W. Heimburg.
Tweede druk.
Te Sneek. Bij J. F. van Druten.
1886.
Eerste Hoofdstuk.
In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur
in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijn ouderwetsche
meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks.
In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer
veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood van den korten
winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen
achtergrond van het venster. Zij heeft de smalle handen gevouwen,
en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs.
"Mama," zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde
krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoel bij den
haard zit te breien. "Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk
lang in grootmama's kamer; wij zullen er wel weder niet toe komen,
naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft
slechts acht dagen verlof, en daarvan zijn er reeds vier om. Vandaag
had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;--wat moet Liesje wel denken,
dat hij daar nog in 't geheel niet geweest is?"
Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder
genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijk
gelaat.
"Heb geduld, Nelly!" antwoordde de moeder, en liefkoosde de bloeiende
wangen der dochter. "Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet
Army blijven, zoolang zij het wil; grootmama zal hem veel te zeggen
hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven
zooveel behoefte.--Steek de lamp aan! Gij weet, er is nog veel aan
Army's linnengoed te doen."
Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna
onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichtte de lamp
het vertrek, 't welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele
inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheid kenmerkte.
Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu
viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, dat duidelijke
sporen droeg van veel kommer en lijden.
Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit
oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; want in de
gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop
werd de deur geopend;--een bevallig, jong officier trad binnen; zijn
negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet.
"Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den
molen gaan," zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende,
de armen om zijn hals; "ik haal schielijk mijn kap en mantel, want
lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt 's avonds vroeg
gegeten," en verheugd wilde zij zich heen spoeden.
"Nelly!" riep de jonge man en hield haar terug; "laat dat nu
blijven! Dat--voegt niet meer," liet hij er eenigszins verlegen
op volgen.
"Voegt dat niet meer?" Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan.
"Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met
wien men wil, juist omdat men een kind is; als officier kan dat echter
niet meer."
"Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd
zoo graag mede."
"Kom, Army!" sprak de barones, "dat meent gij niet; het zijn
achtenswaardige lieden daar op den molen, die het altijd goed met u
gemeend hebben; het zoude ondankbaar zijn."
"Maar, mama, ik bid u," antwoordde hij knorrig, "die lieden behooren
tot den onbeschaafden stand. Verbeeld u, dat de molenaar eens te
B. kwam en den ongelukkigen inval kreeg, mij te bezoeken. Ik zou er
immers dood mee verlegen worden!"
"Het zijn volstrekt geen onbeschaafde menschen," riep Nelly uit;
"dat kan slechts grootmama u gezegd hebben, die nu eenmaal de
lompenmolenaars-familie volstrekt niet lijden mag."
"Lompenmolenaars! Daar hebben wij het!" lachte de jonge officier. "Laat
ieder in zijn eigen stand blijven! Ook gij, Nelly, zult dáár niet
altijd kunnen blijven verkeeren. Wanneer gij eerst uwe sleepjaponnen
draagt--dan is het ook met u: adieu, Liesje!"
"Nooit!" antwoordde het jonge meisje heftig, "ik zou des nachts
naar den molen gaan, wanneer men het mij des daags verbood. Liesje
is mijn eenigste vriendin. Wat moet ik nu als reden opgeven dat gij
niet komt?" Zij barstte in tranen uit.
"Daar zal wel een reden voor te vinden zijn, Nelly; schrei toch
niet!" troostte haar broeder. Zijn stem klonk teeder, evenals vroeger,
toen hij de pop zijner zuster brak, en niet wist hoe haar te troosten.
"O, niet waar, Army," bad zij en zag vol vertrouwen naar hem op, "gij
hebt mij slechts willen plagen,--wij gaan naar den molen, aanstonds?"
Hij stond een oogenblik besluiteloos; in zijne verbeelding zag hij
een kleine meisjesgestalte, zooals hij die vroeger honderdmaal gezien
had, Liesje, lompenmolenaars Liesje van den papiermolen, daar beneden
in het dal. Zij zag hem met de helderblauwe kinderoogen aan; de roode
lippen openden zich: "Army, gaat gij mede? Tante zal ons appelen geven,
en in het park heb ik een vogelnest gezien; kom Army, kom toch!"
