“eene weigering om den termijn van het Ultimatum te verlengen . . .
in strijd zou zijn met de grondslagen zelf van de internationale
betrekkingen.”
Welk Hof ter wereld zou het rechtmatige van deze voorstellen kunnen
betwijfelen? De wereldvrede was in gevaar. Men vroeg alleen om uitstel
om te zien, wat er gedaan kon worden om den vrede te bewaren en aan
Oostenrijk's rechtmatige grieven tegemoet te komen. Op dienzelfden
24sten Juli, waarop Sazonow om een weinig tijd vroeg in het belang van
den wereldvrede, had Sir Edward Grey een onderhoud met den Duitschen
Gezant te Londen en had hem in overweging gegeven, dat de eenige manier
om een wereldramp te voorkomen, was, dat
“de vier Mogendheden Duitschland, Frankrijk, Italië en Engeland
gezamenlijk en gelijktijdig te Weenen en te St. Petersburg zouden
samenwerken.”[15]
[15] Engelsch Wit-Boek, No. 11.
Duitschland behoefde immers slechts aan Oostenrijk te kennen te geven,
dat een gepaste eerbied voor de meening der menschheid, zoowel als de
gewone burgerlijke beleefdheid tusschen groote en bevriende natiën
gebruikelijk, eischten dat niet alleen aan Servië, maar ook aan de
andere Mogendheden voldoende tijd gelaten werd om in het algemeen
belang samen te werken, vooral waar men in de volle zomervacantie was
en vele leidende bestuursmannen en diplomaten van hunne respectieve
standplaatsen afwezig waren.
Wat kon onder de omstandigheden meer natuurlijk zijn dan dat Rusland op
den 24sten Juli zou verklaren,
“dat eenige actie door Oostenrijk ondernomen met het oog op
Servië's vernedering Rusland niet onverschillig laten kon—”
of dat de Russische Zaakgelastigde te Weenen op denzelfden dag aan het
Oostenrijksche Ministerie van Buitenlandsche Zaken zou opmerken,
“dat de Oostenrijksche eischen in een vorm waren gegoten, die
hunne inwilliging onmogelijk maakte en dat de gekozen bewoordingen
ongebruikelijk en al te beslist waren”—?
Op welke mededeelingen het eenig antwoord van den Oostenrijkschen
Minister van Buitenlandsche Zaken was, dat hun vertegenwoordiger te
Belgrado
“last had ontvangen, Belgrado te verlaten, zoo Oostenrijk's eischen
niet in hun geheel en klokke 4 n.m. van den volgenden dag waren
ingewilligd.”[16]
[16] Engelsch Wit-Boek, No. 7.
Oostenrijk's eenige concessie, toen of later ter wille van de zaak des
vredes gedaan, was de verzekering dat Oostenrijk, na Servië te hebben
ingenomen, niet op den afstand van eenig grondgebied zou staan.
Men geve wel acht op Duitschlands houding op dezen dag, den 24sten
Juli. Haar Gezant te Londen deed Sir Edward Grey eene nota toekomen,
waarin Oostenrijk-Hongarije's grieven jegens Servië werden uiteengezet
en het ultimatum verdedigd in de woorden dat,
“in de gegeven omstandigheden de wijze van optreden en de eischen
van de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering slechts als billijk en
gematigd kunnen worden beschouwd,”
waaraan de nota toevoegt:
“De Keizerlijke Regeering gevoelt zich gedrongen als hare meening
uit te spreken, dat er in het gegeven geval alleen sprake is
van eene zaak die uitsluitend tusschen Oostenrijk-Hongarije en
Servië moet worden uitgemaakt en dat de Groote Mogendheden ernstig
moeten pogen, het geschil te beperken tot de twee Staten, wien het
rechtstreeks aangaat.”[17]
[17] Engelsch Wit-Boek, No. 9.
