
eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige
werkelijkheid.--Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone
gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld,
o, dat booze geld!
Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en
ruischte door de boomen. "Het is tijd om te gaan slapen," zeide
de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht
zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese
Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad,
en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote,
treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog:
"Let daarom op de kleur van 't haar,
En is dat rood, dan dreigt gevaar."
klonk het in zijn oor.
Vijfde Hoofdstuk.
"Army, wat ben ik blij, ook eens een gast te zullen hebben," sprak den
volgenden morgen Nelly tot haar broeder, toen zij te zamen door het
frissche, groene park wandelden. "Wat zal Liesje wel zeggen? Ik moet
het haar vertellen. Zeg eens, Army! hoe vindt gij Liesje eigenlijk? Is
zij niet beeldschoon geworden?"
"Ik weet het waarlijk niet," antwoordde hij verstrooid, "ik heb er in
't geheel niet op gelet; ja, ik geloof het wel, ik herinner het mij
nauwelijks meer--"
"Maar, Army!" klonk het van de lippen zijner zuster, "gij zijt
verstrooid, of misschien bedroefd--is u iets onaangenaams bejegend? Kan
ik u soms helpen?"
"Neen, zusje," lachte hij en streek haar schertsend met de hand over
het bloeiend gelaat. "Gij kunt mij wel het allerminste helpen; het is
een ongelukkige geschiedenis, ik--zie er tegen op het mama te zeggen,
maar ik kan niet anders."
"Och, spreek er niet tegen mama over, Army!" bad het jonge meisje,
staan blijvende. Zij legde de kleine hand op zijn schouder, en zag
hem angstig aan. "Ik bid u, doe het niet! Zij is zoo droevig, en weent
zooveel; ik smeek u, zeg het niet, als het iets onaangenaams is--"
Army werd verlegen.
"Ja, mijn God!" zeide hij, "wist ik slechts wat te doen? Tot grootmama
kan ik mij niet wenden; het zou te vergeefsch zijn, daar zij werkelijk
niet in staat is, mij--"
"Army," fluisterde het meisje, de oorzaak zijner verlegenheid radende,
"ik geloof, ik kan u helpen; wacht een oogenblik, of neen, ga vooruit
onder den grooten ahorn aan den dijk! Ik ben aanstonds terug." En vlug
liep zij naar huis; de zonnestralen dansten over haar eenvoudig kleedje
en beschenen de blonde lokken; spoedig was zij om den hoek verdwenen.
De jonge man zag haar na en ging verder. Wat meende zij? Zij kon toch
onmogelijk weten---
Hij zat op de steenen bank en zag naar het heldere water, waarin de
blauwe hemel en de hooge boomen zoo liefelijk weerkaatsten.
"Hoe schoon is het hier!" sprak hij halfluid; "als zij maar een weinig
gevoel voor natuurschoon heeft, moet het haar hier bevallen."
Vlugge schreden klonken achter hem, en zich omkeerende, blikte hij
in het van vreugde stralende gelaat zijner zuster.
"Daar, Army!" zeide zij blozend, en legde een sierlijk zijden
beursje in zijne hand. "Ik heb het waarlijk niet noodig; neen,
wezenlijk niet; waarvoor toch? En nu zult gij niets aan mama zeggen;
niets, nietwaar?" De blijdschap, iets te kunnen geven, straalde het
lieve meisje uit de oogen. "Goede, lieve Army!" bad zij, "berg het
spoedig! Het zal zeker voldoende wezen."
"Neen, Nelly, neen!" riep hij, kleurende; "uwe spaarpenningen--"
Zij hield hem de hand voor den mond. "Gij maakt mij boos, Army,"
zeide zij: "zouden broeder en zuster elkander niet helpen--Wie weet,
of ik ook niet nog eens bij u kom! Laat ons nu verder gaan, spreek er
niet meer over! Zie, hoe zoudt gij het vinden, als wij hier eene boot
hadden? Ik heb het reeds lang gewenscht. Dan konden wij met Blanka
roeien, en Liesje--nietwaar? Blanka zal toch niet trotsch zijn?"
Hij antwoordde niet; hij kwam zichzelf op dit oogenblik zeer
verachtelijk voor. Haastig wendde hij het gelaat af.