Onwillekeurig maakte hij eene beweging, alsof hij zijne muts
wilde opnemen, die op de tafel lag. Het licht der lamp viel op een
fonkelenden ring aan zijn hand, in welks groenachtigen steen het
wapen der Derenbergs blonk; één vluchtige blik hierop en--haastig
greep hij zijne muts en wierp die op een nabij staande tafel.
"Kwel mij niet!" zeide hij kortaf en keerde zich om.
Er ontstond een lange pauze; het jonge meisje stond op en zette zich
op hare vroegere plaats, het hoofdje diep over haar werk gebogen;
maar de kleine vingers, welke de naald voerden, beefden, en uit de
oogen vielen groote tranen op het witte naaiwerk. De barones zuchtte,
en vestigde een smartelijken blik op den zoon, die onophoudelijk de
kamer op en neder ging. De oude rococo-klok sloeg zes uur en begon
een lang vergeten liefdesliedje te spelen; de zoete melodie klonk door
de kamer en nog altijd heerschte er een drukkend stilzwijgen tusschen
deze drie menschen, door de innigste liefde aan elkander verbonden.
"Army," sprak eindelijk de bleeke vrouw, "wanneer gaf grootmama u
den ring, dien gij nu aan den vinger draagt?"
Hij bleef voor den haard staan, en met de pook in het vuur stootende,
dat de vonken omhoog vlogen, zeide hij;
"Heden middag, zooeven, toen ik bij haar was!"
"Weet gij ook, dat het uws vaders ring is, Army?"
De jonge man keerde zich plotseling om. "Neen, mama, dat heeft
grootmama mij niet gezegd; zij sprak slechts in het algemeen over de
beteekenis van het wapen en--"
"Nu, mijn kind, dan zal ik het u zeggen," klonk het van de lippen
der barones, met een van aandoening bevende stem. "Het is de ring,
dien grootmama eens van de koude, verstijfde hand uws vaders trok,
toen hij--gestorven was" De laatste woorden klonken als een half
onderdrukte snik. De spreekster zonk als bezwijmd in haar stoel neder.
"Mijn lieve, goede Mama!" riep Army en stond in een oogenblik naast
haar, terwijl Nelly, over haar heen gebogen, haar wang tegen het met
tranen besproeid gelaat drukte. "Ween niet, lieve mama!" bad hij,
"ik zal den ring zoo hoog in eere houden, als dat slechts een zoon
vermag, die trotsch is op de nagedachtenis zijns vaders; ik wil mijn
best doen, even goed, even edel te worden, als hij was."
Uit deze woorden, zoowel als uit den blik, dien hij op zijn weenende
moeder sloeg, sprak nog de volle overtuiging van een kinderlijk
gemoed, de innige vereering, die in den gestorven vader den edelste
der menschen ziet. Maar de uitwerking dier woorden was een bijna
verpletterende. De slanke gestalte der barones richtte zich overeind;
als wezenloos zag zij haar zoon aan, en: "Army, almachtige God!" riep
zij in vertwijfeling uit, "o, slechts _dat_ niet, slechts _dat_ niet!"
"Mama is ongesteld," zeide de zoon en haastte zich naar de
schellekoord.
Doch een flauw: "Kom hier, Army! het wordt reeds beter," bracht hem
aan hare zijde terug; zij nam dankbaar een glas water aan en sprak,
terwijl zij poogde te glimlachen:
"Ik heb u verschrikt, arme kinderen. De herinnering aan den dood uws
vaders is nog heden voor mij diep treurig; maar nu Army op het punt
staat zijne intrede in de wereld te doen, moet ik met u over het
verledene spreken, iets wat ik tot nu toe steeds vermeden heb. Gij
zult u zeker wel eens in stilte verwonderd hebben," ging zij na een
korte pauze voort, "over de eenvoudige, ingetogene levenswijze die wij
voeren, over het volstrekte gemis van weelde en overvloed. Ach, Army,
niet om mijnent- alleen om uwentwille doet mij dat leed. Gij gaat
de wereld in onder de drukkendste omstandigheden, die men zich kan
voorstellen, veroorzaakt door de grenzenlooze lichtzinnigheid uws--"
Zij hield ontsteld op en brak in bittere tranen los.
