de buurt gaat. Gij kunt den baard en de pruik wegwerpen, of nog liever
met een steen bevracht in het water gooien zoodra het duister is
geworden. Maar wilt ge ze voor mij bewaren, zooveel te beter! Zorg
echter dat gij naar een stad gaat waar men u niet kent en dat gij reist
onder een valschen naam, dat is alles wat ik van u vraag.
Terwijl hij sprak had Raffles de deur op slot gedraaid, zoodat hij niet
door een bediende verrast zou kunnen worden en opende nu het valies,
waaruit hij achtereenvolgens eenige pruiken, wat valsche knevels en een
doos kleurstoffen nam, benevens een kleine doos die een kapspiegel
bevatte.
—Wees zoo goed zoo dicht mogelijk bij het raam te gaan zitten, zoodat
uw gezicht helder verlicht wordt; het is een gelukkige omstandigheid
dat ik ook grijze oogen heb, al zijn de uwe wat lichter.
Terwijl Chesterton voor het raam plaats nam, zette Raffles den spiegel
op, ontdeed zich van zijn overjas, zette de pruik af, en begon zijn
gelaat met de grootste zorg te grimeeren, waarbij hij telkens dat van
Chesterton tot model nam.
En deze zag tot zijn verbazing, dat daar op tien passen afstand van hem
een dubbelganger ontstond wiens gelaat tot in de kleinste
bijzonderheden op het zijne geleek, dezelfde gebruinde tint, dezelfde
fijne rimpeltjes naast de oogen, dezelfde fijngeteekende wenkbrauwen,
hetzelfde kastanjebruine haar, dat aan de slapen begon te grijzen! Toen
Raffles gereed was zeide hij:
—Nu zullen we van kleederen moeten verruilen! Ik moet alles van u
hebben: uw boord, uw das, uw manchetten vanwege de knoopen, alleen uw
laarzen niet, want ik zie dat de onze geheel aan elkander gelijken!
De beide mannen ontdeden zich van hunne bovenkleederen en daar zij van
hetzelfde figuur waren pasten ze voortreffelijk.
De geheele gedaanteverwisseling had geen half uur geduurd. Met
verbazing, bijna met schrik had Chesterton zijn dubbelganger aangezien,
en zeide nu op fluisterenden toon:
—Ik dacht dat zoo iets onmogelijk was! Ik dacht dat iets dergelijks
alleen maar in romans voorkwam! Of ik wil of niet—ik moet u mijn
compliment maken.
—Dat kunt gij voor later bewaren, mijnheer Chesterton, zeide Raffles,
terwijl hij Chesterton in zijn overjas hielp.
Hij bevestigde zelf den grijzen baard en de pruik, liet hem den bril
opzetten, reikte hem hoed en valies toe, en zeide:
—Nu is het tijd!
Hij opende de deur voor Chesterton en bracht hem de gang door naar de
voordeur, daargekomen zeide hij fluisterend:
—Sein mij uw adres, zoodra gij uw plaats van bestemming bereikt hebt.
Chesterton knikte bevestigend en het volgende oogenblik viel de deur
achter hem dicht.
HOOFDSTUK VI.
EEN FLAUWE SCHEMERING.
Raffles keek Chesterton even na, en keerde toen naar de werkkamer terug
van den man, wiens plaats hij had ingenomen.
Met behulp van de kleine werktuigen, welke hij had medegenomen, laschte
hij snel den geleidingsdraad van de telefoon weder en drukte op den
knop van de electrische schel, die boven op het blad van zijn
schrijftafel was bevestigd.
Even later trad dezelfde bediende, die hem zooeven de buitendeur had
geopend, het vertrek binnen.
Raffles opende niet dadelijk den mond, maar beschouwde aandachtig het
gelaat van den man, om te zien, of zich daarop verwondering of een
andere aandoening afspiegelde.
Maar de bediende stond daar rustig en onderdanig, in de correcte
houding van den huisknecht van goeden huize.
Toen vroeg Raffles, de stem van Chesterton voortreffelijk nabootsend:
—Zie je niets bijzonders aan mij, Henry?
