“zijn grooten invloed bij Oostenrijk zal aanwenden om haar dit
voorstel te doen aannemen, op deze wijze blijkgevend van een
geest van samenwerking tusschen Duitschland en Engeland om een
internationale ramp van ongekende grootte te verhoeden.”[42]
[42] Tweede Duitsch Wit-Boek.
Op dit beroep volgde geen antwoord, zij het gunstig of ongunstig, want
de impulsieve beheerscher van Duitschland had reeds zijn Ultimatum
aan Rusland afgezonden, haar sommeerend binnen een half etmaal te
ontwapenen, een te onbeschaamde eisch natuurlijk dan dat eenige zich
zelf respecteerende Mogendheid ter wereld, laat staan het machtig
Czarenrijk, aan inwilliging zou kunnen denken.
Terwijl deze aanmaning werd uitgebroed, was Sir Edward Grey bezig
zijn laatste pogingen tot het behoud des vredes te doen. Hij verzocht
Duitschland Weenen te polsen, zooals hij zelf het te St. Petersburg
zou doen, in hoeverre het mogelijk zou zijn voor de vier onzijdige
Mogendheden om aan Oostenrijk te waarborgen
“dat zij alle voldoening in het geschil met Servië zou erlangen
mits de Servische Souvereiniteit en Servisch grondgebied
onaangetast werden gelaten.”
Sir Edward Grey ging zelfs zoover van den Duitschen Gezant te beloven,
dat als dit voorstel niet aannemelijk bleek en Duitschland met billijke
tegenvoorstellen in het belang van het behoud des vredes voor den dag
zou komen, die door Rusland en Frankrijk zouden worden verworpen,
“Zijner Majesteits Regeering zich niet verder om de gevolgen zoude
bekommeren,”
eene toezegging die natuurlijk op niets meer of minder neerkwam dan op
onzijdigheid of op een zich scharen aan de zijde van het Tweevoudig
Verbond.
Denzelfden dag smeekte de Engelsche Gezant te Berlijn het Duitsche
Ministerie van Buitenlandsche Zaken,
“toch niets onbeproefd te laten om de bewindslieden te Weenen te
bewegen tot het nemen van maatregelen om Rusland te kalmeeren
en tot het zich willig betoonen, om besprekingen op een
vriendschappelijken voet voort te zetten.”
Sir Edward Goschen deelt naar aanleiding hiervan mede, dat de Duitsche
Minister van Buitenlandsche Zaken hem den avond te voren verzekerd had,
dat hij
“Oostenrijk gesmeekt had op dit laatste voorstel te antwoorden en
dat hij hierop ten antwoord had ontvangen, dat de Oostenrijksche
Minister van Buitenlandsche Zaken zich dien morgen naar den
Keizer (van Oostenrijk) zou begeven om Z.M.'s wenschen ter zake
te vernemen.”
_Alweer geen spoor van eenig dokument, waaruit van dit “smeeken” van
Duitschland tegenover Oostenrijk, om toch vooral verzoenend, te zijn,
blijkt!_
* * * * *
De bewering van Duitschland, dat Rusland's mobilisatie haar
dwong, zelf te mobiliseeren, gaat als eene verontschuldiging
voor de oorlogsverklaring niet op. Mobilisatie sluit niet per sé
eene aanvallende bedoeling in, zij kan zich tot het karakter van
voorbehoedmiddel bepalen. Indien men aan Rusland het recht moet
toekennen te mobiliseeren, omdat Oostenrijk zulks doet, kan men het
niet aan Duitschland ontzeggen, waar zij mobiliseert in antwoord
op Ruslands mobilisatie, maar uit dezen stand van zaken volgt nog
niet het recht van elk dezer drie om een oorlog te beginnen, om de
anderen tot demobilisatie te dwingen. Mobilisatie komt neer op het
nemen van maatregelen, “om op het ergste voorbereid te zijn.” Het
is het recht van elken onafhankelijken staat en er bestaat geen
moreele code die er een _casus belli_ in ziet. De Duitsche eisch,
dat Rusland zich van wapening ter zelfverdediging zou onthouden,
terwijl Oostenrijk zich kalm toerust om Rusland zoo mogelijk te
attakeeren, staat in de geschiedenis van veroveraars-aanmatiging
vrijwel op zichzelf. Duitschland behandelde Rusland als ware het
een ondergeschikte staat, om niet te zeggen een vasal.
Deze doldriftige stap van Duitschland om zijn grooten buur te dwingen
van militaire toerustingen ter zelfverdediging af te zien, stuurde
alles in de war; op het eigen oogenblik, om zoo te zeggen, waarop
de Oostenrijksche Gezant, voor den eersten keer, blijk gaf tot
toenadering door aan de Russische Regeering de bereidwilligheid van
zijne lastgevers te betuigen om de bewoordingen van het door hen
tot Servië gericht Ultimatum aan eene bespreking te onderwerpen;
bij welke gelegenheid voorts werd voorgesteld, dat de vorm van het
Ultimatum en de kwesties er mee in verband staande te Londen zouden
worden bediscussieerd. (Depêche van den Engelschen Gezant te Weenen
aan Sir Edward Grey, gedagteekend 1 September 1914.) Sir Edward Grey
verwittigde den Engelschen Gezant te Berlijn onmiddellijk van dezen
stap en gaf te kennen, dat de kans op het behoud des vredes nog niet
geheel verkeken was,
“als wij slechts een weinig tijd kunnen winnen vóór een der Groote
Mogendheden den oorlog begint,”
maar de Keizer, met zijn aanmatigend Ultimatum aan Rusland, om binnen
twaalf uren te demobiliseeren, was te ver gegaan om terug te kunnen en
hij, aangespoord door de verwaten groep van Potsdammer militaristen,
“ontketende de honden van den oorlog.”