Tot welke conclusie ons denkbeeldig hof ook moge komen, het zal
zeker al bitter weinig waarde hechten aan holle betuigingen van
vredelievendheid. Eene natie, zoo goed als een individu, kan een ander
bedektelijk aanvallen en haar, onder eene vriendelijke vraag naar den
staat van hare gezondheid, onverwachts een mes tusschen de ribben
steken. Ook de vrede der beschaving kan door een Judaskus worden
verbroken. Betuigingen van vredelievendheid behooren nu eenmaal tot
het gelieg der diplomaten en werden vaak door de meest oorlogszuchtige
volken uitgegalmd.
Geen oorlog werd in moderne tijden aangevangen, zonder dat de aanvaller
het deed voorkomen, of zijn land met de meest vredelievende bedoelingen
bezield was en nooit ontbreekt het aan de aanroeping van het Opperwezen
om zegen over het moordwerk af te smeeken. Om de woorden van Lady
Teazle in de bekende scène waarin Joseph Surface den mond vol heeft van
eer, te varieeren: men zou wèl doen in aangelegenheden van dezen aard
den naam van den Allerhoogste niet in de zaak te betrekken!
Laat ons thans het reeds verzameld materiaal van meer nabij
beschouwen; ter wille der duidelijkheid is het misschien niet kwaad,
de gebeurtenissen die aan den oorlog onmiddellijk voorafgingen, naar
tijdorde te resumeeren.
Onmiddellijk na ontvangst van een afschrift van het ultimatum aan
Servië, dat St. Petersburg op den 24sten Juli bereikte, gaf de
Russische Minister van Buitenlandsche Zaken aan Oostenrijk-Hongarije
in eene officiëele nota te kennen, dat de uiterst korte bedenktijd
aan Servië gelaten, aan de Mogendheden geen voldoenden tijd gaf om
eenige stappen te doen in het belang van het vereffenen van de gerezen
moeilijkheden, aan welke opmerking hij toevoegt:
“Om de even onberekenbare als noodlottige gevolgen die voor alle
Mogendheden kunnen voortvloeien uit de wijze van optreden van de
Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering te voorkomen, schijnt het ons
bovenal onontbeerlijk, dat de termijn aan Servië gegeven om te
antwoorden verlengd worde.”[14]
[14] Russisch Oranje-Boek, No. 4.
Sazonow stelde verder voor, dat aan de Mogendheden tijd zou worden
gegeven om de uitkomsten van het door de Oostenrijksch-Hongaarsche
Regeering gehouden gerechtelijk onderzoek in zake den Sarajevo-moord te
overwegen en pleit dat, indien de Mogendheden overtuigd worden
“van de gegrondheid van sommige der Oostenrijksche eischen, zij
zich in staat zouden bevinden, aan de Servische Regeeringen
raadgevingen diensvolgens te doen toekomen.”