Op 25 Juli, hoogst waarschijnlijk tot de groote verrassing van
Duitschland zoowel als Oostenrijk, die zich hadden voorbereid op
het _niet_ voldoen aan het Ultimatum door Servië, antwoordde dit
laatste rijk, Rusland's verzoenend advies volgend en ten koste van
haar eigen zelfgevoel als onafhankelijke staat, dat het alle eischen
door Oostenrijk gesteld op één na aanvaardde; zelfs van deze laatste
werd de inwilliging niet in zoovele woorden geweigerd, maar zij werd
afhankelijk gesteld van de uitspraak van scheidsmannen of van de
beslissing van een congres door de Groote Mogendheden tot dit doel
bijeen te roepen.[18]
[18] Engelsch Wit-Boek, No. 39.
Door geen Hof ter wereld zou voor een oogenblik worden aangenomen, dat
dit antwoord niet in hoofdzaak een _toegeven_ was aan Oostenrijk's
ongehoorde eischen; dit werd dan ook noch door Duitschland, noch door
Oostenrijk ernstig ontkend. Zij vergenoegden zich, de betrouwbaarheid
der gegeven verzekeringen verdacht te maken en de door Servië
toegezegde concessiën als slechts voorgewend voor te stellen;
hieromtrent zij alleen opgemerkt, dat als Duitschland en Oostenrijk
eens begonnen waren met genoegen te nemen met Servië's antwoord en dan
_later_ zou gebleken zijn, dat Servië er niet aan dacht, hare plechtig
gedane toezeggingen na te komen, er voorzeker al heel weinig sympathie
voor Servië in de wereld te vinden zou zijn geweest en in elk geval een
algemeene oorlog had kunnen zijn voorkomen.
Zoowel Rusland als Engeland zeiden hun invloed toe om Servië te
bewegen, en desnoods te dwingen om aan _rechtmatige_ eischen door
Oostenrijk gesteld te voldoen. De openstaande quaestie, die Servië
voorsloeg middels arbitrage af te doen of aan de beslissing van de
Groote Mogendheden te laten, gold het doen deelnemen van Oostenrijksche
ambtenaren aan het gerechtelijk onderzoek in de Servische gerechtshoven
aanhangig te maken. Hier was geen quaestie van overwegende moeilijkheid
aan het woord. Aan Oostenrijk's geuit verlangen naar eene onpartijdige
instructie kon zeer gemakkelijk gevolg gegeven zijn door het
aanstellen—door de onzijdige Mogendheden—van eene rechtsgeleerde
Commissie om met zulk een onderzoek te worden belast.
Op 24 Juli had Sir Edward Grey den Duitschen Gezant nog verzocht zijn
uiterste best te doen om Weenen tot het verleenen van uitstel te
bewegen. Het antwoord en de houding van de Duitsche Regeering tegenover
dit zeer redelijk verzoek, was bij uitstek _onoprecht_. Zij nam op
zich, het voorstel “door te zenden,” maar de Duitsche Staats-Secretaris
voor Buitenlandsche Zaken voegde hieraan toe, dat het met het oog op de
afwezigheid van den Eersten Minister te Weenen, twijfelachtig was of
het verzoek hem wel tijdig zou bereiken en het dientengevolge moeilijk
zou zijn op het denkbeeld van uitstel in te gaan.
“Hij gaf heel openhartig toe, dat de Oostenrijksch-Hongaarsche
Regeering den Serviërs een les wenschte te geven en dat zij
besloten was tot een militair optreden. Hij gaf ook toe, dat de
Servische Regeering enkele van Oostenrijk's eischen niet kon
slikken.”[19]
Hij voegde er bij dat Duitschland niets van een algemeenen oorlog moest
hebben “en hij alles wat in zijn vermogen was zou doen om zulk een ramp
te voorkomen.”[19]
[19] Engelsch Wit-Boek, No. 18.
Indien Duitschland bij Oostenrijk inderdaad pogingen aanwendde in het
belang van den wereldvrede, dan is het hoog tijd, dat zij den tekst
waaruit hiervan blijkt, wereldkundig make. Eén enkel woord van Berlijn
tot Weenen zou ongetwijfeld tot het toestaan van uitstel hebben geleid
en dit zou, gegeven de vredelievende bedoelingen die de meesten der
Mogendheden beheerschten, allicht tot het bewaren van den vrede hebben
geleid. Voorzoover wij uit de stukken kunnen nagaan, werd dit woord
door Duitschland _nimmer_ gesproken.
