—Welnu, dan kunnen wij ook nog niet vertrekken! hernam Raffles kortaf.

Ik ga niet terug vóór mijn taak hier beëindigd is!

—Zooals je wilt! zeide Charly zuchtend. Ik zie wel, dat ik den beker

tot op den bodem zal moeten ledigen!

—Dat heb je daar goed uitgedrukt, mijn waarde! zeide Raffles droogjes.

Zoo is het inderdaad! En nu zullen wij eens een onderdak gaan zoeken,

want ik geloof, dat het tijd wordt om aan onze nachtrust te gaan

denken.

Te New-York kan men den geheelen nacht door huur-auto’s op straat

vinden, en zoo duurde het niet lang of de drie mannen werden door zulk

een voertuig naar een klein logement van de havenwijk gebracht.

Raffles had met opzet een gelegenheid uitgekozen, die niet al te goed

bekend stond, omdat hij wel wist, dat de eigenaar daarvan hen niet om

legitimatiepapieren zou lastig vallen.

Die eigenaar was een zwaargebouwde Ier met borstelig, zwart haar als

van een ever, twee stekende zwarte oogen en dichte, ver boven die oogen

uitstekende wenkbrauwen.

Raffles had hem slechts een paar woorden in de dieventaal toegevoegd;

de eigenaar had eens gegrijnsd en een paar minuten later kregen de drie

mannen een paar vrij goede kamers.

Zij sliepen gerust en stonden pas om bij half negen op.

Zoodra zij bijeen zaten in de gelagkamer, waar zich enkele matrozen en

stokers van allerlei nationaliteit en kerels met een zeer verdacht

uiterlijk bevonden, en aan het eenvoudige ontbijt zaten, begon Raffles:

—Ik heb reeds een plan gevormd, wij zullen naar het Coney Island gaan!

—Is dat niet die reusachtige kermis, een lunapark in het groot? vroeg

Henderson op zachten toon.

—Ja, mijn vriend, antwoordde Raffles! Wij hebben in Londen ook wel eens

zooiets, maar het is altijd maar een zwakke nabootsing van hetgeen

Coney Island oplevert op het gebied van rutchbanen, lachhuizen,

duivelsraderen, glijbanen, en hoe al die monsterachtige verzinsels nog

meer mogen heeten. Er zijn daar schiettenten, kramen van allerlei aard,

zweefmolens en honderden kramen,—en er zal voor ons wel werk zijn, want

duizenden verdienen daar hun brood. Het is als het ware een kleine stad

op zichzelf—daar op het eiland van het vermaak.

—Maar dan zullen wij ons toch moeten verkleeden! zeide Charly. Wij

kunnen daar zoo niet heengaan.

—Dat spreekt van zelf! beaamde Raffles. Henderson moet aanstonds eens

naar een uitdrager gaan en kleederen voor ons koopen; wij moeten ook

ons gelaat onkenbaar maken—het is slechts voor een paar dagen. De

hoofdzaak is dat men ons een weinig vergeet, en ons spoor bijster

raakt. Ik geloof dat Henderson een heel goed figuur zou maken als

negerportier, jij kunt, Charly, als je er lust in hebt voor mijnentwege

als buffetjuffrouw fungeeren en ik voel wel iets voor de betrekking van

barkeeper; wij moeten echter in ieder geval dicht bij elkander blijven.

—En wat doen we met Busto? vroeg Charly, terwijl hij den ruigen terriër

streelde.

—Het spijt mij voor het dier—maar ik zal beginnen met het te laten

scheren, antwoordde Raffles. Busto is een opvallend mooie hond, en het

zou wel eens kunnen, dat zijn signalement bij de politie bekend is;

hier in deze volksbuurt zal wel ergens een hondenscheerder zijn en

anders zou ik het zelf moeten doen.

—Zou het niet te koud zijn om den hond van zijn vacht te ontdoen?

—Wij zullen een dekkleedje voor hem maken.

De drie mannen hadden hun maaltijd beëindigd, en togen nu aanstonds aan

het werk; terwijl Raffles met den hond een hondenscheerder ging

opzoeken, trok Henderson op onderzoek uit naar wat oude kleederen,

terwijl Charly op den uitkijk bleef.