De bediende hief het hoofd op, keek zijn gewaanden meester even aan, en
antwoordde toen:
—Als mijnheer het mij veroorlooft zou ik zeggen, dat hij een weinig
bleek ziet—misschien heeft mijnheer niet goed geslapen?
—Dat is het geval! Ik heb een weinig hoofdpijn, maar dat zal wel weer
overgaan bij een goede wandeling. Ik stelde je zooeven de vraag maar,
omdat ik een nieuwe das draag, en je goeden smaak ten opzichte van
heerenkleeding ken.
—Ik moet zeggen dat mijnheer een goede keuze heeft gedaan, zeide de
bediende gevleid. De das staat mijnheer voortreffelijk.
—Ik ben blij dat je er zoo over denkt! hernam Raffles glimlachend.
Hij wreef even met de hand over het voorhoofd en hernam toen:
—Kun je je ook herinneren of ik afspraken heb, ik gevoel mij zoo dof
vandaag.
—Voor zoover ik weet zou mijnheer om half twaalf een wandelrit gaan
maken met de heeren Finn en Flannagan. Zij zouden u hier komen afhalen.
Vanmiddag dineert mijnheer bij mijnheer Peter Vandyke en dan geloof ik
dat mijnheer voornemens was vanavond naar de eerste voorstelling van
Carmen te gaan.
Raffles had snel een en ander genoteerd op den vloeilegger die voor hem
lag en zeide nu:
—Dank je, Henry—nu schiet het mij weer te binnen; zorg dat mijn paard
op tijd gezadeld is en kom mij waarschuwen.
De bediende verliet het vertrek weder en Raffles bleef alleen.
—Als zelfs de bediende mij niet herkend heeft, bromde hij tevreden voor
zich heen, dan kan ik gerust zijn! Alleen de tint schijnt nog een
weinig te licht te zijn, maar dat is gemakkelijk te verhelpen, en wat
zou ik nu doen? zoo zette hij zijn alleenspraak voort. Ik zal het
vertrek nog verder onderzoeken dan ik vannacht heb kunnen doen,
misschien geeft het onderzoek van de correspondentie mij een paar
vingerwijzingen voor mijn gedrag, ik zal voorzichtig moeten zijn om mij
niet te verspreken en misschien doe ik wel het beste deze interessante
bleeke tint niet te veranderen, en mij een weinig ziek te houden, dan
behoef ik niet zooveel te spreken. Het schijnt wel vast te staan dat
Finn en Flannagan tot de bijzondere vrienden van Chesterton behooren,
daar zij zeer vaak met hem uitrijden, en ik schijn ook in den huize
Vandyke een gaarne geziene gast te zijn!
Raffles begon nu verscheidene laden van het bureau open te trekken, en
hier en daar een blik in de brieven te werpen, welke Chesterton in den
laatsten tijd ontvangen had.
Veel wijzer maakten zij hem niet, maar hij vond er althans aanwijzingen
in die hem van nut konden zijn.
Om elf uur begaf hij zich naar de fraai ingerichte slaapkamer, waar de
bediende het rijkostuum reeds had uitgelegd.
Raffles verwisselde van kleeding en hij was juist gereed toen hij door
het geopende raam voor de deur het getrappel van paardenhoeven hoorde.
Hij trad op het venster toe, en zag Finn en Flannagan, te paard
gezeten, die lachend naar boven keken en hem toewenkten.
Raffles wuifde terug, ging de trappen af, en nam uit de handen van
Henry een geruite pet en een karwats aan.
Toen hij de deur uitkwam zag hij daar reeds een prachtigen vosruin
staan door een pikeur bij den toom gehouden.
Finn begroette hem met zijn gewone luidruchtigheid, en zijn
kinderachtig lachje, maar Flannagan merkte op:
—Schort er iets aan, Richard? Je bent een beetje bleek!
—Hoofdpijn, mijn waarde, slecht en te kort geslapen! Let maar niet op
me, het zal bij den rit wel overgaan!
Hij zette den voet in den stijgbeugel en was met een enkelen zwaai in
den zadel.