Men vergelijke deze houding met die van Rusland; haar Minister van
Buitenlandsche Zaken verklaart in den ochtend van 25 Juli, dat hij
bereid is,
“er buiten te blijven en de kwestie in handen te laten van
Engeland, Frankrijk, Duitschland en Italië.”[20]
[20] Ibid., No. 17.
Op 25 Juli stelt Sir Edward Grey voor, dat de vier Mogendheden
(Duitschland inbegrepen) zich zouden vereenigen om
“gezamenlijk tot de Oostenrijksche en Russische Regeering het
verzoek(te)richten, niet de grens over te trekken en den vier
Mogendheden tijd te laten om te trachten te Weenen en te St.
Petersburg een vergelijk te treffen. Als Duitschland zich met deze
opvatting kan vereenigen, ben ik er sterk voor, dat Frankrijk
en wij het in die richting moeten zien te sturen. Italië zou
ongetwijfeld gaarne medewerken.”[21]
[21] Engelsch Wit-Boek, Nos. 24 en 25.
In antwoord op dit aannemelijk voorstel antwoordt de Duitsche
Rijkskanselier:
“Eens vooral herhalen wij, dat wij van het beginsel uitgaan, dat
deze aangelegenheid worde gelocaliseerd en alle andere Mogendheden
zich van inmenging onthouden,”
waarop hij echter laat volgen, dat Duitschland bij een eventueel
Oostenrijksch-Russisch conflict,
“zou samenwerken met de andere groote Mogendheden om een vergelijk
tusschen Rusland en Oostenrijk te bevorderen.”[22]
[22] Duitsch Wit-Boek, Bijlage 13.
De onderscheiding is niet recht duidelijk. Het komt neer op een pogen
om het verschil in afmetingen tusschen Tweedledum en Tweedledee te
meten. Rusland's geschil met Oostenrijk liep juist over de bedoeling
van de laatste om Servië te verbrijzelen. Duitschland wil van geen
tusschenkomst in deze afstraffing hooren, maar wel is zij bereid tot
mediatie tusschen Rusland en Oostenrijk. Men zou zoo zeggen, dat de
twee bij slot van rekening op hetzelfde neerkomen!
Hoe Duitschland zich van dit verlangen naar samenwerking kweet, zullen
wij dadelijk zien.
Al wat zij werkelijk _deed_ op 25 Juli, voorzoover uit het dossier
blijkt, is dat zij Engeland's en Rusland's verzoek om uitstel
“doorzond”; uit het verdere verloop der gebeurtenissen mogen wij
afleiden, dat dit “doorzenden” zonder commentaar of advies geschiedde,
want is het één oogenblik denkbaar, dat Oostenrijk _niet_ aan den
wensch van haren bondgenoot zou hebben voldaan, zoo hij tot uitstel
geneigd ware geweest en deze neiging hadde uitgesproken?
De Oostenrijksche Minister van Buitenlandsche Zaken verwijderde zich
van de hoofdstad zoo gauw hij het Ultimatum aan Servië had afgezonden,
maar de Russische Gezant te Weenen slaagde er desniettegenstaande
in zijn allerredelijkst verzoek aan den waarnemenden Minister van
Buitenlandsche Zaken vóór te leggen, die er zich toe bepaalde hem
te beloven, dat hij er Graaf Berchtold mee in kennis zou stellen,
aan deze toezegging echter toevoegend, “dat hij met stelligheid eene
categorische weigering kon voorspellen.” In den loop van dienzelfden
dag (25 Juli) werd Rusland inderdaad officieel verwittigd, dat geen
uitstel van termijn kon worden toegestaan.[23]
[23] Russisch Oranje-Boek, Nos. 11 en 12.
Men vraagt zich in ontzetting af—werd ooit de wereldvrede om een
nietiger voorwendsel verstrooid? Een kort uitstel, een paar dagen,
neen een paar uur waren wellicht voldoende geweest om de menschheid
te bewaren voor de gruwelen en hartstochten, die haar thans
verscheuren—_maar het kon niet worden toegestaan_! De diplomatieke
zaakwaarnemers hadden het er op gezet, eene quaestie van zóó
ontzaglijke beteekenis met één pennestreek af te doen! Waarlijk, het
zou moeilijk vallen in de annalen der historie de wederga te vinden
van een onwelwillendheid als hier tegenover eene bevriende Mogendheid
betoond, want men vergete niet: Oostenrijk was destijds niet met
Rusland in oorlog.