Raffles en Henderson keerden bijna tegelijkertijd terug; de eerste met

een onkenbaar geworden terriër, die met zijn houding geen raad wist, nu

hij zich van al zijn haar ontdaan gevoelde, en Henderson beladen met

een zwaar pak kleederen.

Weer wisselde Raffles een paar op fluisterenden toon gevoerde woorden

met den waard, waarop deze het drietal naar een afgelegen vertrek

voerde, hetwelk met een deur toegang gaf tot een smalle gang, die op

een steeg uitkwam.

Raffles betaalde den waard, sloot de deur, en nu begonnen de drie

mannen zich snel te verkleeden; een half uur later zou niemand in hen

de drie mannen herkend hebben, die hier den nacht hadden doorgebracht.

Zelfs Henderson was ondanks zijn herculischen lichaamsbouw door Raffles

zoodanig behandeld met allerlei kleursels en stiften dat zijn gelaat

een geheel andere uitdrukking had gekregen.

De hond kreeg een rafelig stuk touw om den nek, hetgeen hem niet weinig

scheen te grieven, en daarop trok het drietal door de achterdeur zonder

dat iemand hen opmerkte.

De drie mannen richtten hun schreden naar de haven, waar zij wisten,

dat om de tien minuten een boot naar Coney Island zou afvaren.

Op dezen tijd van den dag waren er nog niet veel vermaakzoekers, en de

drie mannen konden dus ongestoord met elkander praten.

De overtocht duurde ongeveer tien minuten, en toen stonden zij voor de

geweldige toegangspoort die naar de stad van Het Vermaak voerde.

Er bevonden zich daar nog slechts enkele provincialen, gewapend met

groote valiezen en manden, monsterachtig groote regenschermen, en

hoeden van een halve eeuw terug, die met open mond naar al de wonderen

staarden, welke zich hier in schreeuwende kleuren en onder

oorverdoovend lawaai aan hen openbaarden.

Maar de drie mannen waren om een ander doel gekomen, dan om hier

vermaak te zoeken. Zij liepen achtereenvolgens alle tenten, kramen,

draaimolens en andere gelegenheden af en het duurde niet lang of zij

hadden alle een baantje. Bij Henderson ging het al zeer gemakkelijk,

want om hem werd letterlijk gevochten.

De directeurs begrepen dat er uit dezen reus een onbeperkte hoeveelheid

arbeid was te halen.

Gelukkig waren de drie mannen op een kleine plek bijeengekomen, Raffles

als bediende in een wijnhuis, Charly als helper bij een zweefbaan; zijn

weinig eervolle taak bestond hierin, dat hij de zweeflustigen die aan

een katrol langs een draad naar beneden gleden een duwtje moest geven

om vaart te krijgen, en Henderson als portier van een bioscoop.

Al deze zaken waren vrij dicht bij den ingang gelegen, en men kon

vandaar het voorplein gemakkelijk overzien.

Zoo werd het avond, en de drie vrienden verrichtten hun bezigheden

alsof zij hun geheele leven niet anders hadden gedaan.

In den loop van den middag was het reeds veel drukker geworden, en het

geraas van de glijbanen, de straatdraaimolens en de rutchbanen was nu

werkelijk oorverdoovend.

Zoodra de duisternis viel wenden allerwegen de groote booglampen

ontstoken en het reusachtige terrein baadde in het helwitte licht.

Den geheelen dag hadden de drie mannen hun oogen goed den kost gegeven,

in de hoop, op deze plek iets te ontdekken dat hun van nut zou kunnen

zijn.

Het was elf uur in den avond toen Raffles eindelijk vrij kreeg, en

afgelost zou worden door een collega voor den nachtdienst, die,

tusschen haakjes, heel wat voordeeliger was.

Hij maakte Busto los, die al dien tijd in een soort waschhok

vastgebonden was geweest, en het dier sprong dol van blijdschap om hem

heen.

Maar vlak bij de ingangspoort stond de hond eensklaps doodstil, hief

den schranderen kop op, en begon ijverig te snuffelen.