—Kijk eens hoe lenig onze Richard wordt op zijn ouden dag, riep Finn
met zijn onnoozel lachje, wie zou dat achter hem gezocht hebben, men
zou meenen met een jongen van twintig jaar te doen te hebben. Raffles
haalde de schouders op, maar hij begreep dat hij voorzichtig moest zijn
en goed op zijn beweging moest letten.
Finn met zijn schaapachtig gezicht en zijn bête lachje, scheen meer op
te merken dan hem lief was!
De drie mannen gaven de paarden de sporen en reden naar het Central
park, waar het reeds zeer druk was, van ruiters en amazones, prachtige
auto’s en sierlijke equipage’s.
Raffles sprak met opzet niet veel en stelde de kosten van het gesprek
op rekening van zijn vrienden van het oogenblik.
Maar hij zette beide ooren goed open en er ontging hem niets van
hetgeen de beide anderen zeiden.
Plotseling schrikte hij op en keek met ingespannen aandacht naar een
naderende auto, een kleinen wagen, waarin twee mannen gezeten waren.
Hij had hen zelfs op grooten afstand onmiddellijk herkend, het waren
Henderson en Charly Brand.
De reus zat achter het stuur, in een keurige livrei gekleed en Charly
zat achterin, gemakkelijk achterover leunend, en als een dandy gekleed.
Naast hem zat een hond, die volkomen kaalgeschoren was—het was de
beklagenswaardige Busto!
Charly hield het dier bij den halsband vast.
Reeds in de verte scheen de jonge man Chesterton herkend te hebben.
Raffles gaf hem een voor de anderen onmerkbaren wenk, waaraan de jonge
man kon bemerken, dat hij Raffles voor zich had en dat de
gedaanteverwisseling geslaagd was.
Een oogenblik was Raffles bevreesd dat Busto hem zou herkennen, en dat
daardoor zijn geheele plan in duigen zou worden geworpen.
Gelukkig echter hield Charly het dier stevig aan den band vast.
En dit bleek wel noodig te zijn!
Want bij het voorbijrijden van het rijtuig begon de hond als een
razende te blaffen en te rukken, in een wanhopige poging om los te
komen.
Het dier liet al zijn tanden zien, en scheen aan een hevige opwinding
ten prooi.
Maar Charly hield hem goed vast, daar hij zelve begreep dat hij zijn
meester geen dienst zou bewijzen als hij den hond gelegenheid gaf,
vroolijk blaffend tegen hem op te springen.
Maar ook de beide metgezellen van Raffles schenen het zonderlinge
gedrag van den hond te hebben opgemerkt, die met de voorpooten op den
rand van het portier was gaan staan, schor blafte, en zich bijna
verwurgde in zijn pogingen om los te komen.
—Wat wil die hond toch van ons? riep Flannagan verwonderd uit.
—Ik geloof niet dat het op ons voorzien is, waarde Theodor! antwoordde
Raffles schouderophalend.
—Dan heb je het mis, waarde Richard! schetterde Finn. De kaalgeschoren
hond moet bepaald iets van ons hebben, een van ons drieën schijnt zijn
misnoegen op te wekken, nu, ik ken het dier in het geheel niet, en ik
behoef mij van zijn woede niets aan te trekken, hi, hi!
Het blatende lachje van den salongek irriteerde Raffles, zonder dat hij
had kunnen zeggen waarom.
Natuurlijk had ook hij het vreemde doen van den hond opgemerkt, waarvan
hij volstrekt niets begreep.
Vergissen kon hij zich niet, de hond blafte zoo woedend tegen hun
ruitergroepje—maar waarom?
Vanwaar die woede, die zoo geheel ongemotiveerd leek?
Hij wierp een blik op het gelaat van Flannagan waarop niets dan
verbazing te lezen stond, en vervolgens op het bolle onbeteekenende
gelaat van Buster Finn, waarvan de lach nog niet geweken was.
Hij trachtte in de fletsblauwe oogen te zien maar slaagde daarin niet,
want de jonge man had zijn blikken reeds weder op iets anders gevestigd
dat zijn aandacht trok.