Ondanks het échec in hun pogen om uitstel te krijgen geleden, gaven
Engeland, Frankrijk en Rusland hunne bemoeiingen in het belang van
den vrede niet op, maar streefden er naar om den voortgang der
krijgstoerustingen althans zoolang te stuiten, als noodig zou zijn
voor het doen van nieuwe voorslagen tot verzoening. Sir Edward Grey
stelde aan Duitschland, Frankrijk, Rusland en Italië voor, zich
met hem te vereenigen om Oostenrijk en Servië te bewegen elkanders
grenzen niet over te trekken, vóór men gelegenheid had te trachten
het geschil in der minne te beëindigen. In antwoord hierop las echter
de Duitsche Gezant Sir Edward Grey een telegram, door hem van het
Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken ontvangen, voor, hierop
neerkomende, dat Oostenrijk, nu het eenmaal haar Ultimatum had
afgezonden, niet meer terug kon.[24]
[24] Engelsch Wit-Boek, No. 25.
Zooals wij zagen drong Duitschland, voorzoover uit de stukken blijkt,
er bij geen enkele gelegenheid bij Oostenrijk op aan, om deze of
eenige andere concessie te maken. Hare houding bleek genoegzaam uit de
verklaring van haren gezant te Parijs aan den Franschen Minister van
Buitenlandsche Zaken gericht, waarin hij, zij het met ontkenning van
eenig aandeel door Duitschland in de samenstelling van het Ultimatum
genomen, verzekerde, dat zijn land zich met den inhoud van dat stuk
volkomen vereenigde,
“en dat, nu de pijl eenmaal afgezonden was, Duitschland zich
uitsluitend moest laten leiden door hare verplichtingen als
bondgenoot.”
Duitschland's fatale misvatting was deze—dat zij zich van hare
verplichtingen jegens de menschheid niet genoeg bewust was om haar te
beletten, haren bondgenoot Oostenrijk door dik en dun ter zijde te
staan, of zij in het gelijk was of niet. Hierop kwam hare politiek neer
en zij dreef ze tot in uitersten door. Het moge al begrijpelijk zijn,
dat zij haren bondgenoot niet in den steek wilde laten, wanneer het
tot dadelijkheden komen mocht, maar Oostenrijk bij te staan in vollen
vredestijd, in een onbillijken eisch en in een politiek van grove
onwelwillendheid, dat gaat alle perken van internationale zedelijkheid
te buiten.
Op den volgenden dag stelde Rusland aan Oostenrijk voor, met het doel
zekere wijzigingen in de Oostenrijksche nota van 23 Juli te zien
gebracht, besprekingen van een informeel karakter te houden. _Op dit
voorstel verwaardigde Oostenrijk zich niet eens te antwoorden._
De Russische Gezant deelde dezen voorslag aan den Duitschen Minister
van Buitenlandsche Zaken mede, de hoop uitsprekende, dat hij zich
geneigd mocht betoonen, Weenen aan te raden, het voorstel aan te
nemen, maar dit klopte niet met de gedragslijn die Duitschland zich
afgebakend had. Immers op dien dag bezocht de Duitsche Gezant te Parijs
den Franschen Minister van Buitenlandsche Zaken en, in antwoord op eene
gelijkluidende propositie, dat Duitschland er te Weenen op aan zou
dringen om Servië in denzelfden verzoenenden geest tegemoet te komen,
als waarvan Servië in haar antwoord had blijk gegeven, zeide de Gezant
“dat er geen sprake van kon zijn op grond van de beslissing, dat men
zich met het Oostenrijksch-Servisch conflict niet zou bemoeien.”