Zijne zuster bemerkte het. "Army," zeide zij, "volg mij spoedig! Ik
moet aanstonds naar mama, en--ik heb het druk," en zij sloeg den
naasten weg naar het slot in.
Hij volgde haar langzaam, diep beschaamd. Hij had haar gister op
haar geboortedag niet eens een kleinigheid geschonken, en heden gaf
zij hem blijmoedig al hare bespaarde penningen. Hij bleef staan en
opende de kleine zijden beurs; een paar losse daalders lagen er in,
en nog iets in een papier gewikkeld; hij deed het open en vond een
goudstuk, benevens een paar woorden van de hand zijner moeder op het
papier. "Voor een nieuw kleedje voor mijne Nelly," las hij. Het jonge
meisje had klaarblijkelijk de woorden nog niet gelezen; dan had zij
hem deze vernedering bespaard; hij dacht aan het versleten kleedje,
dat zij heden en gister droeg, en hoe zij zich over een nieuw verheugd
zou hebben. Een nieuw kleed voor vijf daalders! Zooveel had ongeveer
de ruiker gekost, dien hij Blanka gezonden had, en welken zij wellicht
den morgen na het bal achteloos had weggeworpen; hij dacht aan de
sierlijke gestalte, welke hij nooit anders dan in zware zijde of licht
krip had gezien--welke tegenstrijdigheden biedt het leven! Daar lag
het slot voor hem, zoo indrukwekkend, met zijn reusachtigen gevel,
zijne torens; en de zoon des huizes bezat niet zóóveel, om,--neen,
het was om wanhopend te worden.
Hij wendde zich haastig om, en keerde terug; zijne blikken dwaalden
onwillekeurig over den heuvelachtigen grond en bleven op het leien
dak van den papiermolen rusten; eensklaps lachte hij hardop. "Ja,
die hebben des te meer," sprak hij half luid; "men moet zich maar
met lompen en diergelijk tuig afgeven, dan stroomt iemand het geld
toe; en dat alles zal de hand vullen van het kleine meisje, met 't
welk ik eens speelde. Lompenmolenaars Liesje is de rijkste erfgename
uit den ganschen omtrek--waarachtig, het is om zich dood te lachen,
zooals het in het leven verdeeld is."
In zijn donkere oogen las men intusschen niets van lachen; hij zag
er zeer neerslachtig uit, de knappe, jonge officier; het geld zijner
zuster brandde hem in de handen, terwijl hij haastig voortliep, de
lippen stijf op elkaar gedrukt. De schoone droom der toekomst was
vervlogen voor het drukkende heden, en zijn geldelijke ongelegenheid
had hem geducht aangegrepen. Hij nam het kleine briefje zijner moeder
en legde het in zijne portefeuille; toen ging hij verder, en den
hoofdweg inslaande, zag hij den ouden Hendrik, die naar hem toekwam,
zoo spoedig zijn oude beenen het hem toelieten.
"Uwe grootmama verzoekt mijnheer den luitenant aanstonds bij haar te
komen," boodschapte hij, den jongen man vriendelijk in het opgewonden
gelaat ziende.
De oude barones liep haastig het vertrek op en neer. Haar trotsch
gelaat was met een blos overtogen en de donkere oogen richtten zich
ongeduldig naar de deur, waardoor haar kleinzoon moest binnentreden.
In hare hand hield zij een geopenden brief, en van tijd tot tijd
bleef zij staan en wierp een blik op het papier.
"Het is ongeloofelijk," sprak zij zacht, "deze Koningsberger
Derenbergs! Zich dáár zoo te nestelen. Dio mio! Wat geeft die Stontheim
mij daar bittere pillen te slikken in dien korten brief! En toch
mag ik God nog danken, dat die zaak zich zóó schikt. Hoe verheug ik
mij, dat ik, trots de koelheid die tusschen ons heerscht, Army heb
overgehaald haar te bezoeken!"
Zij wierp weder een blik in den brief.
"Ik heb in Armand," las zij, "een beschaafd, beminnelijk mensch
leeren kennen, die geheel het karakter der Derenbergs bezit, en
niettegenstaande den betrekkelijk korten tijd onzer kennismaking,
heb ik hem hartelijk lief gekregen."