En eensklaps stoof hij vooruit, en rende op een kleine nieuw opgelakte

auto toe, waarin, behalve de chauffeur, vier heeren waren gezeten.

Het dier had evenwel den wagen nog niet bereikt, of deze zette zich in

beweging, en reed snel weg, terwijl de hond brommend en zachtjes

jankend achterbleef.

Raffles had de auto wel gezien, maar de personen, die er zich in

bevonden, waren onzichtbaar voor hem gebleven, daar de auto zich van

hem verwijderde.

Hij keek om zich heen, in de hoop, dat hij een huurauto zou kunnen

vinden, om de roode auto te kunnen achtervolgen, maar het lot was tegen

hem; er was heinde en verre geen huurauto te zien.

—De tweede maal! riep Raffles tandenknarsend uit. De schurk is mij

alweder ontsnapt. Ik zou er op durven zweren, dat hij daar in die auto

zat, die nu uit het gezicht is verdwenen.

Hij bedacht zich niet lang, maar begaf zich naar de bioscoop, waar

Henderson nog altijd voor de deur stond, en zeide: Ga mede, Henderson!

—En mijn baantje hier, Mylord? vroeg de reus.

—Laat dat maar varen, zeide Raf£les ongeduldig.

—Dat laat ik mij geen tweemaal zeggen, Mylord, want het is met uw

welnemen niets voor mij, zeide Henderson met een zucht van verlichting,

er is niet genoeg handeling in, ziet gij.

—O, het zal niet lang duren of we zullen handeling in overvloed hebben,

James, hernam Raffles, kom, laten wij spoedig mijnheer Brand

waarschuwen.

Henderson verliet dadelijk zijn post, ondanks het vloekend getier van

den directeur der bioscoop, ten einde zijn meester te volgen.

Gezamenlijk begaven zij zich naar de zweefbaan, waar Charly zich juist

gereed maakte, een zeer zwaarlijvige dame een zetje te geven die boven

op de stellage gereed stond, zich te laten afglijden, en reeds met

krampachtig gesloten vuisten de lus van de katrol vasthield.

—Kom naar beneden, Charly! beval Raffles.

—Krijg ik nu een duwtje of niet? riep de dikke juffrouw woedend.

—Komt u morgen op denzelfden tijd maar eens terug! voegde Charly haar

toe; ik heb op het oogenblik geen tijd meer.

En terwijl de dikke dame onder het schaterend gelach der omstanders

hopeloos boven op het plankier bleef staan, daalde Charly snel de

smalle trap af en voegde zich bij zijne twee metgezellen.

—Wat is er gaande? vroeg hij op gedempten toon.

—Er is gaande, dat Busto zooeven opnieuw den Moloch heeft geroken!

antwoordde Raffles, terwijl hij de vuisten balde.

—Weet je het zeker?

—Er valt niet aan te twijfelen. Hij moet den heelen avond op het

terrein zijn geweest om met een paar vrienden zich te amuseeren. Het

zou mij honderdduizend dollar waard geweest zijn als ik Busto vrij had

laten rondloopen, want die zou den bandiet spoedig hebben ontdekt.

—Heb je de auto gezien? vroeg Charly.

—Ja, het was een vuurroode wagen maar een tamelijk gangbaar model

zooals er hier honderden rondloopen.

—Wat wil je doen?

—Mijn onderzoek voortzetten! Het kan mij niet meer schelen of het

gevaar oplevert, ik moet hem terugvinden. Wij zullen een nieuw plan op

touw moeten zetten! Ik heb al iets bedacht, dat wellicht zal slagen.

Hier wil ik niet meer blijven, want ik heb het gevoel alsof iedere

seconde welke ik nog hier blijf nutteloos verspild is.

Een oogenblik later hadden de drie mannen het kermisterrein verlaten,

en zich naar de aanlegplaats van de boot begeven, vergezeld door Busto,

die blijkbaar den hemel dankte dat hij eindelijk uit zijn waschhok

bevrijd was. Van de roode auto was niets meer te ontdekken en het was

duidelijk dat zij reeds met een vorige boot was overgestoken.