Het was op dezen zelfden dag, dat Engeland, Frankrijk, Italië en
Duitschland uitnoodigde tot eene onmiddellijke samenkomst te Londen
om te overleggen, hoe men den vrede van Europa zou kunnen handhaven,
waarop de Duitsche Gezant in antwoord op dit veelbelovend denkbeeld,
dat tot het behoud van dien vrede zou hebben kunnen leiden, aankwam met
de jammerlijke spitsvondigheid dat “het niet aangaat onze bondgenoot
vóór een Europeesch gerecht te dagen _in een geschil met Servië_”—en
dat terwijl het beweerde voor een verzoenende tusschenkomst in beginsel
wel te vinden te zijn!
Duitschland's aanvaarding “in beginsel” van een politiek, die zij
metterdaad zoo hard mogelijk tegenwerkte, doet ons onwillekeurig
denken aan den merkwaardigen eerbied voor de wet van den Maine'schen
politieken tinnegieter, die zich verklaarde “in beginsel ten gunste van
de Maine'sche drankwet, maar tegen hare toepassing.”
Duitschland's weigering om het geval Servië vóór den Raad der
Mogendheden te brengen is te meer opmerkelijk, wanneer men zich
herinnert, hoe de Duitsche Gezant te Londen tegenover Sir Edward Grey
de woorden van den Duitschen Staats-Secretaris aldus weergaf:
“dat er in het Oostenrijksch Ultimatum zekere dingen waren, waarvan
men moeilijk kon verwachten, dat Servië ze zou aannemen,”
waarmee dan toch klaarblijkelijk werd erkend, dat bedoeld staatsstuk,
op een of meer punten althans, aan billijkheid te wenschen overliet.
Sir Edward Grey vestigde daarop de aandacht van den Duitschen Gezant,
op het feit dat, indien Oostenrijk het verzoenend antwoord van Servië
eenvoudig negeerde en haar grondgebied binnenrukte,
“het blijk zou geven van eene onverzettelijke bedoeling om Servië,
het kostte wat het wilde, te verpletteren, zonder zich in het minst
te bekommeren om de gevolgen die zulk eene houding na zich zou
sleepen.”
Hij voegde hier nog aan toe, dat het antwoord van Servië,
“tenminste kon dienen als een grondslag voor besprekingen en
afwachting, om niet overijld te handelen,”[25]
[25] Engelsch Wit-Boek, No. 46.
en verzocht het Duitsche Gouvernement om dit aan Weenen vóór te houden,
maar de Duitsche Staats-Secretaris deed op 27 Juli weten, dat het idee
van de voorgestelde conferentie “praktisch onuitvoerbaar was,” dat
zij metterdaad zou zijn een Hof van Arbitrage en dat zij in elk geval
niet zou kunnen worden samengeroepen dan op verzoek van Oostenrijk en
Rusland.[26]
[26] Engelsch Wit-Boek, Nos. 43 en 46.
Dat dit niets dan een uitvlucht was, is volkomen duidelijk. Duitschland
wist maar al te wel, dat Oostenrijk nimmer voor het samenroepen van
zulk een conferentie zou te vinden zijn, want Oostenrijk had immers
Rusland's verzoek om uitstel afgewezen en was hare militaire operaties
reeds begonnen. Duitschland's geheele gedrag is zeer juist weergegeven
in de depêche van den Russischen Gezant bij het Duitsche Hof aan den
Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken, waarin hij mededeelt,
hoe hij op 27 Juli het Duitsche Departement van Buitenlandsche Zaken
bezocht en er op aandrong,
“Weenen meer dringend aan te raden, zich op dezen weg van
verzoening te begeven. Jagow antwoordde dat hij Oostenrijk niet
kon aanraden toe te geven.”[27]
[27] Russisch Oranje-Boek, No. 38.
Waarom niet? vragen wij. Rusland had Servië aangeraden, zoete broodjes
te bakken en Servië had zich bereid verklaard bijna alle eischen in te
willigen. Waarom dan kon het Ministerie van Buitenlandsche Zaken niet
bij Weenen aandringen op het beantwoorden van verzoeningsgezindheid
met verzoeningsgezindheid—indien vredelievendheid haar inderdaad
bestierde? Vóór deze samenkomst plaats vond, had de Fransche
Gezant zich met een soortgelijk doel aan het Duitsche Ministerie
van Buitenlandsche Zaken aangemeld en het Engelsch voorstel
voorgedragen—dat door Engeland, Duitschland, en Frankrijk gezamenlijk
stappen te St. Petersburg en Weenen zouden worden gedaan om er voor te
waken dat Oostenrijk en Servië,
“zich zouden onthouden van handelingen, die de crisis zouden kunnen
verergeren.”