Eensklaps hield Finn zijn paard in, wendde zich tot zijn beide
metgezellen en zeide:
—Neem mij niet kwalijk, vrienden, daar reed een mijner vrienden
voorbij, en het schiet mij te binnen dat ik hem een gewichtige vraag
moest stellen, ik vind jelui wel terug bij de rotonde over een half
uur.
En zonder antwoord af te wachten, wendde hij den teugel, drukte zijn
paard de sporen in de zijde, en galoppeerde weg.
Raffles had zijn paard eveneens ingehouden en half doen wenden om den
jongen man na te kijken.
—Waar wacht je op? vroeg Flannagan een weinig ongeduldig, ben je bang
dat Finn van zijn paard zal vallen? Die vrees is overbodig, want ik ken
weinig menschen die zoo voortreffelijk paardrijden en dat is vreemd
genoeg voor zulk een verwijfd, salontype als onze vriend Buster is!
Maar wat blijf je daar toch in gedachten staan, riep Flannagan
ongeduldig!
—Neem mij niet kwalijk, zeide Raffles uit zijn gepeins opschrikkend, ik
dacht aan iets......
Hij voltooide den zin niet, maar bracht zijn paard weder naar dat van
den jongen inspecteur en reed verder.
Nadat zij ongeveer tien minuten zwijgend hadden voortgereden, begon
Flannagan:
—Ik kan niet zeggen dat je erg spraakzaam bent Richard, moet ik dat
alleen aan je hoofdpijn toeschrijven?
Raffles die in gedachten had voortgereden hief met een ruk het hoofd
op, en zeide:
—Neem het mij maar niet kwalijk—ik weet, dat ik vanmorgen slecht
gezelschap ben, vertel mij maar eens liever hoe het met je trouwplannen
staat!
De oogen van den jongen inspecteur begonnen te schitteren toen hij
antwoordde:
—Peter Vandyke heeft mij reeds gezegd, dat het huwelijk over twee
maanden kan plaats hebben.
—Voortreffelijk, ik geloof dat je zeer gelukkig zult worden, want
Cissy, zijn dochter, is niet alleen een heel mooi meisje, maar ze is
ook moedig en verstandig.
Even scheen er een wolk over het gelaat van den jongen inspecteur te
trekken.
—Van een ding zou ik zoo gaarne zeker willen zijn voor wij huwen! zeide
hij.
—Wat zou je dan nu nog wel kunnen wenschen? vroeg Raffles.
—Ik wenschte dat wij den Moloch hadden gevonden, en de Bende van het
Kwade Oog aldus den genadeslag hadden gegeven! zeide Flannagan op
hartstochtelijken toon. Niet alleen zou ik dat wenschen in mijn
kwaliteit van politiebeambte, maar ook, omdat ons leven nog altijd
gevaar zal loopen, zoolang die ellendeling niet gevonden en
onschadelijk gemaakt is.
—Wees maar stil, Theodor—ik ben er van overtuigd dat binnen een week,
misschien wel binnen enkele dagen aan het bestaan van het Kwade Oog een
einde is gemaakt, of dat haar althans een slag zal worden toegebracht,
dien zij onmogelijk weer te boven zal kunnen komen.
Flannagan wendde snel zijn gelaat naar den spreker en keek hem verrast
aan.
—Je zegt dat met een overtuiging alsof je er volkomen zeker van was,
riep hij uit. Ik wilde dat ik jouw vertrouwen op dien gunstigen uitslag
kon deelen.
—Ik blijf bij wat ik gezegd heb. New-York zal spoedig van dien geesel
verlost zijn! hernam Raffles op beslisten toon.
—Als dat waar was, dan zou mijn geluk volkomen zijn! riep Flannagan
uit.
Weer reden de beide mannen eenigen tijd zwijgend voort, maar plotseling
begon Raffles:
—Vertel mij eens, Theodor, wat denk je van Buster Finn?
De inspecteur keek Raffles verwonderd aan, en herhaalde:
—Van Buster Finn? Hoe meen je dat in ’s hemelsnaam wel?