Zoodra zij weder de kade van New-York bereikt hadden, zei Raffles:

—Neem gij beiden uw intrek weder in het logement waar wij dezen nacht

geweest zij, let goed op mijn seinen, ik keer naar het centrum van de

stad terug, morgen zul je wel nader van mij hooren.

HOOFDSTUK V.

BIJ RICHARD CHESTERTON.

Richard Chesterton bewoonde een fraai huis in de twintigste straat.

Het was omstreeks tien uur in den morgen van den volgenden dag toen een

statige bediende met spierwit haar het studeervertrek van Chesterton

binnentrad, waar zijn meester zooeven was binnengetreden.

—Daar is iemand die moet u spreken! kondigde hij aan.

Chesterton wierp een verbaasden blik op de pendule, en zeide:

—Nu? op dit uur? Hoe is de naam van die bezoeker?

—Ik heb hem zijn naam gevraagd, mijnheer, maar hij zeide dat die er

niets toe deed, omdat gij dien toch niet kende.

—Gaf hij dan het doel van zijn bezoek niet op?

—Ook niet, mijnheer! Hij zeide slechts dat hij u over een zeer ernstige

zaak moest spreken.

—Hoe zag hij er uit?

—Een eerwaardig heer, ongeveer zestig jaar, hij beeft een klein

handvalies bij zich.

Chesterton dacht nog even na en zeide toen schouderophalend:

—Nu, laat dien heer maar binnen!

De bediende verwijderde zich en liet een oogenblik later een man binnen

die er juist zoo uitzag zooals hij hem beschreven had, een zestigjarig

grijsaard met een eerwaardig uiterlijk en die een klein handvalies

droeg.

Hij bleef even op den drempel van de deur staan, terwijl Chesterton

opstond om hem te verwelkomen, met een trek van verbazing op zijn

gelaat, dien hij hoffelijk trachtte te verbergen.

—Neem plaats wat ik u verzoeken mag, mijnheer! zeide Chesterton, met

een uitnoodigend gebaar naar een gemakkelijken stoel.

De bezoeker sloot de deur achter zich en ging langzaam naar de hem

aangewezen plaats terwijl hij zijn blikken aandachtig in het rond liet

glijden.

Ten slotte vestigde hij ze onderzoekend op Chesterton, die achter zijn

schrijftafel had plaats genomen, en begon:

—Ik kan mij voorstellen, mijnheer, dat gij wel wat verwonderd zijt over

dit vroege bezoek van een vreemdeling. Uw bediende zal u echter wel

hebben medegedeeld dat ik over een ernstige zaak met u kwam spreken.

—Dat deed hij inderdaad, mijnheer! zeide Chesterton terwijl hij zijn

bezoeker nieuwsgierig opnam, zoudt ge mij de reden van uw bezoek uiteen

willen zetten?

—Aanstonds, mijnheer.

De bezoeker bekeek een oogenblik zijn blanke gespierde handen, vestigde

toen opnieuw zijn doordringenden blik op Chesterton en hernam:

—Sta mij toe met een vraag te beginnen, mijnheer. Gij zijt immers een

vriend van Peter Vandyke en zijn dochter Cissy.

Chesterton keek verbaasd op, en antwoordde: Dat ben ik inderdaad,

mijnheer, ik heb geen enkele reden om het te ontkennen! Mag ik weten

waarom gij mij die vraag stelt.

—Dat zal u aanstonds duidelijk worden, antwoordde de bezoeker

glimlachend.

Hij sloeg zijn eene been over het andere, en vervolgde: Als gij een

vriend van den huize Vandyke zijt, dan zal u er natuurlijk veel aan

gelegen zijn dat hun geen onheil overkomt, welnu, het is natuurlijk

voor u geen geheim, evenmin als voor een ander bewoner van deze stad

dat Peter Vandyke zoowel als zijn dochter in deze dagen aan een zeer

groot gevaar blootstaan.

—Wat wilt gij zeggen, mijnheer, vroeg Chesterton verwonderd, ik begrijp

u niet!

—Dan zal ik wat duidelijker moeten zijn, ik bedoel dat de bende van Het

Kwade Oog helaas nog altijd bestaat, dat haar aanvoerder nog leeft, en

dat de bedreigingen aan het adres van den staalkoning weder begonnen

zijn.

