DE MOBILISATIE DER NATIËN.

Toen de crisis deze hoogte had bereikt, grepen de Staatshoofden in het

geschil in. De Keizer, uit de Noorweegsche wateren teruggekeerd seinde

dadelijk aan den Czaar, onder dagteekening van den 28sten Juli, dat hij

doende was

“al zijn invloed aan te wenden om Oostenrijk-Hongarije te bewegen

tot een open en bevredigende overeenstemming met Rusland te komen”;

ook riep hij de medewerking van den Czaar in.[32]

[32] Duitsch Wit-Boek, Bijlage 20.

Aangenomen, dat de Keizer oprecht was—en dit is niet onmogelijk—dan

was in elk geval _zijne houding geheel verschillend van die door zijn

eigen Minister van Buitenlandsche Zaken aangenomen_. In het dossier

treffen wij geen ander bewijs aan, dan zijne verzekering, dat hij

al zijn invloed aanwendde om den vrede te bewaren, maar van stappen

door hem gedaan blijkt uit niets; evenmin treft men in het dossier

eenige briefwisseling aan die van pogingen om op Oostenrijk te werken

getuigt; zij komen in het verweer door Duitschland in de wereld

gezonden heelemaal niet voor. De Keizer zal alleen dan de wereld van

zijn onschuld aan het misdrijf door zijn Potsdamsche kliek gepleegd

kunnen overtuigen, als hij den _tekst_ van eenig advies door hem aan

de Oostenrijksche bureaucraten gezonden, overlegt. Hij heeft zijne

telegrammen aan den Czaar wereldkundig gemaakt, maar waar zijn die,

door hem, in alle waarschijnlijkheid, aan zijn Collega Frans Josef of

aan Graaf Berchtold gericht? Waar kunnen wij lezen, welke instructies

hij aan zijne Gezanten gaf of aan zijn Minister van Buitenlandsche

Zaken?

Het is eigenaardig, dat dienzelfden dag door Sazonow aan Graaf

Benckendorff wordt geseind:

“Mijn gesprekken met den Duitschen Gezant bevestigen mijn indruk,

dat Duitschland Oostenrijk's onverzoenlijkheid min of meer

begunstigt.”

Hij vervolgt, en de Geschiedenis zal hem, gelooven wij, op dit punt in

het gelijk stellen:

“Het Kabinet te Berlijn, dat de geheele ontwikkeling van de

crisis had kunnen stuiten, schijnt in geenen deele invloed op zijn

bondgenoot uit te oefenen.”[33]

[33] Russisch Oranje-Boek, No. 43.

Den 29sten Juli seint Sir Edward Goschen aan Sir Edward Grey, dat hij

dien avond den Duitschen Rijkskanselier had gesproken, die “juist van

Potsdam was teruggekeerd,” waar hij hoogst waarschijnlijk den Keizer

had gesproken. De Duitsche Rijkskanselier liet duidelijk uitkomen,

uit welken hoek de wind woei, althans hij kwam bij Sir Edward Goschen

aan boord met de verzekering, dat als Engeland in den dreigenden

oorlog onzijdig bleef, Duitschland bereid was te garandeeren, dat zij

Frankrijk geen grondgebied zou afnemen. Gevraagd wat in zoo'n geval

het lot van de Fransche Koloniën zou zijn, bleef eene soortgelijke

verzekering uit.[34]

[34] Engelsch Wit-Boek, No. 85.

Later ontmoette de Rijkskanselier den Gezant opnieuw en drukte zijn

leedwezen uit over het feit,

“dat de gebeurtenissen een te snellen loop hadden genomen en dat

het daarom te laat was om te handelen volgens Uw (Sir Edward

Grey's) voorstel, dat het Servische antwoord den grondslag zou

vormen van eene bespreking.”[35]

[35] Engelsch Wit-Boek, No. 75.

Dienzelfden dag meldde zich de Duitsche Gezant te St. Petersburg bij

Sazonow aan en verklaarde zich ten gunste van verdere pourparlers

tusschen Weenen en St. Petersburg, een voorslag, waarop Sazonow

inging.[36] Op denzelfden dag verzocht Sir Edward Grey de Duitsche

Regeering,

[36] Russisch Oranje-Boek, No. 49.