—Wel, wat weet je van zijn particuliere leven?
—Maar beste vriend,—hetzelfde wat jij er van weet! gaf Flannagan
verbaast ten antwoord, Finn leidt het leven van alle rijke jongelui in
een groote stad! Hij is een beste kameraad, maar geen
hoogvlieger—eerder een beetje leeghoofdig, en voor zulke menschen is de
keuze naar uitspanning tamelijk beperkt—even beperkt als de horizont
van hun gedachten! Maar dat alles weet jij even goed als ik; je moet
hem zelfs nog langer kennen dan ik! Je weet waarin zijn vermaken
meestal bestaan—de wedrennen, het circus, de Variété’s, auto-ritje, de
vrouwen, de wijn, en het spel! Dan houdt hij er nog een
wapenverzameling op na, geloof ik, en hij heeft ook wel eens met
postzegels geknoeid, maar andere liefhebberijen houdt hij er niet op
na, waarom vraag je me dat eigenlijk alles?
—Omdat... begon Raffles aarzelend.
Hij hield echter plotseling op en vroeg: Buster Finn komt immers veel
in het huis van den Staalkoning?
—Hij is er als ’t ware kind in huis! Dat moet gij toch ook weten
Richard?
—Maar hoe is het mogelijk, dat een meisje als Cissy behagen kan
scheppen in het gezelschap van een man als Buster Finn? drong Raffles
aan; hij is niet mooi, hij is niet geestig, hij lacht om de grootste
flauwiteiten, hij kleedt zich als een fat, en hij is verbazend met
zichzelf ingenomen!
Flannagan haalde de schouders op en antwoordde:
—Ik geloof dat het louter gewoonte is; zij kent hem reeds geruimen tijd
en haar vader was nogal met hem ingenomen!
—Een zonderlinge voorkeur!
—Volstrekt niet zoo zonderling. Buster Finn is immers een neef van hem!
—Dat is waar ook dat had ik bijna vergeten! zeide Raffles op
onverschilligen toon.
Het gesprek liep nu over andere zaken, totdat de beide ruiters de
rotonde bereikten.
Zij wachtten daar geruimen tijd, maar toen zij Buster Finn niet zagen
opdagen, keerden zij weder terug.
Zij zagen den jongen man nergens meer in het park, en daar het tijd
werd voor den lunch, namen zij afscheid van elkander.
Raffles reed alleen weder naar het huis van Chesterton, diep in
gedachten verzonken, en nu en dan ternauwernood ontkomend aan het
gevaar van door een zware vrachtauto onderste boven geworpen te worden.
Hij gebruikte den lunch alleen in de kleine eetzaal van het fraaie
huis, hetwelk zijn dubbelganger bewoonde en begon zich daarop te
kleeden voor het bezoek aan Vandyke!
Maar al dien tijd bleven zijn gedachten bij het zonderlinge voorval in
het Central Park.
Waarom—tegen wien had de hond zoo woedend geblaft?
Dat Busto tegen zijn eigen meester, ook al was hij vermomd, zoo nijdig
zou blaffen, was ondenkbaar.
Flannagan stond boven iedere verdenking.
Bleef slechts over Buster Finn, de neef van Peter Vandyke.
—En toch, is dat wel mogelijk! bromde Raffles voor zich heen, is het
geen krankzinnigheid om zoo iets te vermoeden, waar zouden die
vermoedens mij heen voeren? De man die lid van de bende van het Kwade
Oog is moet iemand zijn begiftigd met een buitengewoon helder verstand,
een groote stoutmoedigheid en zeldzame doortastendheid—drie
eigenschappen welke Buster Finn ten eenemale ontbreken. Hij is het
toonbeeld van den onnoozelen salonheld, die al zijn aandacht wijdt aan
zijn sokken en dassen, en die zich nooit met koud water zou wasschen!
En toch kon Raffles zich niet meer los maken van de gedachten die hem
gevangen hielden, al waren zij krankzinnig, al leken zij te dwaas om er
langer dan een seconde bij te kunnen stilstaan.