Chesterton was half van zijn stoel opgerezen en staarde den

eerwaardigen ouden heer met groote oogen aan.

—Gij hebt gelijk! Vandyke verkeert nog altijd in groot gevaar! Komt ge

me soms zeggen dat gij een complot ontdekt hebt?

—Neen, dat niet, mijnheer, antwoordde de grijsaard, zoover gaat mijn

kennis niet! Alles wat ik weet is dat het leven van Peter Vandyke niet

veilig zal zijn voor de bende van Het Kwade Oog is uitgeroeid—dat wil

zeggen voor haar aanvoerder is gevangen.

—En komt gij hier om mij dat te zeggen, mijnheer, riep Chesterton

eenigszins ongeduldig uit.

—Neen, mijnheer, niet daarom! hernam de bezoeker rustig. Ik kom u

voorstellen, mij te helpen om de bende onschadelijk te maken! Ik ben er

van overtuigd dat gij u gelukkig zoudt prijzen als gij er toe zoudt

kunnen bijdragen een einde te maken aan het schrikbewind van die bende.

—Dat zou ik zeker, mijnheer, riep Chesterton uit, nu ten hoogste

verbaasd, maar zoudt gij mij eindelijk eens willen zeggen wie gij zijt,

dat gij mij dit voorstel komt doen.

—Ik ben John Raffles, kwam er kalm over de lippen van den bezoeker.

Het volgende oogenblik vloog de lade van het schrijfbureau open en

Chesterton nam er met een driftige beweging zijn revolver uit.

Hij was zeer bleek geworden en zijn wenkbrauwen waren dreigend

samengetrokken toen hij op gedempten toon uitriep: Gij zijt de

gentleman-inbreker, en dat durft gij mij hier in mijn gezicht te komen

zeggen? Steek uw handen op!

De mond van de revolver wees in de richting van den bezoeker, maar deze

bleef in dezelfde gemakkelijke houding in zijn stoel achteruitleunen en

trok met welbehagen aan de sigaar, welke Chesterton hem zooeven had

gepresenteerd.

—Ik zou die revolver maar wegdoen, zeide hij rustig, zij is volkomen

nutteloos, denkt gij mij met een ongeladen revolver vrees aan te jagen?

Met een woedend gebaar klapte Chesterton de revolver open—het magazijn

was ledig!

—Ik lees verwondering en schrik op uw gelaat! merkte Raffles fijntjes

op, gij begrijpt niet hoe de patronen uit de revolver verdwenen zijn

welke gij toch zelf geladen in die lade hadt gelegd! Ik zal u niet lang

in de onzekerheid laten—ik heb ze er zelf uitgehaald.

—Gij zijt dus reeds hier geweest? vroeg Chesterton heesch.

—Ja, vannacht!

—Wat zegt gij daar? waart gij vannacht hier? dus—een inbraak?

—Niet in de gewone beteekenis, waarde heer! gij zult geen zilveren

theelepeltje, geen dollar missen! en toch zijt gij zoo onvoorzichtig

geweest bijna twintigduizend dollar in dat ijzeren kistje daarginds in

die kast te sluiten; gij kunt het openen en u overtuigen dat ik ze niet

heb aangeroerd.

—Dat doet er niet toe! ik weet wat mij te doen staat, riep Chesterton

driftig.

Met een vlug gebaar nam hij het telefoontoestel.

—Hallo, juffrouw, met het hoofdbureau van politie, onmiddellijk.

Chesterton hield de oogen strak op zijn bezoeker gevestigd, maar deze

had zelfs niet met de oogen geknipt, en rookte kalm verder.

—Hallo, juffrouw, met het hoofdbureau van politie, herhaalde Chesterton

stampvoetend. Vervloekt, ik krijg geen gehoor.

—Dat is geen wonder, waarde heer, ik ben zoo vrij geweest den draad

door te knippen.

Met een snelle beweging bukte Chesterton zich over zijn bureau en uitte

een gesmoorden vloek.

Het was waar—het bruine snoer was doorgesneden, en het eind lag op het

wijnroode karpet.