Army stond met gefronst voorhoofd bij den haard en zag tot de weenende
vrouw op; de vroolijke uitdrukking was van zijn gelaat als weggevaagd,
en om zijn mond was een trek van bittere teleurstelling zichtbaar.
"Toen ik hier kwam wonen aan de zijde uws vaders, ik, een kind van
nauwelijks zeventien jaar," hervatte de barones, "vond ik hier enkel
pracht en een vroolijk leven. Het slot Derenberg was sedert jaren
beroemd wegens zijne gastvrijheid, en uwe grootmama verstond de kunst,
de eer des huizes op te houden. Zij was toen nog beeldschoon, en haast
even betooverend als op haar portret in de groote familiezaal boven;
zij hield hartstochtelijk veel van pracht en praal. Jegens mij was zij
zóó lief en goed, dat ik waarlijk meende, een tweede moeder gevonden te
hebben. Ach, die korte glansrijke tijd was de schoonste mijns levens,
en toen ik u aan mijn hart mocht drukken, mijn Army, en u, mijne Nelly,
toen ontbrak er niets meer aan mijn geluk.--Daarop echter kwam het
vreeselijke: de dood uws vaders. Plotseling en onverwacht trof ons
het ongeluk."
Zij huiverde en drukte de bevende handen tegen de slapen, als om
zich te herinneren, of dat, wat zij verhaalde, werkelijk tot het
verleden behoorde.
"Na zijn dood werd de oude justitieraad Hellwig mij als curator
ter zijde gesteld. Het bleek, dat onze zaken meer dan verward
waren. Waarheen het oog zich ook wendde--hypotheken, pandbrieven,
onbetaalde rekeningen; het was eene wanorde zonder wederga, waarin
grootmama en ik ons eensklaps verplaatst zagen. Hoe vele slapelooze
nachten, hoe vele kommervolle uren zijn sedert verstreken, en toch
is tot heden, trots alle bemoeiingen van den ouden Hellwig, nog geen
licht in den chaos gekomen."
"Wind u niet op, lieve mama!" bad de jonge officier, "ik wist het
immers reeds lang, dat wij in bekrompen omstandigheden leven, hoewel
ik niet vermoeden kon, dat wij zoo arm zijn; maar houd goeden moed! Er
komen zeker ook weder andere, betere tijden, en grootmama heeft mij
nog onlangs gezegd, dat de zaken niet zoo hopeloos stonden, daar wij
toch nog een rijke erfenis van tante Stontheim te wachten hebben."
"Grootmama gelooft stellig aan deze erfenis, maar--"
"Zij wenscht," viel de jonge man zijne moeder haastig in de rede, "dat
ik, alvorens naar mijn regiment te gaan, tante Stontheim zal bezoeken."
"Ik heb er niets tegen, mijn kind, en wensch van ganscher harte, dat
grootmama zich niet bedriegt; maar wij moeten niet vergeten, dat de
Derenbergs in Koningsbergen evenveel recht op de erfenis hebben als
wij; de dochter van den overste Derenberg van het zestiende regiment
heeft hetzelfde recht als gij en Nelly."
Op dit oogenblik opende Sanna, de oude dienstbode der barones, de hooge
vleugeldeur, en de oude barones Derenberg trad binnen. Nog altijd een
statige, gebiedende verschijning, ging zij, trots haar zestig jaren,
nog volkomen rechtop. Zij droeg haar eenvoudig wollen kleed met
dezelfde waardigheid als vroeger haar zwaar zijden sleepjapon. Haar
dik, nog altijd donker haar, aan de slapen een weinig naar achteren
gestreken, werd door een kanten mutsje bedekt, waaronder een paar
groote zwarte oogen fonkelden. Over haar geheele verschijning lag
een echt aristocratisch waas, en de fijne trekken drukten een niet te
buigen trots uit. Hoe oud geleek die lijdende, gedrukte schoondochter
naast deze indrukwekkende vrouwengestalte!