“een voorstel te doen, in welken vorm ook, waarbij aan het

denkbeeld van eene minnelijke schikking tusschen Oostenrijk en

Rusland, welke door de Duitsche Regeering in beginsel wenschelijk

wordt geacht, substantie kan worden gegeven.”

Waarop het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken ten antwoord

gaf, dat het buiten staat was, op zulk een voorstel in te gaan, uit

vrees dat Duitschland's bondgenoot, zoodra zij bij hem met een plan

aankwam, dat ook maar in het minst kon leiden tot de verdenking, dat

er pressie op haar werd uitgeoefend, “zich tot het doen van beslissende

stappen gedwongen zou kunnen voelen en hen allen voor een fait accompli

plaatsen.”[37]

[37] Engelsch Wit-Boek, No. 76.

Dit was de laatste en lamste uitvlucht om tijd te winnen, terwijl

Oostenrijk reeds op Belgrado aanrukte. De veronderstelling is, dat

Oostenrijk in staat zou kunnen blijken, niet slechts den wensch van

haar sterkeren bondgenoot in een zaak van wereldbelang te miskennen,

maar rechtstreeks te handelen in strijd met dien wensch! Het is een

enorme wissel op de menschelijke lichtgeloovigheid getrokken. Kon de

Duitsche Staats-Secretaris zijn gezicht in den plooi houden toen hij

met deze sardonische grappenmakerij op de proppen kwam? Het moge al tot

de plichten van den diplomaat behooren onder zekere omstandigheden te

liegen, maar kan men zich in de noodwendigheid verplaatsen, die het

produceeren van zulk een schaapachtige onwaarheid zou kunnen billijken?

De Duitsche Staats-Secretaris voegde in ditzelfde gesprek nog aan dit

fraais toe, dat hij er niet zeker van was, of de bemoeiingen in het

belang van het behoud des vredes aangewend, niet hadden geleid tot

eene verhaasting der uitbarsting—als ware niet van den aanvang eene

oorlogsverklaring tegen Servië een uitgemaakte en door allen verwachte

zaak. Als eene laatste poging om tegenover uitvluchten van dit slag

stelling te nemen, merkte de Engelsche Gezant te Berlijn nog op,

dat indien eenmaal aan Oostenrijk's gevoeligheid voor haar militair

prestige recht zou zijn gedaan, het oogenblik wellicht gunstig zoude

zijn voor vier onzijdige Mogendheden, om den toestand te bespreken

en voorstellen te doen met de strekking, ernstiger verwikkelingen te

voorkomen.

De Duitsche Staats-Secretaris deed het voorkomen, of hij naar dezen

voorslag wel ooren had, maar de zaak liep als gewoonlijk, op niets

uit.[38] Het is waar dat aan Sir Edward Grey op 29 Juli door den

Duitschen Gezant de verzekering werd gegeven, dat het Duitsche

Ministerie van Buitenlandsche Zaken

[38] Engelsch Wit-boek, No. 76.

“beproeft Weenen te bewegen in bevredigenden vorm te St. Petersburg

het doel en den omvang van Oostenrijk's optreden in Servië uit te

leggen,”[39]

maar nogmaals, de tekst van de gedachtenwisseling in dit verband door

het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken met Weenen gevoerd,

_werd nimmer wereldkundig gemaakt_.

Gedurende dit onderhoud drong Sir Edward Grey er bij den Duitschen

Gezant op aan,

“dat de Duitsche Regeering eenige methode zou aangeven, waardoor

de invloed van de (niet rechtstreeks bij de zaak betrokken)

Mogendheden te zamen kon worden gebruikt om oorlog tusschen

Oostenrijk en Rusland te voorkomen. Frankrijk was er voor; Italië

was er voor. Het geheele denkbeeld van bemiddeling of bemiddelenden

invloed was gereed in werking te worden gesteld door eenige

methode, die Duitschland zou aangeven, indien de mijne niet

aannemelijk was. Inderdaad, de bemiddeling kon ieder oogenblik in

werking treden door welke methode Duitschland ook maar mogelijk

achtte, indien slechts Duitschland op den knop wilde drukken (press

the button), in het belang van den vrede.”[39]

[39] Ibid., No. 84.

