Tot zoover ons dossier. Op de overgelegde bescheiden zou een
onpartijdig hof naar mijne meening alleen het volgend vonnis kunnen
baseeren:
“1º. Dat Duitschland en Oostenrijk in vollen vredestijd
samenspanden met het doel aan Europa en Servië de wet voor te
schrijven, op een manier, die het behoud van het evenwicht van
Europa in gevaar _moest_ brengen. Of het er hun hierbij om te
doen was, een algemeenen Europeeschen oorlog te provoceeren om
zich hiervan te bedienen om Europa aan hun wil te onderwerpen,
staat niet voldoende vast, al geeft de door hen gevolgde weg
aanleiding tot zulk een vermoeden. Zij maakten oorlog zoo goed als
onvermijdelijk door—(_a_) een Ultimatum uit te vaardigen, dat
tegen alle begrippen van billijkheid indruischte en buiten alle
verhouding stond tot eenige grief die Oostenrijk kon doen gelden en
(_b_) door aan Servië en Europa niet voldoenden tijd te laten om de
rechten en verplichtingen van alle betrokken naties behoorlijk na
te gaan;
“2º. Dat Duitschland ten allen tijde volkomen in staat was
Oostenrijk te nopen eene redelijke en verzoenende gedragslijn te
volgen, maar nimmer van dezen invloed met klem gebruik gemaakt
heeft; dat zij integendeel Oostenrijk heeft aangemoedigd en
waarschijnlijk aangezet in het volgen van haren onredelijken koers;
“3º. Dat Engeland, Frankrijk, Italië en Rusland er steeds op uit
zijn geweest, den vrede te bewaren en te dien einde niet alleen het
aanvankelijk wangedrag van Oostenrijk door de vingers zagen, maar
zich ook voor elke redelijke concessie lieten vinden, die tot het
behoud des vredes scheen te kunnen leiden;
“4º. Dat waar Oostenrijk haar leger mobiliseerde, Rusland het
volste recht had, het hare op voet van oorlog te brengen. Dat het
tot de rechten van elken souvereinen staat behoort te mobiliseeren
en dat, zoolang de Russische legers de grenzen niet overschreden of
tot den aanval overgingen, geene andere natie het recht had zich te
beklagen, waar het immers een ieder vrijstond, dezelfde maatregelen
te treffen;
“5º. Dat _Duitschland_, door Rusland met oorlog te bedreigen, zoo
zij niet demobiliseerde, terwijl de andere Mogendheden zich bereid
hadden verklaard tot het brengen van alle redelijke offers en
terwijl alle hoop op het behoud des vredes nog niet vervlogen was,
_voor het uitbreken van den oorlog aansprakelijk is_.”