Army ijlde haar te gemoet; hij ontnam haar een groot boek, dat
zij in de hand hield, en geleidde haar naar den haard, waar Sanna
ondertusschen eenige stoelen gereed gezet had. Ook haar kleindochter
was opgestaan, en de bleeke vrouw veegde in stilte de laatste tranen
uit haar oogen weg.
"Waarover werd hier gesproken?" vroeg de oude barones, terwijl zij
plaats nam aan den haard en de dienstbode wenkte, heen te gaan. "Ik
hoorde zoo iets van 'dezelfde rechten als Army en Nelly.'"
"Wij spraken over tante Stontheim en de erfeniskwestie," antwoordde
hare schoondochter, zich ook aan den haard zettende, "en ik gaf als
mijne meening te kennen, dat Blanka van Derenberg uit Koningsbergen
evenveel recht op de erfenis zou hebben als onze kinderen."
"Blanka? welk een idée!" riep de oude dame schouderophalend, "dat
roodharige, klierachtige schepsel? Tante Stontheim heeft--goddank!--een
te goeden smaak, om zulk een dwaasheid te doen;--overigens had zij,
voor zoover ik mij herinneren kan, een zeer billijken afkeer van dien
snoevenden overste en zijn hoogblonde gemalin, die hij, God weet! in
welken hoek van Engeland of Schotland heeft opgedaan. Zij is immers
een miss Smith of Newman? Nu, zoo iets duisters is het. Neen, Cornelie,
dat is weer een van die ongehoorde, gezochte geschiedenissen, waarmede
gij u-zelve en anderen kwelt."
De toon harer stem klonk spotachtig, zooals gewoonlijk, wanneer de
trotsche vrouw tot haar schoondochter sprak.
"Ik meende slechts," antwoordde deze zacht, "dat men toch niet met
zekerheid---" hier hield zij op. "Het leven geeft reeds zoo vele
teleurstellingen, dat men werkelijk--"
"Army zal het bij de oude, knorrige tante wel zoover weten te brengen,
dat zij hem het waarlijk vorstelijk vermogen vermaakt," viel de oude
dame haar bits in de rede.
"Hoe bedoelt gij dat, grootmama?" klonk plotseling de stem des jongen
mans. "Gij verlangt toch, hoop ik, niet, dat ik--een erfenisjager
worden zal, zooals men dat noemt? Ik zal haar beleefd en hoffelijk
bejegenen, zooals tegenover eene dame betaamt, maar dat is ook
alles--kruipen kan ik niet;--wat zij mij vrijwillig niet wil geven,
mag zij behouden!"
Verbaasd richtte de grootmoeder zich uit haar achtelooze houding op,
en haar oogen fonkelden van toorn over deze onverbloemde verklaring
van haren kleinzoon. "Zou men dat wel van zulk een jongen melkbaard
gedacht hebben?" vroeg zij op een toon, die zij te vergeefs poogde
schertsend te doen klinken, want haar stem beefde van ergernis. "Wel,
Army! hebt gij met den cadettenrok ook den eerbied afgelegd en meent
gij, wijl gij sedert acht dagen de épauletten draagt, nu het recht
te hebben, uwe grootmoeder te vermanen en haar goede raadgevingen
te versmaden? Gij zijt nog veel te jong om den toestand, waarin ge
nu komen zult, juist te kunnen beoordeelen. Is dat jachtmaken op
erfenissen, wanneer men de liefde eener oude, eenzame bloedverwante
zoekt te winnen?"
"Ja, grootmama," zeide Army beslist, zonder dat één trek op zijn
lief gelaat veranderde. "Ja, dat is het, indien men met de liefde,
ook het geld van iemand zoekt te winnen--"
"Dat men hoog noodig heeft, wil men zijn leven lang geen gebrek
lijden, en zijne dagen in kommer en ellende slijten, in een slot
zonder heerlijkheid en inkomsten," viel de oude barones hem toornig
in de rede en schoof heftig haar stoel achteruit.