Hiermee werd natuurlijk bedoeld, dat, zoolang men onderhandelde, geen
inval door Oostenrijk in Servië noch een door Rusland in Oostenrijk
zou plaats grijpen. Hierop antwoordde de Duitsche Minister van
Buitenlandsche Zaken met eene besliste weigering.
Dienzelfden dag had de Russische Gezant te Weenen een lang en ernstig
onderhoud met den Oostenrijkschen Onder-Staats-Secretaris voor
Buitenlandsche Zaken. Hij sprak de ernstige hoop uit, dat
“men eene oplossing vinden zou vóór Servië werd binnengerukt. Baron
Macchio antwoordde, dat dit al heel bezwaarlijk zou zijn, aangezien
er reeds eene schermutseling op de Donau had plaatsgegrepen,
waarbij de Serviërs de aanvallers waren geweest.”
De Russische Zaakgelastigde verzekerde daarop, dat zijn land alles wat
in zijn vermogen was zou doen om de Serviërs rustig te houden,
“en zelfs te bewegen, terug te trekken voor een Oostenrijkschen
aanval, alleen maar om tijd te winnen.”
Hij verzocht dringend, dat men den Oostenrijksche Gezant te St.
Petersburg van voldoende instructies zou voorzien om de besprekingen
met den Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken met vrucht te
kunnen voortzetten, zijnde de Minister
“zeer geneigd Servië aan te raden in alles toe te geven, voorzoover
dit met haar positie als onafhankelijke staat zou zijn overeen te
brengen.”
Het eenig antwoord op dezen aannemelijken voorslag gegeven, was de
belofte dat men er den Minister van Buitenlandsche Zaken mee in kennis
zou stellen.[28]
[28] Engelsch Wit-Boek, No. 56.
Op dienzelfden 27sten Juli vervoegde zich de Duitsche Gezant te Parijs
bij het Fransche Ministerie van Buitenlandsche Zaken en drong er ten
sterkste op aan, dat men alle denkbeeld van tusschenkomst of van het
bijeenroepen van eene conferentie zou prijsgeven; toch was terzelfder
tijd de Duitsche Keizerlijke Kanselier bezig Londen kond te doen,
“dat hij te Weenen met pogingen tot minnelijke oplossing der
moeilijkheden begonnen was, en dit wel ingevolge Sir Edward
Grey's idee en dat hij aan den Oostenrijkschen Minister van
Buitenlandsche Zaken het verlangen van zijn Russischen collega naar
rechtstreeksche gedachtenwisseling had overgebracht.”
Kan men zich een sterker staaltje van huichelarij denken? In het
officieel verweer van Duitschland wijst de goedprater van haar
politiek, na de overtuiging te hebben uitgesproken,
“dat een daad van tusschenkomst zich niet op het
Oostenrijksch-Servisch conflict liet toepassen, waar dit immers
een zuiver Oostenrijk-Hongaarsche aangelegenheid gold,”
er op, dat Duitschland Sir Edward Grey's verder voorstel, voor
Weenen bestemd, om er bij Oostenrijk-Hongarije op aan te dringen om
het Servisch antwoord als genoegzaam te beschouwen of althans als
een grondslag voor verdere besprekingen, had doorgezonden—maar de
Oostenrijk-Hongaarsche Regeering, de rol spelend van den onhandelbaren
partner in de firma, “met volkomen waardeering voor onze begeerte om
onze tusschenkomst te verleenen” (zooals het Duitsche Wit-Boek met
sardonischen humor zegt) antwoordt op dezen voorslag met de mededeeling
dat het thans, na de opening der vijandelijkheden, voor mediatie
uiteraard _te laat is_.
Is er een met rede bedeeld menschenkind die voor één oogenblik
betwijfelt, dat Oostenrijk, ware Duitschland een weinig verder gegaan
dan het _doorzenden_ van deze wijze en welgemeende pogingen om den
storm te bezweren, zich gedrongen zou hebben gevoeld, aan de wenken
van haren machtigen bondgenoot gevolg te geven, of dat Oostenrijk hare
militaire operaties onmiddellijk zou hebben gestaakt, _zoo Duitschland
de wenschelijkheid hiervan had betuigd_?