Langzaam legde hij het nu nutteloos geworden toestel weder weg, wierp

de revolver in de lade, schoof haar dicht en liet zich in zijn

schrijfstoel vallen.

Hij beet woedend een stuk van zijn pas aangestoken sigaar en vroeg

kortaf:

—Wat wilt gij van mij—waarom zijt gij vannacht hier gekomen, als gij

toch niets hebt medegenomen?

—Tot beter begrip van de zaak zal ik u het eerst op de eerste vraag

antwoorden, zeide Raffles, die geen seconde zijn beminnelijke kalmte

verloren had. Gij moet weten, dat ik mij tot het uiterste inspan om op

het spoor te komen van den Moloch, dat is de naam waaronder het hoofd

van de Bende van Het Kwade Oog bij de leden bekend is, en ik moet

zeggen dat het van uwe zijde van zwarte ondankbaarheid getuigt, dat gij

op staanden voet een man wilt neerschieten of laten arresteeren die de

politie reeds zoo krachtig heeft bijgestaan bij haar pogingen om de

bende uit te roeien; en nu ga ik nog stilzwijgend de diensten voorbij,

welke ik aan uw vriend Vandyke heb bewezen—en die toch misschien wel

waard zijn dat men ze zich herinnert! Maar laat ons ter zake komen. Ik

heb een hond wien ik de lucht van een door den Moloch verloren stuk

goed heb kunnen geven. Welnu, het dier heeft dezer dagen woedend een

auto aangeblaft waarin zeven heeren gezeten waren! Vier heb ik daarvan

herkend en onder die vier waart ook gij.

—Welnu, wat zou dat? vroeg Chesterton, een weinig zachter gestemd. Het

krankzinnige denkbeeld heeft toch niet bij u post gevat dat ik de

Moloch zou zijn?

—Men kan nooit weten, antwoordde Raffles lakoniek! Onder de

gearresteerde luitenants hebben zich personen bevonden, die een

eervolle plaats in de maatschappij bekleedden. Niemand zou hen een

oogenblik hebben durven verdenken, en toch waren zij moordenaars en

dieven!

—Nu begrijp ik het—gij hebt u dus willen overtuigen dat op mij in ieder

geval de verdenking niet kon rusten de chef van die vreeselijke bende

te zijn, riep Chesterton uit.

—Gij hebt het geraden! Ik heb scherpe oogen, en ik had allicht iets

ontdekt, wat u zou hebben verraden, bovendien had ik mijn hond

meegenomen! Het beest snuffelde wel een weinig rond, wat natuurlijk is,

omdat gij met den Moloch in een auto hebt gezeten, maar ik ken het

dier. Het zou zich heel anders hebben gedragen als hij zich in het huis

van den chef zou hebben bevonden.

—En is het onbescheiden als ik zou vragen, waarom gij geen souvenir uit

mijn huis hebt medegenomen, vroeg Chesterton sarcastisch.

—Dat heb ik slechts nagelaten, mijnheer Chesterton, om u te bewijzen,

dat gij in dit bijzonder geval zonder gevaar mijn bondgenoot kunt zijn!

Ik heb u alleen van zes revolverpatronen beroofd, omdat ik het

tooneeltje van zooeven wel voorzag!

—Gij wilt dus dat ik de bondgenoot word van een......?

—Zeg het maar, mijnheer Chesterton... van een inbreker! vulde Raffles

kalm den zin aan. Gij beleedigt mij volstrekt niet als gij het zegt!

Waarom ik inbreker ben geworden en hoe ik mijn beroep uitoefen, dat

zijn natuurlijk zaken, waarmede gij u niet ophoudt; wij willen dat dan

ook terzijde laten, en ik verzoek u alleen maar mij als eerlijk man te

willen antwoorden op de vraag, of gij niet gelooft dat ik hier te

New-York vrij groote diensten aan de politie heb bewezen.

Chesterton keek even zwijgend voor zich uit, en riep toen plotseling:

Gij moogt zijn wie gij wilt—het is waar, en het zou onedel zijn om het

te loochenen: gij hebt in de zaak tegen de Bende van het Kwade Oog

onwaardeerbare diensten aan mijn vriend Flannagan bewezen! Zonder uw

toedoen zou er nu waarschijnlijk nog geen enkel lid van die vreeselijke

bende gearresteerd zijn.