"Dat stem ik toe, grootmama; ik zou ook zoo boud niet gesproken hebben,
zoo er niet nog eene erfgename ware; maar dewijl Blanka--"
"Alweder die Blanka! kent gij haar misschien? Weet gij of zij nog
leeft, dat ziekelijke schepsel? 't Is akelig, zulke kinderwijsheid
te hooren uitkramen, die sterk naar de cathechisatie-kamer riekt. Ik
verlang dringend, Army, dat gij naar Stontheim gaat; ik duld geen
tegenspraak; heden nog vertrekt de brief, die uwe komst meldt."
"Zeker, grootmama, ik _zal_ gaan," zeide Army beleefd maar koel,
"zoodra gij het verkiest."
Zij stond op; haar trotsch gelaat gloeide en om den mond plooide zich
een eigenaardige, hoogmoedige trek; nooit was de overeenkomst tusschen
grootmoeder en kleinkind meer in het oog vallend geweest. Met vlammende
oogen en vast op elkander gedrukte lippen, stonden zij tegenover
elkander, zonder dat de een voor den ander het veld wilde ruimen.
"Gij vertrekt morgen namiddag, met de post van vijf uur," zeide
de oude koel, en zonder de toestemmende buiging des jongen mans af
te wachten, groette zij haar ontstelde schoondochter met een nauw
merkbaar hoofdknikje, en ging heen.
Een pijnlijke stilte volgde, toen de vleugeldeuren achter de hooge
gestalte der oude barones dicht vielen. Hij, die het gewaagd had,
de trotsche vrouw tegen te spreken, wier woord een bevel voor alle
huisgenooten was, hij stond in zoo rustige houding voor den haard,
en staarde zoo onverschillig in de vlammen, alsof er niets gebeurd
was. Nelly zag haar broeder verwonderd aan; hij scheen een geheel
ander mensch te zijn. Niemand sprak een woord, totdat de oude Sanna
binnentrad met een brief in de hand, en vroeg:
"Heeft Mevrouw de barones ook iets noodig uit het dorp? Hendrik
moet naar de post; het sneeuwt sterk, en wellicht kon het dan meteen
geschieden."
De barones antwoordde ontkennend en de oude vertrok. Intusschen was
Army aan de tafel gaan zitten en bladerde in het boek, dat hij zooeven
uit de handen zijner grootmoeder genomen had.
"Daar vind ik iets over onze schoone Agnese Mathilde boven in de
familiezaal," riep hij vroolijk: "kom eens hier, zusje! Dat is
interressant--hoor maar!"
Het jonge meisje ging naar hem toe, boog zich over de leuning van
zijn stoel en zag nieuwsgierig naar het geelgeworden papier, dat
met moeielijk te ontcijferen schrift bedekt was. Hij las, langzaam
spellende:
"Op den dertigsten November Anno 1694 is hier in het slot Derenberg
het lijk der hooggeboren vrouwe Agnese Mathilde, barones van en tot
Derenberg, Schüttenfeld en Braunsbach, geboren vrijvrouwe van Krobitz
uit het stamhuis Trauen, in den grafkelder plechtig begraven, en wel
zóó, als zij het bij haar leven zelve beschreven had. En het lijk
stond in de zaal naast de kapel, en de doodkist was bedekt eerst
met een fijn wit, en daarover een zwart satijnen lijklaken, waarop
genaaid was een kruis van zilverdoek. Bovenop lag in het midden een
verguld zilveren crucifix, en aan elke zijde waren acht kleinere,
aan het hoofd- en voeteneinde echter grootere op oranjekleurige zijde
geborduurde wapens van Derenberg en Trauen, bevestigd. De kist werd
alleen door de adellijken, die in de buurt woonden en hier dikwijls
feest gevierd hadden, in de kapel gedragen. Daarachter gingen de zes
zonen der overledene, dan volgde de weduwnaar, die zeer bedroefd was."