Den dag hierna werd de deur nog verder gesloten voor de mogelijkheid
eener minnelijke oplossing, toen de Oostenrijksche Minister van
Buitenlandsche Zaken,
“kalm maar beslist verklaarde, dat geen discussie op den grondslag
van de Servische nota kon worden toegestaan; dat de oorlog
dienzelfden dag zou beginnen en dat de welbekende vredelievende
gezindheid van den Keizer, zoowel als die van spreker zelven, mocht
worden beschouwd als waarborg, dat de oorlog rechtvaardig, zoowel
als onvermijdelijk was; dat het ten slotte eene aangelegenheid
gold, die alleen partijen, onmiddellijk bij de zaak betrokken,
aanging.”
Tegenover dezen onbeschaamden en onredelijken eisch, dat Europa het,
bij de beoordeeling van Oostenrijk's aandeel in de zaak, met de
garantie van den Oostenrijkschen Minister van Buitenlandsche Zaken
moest doen, stelde de Engelsche Gezant “de breeder opvatting,” te
weten den vrede van Europa, waarop de Oostenrijksche Minister van
Buitenlandsche Zaken repliceerde—in antwoord, let wel, op eene breeder
opvatting, wel geschikt, elk verantwoordelijk en denkend wezen tot
nadenken en beraad te stemmen!—dat hij
“daaraan ook dacht, maar van oordeel was, dat Rusland zich niet
moest verzetten tegen operaties als die te wachten stonden, daar
die niet gebiedsuitbreiding beoogden en niet langer konden worden
uitgesteld.”[29]
[29] Engelsch Wit-Boek, No. 62.
De bijzondere besprekingen tusschen Rusland en Oostenrijk hadden tot
niets geleid en Rusland kwam terug op het voorstel, eene Europeesche
conferentie samen te roepen om voor het behoud des vredes te werken.
Haar Gezant te Weenen had op den 28sten Juli een interview met Graaf
Berchtold en wees hem op de gevaren voor den algemeenen vrede en op de
wenschelijkheid van eene vriendschappelijke verstandhouding tusschen
Oostenrijk-Hongarije en Rusland. Graaf Berchtold antwoordde hierop,
dat hij van den hoogen ernst van den toestand doordrongen was, alsook
van de voordeelen om met het Russische Cabinet tot eene rondborstige
gedachtenwisseling te komen.
“Hij zeide mij, dat anderzijds de Oostenrijksch-Hongaarsche
Regeering, die slechts zeer ongaarne tot de tegen Servië genomen
energieke maatregelen was overgegaan, _niet meer kon teruggaan,
noch in debat kon treden over de bewoordingen van de Oostenrijksche
nota_.”[30]
[30] Russisch Oranje-Boek, No. 45.
Op denzelfden dag, 28 Juli, ontbood de Duitsche Rijkskanselier den
Engelschen Gezant en betuigde hem zijn leedwezen over het mislukken van
het voorstel, om eene conferentie van onzijdige Mogendheden samen te
roepen; hij verontschuldigde zich voor het niet daarop ingaan op den
grond dat zulk een maatregel tot niets leiden zou—
“omdat zulk eene conferentie, naar zijne meening, den indruk zou
hebben gemaakt van een ‘Areopagus,’ bestaande uit twee Mogendheden
van iedere groep, rechtsprekende over de twee overblijvende
Mogendheden.”
Na zich van deze armzalige en onoprechte spitsvondigheid te hebben
bediend, merkte Zijne Excellentie, gewezen op het verzoenend karakter
van Servië's antwoord, dat vrijwel met volkomen onderwerping gelijk
stond, op:
“dat hij de Servische nota niet wenschte te bespreken, maar dat
Oostenrijk's standpunt was—en daarmee was hij het eens—dat haar
twist met Servië eene zuiver _Oostenrijksche_ aangelegenheid was,
_waarmee Rusland niets te maken had_.”[31]
[31] Engelsch Wit-Boek, No. 71.