Maar waarom was Finn dan zoo plotseling weggegaloppeerd, juist toen de
auto was voorbij gereden? Had hij werkelijk een vriend ontdekt?
Of wilde hij slechts de auto narijden om zich te overtuigen dat het
blaffen van den hond per sé hem gold?
—Ik moet en zal dit raadsel oplossen! zeide Raffles vastberaden, toen
hij de laatste hand aan zijn toilet had gelegd.
HOOFDSTUK VII.
HET DINER.
Het was omstreeks zes uur in den middag toen Raffles zich per auto naar
het huis van Peter Vandyke in de vijfde avenue liet rijden.
Hij vond in de ontvangkamer slechts een klein aantal gasten, waaronder
ook Flannagan en Buster Finn.
—Hoe is het met de hoofdpijn, Richard? vroeg Cissy op vriendelijken
toon, terwijl zij den gewaanden Chesterton tegemoet trad om hem de hand
te drukken. Theo vertelde mij zooeven dat je vanmorgen een weinig
ongesteld waart!
—Ik dank je voor je vriendelijkheid—het is zoo goed als over!
antwoordde Raffles.
—Zullen we je vanavond in de opera zien, Richard? vroeg Buster Finn.
—Ik weet het nog niet, Buster, antwoordde Raffles, het hangt geheel en
al van mijn toestand af.
—Maar je hebt het ons beloofd! hernam Finn verwijtend, er is een nieuw
ballet, weet je?
—Daar denkt Buster natuurlijk het eerste aan, riep Cissy lachend, de
muziek komt voor hem pas in de tweede plaats.
Buster Finn liet zijn kinderachtig lachje hooren en wendde zich toen
tot een jong meisje in een rose avondtoilet, om haar op zijn gewone
stupide wijze het hof te maken.
Om half zeven begaf men zich aan tafel.
Er waren twaalf gasten, die aan een ronde tafel werden geplaatst in een
der beide eetzalen.
Raffles had aan de eene zijde Cissy Vandyke, aan de andere het meisje
in de rose japon naast zich.
Vlak tegenover hem zat Buster Finn.
—Het duurde niet lang of het gesprek liep over de jongste bedreigingen
van de Bende van het Kwade Oog.
Richard maakte zooeven de opmerking, begon Flannagan, dat het bestaan
van de Bende niet lang meer van duur zal zijn.
—En waarop grondvest hij die meening? vroeg Finn nieuwsgierig.
—Dat is het juist—op niets! antwoordde Flannagan lachend. Het is maar
zoo’n idee van hem.
—Ik ben het niet met Richard eens! zeide Peter Vandyke hoofdschuddend.
Zoolang men den chef niet in handen heeft—zoolang zal ook die Bende
bestaan!
—Neem hem dan gevangen! gichelde Buster Finn.
—Je weet wel, dat wij daartoe alles in het werk stellen, Buster! zeide
Flannagan op ernstigen toon. Maar die man beschikt over een
geheimzinnige macht, welke het voor ons zeer moeilijk maakt, om zijn
identiteit te ontdekken. Er zijn nu reeds twee huizen bekend, waarin
hij zijn bijeenkomsten organiseerde, maar bij ons op het hoofdbureau
van politie is men er vast van overtuigd, dat er veel meer van die
huizen moeten zijn—misschien wel een paar dozijn—in geheel New-York
verspreid. En al die huizen hebben hunne geheimen, die bezwaarlijk te
doorgronden zijn, daarvan ben ik zeker.
—Nu, ik ben zoo vrij om het bestaan van dien Moloch in twijfel te
trekken! ging Buster Finn voort, want zoo iets komt in onzen tijd niet
meer voor!
Flannagan haalde de schouders op, alsof hij wilde zeggen—„je praat naar
je verstand hebt”, en vervolgde:
—Die man bestaat even zeker als ik hier zit! En ik zal niet rusten voor
ik hem onschadelijk heb kunnen maken!