"Dat is vervelend," viel de jonge officier zichzelf in de rede,
"maar wat staat hier?--luister!"
"En de schoone Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg is een
zeer trotsche en kloeke vrouw geweest, die haar man in alle nooden
wakker ter zijde stond.
"Zij had een slanke gestalte en rood haar, hetgeen eigenlijk geen
goed teeken moet zijn, zooals het oude rijmpje zegt:
De schoone vrouw en 't schoone paard,
Zijn ongetwijfeld zeer veel waard;
En zijn ze zonder booze nuk,
Dat is voorwaar een groot geluk.
Let daarom op de kleur van 't haar,
En is dat rood, dan dreigt gevaar.
"Doch zij heeft niet meer gebreken gehad dan andere vrouwen; zij
was een schoone vrouw; een ridder was voor haar zoodanig in liefde
ontstoken, dat hij, toen zij zijn smeeken geen gehoor wilde leenen,
zich uit wanhoop het leven heeft benomen, 't geen God hem moge
vergeven; en in zijn bloed badende, heeft zij hem voor de deur van
haar vertrek gevonden, waardoor zij zóó ontstelde, dat haar plotseling
een zware ziekte is overvallen, zoodat men meende, dat zij ellendig
zou sterven. De goede God heeft haar echter een spoedige herstelling
geschonken; maar zij heeft na dien tijd niet weder gelachen, en de
ridder, een jonker van Streitwitz, is in den slottuin alhier begraven."
"Wat zegt gij daarvan, mamaatje?" riep Army opgewonden; "ik wil graag
gelooven, dat iemand zich om haar van het leven heeft beroofd; het
is een wonderschoon gelaat. Ik wenschte wel, dat ik haar beeltenis
konde meenemen, en op mijne kamer ophangen; zij moet een bekoorlijk
schepsel geweest zijn, die Agnese Mathilde."
"Wel, Army!" lachte de barones, "ik wist niet dat uw eerste
verliefdheid eene doode gold! Nu, het is ten minste niet
gevaarlijk--wat zegt gij, Nelly?"
Nelly zweeg; de opgeruimde stemming wilde niet weder in den kleinen
kring terugkomen; het jonge meisje zat zwijgend over haar werk gebogen
en dacht er over, wat zij Liesje ter verontschuldiging zou zeggen;
Army verdiepte zich weder in de lectuur van het oude boek, en om den
mond der barones was het vluchtige lachje verdwenen. Nu en dan streek
zij met de hand over de oogen en zuchtte diep; telkens wanneer zulk
een bange zucht het oor harer kinderen trof, zagen zij op en rustten
hun vragende blikken droevig op het bekommerde gelaat der moeder;
daarop nam elk zijne bezigheid weder ter hand.
"De genadige vrouw barones wenscht op haar kamer thee te drinken,"
zeide de binnentredende oude Sanna, "zij laat zich bij het avondeten
verontschuldigen; de barones heeft hoofdpijn."
De oude vrouw droeg een presenteerblaadje met een ouderwetsch kannetje
en kopje in rococo stijl. Zij was blijkbaar voornemens, haar meesteres
de thee te brengen en stond nu, op antwoord wachtende, bij de deur;
zij sloeg een onderzoekenden blik op de drie gestalten, als om te zien,
welken indruk dit bericht op hen maakte. De peinzende vrouw aan den
haard scheen haar woorden niet gehoord te hebben en zag verschrikt op,
toen haar dochter vriendelijk zeide:
"Wij betreuren dat zeer, lieve Sanna, en wenschen grootmama van
harte beterschap."
"Is uwe genadige vrouw ongesteld, Sanna?" vroeg de barones.
"Ja zeker," antwoordde deze, en de groote, beenige figuur richtte
zich in haar volle lengte op, terwijl zij met haar grauwe oogen de
vragende strak aankeek. "De barones was reeds niet wel, toen zij van
hier ging, want zij kwam met hevige hartkloppingen in haar kamer;
ik heb haar reeds drie bruispoeders moeten geven. Als het maar niet
iets ergers wordt!"
