Army kuste haar de hand. "En wat heeft u mij nog meer te zeggen?"

"Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt

zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner

voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u

voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis

zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn

en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige

wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op

te richten.--Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te

schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!"

De jonge officier lachte. "Zeker grootmama, ik schrijf spoedig,

want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan

trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst

onlangs achttien jaar geworden." Hij lachte luid; van zijn gelaat was

elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. "Mag ik nu afscheid

nemen, grootmama?" vroeg hij, "ik wilde nog gaarne eens naar de

familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek

te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling

verzekeren," voegde hij er bij, "wanneer ik niet een meisje vind, dat

haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw."

"Meent gij die Mathilde met het roode haar?" vroeg de oude dame

verbaasd.

"Ja!" knikte de kleinzoon. "Ik heb eene voorliefde voor rood haar. A

propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister

avond beneden bracht?"

"Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had."

"Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!" Hij kuste haar de

tengere hand, en vertrok.

Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in

de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den

donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware,

goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd

weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit

voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling

contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere

oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den

beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een

verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek;

Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde,

en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der

schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende,

diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering

uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster

werd op zijn schouder gelegd.

"Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat

immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien."

Hij trok het jonge meisje naar zich toe. "Zie mij eens even aan,

Nelly!" bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; "zijt gij nog

boos op mij?"

Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag,

maar zij schudde lachend het hoofd. "Boos? neen, o neen! Maar kom

toch--het is hier zoo koud."

Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen, keerde hij zich

nog eenmaal om, en zag naar het portret.

"Let daarom op de kleur van 't haar, en is dat rood, dan dreigt

gevaar," mompelde hij zacht voor zich heen.

Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen,

om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van

zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly

ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet

van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven.

"Precies zijn grootmoeder!" mompelde de oude Sanna zacht; "het hart

springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet." Zij hield de

handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. "Het kan hem

niet mislukken," dacht zij, "hij kan aankloppen, waar hij wil; de

rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader

zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens

mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke

leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn

bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!"

Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een

heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de

allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door

een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van

het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen

schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan

de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was

met een verblindend wit laken bedekt--doodstil was het in de natuur;

alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen

omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En

dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich

in de verte als in een purperen zee baadde.

De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden. "Zie Nelly,"

zeide hij, "dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze."

"De papiermolen ook?" vroeg de kleine en wees op het met leien

gedekte gebouw.

"De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der

landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht,

toen hij zich eens in verlegenheid bevond--zoo verhaalde grootmama

mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij--" hij voer even

met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten;

hij wilde er nu eenmaal niet over tobben.

Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en

zag de groote laan langs.

Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren

geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve

vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot

te voorschijn, als 't ware overstroomd door den rooden gloed der

ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar

beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst,

die zich in zijn hart hadden ontwikkeld.

"Het _moet_ hier weder anders worden," zeide hij, "het _moet_; ik

wil het."

Hij keerde zich om en volgde zijn zuster.

Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil

en keek op zijn horloge.

"Zusje," zeide hij, "ik moet spoed maken, als ik de post niet wil

misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke

sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!" Hij

bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. "Pas op, dat de tijd

u niet lang valt in het oude, eenzame slot!"

Liesje van den Lompenmolen · 第 3 / 10 题