—Het verheugt mij dat gij dit erkent! hernam Raffles droogjes, terwijl

hij zijn grijze oogen met een koelen blik op Chesterton vestigde. Hoe

gij over mij denkt laat mij trouwens onverschillig, de vraag is nu

slechts of gij mij behulpzaam wilt zijn om den Moloch te ontdekken?

—Ja, dat wil ik, riep Chesterton eensklaps uit! Het kan mij niet

schelen wat gij elders zijt; gij zijt een doodsvijand van de bende en

dat is voor mij voldoende! Ik weet zeker dat Flannagan in mijn plaats

juist zoo zou hebben gehandeld! En zeg mij nu wat uw plan is.

—Het is zeer eenvoudig, mijnheer Chesterton! Gij behoeft van uw kant

niets anders te doen dan New-York te verlaten en een week weg te

blijven! Niemand mag echter het flauwste vermoeden van uw heengaan

koesteren!

—Met welk doel wilt gij mij wegzenden? vroeg Chesterton verwonderd.

—Ik wil uw plaats innemen! Gij zijt immers een vriend van de zeven

heeren, in wier gezelschap gij dezer dagen in het Central Park een rit

hebt gedaan met de lichtbeige auto van mijnheer Brain?

—Ja zeker, maar wat kan u dat voor nut zijn?

—Van meer nut dan gij denkt! antwoordde Raffles, ik beschik over

middelen die boven uw begrip gaan en ik zie veel meer dan gij ooit

zoudt kunnen zien. Inspecteur Flannagan valt natuurlijk buiten iedere

beschouwing, maar de anderen moeten in mij Richard Chesterton zien—en

de rest kunt gij aan mij overlaten.

—Maar dan is mijn hulp van negatieven aard! riep Chesterton

teleurgesteld uit.

—Ik zou u gaarne een meer daadwerkelijk aandeel in de jacht doen nemen,

hernam Raffles glimlachend, maar dat gaat nu eenmaal niet! En zeg mij

nu op den man af of gij mij op die wijze helpen wilt.

Chesterton dacht een oogenblik na, een oogenblik was het alsof hij

Raffles de hand wilde toesteken, hij bedacht zich, kreeg een kleur en

zeide slechts:—Het is goed—ik zal vertrekken zonder dat iemand er iets

van weet; ik weet niet hoe het komt, maar ik heb een gevoel alsof gij

zult slagen.

—Ik dank u! zeide Raffles, wiens gelaat een oogenblik verstrakt was,

toen de ander hem de hand wilde reiken en zich weder bedacht.

—Wanneer wilt u dat ik vertrek? vroeg Chesterton.

—Aanstonds; liever over tien minuten dan over een kwartier!

—Gij blijft dus in mijn huis.

—Ja—maar gij kunt al het geld en al het zilverwerk meenemen!

Weer verspreidde zich een dieproode kleur over het gelaat van

Chesterton, maar toen riep hij uit:

—Ik denk er niet aan om iets mee te nemen, ik vertrouw u!

—Zooals gij wilt! hernam Raffles koeltjes.

—Maar daar bedenk ik mij—gij lijkt in het geheel niet op mij.

—O! wees daar maar niet bezorgd over! Geef mij slechts een half uur en

ik zal op u gelijken, en gij zult meenen, uw spiegelbeeld te zien.

—Maar dan zullen er twee Chestertons zijn!

—Daar behoeft geen vrees voor te bestaan! Ik zal mij hier in deze kamer

verkleeden, gij trekt mijn overjas aan, zet mijn hoed op, neemt de

tasch waarin ik het een en ander heb medegebracht, doet mijn grijzen

baard en pruik aan en zet mijn gouden bril op! Ik zelf zal u wel

uitlaten en als een der bedienden u ziet, zal hij toch het bedrog in

dien korten tijd niet kunnen bemerken.

—En waar moet ik dan heengaan?

Lord Lister No. 0301: Het einde van een schrikbewind · 第 2 / 4 段