De lippen der oude dame plooiden zich tot een minachtenden glimlach.
"Ik ben, zooals gij u wel van vroeger zult herinneren," las zij
verder, "iemand, die doorgaans eerlijk en openhartig mijne meening
zeg--dat wij beiden het nooit eens waren, zal wel te wijten zijn aan
het groote verschil onzer beschouwingen; nu zijn wij beiden oude
vrouwen geworden, liefste Derenberg, en het wordt waarlijk tijd,
vrede te sluiten voor de korte spanne tijds, die wij nog te leven
hebben. Ik bied u de hand der verzoening aan; laat, wat vroeger is
voorgevallen, vergeten zijn! De schuld lag waarschijnlijk aan beide
zijden. En nu wil ik u in vertrouwen een lievelingswensch mededeelen,
die ook Armand betreft. Gij zult door hem wel reeds vernomen hebben,
dat in mijn huis een jonge moederlooze verwante leeft, die bij mij
de plaats eener dochter in mijn eenzaam leven vervult, en die ik
liefheb, alsof zij het werkelijk is. Bedrieg ik mij niet, dan ziet
Armand zijne nicht niet met onverschillige blikken aan,--het zou
mij hartelijk verheugen, zoo deze twee elkander leerden liefhebben;
en ten einde hun daartoe de gelegenheid te geven, zend ik Blanka,
onder het voorwendsel van hare gezondheid te versterken, naar uwe
boschrijke woonplaats. Mochten de beide jonge harten elkander daar
leeren verstaan, en ik in Armand nog eens een zoon begroeten! Gij
zijt een verstandige vrouw, lieve barones, en ik behoef u niet te
vragen, alle toespelingen op mijne wenschen bij de jonge lieden te
vermijden; ik hoop dat zij elkander in waarheid genegen zullen zijn;
het is mogelijk, dat Blanka met haar helder hoofdje mijne bedoeling
vermoedt; meegedeeld heb ik ze haar niet. Moge de hemel voor het
overige zorgen en het tot onze blijdschap doen uitkomen! Terwijl
ik u in den geest nog eenmaal verzoenend de hand reik, ben ik, in
afwachting van een spoedig antwoord, lieve Derenberg! uwe
"Ernestine, gravin Stontheim, geboren Derenberg."
"Het is waarlijk grootmoedig," vervolgde de oude dame; "men moet
nog een vriendelijk gezicht zetten, en dankbaar wezen; het is fijn
overlegd van tante Stontheim, maar zoo was zij altijd. Blanka is haar
erfgename--dat is zonneklaar en nu zij den jongen heeft leeren kennen,
wil zij de zaak zóó regelen; ik moet met een zoet gezicht in dezen
zuren appel bijten en God danken, dat het zóó geschikt wordt; zij
heeft een boosaardig karakter. Maar één wenk moet ik hem toch geven;
het schijnt mij toe, dat deze Blanka hem niet onverschillig is, en--"
Op dit oogenblik trad Army binnen. Zijne grootmoeder zag hem
vriendelijk aan.
"Ik heb een brief ontvangen van tante Stontheim," sprak zij, staan
blijvende en hem de hand toestekende; "zij meldt mij Blanka's komst;
en nu mijn jongen! vergeet, dat ik gister zoo onvriendelijk over
uwe plannen sprak! Ik had een lichten aanval mijner migraine, en
dat ontstemde mij; ik verheug mij werkelijk over het bezoek der
jonge dame."
Army zag haar verrast aan. "Waarlijk, grootmama? Ik dank u; gij neemt
een centenaarslast van mijn gemoed; het was zeer onaangenaam voor
mij, u moeite te veroorzaken, die u niet aangenaam was. Mag ik weten,
wat tante nog meer schrijft?"
De oude dame lachte. "Neen, mijn kind," zeide zij, "het is niet goed,
dat men te veel vleiends over zichzelven hoort."
"Houdt tante van mij?" vroeg hij opgewonden.
"Tante is van oordeel, dat gij een verstandig jong mensch zijt,
en zeker eens een echte Derenberg zult worden."