—Haha! klonk het hooge lachje van Buster Finn, dan mag je er wel hulp
bij halen, want ik wil je niet beleedigen, maar tot dusverre hebben je
pogingen niet veel succes gehad, en wat er bereikt is—dat deed iemand
die van rechtswege jullie doodsvijand moest zijn—John Raffles!
Er volgde een stilte op deze woorden, want alleen het noemen reeds van
dezen naam had een soort verkilling teweeggebracht.
Toch sprak Finn niet anders dan de waarheid, want inderdaad had de
Londensche gentleman-inbreker het leeuwenaandeel gehad in den zoo
gelukkig gevoerden strijd tegen de bende.
Maar tamelijk spoedig werd het gesprek weder algemeen, en men sprak
zoowat door elkaar—tot Raffles plotseling een schok door zijn lichaam
kreeg.
Zijn fijn gehoor had een klank opgevangen—een enkel woord slechts, dat
door een der aanwezigen was uitgesproken, en dat een herinnering in hem
wakker riep!
Hij had die stem eens in geheel andere, zeer gevaarlijke omstandigheden
nogmaals gehoord—niet lang geleden!
Het was hetzelfde hooge geluid met denzelfden uithaal—misschien was
zelfs hetzelfde woord nu wel gebruikt!
En voor zijn geest doemde het vertrek met het gazen scherm op.
Hij zag weer de tien mannen in hun pij met de kappen over hun hoofd—de
lange tafel met het vuurroode kleed—en in den hoek het zwart gazen
gordijn.
En hij hoorde weder duidelijk de eigenaardige falcetstem, blijkbaar
veranderd, van den man, die achter dat scherm zat, en die hem zou
hebben gedood, als hij niet door zijn beide vrienden gered was.
Hij liet zijn blikken over de gasten dwalen, in de flauwe hoop, dat het
woord nogmaals zou weerklinken—dat zijn oor, dienzelfden klank nogmaals
zou opvangen.
Maar het was vruchteloos.
Het gesprek werd op luiden toon gevoerd, en alle klanken liepen door
elkaar.
Maar toen werd zijn aandacht getrokken door Buster Finn en zijn
tafeldame, het jonge meisje in het rose costuum.
De hand van den jongen man lag op tafel, en zijn wijsvinger had zooeven
vliegensvlug een klein figuur geteekend...
Daarop had hij een bliksemsnellen blik met zijn dame gewisseld en zich
onmiddellijk tot zijn anderen buur gewend.
Het had maar even geduurd en in de blauwe schelvischoogen had het een
ondeelbaar oogenblik geweerlicht......
Raffles voelde hoe zijn slapen klam werden—hoe zijn hart luider
klopte—hij had die eigenaardige gewaarwording van den jager, die
urenlang op zijn post in het bosch heeft gezeten, en nu ieder oogenblik
verwacht, dat het lang begeerde wild onder schot zal komen.
Niemand zou naderhand goed hebben kunnen zeggen, wie er het eerst weder
over begon—maar het duurde niet lang of men sprak alweder over de
beruchte Bende.
—Ik houd vol, zeide Raffles op een zeker oogenblik, dat als de politie
niet al te dom is, de Moloch binnen een week gevangen is! Daarover wil
ik gaarne met iedereen die wil een weddenschap aangaan.
—Ik houd tegen, Richard! riep Buster Finn luidruchtig, terwijl hij zijn
glas Rijnwijn ophief.
—Tot je dienst, Buster! kwam Raffles. Kom, laten wij er op klinken!
Hij was opgestaan en Buster had zijn voorbeeld gevolgd.
Over de tafel heen raakten de beide glazen elkander.
Maar Raffles stootte blijkbaar een weinig te hard—zijn glas brak—en het
afgebroken glas maakte een diepe snede in de pink van Buster Finn.
Het bloed viel in dikke druppels op het tafelkleed.
—Duizendmaal excuus! stamelde Raffles. Dat was zeer onhandig van mij!
Ik hoop toch dat ik je niet bezeerd heb, Buster?
—Wel, man—het heeft niets te beteekenen! riep Buster Finn uit en zijn
schelle stem deed een siddering over het lichaam van den Grooten
Onbekende loopen...
Die klank—was hem bekend!