Het lastige van het geval was, dat Duitschland nimmer op den knop

drukte, hoe dood-gemakkelijk haar dit ook zou zijn geweest, waar zij

immers de sterkere en invloedrijker partner in de vennootschap, het

Tweevoudig Verbond, was.

Op denzelfden dag zond het Oostenrijksch Gouvernement een memorandum

aan Sir Edward Grey, waarin het verklaarde, dat Graaf Mensdorff zeide,

dat de oorlog met Servië voortgang moest hebben.

In den avond van den 29sten Juli werd den Engelschen Gezant te Berlijn

medegedeeld, dat het aan het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche

Zaken “_tot dusver aan tijd ontbroken had tot het zenden van een

antwoord_” op den voorslag dat Duitschland haar inzichten omtrent den

vorm die eene bemiddeling zou moeten dragen, zou blootleggen; dat deze

voorslag aan de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering was medegedeeld en

haar verzocht te verklaren, wat haar genoegdoening zou geven.[40]

[40] Engelsch Wit-Boek, No. 107.

Den volgenden dag verwittigde de Duitsche Gezant Sir Edward Grey,

dat zijne regeering haar best zou doen, Oostenrijk te bewegen om, na

Belgrado te hebben genomen en het aan de grens gelegen deel van Servië,

niet verder te rukken, maar aan de Mogendheden gelegenheid te geven,

bij Servië aan te dringen op het verschaffen van voldoening groot

genoeg om Oostenrijk te bevredigen. Indien Duitschland inderdaad zulk

een stap bij haren bondgenoot deed, _waarom blijkt hiervan dan niet

uit de overgelegde stukken_? Alwat wij thans met zekerheid weten, is

dat dergelijke pogingen, indien zij al werden gedaan, bitter weinig

resultaat hadden. Op de gronden reeds eerder uiteengezet is het

volkomen onaannemelijk, dat Duitschland's advies, indien het werkelijk

van harte gegeven werd, door haar zwakkeren bondgenoot _niet_ zou zijn

gevolgd.

Naar het dossier te oordeelen, verwaardigde Oostenrijk dit zeer

verzoenend voorstel aan Engeland met geen antwoord, maar inmiddels

verscherpte de onweerhoudbare Keizer den crisis met aan den Czaar

te seinen, dat de mobilisatie van Rusland—om die van Oostenrijk te

beantwoorden—zijn (s' Keizers) rol als bemiddelaar bemoeilijkte,

waarop de Czaar met een in verzoenende termen vervat telegram

antwoordde, er op wijzend, dat tot Ruslands mobilisatie alleen in

zelfverdediging tegen Oostenrijk, werd overgegaan.

Wat anders kon Rusland doen? Indien Oostenrijk met mobiliseeren

voortging, waarom zou Rusland er dan mee ophouden?

Op dezen datum, den 30sten Juli, had de Duitsche Gezant te St.

Petersburg twee conversaties met Sazonow en het was in den loop

hiervan, dat Sazonow tot de volgende formule, als basis voor eene

vredelievende oplossing, kwam:

“Bijaldien Oostenrijk, erkennend dat de Oostenrijksch-Servische

kwestie het karakter heeft aangenomen van een Europeesche kwestie,

zich bereid verklaart, uit zijn Ultimatum weg te nemen de punten

die inbreuk maken op de souvereine rechten van Servië, verbindt

Rusland zich, zijne militaire toebereidselen te staken.”[41]

[41] Russisch Oranje-Boek, No. 60.

De crisis had deze hoogte bereikt, toen Koning George aan Prins Hendrik

van Pruisen seinde, dat

“de Engelsche Regeering haar uiterste best doet om Rusland en

Frankrijk te bewegen de verdere krijgstoerustingen te staken,

bijaldien Oostenrijk toezegt, genoegen te nemen met de bezetting

van Belgrado en onmiddellijke omgeving, in onderpand voor eene

bevredigende regeling harer aanspraken; de andere Mogendheden

zullen dan ophouden zich te wapenen.”

Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente (het wereldconflict als een rechtsgeding behandeld) · 第 14 / 17 题