Er lag iets verwijtends, onbeschaamds in dit antwoord, minder nog in de
woorden, dan wel in de stem en de uitdrukking van het gelaat, zoodat de
barones Derenberg van verontwaardiging kleurde. "Het spijt mij zeer,"
zeide zij, haar stem verheffende en Sanna met de hand wenkende heen
te gaan; "ik hoop dat de genadige vrouw morgen weer hersteld zal zijn."
"Zeer goed," antwoordde de oude en verliet het vertrek, maar haar
houding en de uitdrukking van haar gelaat onder de geplooide muts
waren eensklaps vijandig geworden.
Army was opgesprongen, en zag met toornige blikken de dienstbode na.
"Army, ik bid u," riep de barones, "laat haar! Gij maakt het er niet
beter op, wanneer gij haar op hare plaats zet. Zij is altijd zoo
geweest; het warme zuidelijke bloed verloochent zich bij haar evenmin
als bij haar meesteres, en bovendien--zij vereert uwe grootmoeder
afgodisch. Gij weet, Army, dat Sanna reeds met grootmama uit Venetië
hierkwam, dat zij het tijdperk van grootheid en rijkdom met haar
doorleefd heeft, en nu trouw haar zorgen en ontberingen deelt. Sanna
heeft veel goeds; een getrouwheid als de hare is zeldzaam; en u,
kinderen, vooral Army, heeft zij boven alles lief; zij is buitendien
ook al zóó oud, dat men haar niet veel kwalijk nemen kan."
Army antwoordde niet; hij nam zijne muts. "Ik moet een oogenblik naar
buiten, anders slaap ik slecht," zeide hij, kuste zijn moeder de hand
en verliet het vertrek.
Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar
hij eigenlijk heen wilde. "Eerst moet ik mijn paletot halen," dacht
hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te
moede--voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja,
hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde,
maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover
niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem
tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog
eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar
genoemd had.
Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer
het rijmpje: "Daarom, let op de kleur van 't haar! En is dat rood,
dan dreigt gevaar." Het roode haar zou _hem_ toch niet in gevaar
brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden.
Grootmoeder had gezegd: "Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis
bouw ik al mijne hoop," en hij had haar iets verweten van jacht maken
op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka--daar was
zij alweer--maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka,
Nelly en hem--ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht
kunnen komen?
Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op
het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het
droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het
roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen
helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de
kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den
schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde,
waarop de spreuk:
"Wanhoop nooit aan God!
Dan is geluk uw lot;"
een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. "Geluk is dan uw lot,"
herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij
maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig
kunnen worden?
Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden--alle waren zij door de
Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum
vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand
had. Maar het was immers mogelijk--waarom niet?--dat hij eenmaal
weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke
jachtpartij gehouden hadden.
Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol
hoop, zoo uitlokkend, en 't geluk kon immers komen.
Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte
hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich 's levens stormen
te trotseeren. "Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker
de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt;
een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving
vragen voor dat leelijke woord 'erfenisjacht', ging hij voort; ook
mama mag niet meer zoo treurig zijn--waarom altijd zoo donker te
zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar--dat was om
Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er
over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat--"
Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne
moeder terugkeerde.
Tweede Hoofdstuk.
Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne
grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij
lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog
onbekende Blanka mee zou erven. "Gij zijt een dweeper, Army," zeide
zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een
tabouret aan haar voeten. "Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen,
voor wij scheiden."
De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting
behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen
indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware
purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was,
maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en
vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche
tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd
met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen;
't waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als
gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze
herinneringen vergat zij het troostelooze heden.
"Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet
te zeggen, Army!" ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister
vermijdende. "Gij zult dit zelf wel weten; breng haar mijne hartelijke
groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden."
"Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama," zeide Army
hoffelijk, "ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren."
De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij:
"Niet spotten met uw oude grootmoeder!"